gazen tent geheel versierd met rose rozen,« sprak Ida, die juist iets
kwam vragen.
»En als de oudste juffrouw trouwt, laat ze in Friesland tegen de
vochtigheid daar, zeker zoo'n huis van luchtbanden bouwen, net als op
dien wagen van de autofabriek stond, jongejuffrouw?« vroeg Anton
lachende.
»Wie weet wat ze doet, maar haal me gauw die groote doos voor bloemen,
Mevrouw zegt dat jij ze 't best op zolder vinden kunt, Anton,« en weg
was ze om toch niet te veel van het gesprek binnen te missen; 't gesprek
over het glanspunt van dien 26n Mei, de intocht van Prinses Juliana!
* * * * *
»Zit je goed Coosje? Jij ook Marie?« aldus onderzocht Gladschaaf Jr.,
toen vrouw en zuster een uitnemend hoekje innamen, van waar ze over een
paar uur Prinsesjes blijde inkomst zouden aanschouwen.
»Wat een mooi gezicht al die vereenigingen en corporaties met hun
banieren langs het Damrak en hier op het Stationsplein; 't lijkt op den
intocht van de huldiging, vindt je niet Ferdinand?« vroeg zijn vrouw.
»O ja, daar heb je groot gelijk in en 't is zulk mooi weer!«
»Wat zag de Koningin er nog jong en lief uit.«
»H. M. is nog niet oud, al is het 12 jaar geleden en ze vertellen, dat
de Koningin er heel goed uitziet en weer veel jonger dan voor een paar
jaar.«
»Echte vrouwenpraatjes,« zei de jonge man; »Marie me dunkt het is een
historische datum vandaag, help me eens.«
»Zeker, 1578, Amsterdam verlaat de Spaansche zijde op 26 Mei; die
roemrijke omwenteling zonder bloedvergieten. Toen was het ook vol op den
Dam.«
»Je hebt gelijk, waar Naatje staat, bevond zich de wolwaag, daar
stormden de gewapenden uit naar het Stadhuis, en ze brachten de
vroedschap op de schuiten, die in het Damrak lagen bij de Papenbrug hè?«
»Juist zoo, Fer; en allen jammerden, want ze meenden men zou hen nu eens
verdrinken; maar ze werden alleen netjes aan den Diemerdijk gezet; 'k
zei van morgen tegen Vader: Zonder 26 Mei 1578 hadden we heden dezen dag
hier niet.«
»En wat zei Vader toen, Marie?«
»Wie weet kind! Wie weet! En hij voegde er bij:
Weg heeft Hij allerwegen
En middelen zonder tal,
Zijn doen is louter zegen.
Toen keerde hij zich om en ging uit.«
[Illustratie: De verlichte Westertoren te Amsterdam.]
Al pratende bemerkte dit drietal, hoe allengs de tijd verliep; en ze in
hun hoekje van alles konden waarnemen.
»Daar staat de gouden koets voor de koninklijke deur, Fer!«
»Ja, in 't Ochtendblad werd verzekerd, dat Prinses Juliana daarin zou
binnenrijden.«
»Wat is de Koningin toch beleefd en dankbaar; de eerste keer dat
het lieve Kind hier binnentrekt, gebruikt H. M. het geschenk der
Amsterdammers; evenals toen Prins Hendrik de eerste maal hier was; toen
is het Koninklijk Paar in de gouden koets naar den Schouwburg gereden.
Het leek wel een sprookje; zoo schilderachtig zaten die twee daarin, ik
zie het nog als ik m'n oogen toedoe.«
»Niet zoo familiaar _die twee_; Coosje, Coosje! Maar zeker zal de
Koningin het Prinsesje dan op Haar schoot nemen; dat zal ook een
sprookje lijken;« zei Marie.
»Houd stil! Gauw! hoor de muziek!« riep Gladschaaf thans.
