»Marietje, Betsy, Willy, ik ga je allemaal voor het raam zetten, Anton

is met den kruier bezig de vlag uit te steken, er is bericht uit Den

Haag gekomen; het lieve kind is in het paleis,« zoo spreekt Dora en

plaatst haar zestal op stoelen en stoeltjes voor de groote ramen in de

voorkamer in haar ouders huis. Doch wat is dat? »Halen ze de vlag weer

in?« Haar gezichtje stijf tegen de ruiten gedrukt, staart ze naar buiten

en vergeet zelfs het aan haar poppen te vertellen. Ja! Papa's vlag gaat

weer weg, aan den overkant haalt men ze ook weer binnen. Nu begrijpt ze

er niets meer van, en snelt naar beneden, bijna loopt ze Mademoiselle

omver, en hoort geen woord van haar vermaning om toch zoo onbesuisd niet

te loopen.

»Mama, Mama, is het er niet? Papa vertelde het toch.«

»Wat lief kind, wat?«

»Het kindje, het kindje van de Koningin,« en schreiend bracht ze het

uit; »is het Prinsesje er niet?«

»Lieve Dora, stoute menschen in Den Haag hebben gejokt; misschien konden

ze het niet helpen en hadden ze het verkeerd verstaan. Papa heeft nu bij

Mevrouw van Loon, la dame du Palais, laten vragen en die berichtte Papa,

dat de tijding niet waar was. Huil maar niet; wie weet, misschien eten

morgen de arme kindertjes in Den Haag al die beschuitjes met

Oranje-muisjes wel lekkertjes op.«

»Wat eten ze, Mama?«

»Een dame in Den Haag heeft 10.000 beschuitjes laten bakken, smeren en

met Oranje-muisjes bestrooien, in trommels laten pakken en klaar zetten,

om die uit te deelen zoo gauw, als het Koningskindje geboren is. Ik zal

bij de Bont en Leyten er laten halen voor jou en ons allemaal zoodra

als de klokken spelen en de kanonnen afgeschoten worden, vindt je dat

niet best? Rose-muisjes heb je dikwijls, maar Oranje-muisjes nooit

gegeten, is 't wel, kleintje?«

In tal van plaatsen werden de menschen teleurgesteld en al uitten ze het

op andere wijs, hun verdriet was niet minder groot dan dat der kleine

meid in Amsterdam.

Wel maakte menigeen zich vroolijk over Rotterdam, waar om 12 uur

de vlag uit den toren van de beurs werd gestoken; mannen van zaken,

schoolkinderen en negotiemenschen, allen stonden stil en staarden naar

die vlag, de trams stopten van wege de ophooping der kijkende menschen,

maar geen kwartier daarna werd de vlag ingehaald. Loos alarm! Alle

klokken luidden in Oud-Pekela om half 11 's avonds, en 's morgens vernam

men, 't was een valsch bericht geweest.

Het Nieuwsblad van het Noorden gaf een bulletin uit: Een Prinses

geboren. In dichte drommen stroomden de Groningers naar hun prachtige

Groote Markt; het was er stampvol, doch de Provinciale Groninger Courant

zegt: »Neen, 'k heb later bericht ontvangen; de toestand van H. M. is

bevredigend; H. M. Koningin Emma is den geheelen dag in het paleis

Noord-Einde; maar de oranjezegels op de telegram-enveloppen hebben

anderen, doch ons niet gefopt.«

Iedereen had dien Donderdagavond wat te vertellen. De een hoorde een

conducteur van een tram zeggen: »Er #is# een Prinses geboren;--maar

Mevrouw, #ik# weet er nog niets van.«--Een ander zat in een tram en

vroeg: »Mijnheer u heeft van uw familie in Den Haag mogelijk iets

vernomen?«--»Neen, mijnheer, ik weet absoluut van niets.«--»O!«

zei een burgerjuffrouw, »ik ben de tante van een nicht van de vaste

schoonmaakster van een deftige meneer, hier uit Amsterdam, die nu in Den

Haag woont, want die meheer is minister van de Koningin geworde; ik kom

er net effetjes van daan, en die nicht van me had zoo om 3 uur nog niks

gehoord, niks zeg ik uwé, dus uwé hoeft 't niet te gloove, ze zulle de

vlagge in de Kalverstraat wel weer inhale.«--Op de redactiebureaux der

groote dagbladen liet de telefoon geen oogenblik den bedienenden klerk

met rust; altijd weer hoorde men antwoorden: »Niets bekend Mijnheer,

of Geen Prins of Prinses Mijnheer;--of geen enkel woord van onzen

berichtgever Mijnheer; om weder met: Niets bekend mijnheer niets

bekend!« te beginnen tot antwoord aan een volgenden belangstellende.

