E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team
(http://www.pgdp.net)
Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this
file which includes the original illustrations.
See 36716-h.htm or 36716-h.zip:
(https://www.gutenberg.org/cache/epub/36716/pg36716-images.html)
or
(https://www.gutenberg.org/files/36716/36716-h.zip)
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
| |
| In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. |
| Vette tekst is weergegeven als #vet#. Uitgespatieerde tekst |
| is weergegeven als ~uitgespatieerd~. |
| |
| In het boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
| Deze dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven |
| als »aanhalingstekens«. |
| |
| Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
| e-boek op http://www.gutenberg.org |
| |
+----------------------------------------------------------------+
EEN VERHEUGD VOLK EN EEN JUBELENDE STAD.--
AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN.
[Illustratie: DE KONINKLIJKE FAMILIE.]
Een Verheugd Volk
en
Een Jubelende Stad
door J. BRESSEN.
GEÏLLUSTREERD.
[Decoratieve illustratie]
La Rivière & Voorhoeve
Zwolle.
VOORBERICHT.
_Het is mij een recht aangename taak een woord van waardeering te mogen
schrijven voor het boekske, dat hierbij den lezer geboden wordt._
_Een uitnemend plan is hier verwezenlijkt, een plan waarvan den
ontwerper, den heer _W. ten Have_, den bekenden boek- en kunsthandelaar
te Amsterdam, alle eer toekomt. Want, ik mag het hier wel zeggen, van
hem ging het uit._
_Maar ook, hoe voortreffelijk heeft Mej. _J. Bressen_ dat schoone plan
verwezenlijkt. Zij is geen onbekende, en toonde nog onlangs hoe
gewaardeerd werk zij geven kan. Ook nu weer heeft zij moeite noch zorg
gespaard, en iets goeds en loffelijks geleverd, dat haar recht doet
kennen in haar innige liefde voor ons Oranjehuis._
_De uitgave van zulk een boek, dat aan rijken inhoud ook schoonen vorm
moest paren, was wel toevertrouwd aan de hh. _La Rivière & Voorhoeve_ te
Zwolle. Hoe zij hun taak opvatten en volbrachten, daarvan kan zich elk
overtuigen._
_Hebbe dit boekske een voorspoedigen loop. Zij het velen in lengte van
dagen een gedenkboek, dat stemt tot dank aan God, en de liefde versterkt
voor het huis van Oranje, de jeugdige Prinses en de Vorstelijke Ouders,
wier vreugd en hoop Zij is._
Amsterdam,
November 1910.
A. J. Hoogenbirk.
[Decoratieve illustratie]
INHOUD.
Bladz.
I. Plannen 9
II. Van enkele Huldeblijken 23
III. 30 April 1909 54
IV. Van Hier en Daar. (Nà 30 April 1909) 93
V. Een Jubelende Stad. (Van 26 Mei-2 Juni 1910) 109
[Decoratieve illustratie]
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK I.
Plannen.
»Goed weer voor een flinke wandeling, meisjes!« zoo sprak op een ochtend
in het laatst van December 1908 een Française, de gouvernante eener vrij
talrijke familie te Amsterdam.
Deze mededeeling viel niets in den smaak van 't drietal, dat zich juist
voorgenomen had den eersten vrijen dag te besteden aan het inpakken of
voltooien harer kerstgeschenken.... geen smeekbede, dat wisten ze bij
ondervinding, zou iets baten om Mademoiselle van haar voornemen af te
brengen. Zouden ze het Mama vragen? Neen, dat zou niets geven; Mama
vond altijd goed wat de juffrouw zeide, en dan was er kans, dat deze nog
boos werd op den koop toe. De vrees, dat bij den ongestadigen, natten
winter de wandeling in den namiddag onmogelijk werd, deed Mademoiselle
reeds om 10 uur de voordeur achter zich en haar drie discipeltjes dicht
trekken.
»Mag ik even lezen wat daar is aangeplakt, Mademoiselle?« vroeg Ida,
toen ze alweer een winkel voorbijgingen, waar de menschen zich voor een
bulletin van Nieuws-, Handelsblad of Telegraaf verdrongen.
»Hetgeen ge weten moet, zal Papa of Mama je wel meedeelen; berichten
van moord of diefstal enz. verlangt Mevrouw niet, dat ge onder uw oogen
krijgt, dat weet ge heel goed, Ida!«
Zwijgend gingen allen verder en na ruim anderhalf uur ontsnapte een
zucht van verlichting aan Lize, toen ze met Ida en Dora op haar
slaapkamer kwam, om mantels en hoeden op te bergen.
»Was ze maar met vacantie naar huis gegaan, dan konden we doen wat we
willen!« riep Lize uit.
»Maar dan was de vacantie zooveel korter, en nu hebben we net zoo lang
vrij als de jongens,« merkte Dora op.
»Och, de jongens hebben vrienden sedert ze schoolgaan; en jullie beiden
hebt ook je muzieklessen in de vacantie; gelukkig ben _ik_ daar af,«
aldus besloot Lize.
»Wel meisjes, hebt ge aangenaam gewandeld?« vroeg Mevrouw aan de
koffietafel. »Het is zulk heerlijk droog weer als we in lang niet van
genoten, ik zou graag meê gegaan zijn, toen ik Mademoiselle op de trap
hoorde; maar ik had het te druk.«
»Zeker met het pakjes maken, Mama! Heerlijkjes, hé, heerlijkjes! vindt
jullie het ook niet, jongens?« vroeg Dora.