»Kijk, kijk de Koningin draagt zelve Haar Kindje, hoe snoezig, hoe
moederlijk! Nu de koets in; daar zit ons Prinsesje op Moeders schoot!«
Het is een schoon, overweldigend oogenblik van hooge, nationale
geestdrift, het is niet te schilderen! Die jubelkreten, dat buigen
der vaandels en banieren, die honderdduizenden, dicht opeengepakt,
verlangend, reikhalzend om de jongste Oranjespruit te aanschouwen! En
stapvoets gaat de sprookjeskoets verder, door zes prachtige, zwarte
paarden getrokken, van den bok door den gepruikten koetsier gereden en à
la daumont bespannen. De Koningin neemt het handje van Haar Dochtertje
en laat het Haar juichenden Amsterdammers toewuiven; 't lijkt wel alsof
Prinsesje schik heeft in al dat gejubel.
Daar komt de stoet voor het paleis. De Koningin wendt het Prinsesje naar
rechts en laat Haar aan de Janmaats der eerewacht het eerste zien. Even
stilte, want de Koninklijke Familie heeft de gouden koets verlaten,
aller oogen richten zich naar het balcon.
Daar gaan de deuren weer open, de Koningin verschijnt, neemt plaats op
een zetel en toont de vorstelijke telg zittende op Haar Moeders schoot!
Even huilt de kleine, geen wonder! Zoovele stemmen, zoovele kreten, zulk
een gejubel zou een grooter kind ontstellen; maar 't is gauw over;
Moeders schoot is ook voor een vorstenkind de veiligste schuilplaats.
De menschen genieten van dien aanblik en jubelen het blozende,
allerliefste gezichtje tegen, dat verwonderde, groote oogen opzet of
naar Haar Koninklijke Moeder vertrouwelijk opziet.
Niemand werd het jubelen moe en zelfs toen de Koninklijke Familie naar
binnen ging klonken de hoera's nog helder en blij op!
Wel te rusten Prinses Juliana! We zien elkander weer!
* * * * *
De 2 kaarten van Papa worden niet vervijfvoudigd naar Lize's wensch,
doch dijen wel genoegzaam uit om de vrouwelijke oogen in staat te
stellen H. M. voor de aubade op het balcon te zien komen met Prinses
Juliana op Haar arm. Daar kijken de lieve, blauwe oogjes neer op die
duizenden tot #Haar# opgeheven, blijde gezichtjes. De vlaggetjes met
hun kransjes, (de firma Simons maakte ze in enkele dagen alle 8000, van
duizenden oranjebloempjes, groene blaadjes en een half millioen meter
lint) worden gezwaaid, de stemmetjes roepen Hoera! Hoezee! Oranje boven!
Leve 't Prinsesje, van alles, weer door Hoera's overstemd!
Maar de heer den Hertog heft den dirigeerstok op, na enkele oogenblikken
van stilte ruischt het echte, het geliefde volkslied door de lucht;
zang en orkest hebben coupletten van het Wilhelmus (nieuwe zetting)
geëindigd. Daar schalt het Oranjeliedje, gevolgd door Heye's vlaggelied
(getoonzet door Wilhelmus Smits.) Hadden die twee dàt eens beleefd; zóó
mooi gezongen; zóó vol gevoel, die verheerlijking van onze dierbare
driekleur, en nog wel voor zulke doorluchtige ooren, ter eere van het
aanvallige, afgebeden Kindje!
Reeds wordt het vlaggelied gevolgd door 't aardige versje, zóó gepast
voor deze gelegenheid vervaardigd: »Ons Prinsesje.« De kleine zangers en
zangeressen leggen er al hun liefde en geestdrift in, en Ons Prinsesje,
dat daar boven hen tegen de ruiten klopt, kiekeboe speelt of weer naar
al die kindertjes kijkt, neemt overal deel in op Haar manier. De dichter
Nijk en de componist den Hertog, die twee genoten, in levende lijve, van
hun welgeslaagde poëzie en muziek. Wel hebben de zangertjes hun best
gedaan, want onberispelijk heffen ze nogmaals het Wilhelmus aan, nu naar
de oude zetting en dat.... zonder orkest!
De Koningin blijft, zichtbaar ontroerd, even zwijgend toeven; daarna
laat H. M. de heeren Prof. Fabius, den Hertog, en Nijk bij zich nooden.
