»Jongens ja, dat zal leuk wezen. Vooruit!«

Reeds den 29n had een heer plaats genomen in de Roelof Hartstraat, (hij

bracht daartoe een stoel mee,) om getuige te wezen van het schieten,

vooral _van het eerste_ schot; en dan te blijven om tot 101 of tot 51 te

tellen; dàn alleen, dàn pas stond het voor hem vast: Er is een Prins

of Prinses. Hij kwam juist met zijn stoel weer aansjouwen, met hem

verschenen ontelbaar velen op die gewichtige plaats, sommigen voorzien

van hun kodaks, want van het afvuren moest een kiekje genomen.

Jans ooren als immer gespitst, vingen weer veel op om aan de zussen als

het allernieuwste nieuws te verhalen. Weet u het zeker, commandant?

't klonk deftig in de ooren van den luitenant, die de order tot 't

afvuren moest geven. Heeft u een dagorder voor een Prins of een Prinses

gekregen? Neen, hij had een met Oranje gesierden verslaggever van het N.

v. d. Dag in de politiepost geroepen; die had het hem stellig verzekerd,

dat er een Prinses geboren was; doch hij wachtte nog op het telegrafisch

bevel voor het losbranden.

»Zouwe de kanonne blijve staan, as ze schiete?«

»Wà bedoel je? Denk je dasse verschove worre?«

»Nee, dat niet; maar van 't dreune ziet uwé? Ze motte ommers de rame ook

opedoen hier in de buurt.«

»Ja wel! maor dat is eel wot aors,« valt een Zeeuw in. »En waor is et,

'k eb zelvers de vlag op het Paleis van Justitie ezien.«--

Jan en Louis begrepen, dat het wachten op het eerste schot heel lang

kon duren en gingen daarom verder. »Louis! niet meer naar de nieuwe

stad; naar 't Leidsche plein en de Kalverstraat.«

»Best Jan!«--En daar hoorden ze een agent op den hoek van het

Koningsplein aan de voorbijgangers verklaren: »Mensche, van Baron Roëll

zelvers heb ik het gehoord: Een Prinses en alles wèl.«--De man moest een

bloedverwant wezen van hem, die dicht bij het N. v. d. Dag op post stond

die, toen een berichtgever met de bulletins in een rijtuig wipte, een

sprong van louter blijdschap maakte, bij het vernemen van het heugelijke

nieuws! Een dier medegenomen bulletins werd aan de erfelijke oranjevrouw

van den Zandhoek, juffrouw Vork, gegeven. Zij, haar armen vol met

vlaggen en wimpels, dadelijk op weg naar den Oranjeboom van '98, las

het eerst tot aan »alles wel!« En toen riep ze. »Kom jonges, de boom

versiere! Meheer u krijgt het blaadje niet werom; het moet aan de boom;

bovenaan weet uwé.« Daar kreeg het papier tusschen de vlaggen de

eereplaats!

Vader Gladschaaf, door de spoedbestelling van zijn knappen zoon vroeg op

de hoogte gebracht, riep eerst zijn gezin bijeen, om God te danken voor

de aanvankelijke verhooring der gebeden van ons volk; om ook even vurig

te smeeken om alles wat voor de doorluchtige Moeder en het Kindeken

verder noodig was; daarna moest Greta het orgel openen en ruischte het:

God zij altoos op 't hoogst geprezen!

Lof zij Gods goedertierenheid,

Die nimmer mij heeft afgewezen,

Noch mijn gebed gehoor ontzeid.

zóó van harte gezongen door de kamer, dat de moeder het met geen droge

oogen kon aanhooren.

»Vader,« vroeg Maria daarop, »nu nog als 't u belieft: »Mijn schild en

mijn betrouwen,« toe Greet begin maar,« voegde ze er bij.

»Vrouw, laat de Vrijdag nu de Vrijdag en 't werk, 't werk, zoo gauw als

we ontbeten hebben gaan we allemaal uit, om de nationale vreugde in onze

stad te zien.«

»Vader! eerst Coosje en Mientje afhalen, die moeten ook mee, als Fer

niet met hen uit kan.«

»Goed zoo kinderen. O ik kan maar aan niets anders denken dan aan die

groote gave aan de Koningin en ons allen,« zegt de moeder, die van

vreugde eet noch drinkt.