Juist kwam Papa binnen en Lize moest haar vraag: »Jongens! heb
je die bulletins ook gezien daar zooveel menschen voor stonden?«
terughouden, daar mijnheer aan tafel geen oogenblik te verliezen
had, zou de beursbengel hem niet verrassen. Ida en Lize moesten haar
nieuwsgierigheid bedwingen tot 's avonds de courant binnengebracht
werd; toen verdiepten zij zich zoo in allerlei geheimzinnigheden voor
25 December, dat zij het bulletin heelemaal vergaten.
De zoo vurig verbeide 25e van Wintermaand brak aan en Dora moest, wegens
een zware verkoudheid, thuisblijven. Ze had zich nog al zooveel genoegen
van haar eersten kerkgang voorgesteld. Het rijtuig nam Mama en de zusjes
met Mademoiselle mede; de heeren en de jongens gingen te voet en Dora
wierp allen een vriendelijke doch verdrietige kushand toe. Maar ze wist
raad en ging zich troosten over haar gedwongen thuiszitten door een
nieuw schrijfboek te nemen en weldra vloog haar potlood over het papier.
Zoodra ze wat schrijven kon, had ze zich vermaakt met het verzinnen en
opschrijven van geschiedenisjes, gewoonlijk alleen voor de ooren harer
poppen bestemd; een enkele maal viel zulk een geschrift een der zusters
in handen, die haar dan braaf met den inhoud plaagde.
De onderwijzeres, die den meisjes les gaf in de Nederlandsche taal, de
geschiedenis en het rekenen, gaf Dora onlangs een schrijfboek met een
fraai bedrukt omslag, en dit besloot Dora voor haar historietjes te
houden. Heden werd het in gebruik genomen en zou, zorgvuldig in haar
kastje weggesloten, aan aller blik ontsnappen.
»Wat bad de leeraar hartelijk voor onze Koningin, en hoe schoon, niets
gezocht, bracht hij die blijde verwachting te pas in de preek,« zei
Mevrouw onder de koffie.
»Jawel!« antwoordde Mijnheer, en richtte tegelijkertijd zijn blik naar
de plaats, waar de jongeren zaten. Mevrouw zag daardoor de vragende
oogen van Ida en hoorde tegelijk Lize zeggen: »o, Mama! begreep ik het
goed, verwacht de Koningin een kindje?«
»Ja, wist jij dat nog niet? Je hadt het kunnen lezen op de bulletins;
overal hingen ze; niet enkel in de sigarenwinkels,« zoo luidde de
inlichting van Gustaaf, den oudsten broeder, student in de rechten.
»Nu, daar hebt je het eindelijk, wat Mademoiselle niet wou, dat we
lezen zouden; geen moord of zoo stond er op, dat zag ik best onder het
voorbijloopen; Jan en Louis, zulke kleintjes, wisten het eer dan jij
Ida! 't Is toch wat moois, altijd zoo gering....«
»Stil Lize, Mademoiselle doet wat ik haar vraag, en kon niet weten wat
blij nieuws ditmaal per bulletin bekend werd.«
»Ja, Mama, maar....«
Een blik der gouvernante, die geen Hollandsch sprak, doch wel verstond,
hield Lize's woordenstroom tegen; toch kreeg zij een terechtwijzing, en
wel van Louis, den jongsten broer. »Zulke kleintjes! Hoe klein ben jij
dan wel, jongejuffrouw Eliza? Jan is 13, ik ben 11 en jij wordt gauw 10,
en durft ons zulke kleintjes noemen, pas op, hoor!«
»Ondeugden! geen getwist op Kerstdag en dan nog wel, als het heele land
blijde is, omdat er een Prins of Prinses van Oranje verwacht wordt!«
»Braaf gesproken, oudste zuster! Het zal 't hart van je aanstaanden man
goeddoen. Is hij soms familie van die Oranjeklanten, de Van Harens, jou
stoere Friesche baron?«
»Ik geloof het niet, Gustaaf. Doch over deze heugelijke tijding schreef
Sjoerd mij nog niet, maar _ik zelf_ denk er zoo over.«
»Zeker dank 't onderwijs onzer Hollandsche juffrouw, die met het Huis
van Oranje dweept;« veronderstelde Mevrouw, »maar we moeten danken; en
dan moet Dora een poos gaan rusten, anders kan ze van avond niet laat
opblijven, u denkt er wel aan, Mademoiselle?«
De bespreking van het groote nieuws bracht in dit huis, gelijk overal
pennen en tongen in beweging; en op 2en Kerstdag vernam Dora's
poppengezelschap van haar mamaatje het volgende verhaal:
»Er is een lieve Koningin, die woont met een Prins in een mooi paleis
in Gelderland. Dat paleis staat in een grooten tuin, en daar is een heel
lief Zwitsersch huisje in; die Koningin speelde daar, toen zij nog klein
was, met haar poppen, voerde haar duiven, plukte aardbeien en bessen in
het tuintje er om heen. Die Koningin hield alles zelf netjes in orde,
keurig hoor!--De Hollandsche juffrouw heeft het gezien meer dan eens
en ook eenmaal de duifjes van de Koningin uit haar hand laten eten!