»Ja, Mama, die eerste is de professor, de tweede de heer die de maat
sloeg, ze gaan met een derde naar binnen; nu moeten we tot van avond
wachten eer we hooren wat de Koningin zegt.«
»Kijk Ida, Dora, Mademoiselle! daar komt de professor op den hoogen
stoel; hij roept wat door een koperen spreekbuis.« ('t Was een
scheepsroeper!) »De Koningin laat de kinderen zeer hartelijk bedanken,
dat ze zóó mooi en zóó treffend hebben gezongen; en de onderwijzers voor
de vele zorgen door hen aan het instudeeren besteed. De Koningin heeft
de aubade heel mooi gevonden!«
Die boodschap wordt met luid gejubel, gewuif en vlaggengezwaai van die
8000 jeugdige Nederlanders ontvangen. Nogmaals hoera! en hoezee! Leve 't
Prinsesje; en 4 aan 4 trekken ze de Nieuwe Kerk weer in, even ordelijk
als ze er uitgemarcheerd waren.--Alle kinderen ontvingen een portret van
het Koninklijk Gezin, opzettelijk vervaardigd voor deze gelegenheid.
»Jammer dat wij niet schoolgaan! hè Ida en Lize? Het Prinsesje staat er
zoo snoeperig lief op, Juliaantje steekt haar dikke poezelhandje in de
blouse der Koningin! Ze is om te stelen, zoo lief! Ga mee naar beneden,
het nichtje van Anna heeft meegezongen, zij is in de keuken om het haar
tante te laten zien; Anton riep mij daarvoor,« zoo uitte Dora haar
bewondering voor de koninklijke gift aan de zingende kinderen!
»Ja, het is allerbeelderigst!« betuigden de grooteren, »en de datum
staat er onder gedrukt en het is zoo lief op licht bruin karton afgezet;
't is wezenlijk fraai!«
Niet alleen H. M. onderhield zich met de 3 heeren, de Prins betuigde
zijn verbazing over de buitengewone eenheid in den zang van dit
reusachtig kinderkoor. Wel wist Z. K. H. dat de heer den Hertog 8 maal
met telkens 1000 kinderen gerepeteerd had, maar zulk een eenheid had
Z. K. H. voor deze uitvoering niet mogelijk geacht.
H. M. huldigde den heer den Hertog voor de toonzetting en uitvoering
van »Ons Prinsesje.« De Koningin sprak van de bekoring, die de tekst
van dit liedje op Haar had uitgeoefend; en ook verblijdde H. M. zich,
dat Prinses Juliana zich tijdens de uitvoering zoo goed had gehouden.
Dit laatste gaf gewis 't grootste genot aan de zingenden, reeds
opgetogen door de onderscheiding dat zij de Amsterdamsche schooljeugd
vertegenwoordigden en daarbij van ochtend de zoo mooi versierde Dam heel
alleen voor hen was.
»Al worre me kindere 100 jaar, ze vergete van daag nooit meheer,«
zoo sprak een moeder uit het volk, die vóór 8 uur bij den Dam was
met de kleintjes, en den vorigen dag, daar op het trottoir, met allen
gekampeerd had van 8 tot 5½ uur om alles te zien, slechts nu en dan op
den rand gezeten om van het meegebrachte brood en de flesch koude koffie
te gebruiken.
In de Van Speykzaal sliep ons Prinsesje zeker rustig en goed, al weet
Zij in de eerste jaren nog niet wie de meubelen daarvan bestelde; n.l.
Z. M. Willem III, en dat, toen de Kon. Tapijtfabriek te Deventer schreef
geen tapijt in enkel rood en zwart, voor die zaal passende en dat de
fabriek eer aan zou doen, te kunnen leveren, dat toen Z. M. zelf een
teekening ontwierp, waarnaar het kleed in de Amsterdamsche kleuren
vervaardigd werd en ook Koning Leopold behaagde, toen deze vorst in
1883 door Z. M. ten paleize alhier ontvangen werd. Het vervaarlijk
groote ruiterbeeld van Koning Willem II stond toen nog in de groote
zaal, waarboven de vlag van Chassé hing, die vlag werd door Leopold II
opzettelijk gegroet. Hij zeide: »Hulde aan den dappere!«
»Vooruit dan,« zou Louis roepen en hij heeft gelijk. Daar staat het
hofrijtuig en Prinses Juliana rijdt met Freule van der Poll en juffrouw
Manting uit. Voor het eerst komt de wacht in het geweer voor de Prinses
alléén! Wacht maar! Nu draait Zij het hoofdje slechts om naar de mannen
in uniform, over een paar jaar, zal Juliana, net als ons Prinsesje
Wilhelmientje, de wapens groeten met haar handje. »Ze keek naar ons,
zag jullie het wel?« zoo vraagt men elkaar. En onwillekeurig komt de
geschiedenis van den schildwacht bij den tuin van het Noord-Einde op het
tapijt.