Hoe verrukkelijk is het op straat! Men ziet een bekende, stapt op hem

toe en wenscht elkaar hartelijk geluk. Loopt er iemand zonder oranje,

hij wordt aangesproken: »Weet u het nog niet? Een Prinses. Moeder

en Kind zijn wel. Wat een blijdschap, hè?« Wie nog zonder strik is

uitgegaan, koopt oranje. De winkels tooien zich op allerlei manieren, en

de waaiende driekleur van alle torens, openbare gebouwen, vele schepen

en de meeste huizen geeft heel Amsterdam een gelukkig aanzien.

De draaiorgels laten vaderlandsche liederen hooren of nooden op het

asphalt tot een bal van louter vreugdebetoon; de beursbengel luidt volle

drie kwartier om heel Amsterdam te zeggen, hoe de handel in de algemeene

blijdschap deelt! Het klokkenspel op het Paleis en op de torens van 12-1

en van 1-5 laten oude en nieuwe liederen van nationale gebeurtenissen

hooren. Zoo luidde een geboorteklok, al trok Vondel niet aan het

klokketouw!

De beurs zelf ziet wat gebeuren dien 30n April! In plaats van zaken

te doen, wenschen de handelslui elkaar geluk, hartelijker veelal dan

op 1 Januari; daarop zingen zij vaderlandsche liederen; de jongeren

werpen met serpentines en steken kamer- nu _beurs_vuurwerk af. Een

voorbijtrekkend muziekkorps wordt ingeroepen en marcheert het geheele

gebouw door en daar zingen honderde stemmen mee! Geen officiëele

prijsnoteering komt dezen Vrijdag uit!....

In Frascatie maken de tabakkers het nog beter! In de groote zaal

keurig versierd met groen en vlaggen, wordt een piano binnengedragen;

daarop wordt het Wilhelmus gespeeld waarmee allen staande instemmen.

Oranjemutsjes dekken oogenblikkelijk menig denkend hoofd en met de

grootste geestdrift wordt het merk »#Vorstenlanden#« begroet. Na de

noteering klinkt nogmaals het Wilhelmus door de ruimte.

Pas na enkele weken zal men het vernemen, hoe groote blijdschap de

telegrammen van den Minister van Koloniën in Oost- en West-Indië

verwekten!

Geen grootje bleef aan het spinnewiel, zei men vroeger, thans lijkt het

er naar. Mademoiselle stelt eigener beweging Mevrouw voor, dien dag vrij

af te geven en zij gaat met de 3 meisjes er op uit! Mogelijk doet het

voorbijtrekken van al de leerlingen der machinisten- en handelsschool,

der gymnasia en H. B. Scholen er het zijne toe, om Mademoiselle zoo

vaderlandslievend te stemmen. Zij kon toch niet weten, dat de Belgische

gezant, (die altijd vroeg een wandeling maakt,) naar zijn gewoonte zelf

informeerde naar den toestand der Koningin en zoo doende de allereerste

was, die het felicitatie-register teekende;--een #Belgische# baron

daarop bovenaan, dan mocht een #Fransche# gouvernante wel uit de gewone

sleur raken en uitgaan.

Door een tegenovergestelde oorzaak vertoont 1909 gedurende één dag

althans wat 1672 zoo lang deed aanschouwen. »Scholen en rechtbanken

hadden vacantie, ambachten en bedrijven stonden stil, plaatsen van

vermaak waren ledig, doch de kerken waren te klein voor alle benauwde

harten.« De plaatsen van vermaak en vooral de kerken schijnen nu aan den

avond van Vrijdag en den morgen van Zaterdag ook te klein doch heden

voor alle #blijde# harten. Ze stroomen vol; aandachtige, verheugde

gezichten en tintelende blikken worden tot de leeraars opgeheven;

dankbare tonen ontlokken de organisten aan hun heerlijke instrumenten;

vol aangrijpende geestdrift stemmen de scharen in met de opgegeven

zangverzen.

