mooi onthouden?
»Ik vind het merkwaardig,« ging Mijnheer voort, »dat de koloniën zoo vol
belangstelling medeleven met 't Moederland. De gouverneur van Suriname
stelde f 1000 ter beschikking voor feestelijkheden en die van Curaçao
f 500 en er werd bij bepaald, dat het Lazarushuis van St. Eustatius
daarin ook moest deelen.«
»Wat is dat voor een huis, Henk?«
»Een gesticht voor melaatschen, die arme ongeneeslijken worden daar
liefdevol verpleegd.«
»Hoe treffend dat aan armen en ongelukkigen en zulke beklagelijke
menschen gedacht wordt, omdat 't heele volk zich verheugt! 't Is toch
maar een zegen om in een Christenland te wonen;« besloot Mevrouw. »Hier
zullen we geen bijzondere feesten hebben vóór dat ons lief Prinsesje in
Amsterdam komt; dus zullen we Dora nu naar bed zenden en moeten allen
met haar leeren wachten en geduld oefenen tot April 1910!«
* * * * *
De Zomermaand bracht heerlijke dagen, en Dora, gelukkig niet ongesteld,
zag een hartewensch bevredigd, toen zij bij Grootmama met Mademoiselle
en de zussen, vertoevende, zag hoe de grootmeesteres in de koets het
Koninklijke wichtje ophief om het aan de saamgestroomde, wachtende
menigte te toonen; toen ons Prinsesje naar de Willemskerk gereden werd,
om aldaar het teeken van den Heiligen Doop te ontvangen; dezelfde kerk,
waarin onze Koningin ook gedoopt werd.
Wel aanschouwde de kleine meid niets van de pracht ten toon gespreid
in de ambtsgewaden van alle grootwaardigheidsbekleeders, die als
genoodigden of vertegenwoordigers hunner souvereinen daar bijeen waren;
maar naar dàt schouwspel ging haar kinderhart niet uit.
Te gretiger luisterde zij naar het verhaal bij Grootmoeder aan tafel.
Onder plechtig gezang kwamen H.H. M.M. en Z.K.H. de kerk binnen, en
namen, als gewone menschen, plaats op de stoelenrij tegenover den
preekstoel. Slechts met groen (zonder bloemen) uit H. M.'s park
afkomstig was de kerk stemmig voor de plechtigheid versierd.
Dr. Gerretsen, waarnemend hofprediker, preekte op uitnemende wijze.
Z. W. E. W. las het geheele doopsformulier met de beide gebeden, en
plechtig weerklonken de namen onzer geliefde Prinses: Juliana, Louise,
Maria, Emma, Wilhelmina, vóór de Naam des Drieëenigen werd uitgesproken.
Als elk kind, zonder titulatuur werd het Vorstelijke wichtje als dooplid
bij de Kerk gevoegd. God vervulle in Zijn genade de gezongen zegenbede
van Psalm 134 vers 3.
H. M. hield het Prinsesje al dien tijd in Haar armen; daarna kuste H. M.
het lieve Kindje en hield het daartoe ook den Prins-Gemaal voor. Toen
pas werd de Prinses met hetzelfde ceremoniëel weggedragen, als Zij
gekomen was.
Gustaaf, voor dien Zaterdag, 5 Juni, overgewipt naar de Hofstad, kwam
de meisjes halen; hij had haar een plaatsje bereid, van waar ze H.H.
M.M. en Z. K. H. het paleis konden zien binnengaan bij de terugkomst uit
de kerk.
Aan het gejubel scheen geen einde te komen, toen de dierbare Vorstin,
aan den arm van Haar Gemaal, voor de vensters verscheen; het begon
opnieuw toen Koningin Emma Haar Kleindochtertje toonde aan de verheugde
schare, en ten teeken van groetenis het lieve, kleine handje ophief.
»Heerlijkjes Guus, eenig lief van je,« zei Doraatje met een omhelzing.
»Heb jij het ook goed gezien?«
»Met jou op zijn hoofd, hoe kon hij dan zelf zien?« riep Lize uit.
Een nieuwe omhelzing en liefkoozingen, als ware hij nog een kleine
jongen, beloonde den grooten broer voor zijn zelfverloochening.