Daar in een eenzaam hoekje op post, ziet hij de verpleegster met
't Prinsesje op den arm in den tuin komen; goed soldaat als hij is,
presenteert hij het geweer. De zuster ziet er niets van, de kleine
Hoogheid nog minder, doch Prins Hendrik, juist voor een der ramen in
den achtergevel, merkt het op. De schildwacht wordt afgelost en moet op
orde van H. M. (aan wie Z. H. het verteld had) in het paleis komen. De
Prins prijst zijn gevoel van gehoorzaamheid, en uit naam der Koningin
ter gedachtenis aan het feit dat de Prinses heel alleen een eersten
militairen groet ontving biedt Z. H. hem de keus aan tusschen een
juweelen dasspeld en een gouden horloge met toepasselijk inschrift.
Waarheen is de Prinses intusschen getogen? Naar het Vondelpark; heeren
bestuurders van dit park, door rijke en vermogende Amsterdammers voor
hun stadgenooten aangelegd en onderhouden, hebben H. M. een afgerasterd
gedeelte tot kindertuin voor ons Prinsesje aangeboden tijdens Haar
verblijf in ons midden. Dankbaar aanvaardde H. M. deze vriendelijke
schikking. Daar kan het lieve Kindje zonder gedrang of gedruisch
frissche lucht genieten. En waarin rijdt Prinses Juliana rond? In den
Zeeuwschen wagen. 't Is te hopen dat de Zeeuwen van de Zanghulde dit
eens gaan zien, ze zullen er in groeien! Wij Amsterdammers althans
vinden het uitnemend dat de Prinses in onze wieg rustte, al bood Moeders
eigen kinder-slaapstede Haar voor den nacht een gezelliger hoekje.
Soms tweemaal per dag gaat het lieve Kindje naar haar tuin; op het
gras dicht bij den vijver wordt Haar wagen gereden en kijkt Zij naar
de zwanen. Op heen- en terugtocht altijd honderden om ons Prinsesje te
zien. Eens, daar bemerkt het scherpziend oog eener moeder, dat de kleine
Prinses op weg naar huis begint te knikkebollen. »Ze is zeker moe, laten
we niet hoera roepen!« Dit liefdevol besluit vindt dadelijk instemming.
Zij legt haar vinger op den mond, dit wordt nagevolgd; de wacht wordt
gewaarschuwd en komt naar buiten, doch de trom zwijgt, en ingesluimerd
wordt het Liefje naar binnen gedragen. Zoo vindt de wacht het ook goed,
al kregen ze er al schik in, dat Prinses Juliana soms naar hen omkijkt
over den schouder der verpleegster heen.
»Gauw, gauw! Jan en Louis,« roept een hunner vrindjes, die juist
vernomen heeft, hoe ons Prinsesje van morgen niet naar het Vondelpark
rijdt en op weg is naar Artis. »Gauw, jongens! gauw op de fiets dwars
door de Jodenbuurt zijn wij er nog eer!« Heelemaal lukte dit niet, maar
toch zat Haar Hoogheid pas in den witten wagen, toen de knapen hun fiets
stalden; doch H. M. die Zelve Haar Dochtertje bracht, Die hadden ze niet
herkend in de eenvoudig gekleede dame, die naast den wagen ging.