Doch wat is dat? Daar heeft de dienaar des woords vol warmte nagegaan

wat God in de vervlogen eeuwen door en met Oranje Neerland schonk,

heeft in een vurig dank- en smeekgebed, de Koningin en Haar huis en de

Jonggeborene den Heere opgedragen; de menschen zullen naar hun woningen

wederkeeren, niemand gaat. De orgelist laat de eerste tonen van het

Wilhelmus hooren en allen, allen vallen in. Zie eens rond. Vaders en

moeders zeggen kleinen van 5 of 6 jaar voor, opdat ze mede kunnen

zingen; en heel wat kinderstemmetjes, op de scholen met woorden en

melodie vertrouwd gemaakt, zingen luidkeels mede. Na enkele coupletten

van ons echte volkslied, zetten een paar jongelui Da Costa's: »Zij

zullen het niet hebben« in; en het heerlijke lied met de Liefde's

zielvolle melodie, wordt met steeds klimmender geestdrift gezongen. Het

schijnt, of de menschen niet weg kunnen gaan; zij willen en moeten in

het huis des gebeds lucht geven aan het gevoel van verademing, dat aller

hart vervult.

Overal, in kerken en kerkjes van stad en dorp, bij elke gezindte jubel,

dank en lof aan God, Die ons Vorstenhuis en Vaderland gedacht.

En de armen varen wel bij de nationale blijdschap, want allen geven

mild.

Een aardige tegenstelling vormt de gave van 51 guldens in het kerkzakje

der Remonstrantsche Broederschap te Utrecht met de bekende gift in

Amsterdam van het jaar 1650. Bij 51 guldens, (zeker 51 om de 51

kanonschoten!) was het volgende versje gevoegd:

Een nieuwe Oranjeloot!

Dies zij mijn gaaf vergroot.--

Ik weet geen beter maar

In acht en twintig jaar!

Dag Groomoe! ik filiciteer u met ons Pinsesje! daarmee stapte Mientje op

de vriendelijke oude toe; met haar vader en moeder kwam ze naar gewoonte

Zondags op de koffie.

»Wel liefje, dat is goed. Heb je al Oranje-muisjes geproefd?«

»Ja Groomoe!«

»Wil je ze vandaag ook nog?«

Daaraan valt niet te twijfelen, zij en allen eten oranjemuisjes en

spreken aanhoudend over wat ze hoorden van of over de blijde

gebeurtenis. De behandelde teksten, de gezongen psalm- en gezangverzen,

de geestdriftige dagbladartikelen, alles, alles wordt verhandeld.

»Ik zal jullie iets voorlezen, kinderen,« zegt de grootvader over de

heugelijke gebeurtenis.

»Nu heeft God een kindeken aan H. M., aan den Prins, aan ons volk

geschonken!--Eens was er een vleug der hope, maar wreed als het over ons

land gehengd scheen, tastte juist in die dagen een giftige krankheid het

leven onzer dierbare Koningin aan. Er zijn toen uren geweest, dat elk

oogenblik het schriktelegram van 't Loo geducht werd. Vreeze beving

aller hart, dat niet alleen onze hope op de geboorte van een Vorstelijke

Spruit zou beschaamd worden, maar dat onze Koningin zelve ons zou

ontnomen worden! Dat bangste is toen, God zij lof, afgewend.«

»Vader,« viel Maria in de rede, »Da Costa zegt iets dergelijks van den

Prins van Oranje, onzen lateren tweeden Koning.«

»Zoo meisje? Laat hooren.«

»Of eindelijk als die maar

Het land met doodschrik sloeg,

Krank, zorg'lijk in gevaar!«....

»Mooi aangehaald, waaruit, kind?«

»Uit De Vijf-en-twintig Jaar, Vader.«

[Illustratie: Het mooiste versierde woonhuis in de bocht der

Heerengracht, Amsterdam.]