Het was maar goed, dat de couranten in de laatste dagen nog van

allerlei mededeelden, waarover in den gespannen toestand waarin het

geheele land verkeerde eens gepraat kon worden. Zoo vond men een

opsomming der hoven, waaraan het huis van Oranje sedert Prins Willem I

door diens nakomelingen verwant is; alles goed nalezende, komt men tot

de verbazingwekkende slotsom, dat alle gekroonde hoofden in Europa

afstammelingen of bloedverwanten zijn in de mannelijke of vrouwelijke

lijn van Prins Willem, twee vorsten uitgezonderd: de koning van Servië,

en last not least, de sultan van Turkije!

Enkele dagen geleden werd H. M. een Bundel »Kinderliederen van

P. Jonkers« aangeboden, het geschenk werd door de Koningin gaarne

aangenomen en de komponist in een schrijven namens H. M. bedankt. Er

kan dus van het allernieuwste, laat ons hopen van het allerbeste, voor

het kindeken gezongen worden.

Een aardige ontmoeting had de onderwijzeres en een leerling der

naaischool uit Scheveningen, die, met een zeer fraai wagenspreitje naar

het Noord-Einde getogen, het ongedachte voorrecht genoten, dat Z. K. H.

de Prins in eigen persoon het geschenk aannam, bezichtigde en het aan

H. M. ging overhandigen; Die nog denzelfden avond per telegram bedankte.

Een zeker zeldzaam begeleidend schrijven vergezelde een ander zeer

fraai bewerkt wagenkleedje, n.l. een brief in Brailschrift, uitdrukking

gevende aan de beste wenschen van Elizabeth van den Berg, een blinde

onderwijzeres in het R. K. Gesticht »de Wijngaard« te Grave. Het

schrijven van Hr. Ms. secretaris zal zeker zeer zorgvuldig in dit

Blindengesticht bewaard worden en niet minder in het geheugen der

vriendelijke en bekwame werkster.

Intusschen wordt het laat, het plasregent, de menigte voor het paleis

in het Noord-Einde staat geduldig en stilzwijgend te staren naar de 9

ramen in den hoofdgevel; een gezelschap heeren en dames der hofhouding,

van tafel komende, blijft even kijken naar die tallooze menschenmassa

en.... gaat verder. Om 10 uur verzekert de hofmaarschalk: »Geen Prins

of Prinses; toestand van H. M. gunstig.« Om half drie is er niemand meer

op het plein voor het paleis: »'t kan duren tot aan den morgen.«--En

intusschen wordt daar binnen.... daar buiten.... gewaakt en gebeden door

tal van harten.... En God verhoorde.

* * * * *

Vrijdagmorgen snellen velen op het land naar het gemeentehuis, anderen

stoutmoediger bellen in den vroegen ochtend bij den burgemeester aan;

Z.E.A. weet nog niets. De dagbladbureaux zien al om 6 uur troepen

menschen voor het raam der bulletins staan; doch daar vinden ze alleen

dat van 's nachts 3 uur; dit bevredigt hen niet en daarom.... zij

blijven wachten.

* * * * *

»Gustaaf, Gustaaf!« de aangeroepene kijkt om en zegt: »Wat, Willem jij

al op?«

»Is dat zoo'n wonder? Veel meer wonder! een heer student uit Amsterdam

naar Den Haag getogen, om dáár te zes uur op straat te loopen, wat

beweegt jou daartoe?«

»Zeker dezelfde bewegende oorzaak of drijfkracht, of.... 't doet er

niet toe wat, die een Haagsch ambtenaar aan het Min. van Kol. zijn bed

uitjaagt. Ik ga naar het Noord-Einde om het eerste en echte nieuws.

Gisteren liet Papa de vlag uitsteken en ~inhalen~, om daarover onze

kleine Dora te troosten, stoomde ik naar Grootmama en beloofde de

kleuter dadelijk een telegram te sturen, als ik #hier# iets _zekers_

wist.« Intusschen bereiken de jongelieden het Noord-Einde en vergrooten

de menigte belangstellenden achter het Ruiterbeeld.