»Gaat Prinsesje eerst naar het mooie apenhuis, wat denk je Jan?«
»Neen, Louis, die maken soms zoo'n geschreeuw--en dan kon ze wel eens
schrikken; Ze zal de eendjes voeren.«
En zoo ging het ook. Bij den vijver gekomen nam uit een mandje
Prinsesjes handje stukjes brood; doch als alle kleintjes, stak Prinsesje
eerst wat in het eigen mondje; en bij den zwanenvijver gooide Zij onder
luide toejuiching het heele mandje al zwaaiende in den vijver. Een
kiekje werd van H. K. H. genomen op den arm van zuster Manting. Daarna
met Freule v. d. Poll tusschen de steenen, liggende beelden gezeten,
werden twee lorretjes met hun standaards bij Prinsesje neergezet. Groote
oogjes zette 't Prinsesje op, als die kromme snavels in het geweekte
brood pikten en als ze hun mooie gekuifde koppen weer oplichtten, dan
strekte de Kleine de handjes uit van pret.
»Kijk Jan! die is ferm hè?«
»Goed zoo, 't komt niet te pas,« zei hij.
Deze tweespraak betrof een juffrouw, die den wagen naderde en van 't
Prinsesje een handje wilde hebben en voor die vrijpostigheid met de
parasol van freule v. d. Poll, welke de lakei droeg, een tikje op haar
vingers kreeg.
De freule schudt weldra de lakentjes en 't dekentje uit, want de kleine
Hoogheid had wat gekruimeld, dekt alles met een fraai wagenkleedje toe
en begeeft zich daarna met de kinderjuffrouw, die het Prinsesje op haar
arm draagt, naar den Aquarium-uitgang, waar het hofrijtuig en een groote
menigte het Kindje opwachten.
Het publiek, onderwijl veel talrijker geworden, gedroeg zich niet
altijd zeer bescheiden, holde zelfs over grasperken heen, om dichtbij te
komen; doch vergeeflijk was het misschien? omdat Ons Prinsesje pas voor
de eerste maal in Amsterdam en in Artis kwam!
Kom vaak terug, lief Kindje! Bezoek dikwijls onze geheel eenige, en zoo
rijke diergaarde!
»Daar is oom de burgemeester, en Jets aanstaande schoonpapa! Die gaan
morgen naar het paleis voor de Cour van gelukwensching,« zoo verklaarde
Lize bij de aankomst der twee eerste gasten, die van Amsterdams jubelen
kwamen genieten. Niet alleen bij Dora's ouders, bij tal van andere
Amsterdammers namen bloedverwanten of vrienden hun intrek, heden voor
de Zanghulde, en later om den optocht en de illuminatie te zien.
Van het allerschoonste, het geheel eenige, dat de laatste te zien
zal geven, kunnen we reeds genieten, van onzen Westertoren! Hoe
onbeschrijflijk lieflijk en teeder schittert die goudglans, en geeft
van omloop en trans, van kroon en kruis den omtrek nauwkeurig weer!
De donkere toren is er als achter verdwenen en wordt slechts, als het
uur slaat en de lichtjes dooven, weder als reusachtige, sombere massa
zichtbaar! Maar dadelijk daarna gloeien ze weer aan de 5000 lichten, en
pralen in stillen gloed, sprekende van Amstels blijdschap, nu Prinses
Juliana voor het eerst binnen de gordel der 3 koninklijke grachten
sluimert.
Nooit of nimmer heeft de gevel van ons statig paleis op den Dam zulk een
gejubel van geestdrift gehoord, als toen H. M. met Prinses Juliana op
den arm het balcon betrad. 't Leek wel of die 6000 dames en heeren uit
alle oorden des lands met die 4000 kinderen alleen daartoe hier gekomen
waren om voor Koningin en Prinses te juichen!