»Hoor nu maar verder: »Een gerucht deed straks de blijde zekerheid

opgaan, dat het onzen God toch nog beliefd had, de smeekbede van heel

ons volk te verhooren. Het hoopvolle woord van »_Blijde Verwachting_«

deed zijn intrede. En opeens was het of Nederland weer opleefde. Een

belangstelling, als nooit in eenig land bij zulk een gebeurtenis gekend

is, waakte op. Het gebed was nu niet meer om afwending van het bangste,

maar of onze God voleinden mocht wat Zijn hand begon. Gelijk nooit de

liefde voor Oranje in de harten getrild had, zóó trilde ze nu. Algemeen

werd de behoefte gevoeld om aan zijn blijdschap uiting te geven. Het

stroomde geschenken naar het Vorstelijk Paleis. Het werd één saamleven

in blijde verwachting van onze Koningin mèt haar Volk. Reeds rekende men

den dag uit. Ieder zon er op, hoe, als die dag eindelijk kwam, heel 't

volk in al zijn steden en dorpen dien dag van nationale verheffing naar

waarde vieren zou. Zelfs in het buitenland trok het de aandacht, hoe

sterk hier Dynastie en Natie aan elkaar verknocht waren. En de natiën

van rondom, over eigen profijt heenziende, juichten met het volk van

Nederland, dat toch eindelijk onze nationale hope in vervulling ging.

Nu ~dankt~ het volk, gelijk het eerst ~gebeden~ heeft. En het ~Nun

danket alle Gott!~ spreekt aller hart toe.

Het Vorstelijk kind dat geboren werd, heeft onze liefde, al heeft ons

oog 't nog niet aanschouwd. Nu reeds is deze telg uit het geliefde

stamhuis, mocht zij eens de Kroon dragen, van onze trouw en onze

gehechtheid verzekerd. Voor dit Vorstelijke kind en voor onze Koningin

zullen we bidden. Bidden, dat de Heere God de Moeder en het Koninklijke

Kind genadig zij en blijve.

Een vreemde vorst zou ons zoo hard zijn gevallen; nu Oranje blijft,

steken we 't hoofd weer omhoog, in het geloof dat Neerland nog zijn

eerekroon zal dragen.«

»Wel, wat zegt ge, zoons! is het niet uit ons hart gesproken?«

»Ja, Vader, echt.«

»Groomoe, mag tante Eta spelen en wij zingen? is het Zondag?« met deze

vraag maakte de kleine een einde aan de plechtige stilte.

»Ja, liefling, Tante zal spelen.«

»Vader,« zoo begon Coosje, »ons Prinsesje heeft mooie namen, vindt u

niet?«

Maria verstoute zich om gauw te antwoorden: »Mooie, mooie, Coosje? Zeg:

heerlijke, dierbare, onvergetelijke, zuiver historische! #Juliana#, je

zult het hooren is naar de stammoeder der beide takken Oranje èn

Oranje-Nassau; Louise zal naar Louise de Coligny wezen.

»Zij was de Dochter, Weeuw en Moeder van de Helden,

Die goed en bloed voor God, voor Staat en vrijheid stelden.«

Of Zij heet naar Louise Henriëtte, de prinses van Oranje, die met den

Keurvorst van Brandenburg trouwde. Het is innig, onbegrijpelijk innig,

diep gevoeld van de Koningin om juist #die namen# te geven!«

»Heeft je peettante je dit alles voorgezegd?« spotte haar Vader.

»Neen, o, neen! Vader, maar u zegt in uw hart volmaakt hetzelfde, ik ken

u veel te goed; u heeft 't Oranjehuis lief, zielslief. En Moeder niet

minder, al zegt ze nu geen woord.«

»Wat zou Nederland wezen zonder Oranje? Een speelbal van regenten- en

familieregeering, anders niet. Heeft God onze ondankbaarheid van 1795

niet bezocht, met dien schrikkelijken Franschen tijd? 't Schrikkelijkst

zeker omdat het grootste deel des volks Zijn straffende hand niet

erkende. Toe Vader! lach me niet uit maar val me liever bij; 't is de

waarheid, vraag het Groen maar.«

»Als je met Groen aankomt zusje, nieuw-bakken onderwijzeresje, dan moet

het slot op onzen mond, niet waar?« zei Mientjes vader. »Coosje,« ging

hij voort, »vraag Marie van alles over Juliana van Stolberg en die twee

Louise's, maar dan van avond, na de kerk; dan heb je de heele week wat

om over te denken; nu moeten we naar huis, kijk eens op de

pendule.«--»Gunst! zoo laat al, Fer?«

»Ja, ja, de kleine Prinses stuurt al wat in de war, tot jou

tijdrekenkunde toe, hè? Maar dat is niet de eerste maal.«

Allen lachten. Weldra waren de aanzittenden van de gezellige koffietafel

opgestaan en toog ieder zijns weegs.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

HOOFDSTUK IV.