Z. K. H. de Prins verlaat even 7 uur het paleis en begeeft zich naar het

telegraafbureau om zelf Zijn Moeder de heugelijke tijding te zenden.

Nauwelijks heeft Z. K. H. zich verwijderd, daar berichten, neen!

dat is te zwak! vol trots, opgewonden van blijdschap proclameeren de

dienstdoende politieagenten voor het paleis aan alle grage ooren:

»H. M. heeft een Prinses, alles wel! Een Prinses, alles wel!«

Heerlijke, blijde tijding! In ademlooze stilte door de eerste rijen

vernomen en fluisterend overgebracht, want vol liefde gevoelen allen

het, stilte, volmaakte stilte is noodig!--En, 't klinkt wel familiaar,

maar och! zoo echt hartelijk en innig, wat Gustaaf en Willem, die zich

tot rennende nieuwsboden maken, telkens hooren vragen: »Is het echt

waar, geen valsch gerucht, geen loos alarm mijnheer en dan onmiddellijk:

is moeder en kind wel, mijnheer?« Na deze verzekering: Welke opgeklaarde

gezichten, welke blijde blikken! vergezeld van een: God zij gedankt!

Welk een zegen! Hoe heerlijk! Wat een gebedsverhooring! Hoe blij

ben ik voor de Koningin! Een weldaad voor ons land! Die gelukkige

Koningin-Moeder! en nog veel meer zulke uitingen ving hun oor op.

Aan het telegraaf- noch telefoonkantoor zou Gustaaf vooreerst geen beurt

krijgen. »Dora moet maar wat wachten. Willem haal jou fiets en ik de

mijne en dan naar het Malieveld; wij moeten de schoten hooren lossen.«

Grootmama schreide van louter vreugde, toen haar oudste kleinzoon de

blijde tijding bracht. »Eerst ontbijten jongen, dan mag je naar het

Malieveld, we moeten samen danken, kindlief. O, sedert mijn eerste

geboren werd, ben ik zoo bezorgd niet geweest als nu. Het is een pak van

mijn hart; den heelen nacht heb ik, zelfs als ik maar even sluimerde,

aan onze Koningin gedacht.«

»Grootmama, Grootmama, maken uw 70 jaren u zenuwachtig; u is nooit zoo

geweest! Wat zal Papa zeggen, als ik hem dat vertel? Papa zal me niet

gelooven. En u wist toch, toen ik om 12 uur van nacht het laatste

bulletin ging lezen, dat de toestand gunstig was. U moet u toch niet

noodeloos ongerust maken.«

»Hoor me die jeugd nu eens; van 12 tot 7 uur kind, is een heele tijd

van wachten en spanning en er kon zooveel gebeurd wezen, als God het

niet verhoed had! Denk toch aan ons vaderland, aan alles wat geducht

kon worden. Heeft niet de Koningin een voogd of voogdes, een raad van

voogdij moeten benoemen al in Maart? Welke aanstaande moeder, die haar

echtgenoot bezit, wordt tot zoo iets geroepen?«

»Maar beste Grootmoeder, het is heel eenvoudig naar de Grondwet, en die

kent H. M. op haar duimpje en houdt zich daar stipt aan, dat H. M. zeer

tot eer verstrekt; maar daarin is niets ~vreeselijks~,--om met Lize te

spreken.«

»Jongenlief, als je eens drie kruisjes telt en vader hoopt te worden,

zul je begrijpen, dat er ontzaglijk veel in de ziel der Koningin is

omgegaan, toen die benoemingen moesten gedaan worden. Geve God, dat

alles welga en het een doode letter blijve.

Nu eerst den Bijbel!« Gustaaf belde en de dienstboden binnengekomen,

wenschten om strijd de oude dame geluk met _onze Prinses_ en daarna

kreeg de blijde boodschapper ook een handdruk. Psalm 103 verving het

hoofdstuk, dat aan de orde was; en Gustaaf begreep heel goed, (al wou

hij het zich zelf niet bekennen,) waarom Grootmama 's stem soms zoo

beefde, terwijl zij anders altijd zoo statig las.