Maar 't doel hunner tegenwoordigheid reeds lang te voren vastgesteld
is een zanghulde! Een Oranje-Nassau-Cantate op muziek van den heer
M. H. van 't Kruys met woorden van den heer P. Landsman zal worden
voorgedragen. Eén generale repetitie hield men van morgen achter
Oranje-Nassau. En thans, Prinses Juliana zichtbaar voor een der ramen,
H. M. en Z. K. H. gezeten op het balcon, daar klinkt de oproep:
»Blaast de bazuin, juicht nu vroolijk gij landen,
Volk van de zee en gij volk van de stranden,
Volken in Oost en in West!«
Zij zullen ze lezen in Oost en West, die schoone Feest-Cantate en
lezende zullen ze genieten. Maar daar, onder die heerlijke Meizon te
hooren, hoe de paleisklokken den zang der kinderen daar van uit den
koepel inluiden, hoe ze mede instemmen die muziekkorpsen, in dien
feestzang! Dien zang zoo te hooren, uit naam van gansch een volk
toegezongen aan Neerlands Koningin, toegezongen aan de Koningin, als
Moeder, toegezongen aan den Prins-Gemaal, als Vader, toegezongen op
huppelende tonen door de kinderen aan hun Prinsesje Juliana, toegezongen
aan de (afwezige) geliefde Koningin-Moeder, eenmaal Koningin-Regentes,
nu Koningin-Grootmoeder, 't is en blijft onbeschrijflijk, hoe die zang
daar onder den vrijen hemel opklonk; en hoe de zangers bezield door
Vondel met den Vlissinger in bond, in naam van de geheele natie, het
hart verheffen in hun zang tot Aller Heeren Heer! om Hem te danken en
hoe zij verklaren nimmer Zijn liefde en trouw te willen vergeten!
Niet minder geroerd dan 's morgens luistert het Koninklijk Echtpaar toe
en volgt aandachtig den tekst der Cantate.
't Is voorbij! De laatste woorden, »Willem van Nassau,« zijn gezongen,
de laatste tonen smelten weg. De zanghulde is geëindigd!--
Prof. Fabius en de heer Van 't Kruys worden bij H. M. ontboden, de
dirigent-componist heeft de vriendelijkste gelukwenschen in ontvangst
te nemen, Prof. Fabius krijgt in opdracht namens H. M. in de warmste
bewoordingen aan alle deelnemers Hr. Ms. hartelijken dank over te
brengen voor die uitvoering, voor die uitnemend geslaagde zanghulde,
en Hr. Ms. blijdschap te betuigen dat er #uit alle deelen des lands#
deelnemers voor deze zanghulde zijn opgekomen!
Een luide ovatie beantwoordt Hr. Ms. boodschap en allen trekken in rijen
van 4 al groetende voorbij het balcon, steeds teruggegroet door H. M.,
Z. K. H. en het snoezige Prinsesje, die nu eens in het rechter, dan weer
in het linkerhandje met een klein wit zakdoekje wuift; het gansche half
uur, dat het voorbijtrekken duurt.
Prins Hendrik schijnt schik te hebben in het fanfarencorps »St.
Caecilia« der Volendammers in hun eigenaardige kleedij gedost met
de Astrakan mutsen op het hoofd. Kwartier over zessen gaan H. M. en
Z. K. H. weer naar binnen;--zeker zal die zanghulde nog menigmaal het
onderwerp van Hun gesprek zijn.
* * * * *
»De Koningin heeft het geducht druk dezer dagen. Zaterdag, evenals
Vrijdagmorgen, de Cour van gelukwensching ten hove; en 's namiddags
de rijtoeren, maar niet tot verfrissching of om uit te rusten,
Zaterdagavond de raout; 70 dames werden in de troonzaal aan H. M.
voorgesteld en toen zaten of stonden de Koningin en de Prins in de
Burgerzaal tot half twaalf; en met tal van personen onderhield zich
H. M., die met de sieraden van het Nationale huldeblijk van '98 getooid
was.«
»Papa, waarover sprak de Koningin wel met die heeren?« vroeg Jet.
»Daar er geen audiëntie plaats had, kon H. M. dezen en genen niet
bedanken voor al de feestelijkheden hier ter stede ter eere van H. M.
en Prinses Juliana; zoo o. a. ontving de heer C. W. R. Scholten als
voorzitter der Vondelparkcommissie Hr. Ms. bijzonderen dank voor den
vriendelijken afstand van een deel van dat park als Prinsesjes tuin; zoo
onderhield de Prins zich ook met de heeren der feestcommissie en roemde
hoogelijk deze heerlijke week.«
»Toen de Koningin en de Prins de Burgerzaal verlieten wendde H. M. zich
nogmaals tot Hare gasten en groette allen met een diepe buiging.«
»H. M. buigt zeer bevallig niet waar, Mama?«
»Zoo is het, Ida. Heb je gisteren in Artis het Koninklijk Echtpaar ook
nog gezien?«
»Ja, Mama; en de jongens ook in de Kerk; Louis wou, dat de Koningin
elken Zondagmorgen hier kerkte.«
»Waarom, jongste zoon?«
»Omdat de dominee zoo kort preekte, Mama.«
»Foei! Louis, vindt jij het niet heerlijk om naar de kerk te gaan,«
vroeg zijn jongste zus.