Van Hier en Daar.

(Nà 30 April 1909.)

»Ligt ons Juliaantje nu in onze wieg, Mama?« zoo begon Dora aan de thee.

»Neen, Dora; Koningin Emma liet de wieg, waarin onze Koningin zelve lag,

in orde maken en die moet door het Prinsesje het eerst gebruikt worden.«

»Is die nog mooier dan de Amsterdamsche, Mama?« vroeg Lize thans.

»Naar wat 'k in de courant las is die wieg heel deugdelijk, heel gepast

in een paleis, maar eenvoudiger en daardoor zeker beter geschikt voor

alledaagsch gebruik. En dan is het zulk een lieve gedachte, dat Mama en

Grootmama 't kleintje in de wieg zien, waarbij Koning Willem III zoo

gaarne stond om naar zijn eenig dochtertje te kijken.«

»Dat zal je wel aan het rechte eind hebben, Amélie,« veronderstelde

mijnheer; »Prins Hendrik heeft althans net gedaan bij de aangifte van

dit Prinsesje als Z. M. bij die van het Zijne.«

»Zoo? Hoe dan, Henk?«

»Na Hr. Ms. geboorte, toen de officiëele personen voor de aangifte ten

paleize in het Noord-Einde gekomen waren, liet de Koning het Prinsesje

binnenbrengen en zei: »Mijne Heeren, u ziet dat ze er wezenlijk is;«

en zelf nam daarop Z. M. het kindje in Zijn arm om het den ministers

te toonen. Gisteren nadat de wethouder de Wilde met den chef van den

burgerlijken stand Meys en de beide ministers, als getuigen in de zaal

waren aangekomen, verscheen Z. K. H. de Prins vergezeld van Jhr. van

Suchtelen.

Z. K. H. drukte ieder der vier heeren de hand zeggende: »Ik ben toch zoo

hartelijk verheugd.« Onmiddellijk daarop werd de Prinses binnengedragen

door een verpleegster. De Prins toonde Haar eerst aan den wethouder,

daarna aan de getuigen. Een blozend kindje, goed van gewicht was de

indruk.

De heer Meys las de geboorteacte voor en die werd vervolgens geteekend.

De heer de Wilde vroeg verlof nog iets te mogen zeggen en sprak ongeveer

't volgende. »Hij rekende het eene hooge eere voor den burgerlijken

stand van 's Gravenhage om in zijne registers te mogen zien aangeteekend

het vorstelijk kind, zoo lang door het Nederlandsche volk verbeid.

Hij hoopte, dat dit vorstelijke kind tot in lengte van dagen onder de

levenden in de registers van den burgerlijken stand blijve aangeteekend,

tot vreugd van het Koninklijk Huis, tot heil en zegen van het dierbaar

Vaderland.«

De Prins-Vader dankte den Wethouder met een handdruk; waarna de heeren

vertrokken.«

»Wel hoe alleraardigst en hartelijk ging dat toe; staat het letterlijk

zoo in de courant?«

»Ja, Mama,« sprak Ida die over Papa's schouder medelas, »en als 't

Prinsesje gedoopt wordt mogen wij drieën in Den Haag bij Grootmama

komen.«

»Is 't echt waar, Ida?« riepen Lize en Dora tegelijk uit.

»Vraag het Mademoiselle maar, Grootmama heeft 't haar gevraagd en zij

gaat mee, niet waar, Mademoiselle?«

»Dat is weer een meisjesgenot, die verzuimen maar, als ze 't

goedvinden!« klaagde Louis.

»En H. B. S.-jongens gaan het den burgemeester vragen,« plaagde Jet.

»Neen, de Handels- en Machinistenschool zijn op het stadhuis geweest,

wij niet;« bracht Jan fier in, die in zijn eerste jaar van

Hoogerburgerschap was.

»In Dusseldorf woei den 30n de Hollandsche driekleur, Papa! In Pruisen

moet zoo iets aangevraagd worden; de daar wonende Nederlanders hadden al

lang geleden permissie gevraagd en gekregen. Op de Noordzee wist men het

groote nieuws eer dan in Amsterdam.«

»Kom Gustaaf! geen studentenmopjes, welke »men« is dat? De kabeljauwen

mogelijk?« vroeg Mevrouw.