Op de fiets, in gezelschap van honderde fietsers en duizende voetgangers

werd het Malieveld bereikt. Om 9 uur 1 min. viel het eerste schot! De

hooge hoed in de hand, de pet van het hoofd hoorden heer en werkman

dit vredig losbranden aan; en daarna werd elk der 51 schoten met

zakdoekgewuif en hoerageroep begeleid. De beide neven reden weldra weg.

»Kijk eens Guus, daar stormen de schoolkinderen de deuren weer uit,«

»Wel jongens, geen school?« »Neen, mijnheer, geen school, weet #u# het

nog niet?«--»Wat?« »De Koningin heeft van morgen een Prinsesje gekregen;

nu hebben we den heelen dag vrij!«--»Gekheid jongens!« »Neen, dan weet

u er niks van heeren, het staat op al de borden, kijkt u maar even in

school.« En weg draafden de praters. Weg! naar het lokaal, waar de

beschuitjes uitgedeeld zouden worden. Mevrouw Tjaden-Modders liet de

uitdeeling onder muziek plaats hebben; en ieder kind kreeg, tot

vergoeding voor het lange wachten, een reep van Houtens chocolade op

den koop toe. Men genoot van de vroolijke kijkers der smullende, arme

kinderen, gedurig echter wachtten dezen en genen even om met de muziek

in te stemmen; vooral als _Piet Hein_ of _Al is ons Prinsje nog zoo

klein_, gespeeld werd.

Naar de landsdrukkerij fietsten Gustaaf en Willem, daar verscheen om 10½

uur een buitengewoon nummer van de Staatscourant luidende:

»H. M. de Koningin is hedenmorgen door Gods goedheid voorspoedig

bevallen van eene Prinses.« Volgen de bulletins. Zeer druk werd deze

extra oplaag gekocht; ook daarin uitten zich de algemeene opgewektheid

en blijdschap, die ontspanning bracht na de angstig doorleefde dagen en

nachten.

»Nu maak ik, dat ik van onze Amsterdamsche opgetogenheid genieten kan,

Willem, dus wil ik den trein nog halen, vaarwel! Maar wat is daar in de

verte? Het lijken wel herauten te paard. Ja! met trompetters er bij.«

»Het feestcomité zendt 4 herauten, ieder door 2 trompetters met bazuinen

vergezeld, de heele stad door; laat ons gauw peddelen om er bij te

komen, Guus, dan maar een lateren trein naar je geboortegrond.«

Zoo gezegd, zoo gedaan. Van plein 1813 vertrekken ze.

De Heraut houdt een perkamenten rol in zijn rechterhand, met

Oud-Hollandsche letter bedrukt; van den rechter hoek aan den benedenkant

hangt een breed, dubbel Oranjelint af, door een groot zegellak

verbonden. Hij is in Oud-Hollandsche kleedij gedost, rood met zilver

afgezet; daaroverheen een loshangende dalmatiek van Oranje fluweel (over

borst en rug) versierd met het wapen der Koningin en van den Prins. Een

breedgerande, grijs vilten hoed, met afhangende oranjeveder dekt zijn

hoofd. De trompetters zijn in een zwart met rood afgezet wambuis met

stalen halsstuk gestoken, dragen een slappen hoed met roode tressen

opgetoomd; ook de paarden zijn op Oud-Hollandsche manier opgetuigd.

Met een triomfantelijke stem roept de heraut uit:

»Ingezetenen,

Met groote vreugde maakt het Feestcomité de blijde boodschap bekend,

dat H. M. de Koningin door Gods goedheid bevallen is van een Prinses.

Geheel de burgerij van 's-Gravenhage deelt van harte in de gevoelens

van vreugde, die dit heugelijk feit bij het Nederlandsche volk opwekt!

Dankbaar erkent het den zegen, die aan het Koninklijk Huis en aan het

Vaderland is geschonken.

Moge deze blijde gebeurtenis strekken tot versterking van den

eeuwenouden band tusschen Nederland en Oranje.

Leve de Koningin! Leve de jonge Prinses van Oranje!«

De hoeden zwaaien, de zakdoeken wuiven, de menschen klappen in de

handen of drukken, hoewel volkomen vreemd, elkaar hartelijk de hand

en tegelijkertijd klinkt het spontaan, nu uit honderde kelen: Leve de

Koningin! Leve de jonge Prinses van Oranje! gevolgd door een Oranje

Boven! Hoera! Hoezee!