»Neen, niet als ik er niets van begrijp, wel als de dominé uit den
Bijbel preekt, dan is 't mooi.«
»Ze preken altijd uit den Bijbel, jongen, maar je bedoelt zeker over een
geschiedenis;« zeide zijn Grootmama.
»Was het prachtig op de raout, Amélie?« vervolgde de oude dame.
»Ja, Mama. Fijne toiletten, niet te veel geschitter van paarlen en
juweelen; vele heeren in rokken, vele ook in hofcostuum en dan de
hoofdofficieren in groot tenue, en Roomsche geestelijken in purperen
kleedij maakten het schouwspel zeer belangwekkend.«
Deze en dergelijke gesprekken kortten den tijd, waarin men op den
historisch-allegorischen optocht wachtte bij Dora's ouders, waar hij al
vroeg voorbijtrok; oom de burgemeester en de Friesche baron namen de
meisjes mede om nog eens en nog eens op straat den stoet te zien voorbij
trekken. Het ambtsgewaad van eerstgenoemde, dat hij om de nichtjes te
plezieren had aangetrokken, deed menigeen voor het zestal ruimte maken,
temeer daar Jetje's aanstaande schoonvader zijn kolonelsuniform van
vroeger had aangedaan.
Bij de Gladschaafs was men ook al vroeg bijeen om van het kleurenrijk
voorbijtrekken toch ten volle te genieten.
»Nog nooit leenden zich _in Amsterdam_ echte, jonge dames tot
opluistering van een stoet. Heeren, zelfs van onze patriciërs, vormden
vaak een eerewacht; maar zooals heden, de optocht ter eere van Prinses
Juliana's komst in ons midden, neen! zoo is 't bij menschenheugenis hier
nooit gebeurd,« zei de vader.
Ziet ze daar voorbijtrekken, deftig opgezeten, terwijl ze of vriendelijk
buigen voor het gejuich, of bekenden groeten met gebaar of blik; in
die rijke dracht der XVI en XVII eeuw, vormen ze een levend stuk
geschiedenis. Zoo oordeelen allen, die zich de moeite getroost hebben,
het programma der opstelling vooraf goed over te lezen. En ze leven als
voor ons oog op, die droeve èn die glorierijke dagen!
Een Egmond en Hoorne onthoofd, een Willem van Oranje vermoord, zoowel
als zijn vertegenwoordigers, een Ripperda, een Ruichaver, een Cabeliau,
een Van der Does, en een Van der Werff, burgemeesters en bevelhebbers
van belegerde vesten.
Een Amsterdammer als De Rijck met een Treslong en Boisot, vergezeld van
hun Watergeuzen, ze roepen Gods beproevende en reddende hand voor onze
aandacht.
Daar is het tweetal, die Willems werk voortzetten; Maurits en Willem
Lodewijk, door tal van door hen gevormde krijgslieden omgeven. En de
heer Van Dieden draagt de banier niet minder fier, dan toen hij Wezel
verraste en zoo den Stedendwinger in staat stelde te kunnen uitroepen:
»Dit Bosch is mijn!« En wat al vreemdelingen en groote heeren verdringen
zich om hem, die wel den Vrede van Munster niet meer beleefde, maar
wist, dat die niet verre meer was.
Hoe aardig stellen die in het witgehulde jonge dames dien vrede voor.
Jammer dat de wagen en zijn hoog toestel niet bestand is tegen het
schokken op de keien, en het op en afgaan der hooge bruggen. Ach, de
Vrede van Munster bracht geen voortdurende rust, en dit zijn zinnebeeld,
werd zelfs door pieken gestut! en moest een poos uit den stoet
verwijderd worden!