* * * * *
Het Zondagsch koffieuurtje bracht bij den ouden Gladschaaf alle kinderen
om de tafel, en het Prinsesje er op zooals het zeggen luidt. Over niets
anders liep het gesprek dan over de doopplechtigheid die plaats had
gegrepen, over wat daarbij gesproken en voorgevallen was.
Moeder Gladschaaf was maar innig dankbaar, zeide zij, dat de lieve
Moeder gelukkig bewaard was geworden, toen de paarden schrikten, »het is
al acht dagen geleden, we kunnen nu hopen, dat H.M. en het Kleintje er
geen gevolgen van ondervonden,« voegde zij er bij.
Nog een oogenblikje luisteren we aan de koffietafel. »Vader,« aldus
Maria, »was u niet blij, dat Dr. Gerretsen van Juliana van Stolberg
sprak, de vrome moeder van den eenigen Willem I. »Zonder Juliana van
Stolberg geen Prins Willem van Oranje; zonder Willem van Oranje geen
vrijheidsoorlog; zonder vrijheidsoorlog geen vrijheid; zonder vrijheid
geen Nederland!« zoo stond het in de courant. En die vrijheidsoorlog in
de dagen van den Prins, was om vrijheid van godsdienst, zei de Prins
niet: »Liever dijken en dammen doorgestoken, de molens in vlam gezet en
op schepen aan gene zijde der zee een nieuw vaderland gezocht, dan Gods
Woord opgeofferd.« Kijk me niet hoofdschuddend aan Fer! het is zóó, al
was het maar een plan om het volk in de bangste jaren voor vertwijfelen
te bewaren. Alles opgeven, alles verzaken, behalve het Woord Gods dat
was en bleef 's Prinsen leuze na 1572. Heeft Filips zelfs niet eens bij
langdurige vredesonderhandelingen den Prins aangeboden, Oranje alle
bezittingen buiten de Nederlanden gelegen terug te geven, zijn voor
ons gemaakte schulden te betalen en.... Filips Willem de vrijheid te
schenken, als de Prins zijn handen maar van de oproerlingen (zei hij)
aftrok, hun noch raad, noch bijstand schonk. En hij, Willem van Oranje,
had zelfs zijn zoon niet liever dan de verdrukten in dit land; o, ja!
Prins Willem was zijner vrome moeder waardig!«--»Zeg liever kind: Op
dezen prins kunnen we het woord van Jezus _niet_ toepassen: »Die zoon
of dochter lief heeft boven Mij, is mijns niet waardig. Gode daarvoor
de eere!«...
»Moge onder de trouwe leiding van onze Koningin, Haar Prinselijken
Gemaal, Haar vrome Moeder, onze jonge Prinses opwassen in oprechte
godsvrucht; worde Haar naam eens met eere genoemd onder die vele vrome
vorstinnen, waaraan 't Oranjehuis steeds zoo rijk is geweest!«
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK V.
Een jubelende Stad.
(Van 26 Mei-2 Juni 1910.)
»Wat duurt een jaar toch vreeselijk lang!« zoo klaagt Dora op Kerstdag
1909. »Verleden Kerstfeest mocht ik niet naar de kerk om mijn
verkoudheid en van 't jaar mag ik nog niet op Oudejaarsavond opblijven,
omdat ik _pas_ 7 werd!«
»Je hebt 't hard, zusje! Met ons is 't net zoo gegaan; behalve dat wij
niet naar zooveel pleziertjes mee mochten als jij; want toen was Guus
een jongen en Jet bezat nog geen Sjoerd om te vragen voor haar en ook
voor de kleintjes; wees maar getroost, als je 10 wordt ga je mee naar
de avondkerk en blijft tot over 12 uur op!«
Veel uitwerking oefende deze troostrede niet; de afleiding door Jans
verhalen over alles en nog wat hielp veel beter. Lize, ruim 4 jaar
ouder, tamelijk ontwikkeld, heel flink voor haar leeftijd, kon niet meer
zoo in alles met Dora meedoen; daardoor voelde de kleine meid zich soms
eenzaam; al bleef ze ieders speelpop en liefling; terwijl Mama wel
zorgde, dat ze niet bedorven werd.