Vindt jullie dat niet heel aardig?--Foei! je kijkt of het je verveelt,
Marietje, dan lees ik niet meer.--Die kleine Koningin werd groot en
heeft het alle dagen heel druk; behalve als ze op reis gaat, maar dan
moet die Majesteit toch nog o, zoovele brieven lezen en schrijven,
zoodat ze alle dagen wel 2 uur er voor noodig heeft. Op een keer kwam
die Koningin, 't is onze eigen lieve Koningin, waarvan ik je voorlees,
weet jullie, in Amsterdam met een blonden heer, daar was zij mee
getrouwd in den Haag. Toen was er hier een groot feest; maar daarvan zal
ik je later eens vertellen. Nu moet je goed luisteren, toen we verleden
jaar bij tante Anna waren, die zulk een snoezig klein kindje had en ik
altijd mocht komen kijken als zij dit liefje baadde, zei Tante op een
keer: »Ik wou toch maar, dat onze beste Koningin ook zoo'n lieverdje
kreeg, zoo'n poezelig dikkertje, als dit Heleentje is.« Ik vroeg aan
Tante, dat lieve schatje aan de Koningin te geven, ze is zoo zoet en
kraait al van pret. Tante, u houdt toch nog meer meisjes over, dan Mama
heeft en uwe zijn allemaal nog klein. »Gunst, neen, Dora! waar denk
je over!« riep Tante. »Ik zou Heleentje voor nog zooveel niet willen
missen. Neen, neen schatje! jij blijft bij Moes, wees maar niet bang,
dat ik je weggeef.«
Maar vandaag vertelde de dominee in de kerk aan je tantes Ida en Lize,
dat er in dat mooie paleis een klein, lief kindje komt. Wat zal de
Koningin dan blij wezen! Ik hoop net zoo'n dikkertje als Tantes schatje.
Als jullie heel, heel zoet bent, zal ik het je dadelijk vertellen,
als het kindje er is; en als Mama het goed vindt, ga ik iets heel
verrukkelijk moois voor dat kindje maken. Ik weet nog niet wat.«
Zoo eindigde de voorlezing aan het zestal poppen, doch die dametjes
hoorden nog vóór Nieuwjaarsdag, dat haar mama niets maken kon, mooi
genoeg voor een koningskind. Dat vonnis kostte Dora veel tranen.
In het hoofdje van Dora ontstond niet alleen het plan om aan de
blijdschap van haar hart uiting te geven, als onze lieve Koningin een
kleintje kreeg; neen, weldra hoorde men van alle kanten in couranten
en circulaires, dat zich comité's vormden om H. M. een huldeblijk aan
te bieden ter gelegenheid dier verwachte, blijde gebeurtenis.
Amsterdam en Enschedé zetten 't eerst hiervoor een plan op touw;
Haarlem, Rotterdam en Leeuwarden volgden na enkele dagen, evenals
Groningen en, hoe zou het anders kunnen, Apeldoorn en 's-Gravenhage.
Daar zond men stukken en stukjes naar dagbladen, welker schrijvers
het betreurden, indien in een tijd van tegenspoed en werkeloosheid,
wanneer van de liefdadigheid zooveel gevraagd wordt, gelden zouden
bijeengebracht worden voor kostbare geschenken, en die schrijvers
meenden naar het hart van H. M. te spreken, als zij afrieden om aan
al zulke voornemens gevolg te geven. In verschillende kringen vond
dergelijk schrijven instemming; zoo besprak op zekeren avond in de
groote, warme keuken van Dora's ouders het dienstpersoneel deze zaak,
naar aanleiding van een stukje in een dagblad om zoo min mogelijk de
krachten te versnipperen, door tallooze comité's en comiteetjes te
vormen, en verder raadde het aan in het openbaar niet meer te schrijven
over deze kiesche zaak.
»Nog een kopje thee Anton?«
»Asjeblieft Alida. Heb je daar de krant van van avond al?«
»Neen, van gisteren; heb je van de week gelezen wat ze aanraadde over al
die geschenken en comité's voor de Koningin?«
»Het is maar heel goed,« viel de 3e meid in, »dat er een eind aan al
die gekheid komt, de Koningin kan best een wieg koopen en alles betalen
wat er noodig is. Waarvoor moet er zooveel geld weggegooid aan goud en
zilver, zijde en kant? Kan dat kindje niet gewoon opgebakerd worden? En
dan.... de menschen lijken wel gek met al hun plannen; ik heb nu al van
5 wiegen gelezen en 2 of 3 wagens en tafels en kasten en waschstellen;
de Koningin moest het verbieden; er is zooveel armoede en daarvoor wordt
niets gedaan; 't was heel wat beter al dat geld uit te deelen, dat zeg
ik maar! Daar heb je me zusters man, hij is al maanden thuis, ze leven
van giften en gaven en van wat zij met wasschen in huis verdient, ze kan
haar kleine kinderen toch niet alleen laten om uit werken te gaan; daar
komt ook weer een kleintje, wie denkt daar over?«
»Wel jij, Greta!« sprak de werkmeid; »jij doet je best voor je zuster
en haar kinderen en jij maakt nog wel _wat moois_ voor het te wachten
kleintje; ik zal _wat warms_ er bij geven, als het er is, en je mag mijn
avondje hebben om er extra heen te gaan, als Mevrouw het goed vindt.
Maar je moet toch begrijpen, dat de geboorte van het kindje van de
Koningin een gebeurtenis is van groot belang voor ons heele land. Als
de Koningin eens stierf zonder kinderen na te laten, wie moest er dan
regeeren?«
»Zou je graag onder de plak van Troelstra zitten en zijn vrindjes, zeg
Greta?« vroeg de knecht.
»Nu ja, maar ik zeg, dat het schande is zooveel duizenden guldens weg te
gooien om van alles te maken, dat misschien nog bovendien nooit gebruikt
wordt, zeggen ze,« hield de aangesprokene vol.