»Mama, het is volle ernst. De Batavier, een stoomschip, kreeg een

Marconi-bericht, heesch oogenblikkelijk de groote vlag en al de

seinvlaggetjes volgden. De Hollanders jubelden, de Engelschen, verbeeldt

je, de Engelschen! drukten hun het eerst de hand en wenschten hen geluk,

»Wilhelmus« en »Wien Neerlands bloed« weerklonken, toen de boot aan den

Hoek van Holland binnen liep, waar, evenals op de Maas alle booten

floten.«

»Weet je nog wat bijzonders, Guus?« klinkt het uit alle jonge monden.

»De stationschef in Haarlem liet een locomotief heen en weer rijden om

knalsignalen te geven. In Berlijn (trouwens dat is overal zoo in 't

buitenland) eten ze geen muisjes bij geboortefeest of doopmaal, ze

kennen ze niet eens! De Berlijnsche vereeniging »Nederland en Oranje«

laat ze bakken, in mooie zakjes doen, met oranjelintjes toegestrikt en

aan alle te Berlijn wonende Nederlanders uitdeelen. Als ik jelui van de

feestelijkheden in ons land vertellen moet, die al plaats hadden, en op

10 Mei zullen wezen, wel dan zit ik van avond om 10 uur hier nog. Maar

iets aardigs las ik, aan Prins Hendrik een dag of wat geleden overkomen.

Iemand vroeg een der verslaggevers van de groote bladen (ze logeerden

in »De Zalm« achter het paleis Noord-Einde): »Is het niet vervelend

zoo aanhoudend voor schildwacht te spelen?« »Niet zoo vervelend als

u denkt, men ziet en hoort van allerlei en 2 uur is dan gauw om.

Zoo bijv. gisterenmorgen. U weet misschien, dat aan het Hof de goede,

voorvaderlijke gewoonte nog stand houdt: Vroeg op en vroeg naar

bed.«--»Wat noemt u vroeg?«--»Wel om 7 uur ziet men Z. K. H. in dezen

tijd van het jaar in eenvoudige burgerkleeding uitgaan voor een loopje.

Gisterenochtend dan, komt de Prins in het Noord-Einde met een pijp in

den mond. Een werkman stapt op Z. K. H. toe met een: »Vuur, asjeblieft

meheer?« De Prins heeft blijkbaar schik, dat hij niet herkend wordt,

doet even een flinken trek en houdt zijn pijp aan den onbekende voor

en vraagt, terwijl die een goeden haal doet: »Gaat het?« »Opperbest

meneer!« en daarop: »Dank je wel menheer!« met een tik aan zijn pet.

»Tot je dienst,« van den Prins, die glimlachend verder gaat.««

Allen lachen en de zusters vragen natuurlijk: »Weet je nog meer, Guus?«

beantwoord met een »Voor van avond genoeg.«

»Mama, hoe gelukkig zullen de Koninginnen nu wel zijn! en zeker denkt de

Koningin aan al die mooie geschenken, die de menschen stuurden, omdat

zij zoo blij waren, dat er een kindje kwam; dunkt u niet, dat de

Koningin nu dubbel blij is met alles en met _onze wieg_?«

»Doraatje, als ik de Koningin goed begrijp, dan is H. M. het blijdst

met dat lieve dotje in de wieg en daarna over alle arme menschjes en

kindertjes, die van alles krijgen door de geboorte van haar lieverdje!«

»Ik begrijp u niet, Mama.«

»Vraag dan eens wat Jetje van mijn woorden verstaat,« zegt haar moeder.

»Toen de menschen veel geld verzamelden om uit liefde en vreugde rijke

geschenken te koopen, vroeg de Koningin hun dit niet te doen; maar als

de menschen dit verzoek onaangenaam vonden, daar ze zoo heel graag het

kindje wilden verrassen, dan zou het, dacht de Koningin het heerlijkste

wezen, de meeste gelden voor arme of ongelukkige kindertjes of zieke

moeders te gebruiken.«

»Deelt nu de Koningin alle dagen melk en eieren uit en laat de

keukenmeid bouillon en soep koken, Jet?«

Gelukkig voorkwam Mama's wenk een algemeene lachbui, en Dora keek haar

zuster zoo ernstig aan, dat zij van de onderdrukte vroolijkheid niets

merkte.