Eén onderwerp vooral kwelde, met steeds wederkeerend en vermeerderend
ongeduld haar kleine hersens, n.l. 't verlangen om #ons Prinsesje in
Amsterdam# te hebben. Als Dora daarover begon, kwam er niet spoedig een
eind aan. In Den Haag had ze #Het Liefje# zien voorbijrijden, toen ze
gedoopt zou worden; maar die Hagenaars zagen Juliana, (ze zei meestal
familiaar Juliaantje) meest alle dagen! En op Apeldoorn ging het
ook al zoo. Nu eens het Prinsesje met freule van der Poll en haar
kinderjuffrouw en dan eens, veel mooier: Juliana op den schoot der
Koningin in 't rijtuig.
't Heugde Dora als gisteren: dat op een zonnigen dag even voor 12 uur
H. M. met Haar Dochtertje de Koningsschool[3] te Apeldoorn voorbijreed;
daar stormde de jeugd juist naar buiten. »Hoera! Prinses Juliana!«
en roepend omstuwden ze het hofrijtuig, tot groot vermaak der kleine
Prinses. Luid kraaide Zij en schudde, uit eigen beweging, zoo hard Zij
maar kon Haar rammelaar!--»Hè! zoo iets moois moest ik eens beleven,
zoo _heel gewoontjes_ de Koningin en het Prinsesje vlak bij te zien;«
riep Dora uit toen Gustaaf, de wandelende courant, haar dit berichtje
vertelde; en haar verlangen naar de komst in Amsterdam, van #ons
Prinsesje#, het snoezige Juliaantje, nam gestadig toe, al zou het dan
niets gewoontjes wezen.
[3] School door Z. M. koning Willem III gesticht voor de kinderen van
allen, die op het Paleis of in het Park op 't Loo dienst doen.
Daar vertelt Papa op zekeren dag aan tafel:
»'t Is beslist, de Koningin, de Prins en de Prinses komen 26 Mei in
Amsterdam.«--Spijt alle goede manieren, gooide Dora vork en mes neer en
danste uitgelaten van blijdschap de kamer rond. Papa's lachlust redde
haar van straf.
»Dat belooft wat als we zoo ver zijn,« merkte Mademoiselle met een zucht
op; doch Mevrouw stelde haar gerust. »Dora is eerst uitgelaten in het
vooruitzicht van eenig lang gewenscht genot, Mademoiselle; maar dan
gaat ze er over denken, zich alles en nog wat daarvan voorstellen; en
feitelijk geniet ze dan vooruit, onderwijl en naderhand; maar meer in
stilte; zoo is ze altijd geweest, het lieve kind.«
In alle kringen loopen weldra de gesprekken over niemand anders dan
H. M. en Prinses Juliana. Hoe Haar te ontvangen, wat men zal doen, wie
mee zal werken, waar alle vreugdebetoon zal plaats vinden? Wel ging het
niet toe als in Almen ten tijde van den Hoofdigen Boer, waar men het 3
maal 30 dagen had over: palen, balken en planken en weer 3 maal 30 dagen
lang over: balken, planken en palen; maar toch men leest geen dag- of
weekblad, men hoort van geen vergadering of men denkt aan de komende
feestweek; en als Mei in het land komt ziet men al hier en daar allerlei
toebereidselen maken.
In den Gemeenteraad krijgt een mooi plan zijn beslag, en het middelpunt
van alle feestelijkheden De Dam vaart daar wel bij. Drie dagen vóór
H. M. komt, heeft Mademoiselle reeds beloofd de dagelijksche wandelingen
in ontdekkingstochtjes te herscheppen; en, door mijnheer gerustgesteld
omtrent haar eigen veiligheid en die harer leerlingen, zou men allerlei
buurten doorkruisen.
»Maandag, 23 Mei, slag bij Heiligerlee,« zegt Lize met een blijden
lach »en wij, Oranje ter eere! naar.... ja, waarheen? Wat is klaar,
Gustaaf?«--»De Dam pas Donderdagochtend, in de Kalverstraat is men
nog druk aan 't werk. Gaat naar de nieuwe wijken, daar is veel gereed.