»Hier is de courant van vanavond, zoek eens gauw op hoe de Koningin het
maakt, Anton; ik hoop zoo, dat zij wèl mag blijven; wat zal ze blij
wezen en Koningin Emma ook, als die grootmoeder wordt.«
»Daar heb je het al: Een brief van den secretaris der Koningin! De
knecht las dien in zijn geheel voor.--Zie je nu wel Greta, dat de
Koningin niet hebberig is, en wel echt weet, dat er veel behoeften
zijn, nu wil de Koningin hebben, als men _al_ het geld niet voor
liefdadigheid geven kan, dan toch een deel.«
»Anton, waarom kunnen ze niet alles geven?« vroeg de werkmeid.
»Wel, zie je, als wij nu met ons allen geld wegleggen voor een
huwelijksgeschenk voor de juffrouw, zou je het dan goed vinden als
Mevrouw op den bruidsdag zei: Ik vind het heel aardig, dat jullie
zoo voor een mooi cadeau opgespaard hebt, maar op dat dorp, waar de
juffrouws baron woont zijn eenige huisjes, waarin armen voor niets
wonen, die huisjes moeten opgeknapt worden, geeft daarvoor dat geld nu,
en koopt geen zilverwerk, voor mijn dochters huishouden, ze krijgt al
zooveel moois en....«
»Neen, neen, dat zullen we nooit goedkeuren, die armenhuisjes komen toch
wel in orde, daarvoor hebben we niet opgespaard!« riepen allen.
»Daar heb je nu net zoo'n geval, als waarover jij, Greta! je ergert
en Heintje nagedacht heeft. De Koningin laat daarom haar secretaris
schrijven: »Daar de vriendelijke bedoeling der gevers en het bewijs van
aanhankelijkheid voor H. M. hoofdzaak is, het H. M. veel genoegen zou
doen, indien het mogelijk ware, een gedeelte der gelden, ingezameld
voor dit doel, een bestemming te geven ten behoeve van liefdadige
instellingen.«--We zullen er, als alles klaar is wel meer van hooren,«
besloot de voorlezer.--
»Staat er anders niets over de Koningin zelf in, zeg Anton?«
»Ja, hoor eventjes, maar val me niet in de rede, ik moet 't theegoed
wegruimen. »H. M. dejeuneert dagelijks bij de Koningin-Moeder, en doet
kleine wandelingen voorafgegaan door een heer, vergezeld van een hofdame
en gevolgd door een lakei.«--Zoekt zelf maar verder, meisjes.«--En weg
was de knecht, binnen hoorde hij hetzelfde onderwerp behandelen, doch
natuurlijk deed hij, als verstond hij er geen woord van.
[Decoratieve illustratie]
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK II.
Van enkele Huldeblijken.
»Mama, Grootmama noodigt Ida en mij te logeeren, om haar 70en verjaardag
te helpen vieren;« aldus Gustaaf met een brief in zijn hand. »Zet u maar
geen ernstig gezicht over die 3 of 4 dagen verzuim van de lessen; zij
bleef den heelen winter wel; zij miste er geen een. Grootmama zal haar
meenemen om de Haagsche wieg te gaan zien.«
»Mama, niet eerst aan Mademoiselle vragen, laat Guus dadelijk Grootmama
berichten, dat zij komen; Ida zal zóó verrukt ophooren: Eenig, eenig!
zal ze juichen; zeg nu gauw ja, Moedertje!« zoo pleitte de oudste
dochter.
En Ida juichte, toen ze aan de thee vernam van het ongedachte
uitstapje; al kostte het Mevrouw en den twee grooten eenige moeite, toch
zwegen ze van de wieg, om zelven later temeer van Ida's opgetogenheid te
genieten.
Gezellig zaten Ida en Gustaaf in Grootmama's ouderwetsche, doch
huiselijke zitkamer met haar aan de thee en spraken over het ontmoeten
der vele bloedverwanten, die den vorigen dag ter eere van den 70en
verjaardag gekomen waren. Allen, kleinkinderen, kinderen niet het minst,
verheugden, zich over den welstand der oude mevrouw, die lang niet
altijd een kalm leventje had geleid, en toch nog zoo kras mocht heeten.
»Grootmama, heeft u heusch 11 kinderen gehad? Ik kan niet meer dan 7
ooms en tantes vinden en Papa er bij dat is 8.--Zijn er van uw kinderen
3 gestorven?«
»Ja, Ida; ik heb bij mijn eigen kinderen ook 'n Ideletta gehad, die
werd 20 jaar en stierf aan typheuse koorts met longaandoening; 'n Jacob,
die op 14-jarigen leeftijd aan hersenziekte overleed, en een Willem die
een jaar ouder was dan je Papa; hij werd maar 11 weken en bleef in een
stuip. De Heer had je Grootpapa nog gespaard; ik behoefde zoo zeer zijn
steun bij elk dier sterfgevallen.«
De oude mevrouw zweeg lang, zoodat Ida begon te vreezen, dat zij door
haar nieuwsgierigheid haar goede grootmoeder smart had aangedaan; zij
keek bedrukt van haar werk op en staarde in de grillige vlam van het
turfvuur in den wijden schoorsteen.