De herauten rijden weg en herhalen overal met dezelfde uitwerking

dezelfde blijde tijding. Dichte drommen van menschen en kinderen volgen

hen; een klein meisje roept een vriendinnetje toe: »Ik heb hem al 9 maal

gehoord en jij?« »Ik kan het al opzeggen!«

»Grootmama komt beslist op de stoep om te luisteren Willem,« zegt

Gustaaf en zij rijden nog even naar het voorvaderlijk huis om van dit

tooneeltje te genieten. 't Was zoo. Grootmama en de dienstboden, tot

het schellemeisje toe, allen rijkelijk met oranje gesierd, staan op

de stoep. Na een kort afscheid zit de heer student in den trein en

verhandelt met zijn reisgenooten wat hij zag en hoorde in de zoo

gelukkige residentiestad.

* * * * *

»Ida, word eens gauw wakker, toe vlug wat, luister!« Een ruk vergezelde

deze woorden van Lize. Ontwaakt, begreep Ida dadelijk den vinger op

Lize's lippen en fluisterend vroeg zij haar: »Is er wat gebeurd, Lize?«

»Niet dat ik weet, maar Mama heeft al om Anna gebeld; wat zou er wezen?«

Intusschen gingen beiden zonder eenig gedruisch te veroorzaken

zich kleeden, om gereed, in gang of portaal haar meisjesachtige

nieuwsgierigheid te bevredigen. Had Mademoiselle 't geweten, zij zou

genoten hebben van de vlugheid en stilte, waarmede het anders vrij

drukke en bij het kleeden tamelijk langzame tweetal, thans haar bedden

netjes afgehaald, gekapt en gekleed de gang doorliep en over de leuning

keek om naar Anna uit te zien.

»Anna, Anna!« half luid, half zacht, »scheelt Mama iets?--zeg gauw op,

wat?«

»Neen, jongejuffrouwen, maar Mevrouw is al gekleed naar beneden gegaan.«

Na enkele sekonden wordt er aan Mama's kamerdeur geklopt en op

het binnen! klinkt het als uit één mond: »Mama, heeft Gustaaf

getelegrafeerd? Weet _u_ er alles van? Is de Koningin wel?«

»Maar kinderen, ondeugden! Zul je eerst je Moeder goeden morgen zeggen;

jullie doet me schrikken met al je nieuwsgierige vragen.«

Na de behoorlijke morgenbegroeting vernam Mevrouw dezelfde vragen met

nog enkele andere vermeerderd: eer zij beantwoord waren, kwam, zonder op

het binnen te wachten, Jan in, pakte Mama eerst hartelijk en vroeg toen:

»Waarom is Papa al naar het kantoor gegaan, Mama? Al driemaal heb ik de

telefoon gehoord; zeker is het antwoord: _in gesprek_; of zou Guus nog

niet op wezen?«

»Hij slaapt altijd zoo lang, als hij 's avonds gewerkt heeft,« valt Ida

in. »Dat doet hij bij Grootmama toch niet, zou ik meenen;« vult Lize

aan.

»Kind'ren wat zijt ge allen opgewonden, bedaar een beetje. Papa is op

mijn verzoek naar 't kantoor gegaan, niet om Gustaaf op te bellen,

want Grootmama is niet intercommunaal aangesloten, waar zou het

lieve menschje 't voor noodig hebben?--maar oom Willem wilden we

telefoneeren.--Ben je nu tevreden? Ik weet niets meer dan jij.«--

»Mama, laat mij gauw even naar Mevrouw van Loon loopen, die krijgt

beslist een telegram, en anders naar de jonge barones Roëll, de vriendin

der Koningin. U weet wel, de Mama van kleinen Willem, het petekind van

H. M. Toe, lieve Moeder, zeg maar gauw ja!«

Mevrouw, verbaasd over zooveel belangstelling van de kinderen, zag Jan

een oogenblik besluiteloos aan; wat zou Mevrouw van Loon zeggen of

denken van zooveel vrijpostigheid, daarna keek ze naar de pendule; pas

kwartier over zevenen!

»Mama, wie zwijgt, stemt toe, niet waar? Zoo gauw ik het echte weet, kom

ik thuis,« en weg was Jan. »Echt goed bedacht!« riep Lize uit. »Waarom

ben ik ook geen jongen, dan liep ik 's morgens en 's avonds alleen over

straat,« voegde zij er aan toe.