Mademoiselle, begint u maar met de brug aan de Ferdinand Bolstraat, dan
langs de Stadhouderskade naar het Rijksmuseum, 't hoofdkantoor van de
tram, over Leidsche- en Koningsplein naar de Doelenstraat, zoo naar de
Jodenbuurt, door de Hoogstraten naar de Warmoesstraat en over de Nieuwe
Brug langs 't Damrak naar het Rokin en dan naar »de Bocht« en naar huis;
dat is een tocht voor van daag; u moet tusschenbeide een eindje trammen
doch 't is warm genoeg _met_ de meisjes #buiten op#. Veel genoegen
kleintjes!« sprak zeer beschermend de oudste broeder.
De aangegeven weg door Lize vlugjes opgeteekend geeft groote voldoening
aan de wandelaarsters. De brug over de Stadhouderskade gaf zoo iets
geheel anders te zien dan naar gewoonte. Ida teekende die in haar
zakboekje aan onder 't opschrift: »de illuminatie.«
»Die 5 eerepoorten tusschen het Rijksmuseum en de IJsclub, wat zijn die
mooi en overal reuzen van J's; de 3 Amsterdamsche kruisen met franjes;
en die zuilen zoo mooi wit geschilderd; en al die deviezen, 't is eenig
fraai,« roept Lize telkens uit.
»Zal de Koningin ze lezen, eerst: »Dieu aide Orange!« en dan die 9
andere?« vraagt Dora.
»'t Rijtuig zou dan stil moeten houden, en daarvoor heeft H. M. geen
tijd,« zegt Mademoiselle.
»Is 't niet jammer, als alles zoo gauw voorbijgereden wordt en de
Koningin onderwijl nog zoo onophoudelijk buigen en groeten moet,
Mademoiselle?«
»Dora, men zal de Koningin wel van alles verteld hebben of afbeeldingen
er van geven; maar als jelui hier zoo blijft studeeren, komen we niet
verder; vraagt de Hollandsche juffrouw er maar naar; die kent die
spreuken op haar duimpje.«
»Ida, schrijf je dit op, om bij de illuminatie te gaan zien?«
»Neen, die Latijnsche spreuk: »Saevis tranquillus in undis«, schrijf ik
op. Ze komt me bekend voor. Is ze van Maurits of Prins Willem, Lize?«
»Saevis is sauvé; tranquillus is tranquille; undis is ondes; dat zou wel
kunnen wezen. »Gered, veilig in de baren;« maar mee, gauw, Mademoiselle
is vooruit, pas op, maak haar niet boos.«
Kijk, voor het kantoor der trams net een brug; een tram zoo groot als
een echte er midden op, niets ontbreekt aan het vernuftige latwerk, wit
en oranje van kleur, met groen en vlaggen gesierd. De meisjes blijven
staan om te bewonderen; Dora begint de electrische knoppen te tellen,
die den avond in dag zullen veranderen. Een heer ziet het opgetogen,
aardige drietal en vertelt ze, dat het personeel van de bureaux alles
zelf bedacht heeft, dat die doorvaart 12 M. wijd is, de lantaarns op de
brug 5 M. hoog zijn en 's avonds, alles schitterend geïllumineerd, door
H. M., door den Prins en Koningin Emma bewonderd zal worden, maar niet
door ons Prinsesje, die moet in Haar wiegje.
»Naar de Leidsche straat, Mademoiselle!« zegt Lize en weldra valt het
»Welkom Prinses Juliana« allen in het oog; de wapendragers aan de
huizen met de verdere gevelversiering van sparregroen en de vlaggen er
tusschen in, staan allerliefst. Daar is de Heerengracht met de vierkante
kronen aan kabels opgehangen; »jammer dat die niet Oranje, rood, wit of
blauw zijn geverfd, vindt je ook niet, Ida? Zou men touw kunnen verven,
Mademoiselle?«
»Ik weet het niet, maar als die vierkante daken leeg blijven hangen, zal
't raar staan.«
»Er komen oranjekleurige lampions als omgekeerde kronen in te hangen,«
verzekert Gustaaf; »het zal 's avonds mooier wezen dan over dag,«
beslist Lize.