»Kind, waar peins je over? Gustaaf is verdiept in zijn courant, waarvan
hij al het nieuws voor zich houdt; en jij, praatgraag, zegt niets.«
»Grootmama, ik dacht, dat ik u verdriet had gedaan met mijn vragen, het
zou mij werkelijk spijten.«
»Neen, kindlief! mijn overleden man en kinderen vergeet ik nooit en mis
ik nog altijd, doch ze zijn in den Heer ontslapen en dat troost mij.«
»'t Moet toch vreeselijk akelig wezen om dood te gaan, denkt u ook
niet?«
»Je Hollandsche juffrouw zou zeker zeggen: »Ida, Ida, je moest zeggen:
Dunkt het u ook niet? En is dat nette taal _doodgaan_?«« vroeg Gustaaf,
die zijn courant neergelegd had.
»Guus! ik ben hier niet in de leerkamer, gelukkig niet! Die Hollandsche
lessen zijn wel de prettigste; maar onmogelijk kan ik altijd op mijn
woorden letten.«
»Zou je graag nagewezen worden voor slecht Fransch, leelijk Engelsch,
onnauwkeurig gesproken Duitsch, petekind?«
»O, neen, Grootmama, maar Hollandsch hoeft zoo mooi niet.«
»'t Is goed, dat H. M. je niet hoort, meisje! Die vindt het bepaald
noodig, dat Nederlanders hun taal goed spreken; ik wou dat je al
uitgingt en je Mama je aan het hof liet voorstellen, dan zou je eens
hooren, niet alleen die lieve stem der Koningin, maar ook hoe zuiver Zij
onze mooie moedertaal uitspreekt. Heeren zijn soms in de gelegenheid
H. M. bij officiëele gelegenheden een toespraak te hooren houden. Zij
roemen de Koningin altijd, omdat Zij zoo duidelijk en van pas spreekt;
gelukwenschen en aanspraken degelijk beantwoordt; de Koningin kan vooraf
niet bedenken wat Zij zeggen zal, want wie vertelt Haar wat de betrokken
burgemeester, president enz. te berde zal brengen; neen, Ida, ge moet
het Nederlandsch liefhebben en daarom eeren en goed spreken.«
»Grootmama, u spreekt naar mijn hart, wij, studenten, hebben een
reciteer- en declameerclub met het doel goed en voor de vuist ons over
allerlei uit te drukken; en om u te plezieren, wil ik er wel bijvoegen,
dat ik mijn best doe de platte taal, die velen tegenwoordig mooi vinden,
te weren.«
Grootmama zag haar oudsten kleinzoon zeer tevreden aan en drukte even
zijn stevige hand, die hij haar zoo gul toestak; daarop wendde ze zich
weer tot Ida en zei: »Als je nu belooft nooit meer zoo gering van onze
taal te spreken, dan mag je morgen iets zien, dat H.M. gaat gebruiken.
God geve het naar ons wenschen en bidden,« voegde de oude dame er bij.--
»Iets dat de Koningin gaat gebruiken, wat bedoelt u, Grootmama?«
De blik van verstandhouding met Gustaaf gewisseld, ontging het jonge
meisje niet; toen de oude mevrouw antwoordde: »Waarin zal de Prins of
Prinses over dag rusten? Immers in de Haagsche kamerwieg, meisjelief,
die mag je morgen gaan zien.«
»Wat, Grootmama! Ik? Dat kan immers niet, ik heb er niet aan
bijgedragen. We wonen niet in Zuid-Holland. Mag ik heusch?«
»Ja, heusch! Hoe het kan is mijn geheim, je mama en Gustaaf hebben dit
geheimpje ook goed bewaard, dat merk ik wel.--Nu, Gustaaf was geen zoon
van mijn Hendrik, als hij niet zwijgen kon.«
»Heerlijk, eenig, verrukkelijk!« jubelde Ida, die even opsprong en
Grootmama eens pakte, op gevaar af den ouden, mageren hals pijn te doen.
»Welk een genotje! hoe lief van u bedacht; u is toch een echte
grootmama! dat zeg ik maar!«
»Het is goed, dat ik niet alle dagen voor een verrassing van een echte
grootmama omhelsd word;« zeide Mevrouw, terwijl ze de kanten slippen
harer muts terecht schikte.
»Ik wou u geen pijn doen, maar 't komt zoo onverwacht, 't is de eerste
wieg, die aangeboden wordt. Ik zal morgen dadelijk naar huis schrijven,
dan weten ze het nog vóór de courant komt.«
Ida was zoo goed als haar woord.
DEN HAAG, 3 April '09.
_Lieve Lize en Dora._
Jullie dacht niet, als ik maar 4 dagen wegbleef toch een brief van
mij te krijgen, maar ik wil je gauw vertellen wat ik van middag gezien
heb. Raden kan het niemand.--De kamerwieg van den Haag en Zuid-Holland
(behalve Rotterdam)! Eerst dacht ik er staat niets dan ragfijne kant;
maar ik lette goed op en luisterde naar de freule, die uitleg gaf.--
De eigenlijke wieg is van zeer mooi mandenwerk, van buiten en van binnen
versierd met een kanten strook, over de kap zitten kanten strooken en
ook langs de gordijntjes. De sprei, heeft middenin een koninklijke
kroon, is van duchesse applicatie op licht blauw fluweelen ondergrond,
om de fijnheid. De randen der kanten vertoonen oranjebloesems met
oranjeappeltjes. De motieven voor dit mooie kantwerk zijn naar een
oude Argenton kant door Jhr. E. H. van Loon, den voorzitter der
kantwerkstersschool, daarvoor geleend. Tesselschade (niet de echte, dat
weet jelui wel!) borduurde in beelderig, dicht Fransch werk de lakentjes
en sloopjes en de wit satijnen deken. Alles is opgemaakt door: »Arbeid
Adelt.« Onder al dit moois staat een voetstuk van opengewerkt hout,
met vergulde, bronzen bas-reliefs. Het voor- en achterstuk (die zijn
maar kort) vertoonen vóór, spelende kinderfiguurtjes en achter, de
koninklijke kroon; dit heele onderstel is wit gelakt, versierd met
beeldhouwwerk, dat men met poedergoud verguld heeft.