»Neen, Dora,« zei de oudste zus, die door eerst een kopje thee te

drinken haar ernst behield; »dat zou te druk voor H. M. wezen; je weet

wel die heeft altijd zooveel te lezen en te schrijven, alle dagen uren

lang; maar de dames hebben met die guldens, rijksdaalders en tientjes

net gedaan wat Papa met het geld doet, dat jij van je Peettante op je

verjaardag en met Nieuwjaar krijgt, weet je dat kleintje?«

»O, ja, heel goed, het wordt weggeborgen in de brandkast en Papa teekent

het op in een boekje en dan wordt het altijd meer en meer. Lach me niet

uit Jan, Papa heeft het zoo gezegd, en als ik dan groot ben en ga

trouwen, evenals Jet, dan ga ik voor al dat geld met mijn man op reis.«

Niemand kon nu zijn lachen inhouden, tot Mijnheer vroeg: »Hoe kom je aan

zoo'n plan Dora?«

»Ik heb het Mama aan Jet hooren vertellen; u en Mama hebben het ook

gedaan.«

»Kleine potten hebben ook ooren, Henk!«

»Jet, vertel me verder van al die guldens.«

»De Nederlandsche dames in Londen zorgen voor een arme juffrouw of

kind, dat voor gezondheid naar zee moet. Alle jaren één, weet je.

Van de baronie van Breda kreeg 't Prinsesje een gouden speld om haar

boezelaartje vast te steken; voor al het andere geld zullen ze voor

zieke kleintjes zorgen. Andere steden of provincies laten zwakke

kinderen naar vacantiekolonies gaan of bouwen een kinder-ziekenhuis

zooals er hier in Amsterdam een is. En de dames van de kolonels en

generaals laten overal vragen, welke onderofficieren op 30 April ook een

kindje kregen, en dan krijgt zulk een kindje een spaarbankboekje zooals

jij hebt; dat bewaart de vader dan tot 't groot is. In Antwerpen zullen

ze zorgen voor arme moeders, die kleintjes hebben en zooals jij zegt,

daarom alle dagen melk, eieren en soep krijgen. Heb ik het je goed

uitgelegd, en kan je het Zondag je poppenfamilie oververtellen, Dora?«

»Heel best en ik vind het mooi en lief van de Koningin en al die

menschen. Is er van onze wieg geld overgebleven, Mama?«

»Ik weet het niet, kleine vraagster, wel weet ik nog iets heel liefs.

Herinner jullie je nog die aardige luiermandjes van den winter op de

bazar? zulke luiermandjes heeft de Koningin ten geschenke gekregen om

uit Haar naam te sturen aan behoeftige moeders, die op denzelfden dag

een klein kindje krijgen. De meisjes van de Vakschool in Den Haag hebben

er voor genaaid en gebreid en er was veel en van alles in; Grootmama

schreef mij: »Ze zien er keurig fijn uit.««

»Kom, Papa! vertel ons ook eens iets, dat Mama of de grooten niet

weten;« opperde Lize.

»Ondeugd, denk je dat je Papa tijd heeft om evenals Gustaaf nieuwtjes in

de couranten op te snorren?«

»O, u weet wat, u weet wat, anders zei u geen ondeugd!« riep Ida uit.

»Ida, met welk schip heeft de Koningin Paul Kruger laten afhalen?«

»Met de Gelderland, Papa!«

»Ferm zoo. Diezelfde Gelderland kwam vandaag aan de ree te Willemstad en

werd van den top van den mast tot de waterlinie electrisch verlicht.«

»Heeft Willemstad een ree, Papa?«

»Zeker Louis, het is de hoofdstad van Curaçao waarvan ik spreek; de

Curaçaosche dames zonden een doop- of draagkleed in 'n mahoniehouten

kistje, en in Bonairiaansch geelhout staat op het deksel:

Kolonie Curaçao 1909.

Een verheugd volk en een jubelende stad · 第 3 / 7 段