't Hotel l' Europe vindt beter genade in de oogen der wandelaarsters,
die verklaarden geen vermoeienis te voelen. En 't eilandje in de
Kloveniersburgwal, waarvan een oud heer, die juist zijn woning verlaat
om naar de beurs te gaan haar vertelt, dit aardige stukje gronds is 12
bij 21 M. en het lichtstuk in het midden, tot 12 Meter hoog, zal zelfs
op 't Rembrandtplein gezien worden.
Door Hoog- en Damstraat wordt weldra de Vijgendam bereikt; daar vertoont
een geschilderd baldakijn H. M. in 1890 en in 1898 met Koningin Emma
tusschen beide beeltenissen in, terwijl de achterkant de opening van
het Merwede-kanaal voorstelt. Alle andere baldakijns spreken ons van
de Nederlandsche koningen en enkele hunner daden. Koning Willem III
in de Bommelerwaard, en H. M. met Z. K. H. in Zeeland, beide bij de
overstroomingen, de eerste in 't bootje en dezen uit de auto stappende,
zijn treffend afgemaald! Waterloo's slag, naar Pienemans stuk, vertoont
de achterzijde van Willem II en Anna Paulowna, en de Scheveningsche bom,
die den Oranjevorst in 1813 terugvoert, brengt ons aan het uiteinde der
Warmoesstraat, langs welker gevels kleine onderling verbonden schilden
de namen te lezen geven veler steden en dorpen, terwijl hun eigenaardige
nijverheid door de benoodigde werktuigen wordt voorgesteld.
Toen van het Centraal-Station naar huis.
Den volgenden dag krijgt de Hooge Sluis een, beurt van de meisjes, van
nabij een boot vol bloemen gelijk, zien ze van de Magere brug, dat zij
een groote kabelbrug voorstelt, die bij de illuminatie een betooverenden
aanblik zal bieden.
Straten en grachten van Haarlemmerpoort en van Lennepkwartier, van
Plantage en Muiderpoort werden bezocht; en altijd weer nieuwe verbazing
over zooveel verscheidenheid en vindingrijkheid in boog en guirlande,
kroon en ornament, ten toon gespreid.
Hoe eenig schoon van Spui tot Heiligen weg die luchtige, groote,
vergulde kronen, die in een priëel van groene slingers opgehangen,
zelven boven sierlijke gulden bloemenmanden zweven. »Als de electrische
gloeilichten daar 's avonds bij ontstoken worden, zal dat eind
Kalverstraat een tooverpaleis gelijken,« meent Mademoiselle.
»Eindelijk! Daar is de Dam, als we die eerepoort door zijn.«--»'t Is
geen eerepoort, Lize; kijk maar 't is een deel van de Damversiering.«
»Ik zie den Dam niet meer, wel het Paleis en Naatje maar anders is de
Dam weg!« riep Dora mistroostig uit.
't Duurde, een poos eer de 3 meisjes door Mademoiselle onderricht, wier
geoefend oog ras de schoone idee dezer ongemeene versiering opmerkte,
zich een heldere voorstelling konden vormen van de omtoovering, die
had plaats gegrepen. Toen zij later de Julianabron met haar watervallen
en opspuitende fonteinen in gekleurd licht zagen baden, het glanspunt
vormende van den schitterend verlichten Dam, begrepen zij pas iets van
wat Mademoiselle dikwijls over de schoonheid van La fête de Nuit te
Versailles verhaald had.
»Is die groote tribune voor de hofhouding, Mademoiselle?«
»Neen, meisje, zeker voor genoodigden, gemeenteraadsleden en andere
heeren met hun dames,« denk ik.
»Ja, Mademoiselle, Papa krijgt 2 toegangskaarten; hoe mooi zal men daar
de Koningin op het balcon kunnen zien, en de optochthulde, en de aubade
kunnen hooren. Ik wou, dat Papa er 10 had, dan zaten we er allemaal,«
wenschte Lize.
* * * * *
25 Mei! Gelukkig! dacht de _jonge jeugd_, om met de Transvalers te
spreken, gelukkig! nog maar één nacht! dan zien we Juliana!