Het is eenig mooi en alles zoo rijk en toch zoo luchtig en sierlijk; ik
hoop maar, dat de Amsterdamsche wieg net zoo, liefst nòg fraaier wordt,
als dit mogelijk is.
De Koningin zal wel heel vroolijk kijken. Het heerlijkste zal toch wel
wezen, als zoo'n lief, rose kindje daar tusschen die mooie lakentjes,
op dat lieve kussentje ligt te slapen, misschien steekt het wel eens,
net als Dora deed, op een keertje een blootgewoeld voetje tusschen de
dekentjes uit. Zou jullie niet graag eens in die kinderkamer met al dat
moois gaan kijken? Ik wel, dolgraag; maar dat is alleen een genotje voor
de hofdames.
Nu, gegroet! veel liefs aan Papa en Mama en jullie allen van Grootmama
en van mij; tot overmorgen! Dan kom ik weer meê zuchten en brommen over
al de lessen.
O ja! mijn beleefde groete aan Mademoiselle.
Je zus Ida.
»Mevrouw, de kastenmaker,« aldus diende Anton den knappen schrijnwerker
aan, die sedert verscheidene jaren de familie bediende. Tot schrik
van Mademoiselle, tot blijdschap van het drietal, moest Mevrouw met
Gladschaaf in de leerkamer raadplegen over een ouderwetsche kast
daar; en Mevrouw kwam niet alleen, ook een familielid, uit Engeland
overgekomen, verlangde over zulk een pronkstuk te worden ingelicht.
»Zulk werk wordt niet meer vervaardigd, is het wel?« vroeg
laatstgenoemde.
»Neem mij niet kwalijk, Mevrouw, als de dames er het geld voor over
hebben, dan kunt u tegenwoordig nog veel schooner stukken van
werkmanskunst bekomen. De werktuigen en gereedschappen zijn veel
verbeterd en de schrijnwerker, die zijn vak verstaat en er pleizier in
heeft, kan door tijdschriften en afbeeldingen zich op elken stijl, dien
hij verkiest, toeleggen; maar daar de levenswijs duurder is en de loonen
hooger zijn, moet er voor mooi en degelijk werk meer betaald worden,
dan vroeger. Ik ben blij over het mooie ontwerp voor de Amsterdamsche
wieg en wat ik van de Friesche kast las, deed mij watertanden om ook
mijn krachten aan zoo'n bewijs van Nederlandsche vindingrijkheid te
beproeven. Als u er mij een bestelt, zult u in Engeland er om benijd
worden, Mevrouw!«
De Engelsche dame, die veel in haar grootouders vaderland vertoefde,
verstond alles wat Gladschaaf zeide en vroeg hem nu haar iets te
vertellen, over de meubelen, die H. M. voor de kinderkamer reeds
ontvangen had of die bijna gereed waren. Dat niet alleen _haar_ ooren,
maar ook die der meisjes gretig toeluisterden, dat zelfs Mademoiselle
aandachtig den jongen man aanzag, bevreemdde Mevrouw niet; want met vuur
ging hij voort:
»Mevrouw, door mijn bekendheid met vele patroons ben ik in de
gelegenheid u op de hoogte te brengen. In den Bosch zag ik een
kinderkast, uit rozenhout, geheel vervaardigd naar de afmetingen, welke
men ingewonnen had. Ze is een modelstuk, stijl Lodewijk XVI. Ze doet
den vervaardiger, Dirks, alle eer aan. De kleedtafel uit Gelderland met
zilver beslag, die H. M. vooruit beloofde te zullen aanvaarden, steekt
niets af bij de kinderkleedtafel uit de provincie en stad Utrecht; deze
is van Cubaansch mahoniehout en in wit ivoor geschilderd.
De jongejuffrouwen zullen het wel aardig vinden, dat »Arbeid adelt«
een matrasje er bijvoegde voor de kleedtafel met een doos sloopjes.
Het waschgerei is van zilver: spons- en zeepdoos, kom en kan alles met
parelrandjes afgezet. H. M. roemde van al de voorwerpen de fraaie en
welgeslaagde uitvoering als proefstukken van Utrechts nijverheid.--Doch
Mevrouw ik zou u te lang ophouden, als ik zoo voortging; zal ik de
kastdeur morgenmiddag komen uitnemen? Hier kan ik die herstelling niet
verrichten, zal ze goed wezen.«
»Wat krijgt de Koningin veel geschenken, vinden jullie het ook niet,«
riep Dora, na het vertrek van Gladschaaf. »O, hij heeft er geen tiende
part genoeg van verteld, alle avonden staan de couranten vol over
aangeboden of ten toon gestelde huldeblijken,« zei Lize.
»Mademoiselle, we gaan _onze wieg_ toch allemaal zien, niet waar?«
»Onze wieg, wou je er soms ook eens in Dora?« spotte Ida.