»Zeker, zoo praten altijd alle meisjes, die nog op een leerkamer zijn,«

spot Mevrouw met een lachje; »gaat nu gauw uw bedden afhalen, wat zou

Anna anders wel denken.«

»Wat doen jullie hier? Al beneden schelmpjes?« vraagt haar vader, die

juist binnenkomt.

»Alles belangstelling beste Henk, pure belangstelling in het groote

nieuws, dat we verwachten.«

»Zag ik Jan de stoep afgaan, Amélie? Met één sprong was hij op straat.«

»Hij vroeg mij verlof om naar Mevrouw van Loon-Egidius te gaan, eer ik

mij nog bedacht had, holde hij de gang al in. Wat zal Mevrouw wel van

ons denken?«

»Jan zal wel netjes zijn boodschap doen; lang geen kwade inval; aan

de telefoon kon ik geen beurt krijgen; 5 maal heb ik intercommunaal

gevraagd en altijd weer hoorde ik »In gesprek.««

Jan draaft voort tot op de brug der Spiegelstraat; even staat hij stil.

»Waar zal hij heengaan, rechtuit naar Mevrouw van Loon, of eerst naar de

jonge mevrouw Roëll?« Terwijl hij zich dit afvraagt, ziet hij mevrouw

van Loon de brug aan de Vijzelstraat oversteken, zoo gauw als zij maar

loopen kan, ze zweeft letterlijk. »Die gaat naar baron Roëll, ik ook;

daar komt de baron op de stoep en loopt naar Mevrouw toe. Ha, Ha! die

twee weten het.« En als ging het om zijn leven zoo draaft Jan; als een

pijl uit een boog schiet hij voort en hoort het juist: »Mevrouw, ik wou

het u even komen vertellen!« »Mijnheer, ik kon aan de telefoon maar geen

beurt krijgen om het u te berichten; heerlijk hé?«

De samensprekenden drukken elkaar innig hartelijk de hand en zien er

beiden recht verheugd en gelukkig uit. Jan slaat zijn slag: »Mevrouw, ik

mocht even naar u of naar den baron toe, is het kindje geboren?«

»Ja, Jan, een Prinses, zeg maar tegen je mama #alles wel#!«

Voor Jan zijn »dank u mevrouw!« ten antwoord geeft, maakt hij een

flinken sprong, zwaait zijn pet en geeft zijn gemoed lucht in zulk een

luid hoera! dat de baron en mevrouw in een lach schieten, daarop rent

hij, even snel als hij gekomen was, naar huis.

Hier brengt hij door zijn mededeeling alles in opschudding. Dora danst

met twee poppen in iederen arm en zingt van »Willemientje, 't lieve

kindje.« Lize loopt naar de dienstboden, om 't te vertellen aan wie het

nog niet van Jan vernamen; Louis sjort Anton mee naar zolder. »Gauw,

Anton, gauw! nu echt de vlag uit en vooreerst niet weer inhalen, hoor!

wel 14 dagen of langer uit, tot de visites beginnen net als toen Dora

er pas was.« Ida opende haar geliefde piano en speelde en zong Wilhelmus

en Wien Neerlands bloed; niemand dacht aan zijn werk, allen verblijdden

zich!--En Jan kreeg verlof, terwijl Louis de vlag hielp uitsteken om den

ooms het door hem verkregen bericht te gaan meedeelen. De ooms alleen

hoorden het niet van den aardigen jongen; neen, ieder op straat die

luisteren wou kreeg het verhaal van de samenspraak der beide

waardigheid-bekleeders ten paleize.

Even haalt Jan zijn horloge uit, ja, ik kan nog best naar de Hollandsche

juffrouw gaan. Het ontbijt loopt toch in de war en we krijgen op school

geen uitbrander voor te laat komen. Het arme mensch is al dagen in

onrust geweest en ze ligt ziek, wie weet hoe lang het anders duurt eer

ze het hoort.