»Wat, ga jij nu de stad uit, Greta, ik herken je niet! De Koningin hier,
en jij weg?« zoo uitte Maria Gladschaaf haar verbazing in den vroegen
morgen van dien 25n van Bloeimaand.
»Weet je de schikkingen niet? Ferdinand gaat met jou en Coosje (zijn
knechts krijgen vrije middagen met behoud van loon) naar den intocht
van de Koningin, den Prins met ons Prinsesje kijken; Fer kan niet op
3 vrouwlui passen, naar hij zegt; Tante heeft _mij_ morgen in Haarlem
genood. Om nu zeker te weten, dat de trein mij meeneemt, ga ik om negen
uur naar de Bloemenstad. Jij bent zeker van Fers bescherming en een
goede plaats op morgen.«
Maria jubelde en gunde, (trouwens die goede gewoonte was bij de
Gladschaafs inheemsch,) haar zuster dit extraatje.
Daar stonden ze dicht opeen gepakt, de Amsterdammers. Sommigen al om 7
uur op het Stationsplein gekomen om een uitgezochte plaats te veroveren
en die tot 5½ uur als het Prinsesje kwam te bezetten! Geen veldheer
verdedigde een pas veroverde vesting met meer trouw, met meer liefde dan
zij die 2 voet gronds!
Gustaaf kortte den tijd van wachten voor Jan en Louis (hij liet zijn
mede-studenten alleen om zijn broers te helpen, hij is toch een beste?
je ware!) door hun de pas bekende aankomst van Z. K. H. te verhalen.
»De Prins stoomde na de begrafenis van koning Eduard VII naar Edinburg.
Hij houdt veel van de zee, daar is de Prins een Mecklenburger voor.«
»Ga maar voort, Guus, 'k weet nog alles van Hem en de Berlin,« vermaande
Louis.
»Van nacht om 12 uur kwam »de Heemskerck« aan de sluis te IJmuiden;
een heer van het Handelsblad mocht aan boord komen en met een ander de
reis meemaken. De Prins op de brug naast den gezagvoerder riep door de
duisternis: »Goeden avond heeren,« ze waren alleen zichtbaar door het
licht der seinlantaarns, want 't was knap donker. Om half één ging de
Prins naar kooi. Om 3 uur lag Hr. Ms. »Heemskerck«, de Prinsenvlag in
top (tegenwoordig zonder gekijf zou de Hollandsche juffrouw zeggen) voor
den ingang van het Oosterdok. Ongeveer half 10 verkondden de vuurmonden
van de Heemskerck al bulderende, dat de Prins in de admiraalsloep, nù
met de Prinsenvlag gesierd, naar het Centraal Station voortschoot, en de
Prins als vice-admiraal gekleed stapt onder luid gejuich aan wal en
wordt door burgemeester Roëll welkom geheeten.
Vergezeld van den burgemeester in ambtsgewaad, kwam Z. K. H. in de
koninklijke wachtkamer.
Opgelet jongens, als de Koningin aan de grens van Amsterdam komt, wordt
er een koninklijk saluut op de »Heemskerck« gelost, meteen zal de
grootste klok van den Wester geluid worden en ook de Beursklok; en de
klokken op het paleis spelen: »Dankt, dankt nu allen God.««
»Guus, Vincent speelt niet, maar slaat op zijn toetsen,« viel Louis hem
in de rede.
»Slaat, hoe kom je daaraan; 't is net een reusachtige piano, de toetsen
zijn niet met ivoor overdekt, maar anders«....
»Toen we laatst met Mademoiselle het paleis gezien hebben, zijn we ook
op den toren geweest en de torenwachter«....
»Mis, Louis! die zijn er niet meer; hij was een beambte ten paleize,«
verbeterde Jan, »die«....
»Vooruit dan!«
»Achteruit gaat hier beter, dan neemt een ander je mooie plaats!« spotte
Jan.
»'t Doet er niets toe, die ten paleize dan, zei tegen mij, toen ik hem
vroeg wat die schermhandschoenen daar moesten doen. »Jongenheer, die
zijn van mijnheer Vincent om de klokken te laten spelen, anders zou
mijnheer zijn handen stuk slaan, om die groote, zware klokken te doen
bewegen,«--dus Gustaaf....«
»Hoor, hoor! #boem! boem!# dat is het kanon! De trein komt dadelijk.