»Och, kom; de wieg van Amsterdam is onze wieg en die wordt de mooiste en
dat is maar goed ook, want Amsterdam is Amsterdam!«
Mademoiselle en de zusjes lachten allen even hartelijk over die
redeneering der kleine meid; deze, door die vroolijkheid niets uit
het veld geslagen, ging voort: »Het is heerlijk, zegt de Hollandsche
juffrouw, dat het heele land blij is met de Koningin, want zoo'n kindje
is er nog nooit in ons lief Oranjehuis geweest.«
»Maar Dora, zoo kan de juffrouw dit niet gezegd hebben!«
»Maar ze meende het wel zoo, niet waar Mademoiselle? U hoorde het toch
ook.«
De aangesprokene achtte het beter hier niet op in te gaan en zette ieder
weder aan het werk.
»Zeg, Doraatje! weet je dat het kindje kleine meubeltjes krijgt?
Apeldoorn geeft ze; kastje, tafeltje, stoeltjes alles wit gelakt en met
gebattikte kussentjes, wat zal het lief staan. Ze zijn allemaal klaar en
blijven op Apeldoorn, maar een photographie er van met een oorkonde is
aan de Koningin gezonden.«
»Wat moet het oor van de Koningin met die photographie doen, Jetje?«
Allen proestten het uit; de lachbui bedaard, legde Mevrouw het haar
kleine meid dus uit. »Een oorkonde is een zeer fraai geschreven brief,
waarin staat aan wie men dit bijzonder geschenk geeft en waarom men dit
doet en wie de gevers zijn; een _konde_ is een bekendmaking, die het
_oor_ moet hooren, vat je het Dora?«--»Ja, Mama.«
* * * * *
»Wel Coosje, ge moet eens vlug den kleinen koffer pakken, en met Mientje
een dag of 8 naar Middelburg gaan,« zoo sprekende zette Gladschaaf zich
aan het middagmaal.
Met haar oogen in stomme verbazing op haar man gericht, liet zijn Coosje
de schaal dicht, waarvan ze juist den dekselknop in haar hand vatte.
»Wat zeg je, Ferdinand? Ik moet 8 dagen op reis met Mientje?--En jij
dan? Wie zal voor jou zorgen? Wie de klanten te woord staan als je bij
de dames verslag uitbrengt over de huldeblijken? Ik naar Middelburg, zoo
in eens maar; wat moet ~ik~ daar doen?«
»Wat je daar doen moet? Wel gaan zien af de Zeeuwsche wagenmaker naar je
genoegen gewerkt heeft voor H. M.; je wordt er nog wel per briefkaart
voor uitgenoodigd.«
»Nu begrijp ik er heelemaal geen woord meer van, een uitnoodiging van
een wagenmaker uit Zeeland; ik ken er geeneen, dat ik weet.«
»Luister dan: Hierbij wordt u, juffrouw Gladschaaf geb. den Blaauwe,
uitgenoodigd den kinderwagen, het huldeblijk der Zeeuwsche vrouwen voor
H. M. bij gelegenheid der blijde gebeurtenis den zooveelsten ..... te
Middelburg daar en daar te komen bezichtigen.«
»Waar staat dat allemaal op, Fer?«
»Op deze kaart, die ik je daar voorlees, als antwoord op je postwissel
van 3 Februari.«
»Ik zou een postwissel naar Middelburg gestuurd hebben, neen, man! dat
is niet waar.«
»Man en vrouw is één; is het dan niet goed, als de man, wetende dat zijn
vrouwtje in hart en nieren een Zeeuwsche blijft, tijdig zorgt, dat
namens haar een postwissel voor dit schoone doel inkwam?«--
Dat 't vroegere Walchersche boerinnetje opsprong, haar man eens kuste,
dat het klonk, spreekt van zelf; niet minder dat zij ooren naar dit
reisje had; ze vernam nu hoe haar jongste schoonzuster reeds beloofde,
haar plaats in dien tijd zooveel mogelijk te vervullen.
»Krijg ik nu nog wat op mijn bord, vrouwtje?« vroeg Ferdinand, toen
Coosje, nog vol gedachten, weer op haar plaats zat.
»Zeker, man, maar het is haast te mooi om te gelooven, en Mientje is pas
4 en mag zoo ver op reis!«--
»Ja, ja! ze begint vroeg; maar het is uit liefde voor Oranje, vergeet
dit niet; die liefde is jou toch aangeboren? Alle Veersche menschen zijn
Oranjeklanten niet waar? En dat wil wat zeggen, al de inwoners van zoo'n
groote stad!«
Coosje hief haar vinger op met de woorden: »Wat ben je weer aan het
plagen!« maar keek toch even blij en ging na het eten eens gauw alles
bij haar schoonouders bespreken.
»Wel vader, las u in de courant, dat de Times eens goed vond ons geluk
te wenschen, nu we een troonopvolger mogen verwachten?«--vroeg Ferdinand
op een avond.
»Neen, jongen. Wat reden had die Londensche krant daarvoor?«
»De Times telde op, dat er 36 pretendenten (hoe gek hè?) of
rechthebbenden, (al even dwaas!) voor den Nederlandschen troon zijn; en
dan gaat het blad niet verder terug dan tot Prinses Carolina, de dochter
van Willem V.«
»God geve ons een Prins of Prinses, dat bid ik alle dagen,« zei moeder
Gladschaaf; »en make,« ging zij voort, »Koningin Wilhelmina een even
verstandige moeder als Koningin Emma was.--Want uitstekend is de
Koningin opgevoed, dat zeggen alle menschen, die het weten kunnen. Denk
eens Koningin Emma kwam even als Coosje en onze meisjes uit een groot
gezin, en huwde een Vorst, 41 jaar ouder dan Zij. Koningin Emma moest
zich geven en tevens inleven in vreemde toestanden in een ander land
aan een Haar onbekend hof; en toen ons dierbaar Prinsesje geboren werd,
viel de belangrijke taak Harer opvoeding zeker niet gemakkelijker, omdat
Z. M. toen nog een volwassen zoon bezat, den 2en Prins van Oranje,
Alexander; maar een dochterken had de Koning nooit gehad; een oud man,
die grootvader kon wezen, bemint zoo'n lief poppetje meer en heel anders
dan een jeugdig vader doet; toch voedde Koningin Emma Haar eenig Kind,
vergeet het niet, Haar Eenige! voortreffelijk op.