»Wie kan daar zoo hard schellen?--De bakker en de melkboer zijn er al

geweest, doe eens gauw open, Aagje, gauw.«

»Juffrouw, kompliment van mevrouw.... ('t is jongeheer Jan, weet u,) de

Koningin kreeg van morgen vroeg een Prinses, en alles is wel! Zijn Mama

weet het van mevrouw van Loon; u wenscht hij beterschap;--en meteen ging

de jongeheer de stoep weer af.«

»Aagje, meisje, laat ons God danken. Hij heeft onze vrees

beschaamd.--Welk een genade, welk een zegen! Zulk een tijding zou me

half beter maken!«

»Maar juffrouw zou het wel waar wezen? Zoo meteen zeide de vischvrouw

nog: »Ze zegge dat er 'n Prinses is, 'kgloof er niks van, 'tzalle wel

weer praatjes wesen, net as gistere.«--«

»Had die vischvrouw Mevrouw Van Loon gesproken per telefoon, of aan haar

huis misschien, Aagje?«

»Als die mevrouw nu ook een valsch bericht kreeg, juffrouw, ze hebben

gisteren in de Kalverstraat en zelfs in »De Bocht« gevlagd en 't was

#toch# niet waar!«

»Ja, het ochtendblad zal die vergissing wel ophelderen, maar denk eens,

Mevrouw Van Loon is dame du palais, dat is in Amsterdam, wat een hofdame

in Den Haag is, die dame zelve kreeg beslist een telegram.«

Aagje haalde haar schouders op, ging naar de keuken al mompelend: »de

juffrouw boven kreeg ook zoo'n boodschap van d'r man, die is aan een

krant en zij geloofde d'r ook niemendal van; de vischvrouw kwam heel

van de Ruyterkade, 't mensch had nergens geen een vlag gezien, maar me

juffrouw is zoo op al die grootelui kinderen!--nou ze mot het zelvers

wete.«

»Wat voor groente van daag, Aagje? Wel meid, wat kijk je boos.«

»Och, 'k geloof er niks van dat er 'n Prinses is, heb jij er wat van

gezien, Mozes?«

»Neen, Aagie; ze reie met een auto van 't Handelsblad en met rijtuigen

van 't Nieuws, ze strooide bulletijns; maar de kranten, zie je, die

liege zoo dikkels; 'k zeg maar as de kanonne afgaan, de klokken speule,

de vlagge op de tores komme dan zeg 'k 't is waar.--Nou meisie, wat mot

je hebbe?«

Aagje kende haar meesteres te goed om de twijfelingen van den groenjood

over te brieven, juist ging ze met mand en bak gewapend naar de stoep,

toen een loopjongen van Gladschaaf ademloos kwam aanhollen, haar een

briefkaart overreikte met een: »Even je juffrouw laten lezen.« In stomme

verbazing hoorde ze toe: »Beste Tante, De Heer schonk voorspoedig een

Prinses, alles wel!« Haar juffrouw krabbelde vlug er onder: »De Heer zij

geprezen! Hartelijk dank voor je boodschap;« en Aagje moest den jongen

nog een kwartje tot belooning in de hand stoppen. Zij èn de buurjuffrouw

èn de groentenverkooper èn de vischvrouw volhardden in hun meesmuilen en

hoofdschudden doch geen tien tellen later snelde Mozes de stoep weer op,

trok aan de bel en riep: »Kijk, aan den overkant steken ze op het

politiebureau de vlag uit, kijk Aagje, 't is waar, Goddank!«

Ze waren geen eenlingen. Och, neen! Overal in de saaie buitenwijken, in

het hartje der stad, in de vroegrit-trams, aan de stations, overal

ongeloovige gezichten. De mannen van de pers werden hoofdschuddend

aangehoord of nagekeken. En toch, men hoopte, men verlangde naar

bericht! Op den Dam werd het al voller.

»Wacht maar, als de bulletins de waarheid zeggen, komt zoo meteen de

burgemeester op het balkon om het voor te lezen,« zegt er een.

»Wel neen, mensch! daar gebeurt nooit zoo iets op het balkon.«

»En bij de inhuldiging dan? Toen stonden ze aan weerszij aan de hoeken

het uit te trompetten.«

»Ja, wel, das heel wat anders weet uwé! Maar de klokke beginne subiet te

speulen, als de burgemeester het weet.«

»Wat is het hier uiïg, hé Jan?« riep Louis. »Zullen we nog een poosje

blijven luisteren?«

»Neen, ga mee naar de kanonnen.«

Een verheugd volk en een jubelende stad · 第 2 / 7 段