Goed kijken, jongens!«
De halzen uitgerekt, de oogen turende op den uitgang van het koninklijk
paviljoen, dachten Jan, en Louis over niets meer dan hoe hard ze hoera!
zouden roepen.
We laten ze juichen en zien ondertusschen, hoe H. M. uit het
salonrijtuig van Koningin Emma gestapt, (want Prinses Juliana komt in
het eigen salonrijtuig Harer Koninklijke Moeder van het Loo,) vroolijk
op den Prins-Gemaal toetreedt, een echt hartelijke ontmoeting! In de
wachtkamer is te midden der hooge heeren de kleine Willem Roëll, zoontje
van Hr. Ms. vroegere hofdame, een door H. M. zelve ten doop gehouden
petekind; de kleine man maakt echt kranig een hoflijke buiging voor ons
aller Koningin; die weldra, na op het stationsplein van een lief klein
meisje een bouquet te hebben aangenomen, onder het spelen van het
Wilhelmus, zich in Haar rijtuig neerzet en langs den korten, maar zoo
vroolijk gesierden intochtsweg onder de aloude driekleur den Dam
bereikt.
Op den Dam! O, op den Dam! Daar is het heerlijk!
Hoe goed ook gedrild, de paarden der huzaren sidderen, steigeren of
brieschen, toen, na al het gejubel onder het oprijden van den stoet, en
enkele oogenblikken van stilte, de balcondeuren opengaan en wij weer
voor het eerst na 1908 #onze Koningin# op het balcon zien verschijnen!
De luide hoera's stijgen op, het koper schalt met zijn doordringende
klanken de nationale en de stedelijke blijdschap uit! De Koningin
buigt, de Prins slaat aan, de ovatie wordt herhaald en herhaald, en vol
welgevallen slaat het Koninklijk Echtpaar de geestdriftig juichende
menigte op den versierden Dam eenige minuten lang gade, om na nog een
buiging, en nog een groet naar binnen te gaan.
Tot vertrekken was Jan noch Louis van het C. S. te bewegen. »Nu we hier
zoo'n beste plaats hebben Guus, blijven we tot de Koningin naar Haarlem
gaat; dan hebben we Haar vandaag ten minste tweemaal gezien.«
»Wat zal Mama zeggen?«
»Hun hoofd is op hol, ze denken om eten noch drinken dezer dagen.« »Dat
zul je hooren, en we zijn vóór 12 thuis; ga maar heen we passen wel op
ons zelf.« Gustaaf vond het voor Louis wel wat gewaagd in die drukte en
bleef bij hem.
* * * * *
Terwijl H. M. de hoofdstad der provincie bezoekt, waar men sedert 1897
de Koningin niet had mogen begroeten, trekt door Amsterdam een
eigenaardige optocht van versierde expeditievoertuigen.
»Anton, vondt je 't mooi, die optocht?« vroeg Greta onder de thee in de
keuken.
»Mooi, neen, zeker niet, wel aardig. 't Is leuk bedacht en nog leuker
gedaan en de muziek op die wagens er bij maakte het vroolijk; en dan,
de menschen moesten nu toch van middag wat te zien hebben, terwijl we
op het Prinsesje wachtten. Maar je kon er wat van leeren as je om die
steenkolenmijn denkt; hè, wat een ellendig leven hebben die mijnwerkers;
honderden ellen onder den grond en dan lees je zoo dikwijls van
ontploffingen en overstroomingen in zoo'n mijn; 'n mensch moet er niet
aan denken, als je de kachel opstookt, brrr!«
»Grappig vond ik die meisjes in die groote lijst van
spuitwaterflesschen,« zei Anna; »'t is te hopen, dat ze geen dorst
kregen, anders was 't om tureluursch te worden.«
»O, en dan die waschinrichting-reclame! Eén wagen met waschmanden vol
bloemen en een met een wasch op de lijn; die vond ik het dolst,« bracht
de keukenprinses in.
»Neen, die kippenloopen met al die kakelende kippen en kraaiende hanen,
die maakten iedereen aan het lachen,« meende het schellemeisje.