Daarbij wijdde Zij zich aan de verzorging des Konings, die na Mei '87
het Loo niet meer verliet. Koningin Emma #gaf zich zoo#, dat H. M.
een kamerheer zond, toen Prinses Helena van Waldeck-Pyrmont, Haar
doorluchtige Moeder zwaar krank lag, want H. M. kon den Koning niet
verlaten. Prinses Helena overleed en ook ter begrafenis liet Koningin
Emma zich vertegenwoordigen.«
»O vader,« riep Coosje, »dat is net als in 't mooie lied: Van een
Koningsvrouwe.«
»Ja, ja,« riep Margreet, »zing jij, dan speel ik.« Ze liep naar het
orgel, Marie zocht fluks het stuk op, en Vader en Moeder hoorden met
innig genot deze onverwachte uitvoering aan.
Die oude grijze Koning, hij werd zoo mat, hij werd zoo krank;
Aan 't leger lachte het dochterkijn,
en de Vrouwe, Zij reikte Hem medicijn,
Veel dagen en maanden lank.
Doe stierf de grijze koning, 't was bij zijn open graf,
Dat met een kus de Vorstenvrouwe
Den schepter van goud, omfloersd van rouwe
Aan het blozende dochterkijn gaf.
Het dochterken gaf den gouden, den zwaren schepter haar weer.
»Och Moeder,« (zei ze) »dat gij hem bewaar!
Voor ik groot zal zijn komt nog zoo menig jaar,
Ik ben nog zoo jong en zoo teer.«
Doe heerschte die Koninginne, al over het land bij de zee;
En het zeevolk zingt: »Ja, dat blonde kind
Het wordt er zoo vurig van ons bemind,
Maar wij minnen de Koningsvrouw meê.
Wij zweren dat blonde Koningskind de trouwe in vreugde en in smart,
Maar de bruid uit het land, waar de bergen zijn,
Die Koningsvrouwe zoo fier en zoo rein,
Zij heeft er gevangen ons hart!--«
[Illustratie: DE JULIANABRON, op den Dam te Amsterdam.
(Bij gelegenheid van het ~eerste~ bezoek van Prinses Juliana.)]
Coosje met haar zuivere stem had met haar gansche hart uit volle borst
gezongen.
En nadat het drietal nog eenmaal het fraaie lied van Boele van
Hensbroek[1] nu ook met het eerste vers gezongen hadden vroeg de
grootvader:
[1] »Van eene Koningsvrouwe.« Lied voor eene zangstem. Woorden van
P. A. M. Boele van Hensbroek. Muziek van Arnold Spoel. Uitgegeven
bij G. H. van Eck te 's Gravenhage.
»Weet jullie het nog, kinderen, hoe op 31 Augustus 1898, wijlen Ds.
W. H. Gispen in den dankstond zeide: »Huis en goed zijn een erve der
vaderen, maar een verstandige vrouw is van den Heere; en die verstandige
vrouwe bleek onze Koningin Emma, voor wijlen Z. M. Koning Willem III en
nu reeds bijna 8 jaar lang voor heel ons land!««
»O, ja, vader! #ik# weet 't nog best, de tekst was,....« ging Marie
voort.
»Kinderen!« viel de moeder in, »Moge Koningin Emma een zeer blijde
toekomst tegengaan, wanneer haar lief eenig kind #Moederweelde# mag
smaken!«
* * * * *
En Coosje toog met haar dochtertje naar Middelburg; bij het zien van
den wagen[2] riep de kleine meid, op moeders arm gezeten: »Moesje waar
is 't Pinsesje?«--»Dat is nog te klein om in een wagen te zitten,
liefje,« zei een dame die het hoorde.
[2] De wagen is met ivoor bekleed, gevoerd met wit satijn; de krukken
enz. zijn verzilverd, het Zeeuwsche wapen aan den eenen, de
koninklijke kroon aan den anderen kant, zijn van echt zilver.
De kap, van wit chroomleder, heeft een kanten rand en onder den
wagenrand van binnen zit ook een kant; alles fijne echte kant te
Nieuw-Naemen bij Clinge vervaardigd. Twee lakentjes, een sloopje,
een onder- en een bovenkleed, benevens een wit satijnen spreitje en
zelfs een zilver wagenkruikje waren er bijgevoegd en nog bleven er
gelden over voor een liefdadig doel.
Op de thuisreis miste Coosje haar aansluitenden trein te Rotterdam, doch
terwijl ze zich beklaagt en den stationschef vraagt, wanneer zij nu moet
vertrekken en hoe laat ze dan thuis kan komen, ziet zij een harer tantes
op haar toestappen met een: »Wel, wel! (op zijn Zeeuwsch bel, bel!) hoe
kom jij hier, kind?«
Die vraag is spoedig beantwoord; Tante stelt nu voor naar Coosjes huis
te telegrafeeren, dat zij tot morgenmiddag in Rotterdam blijft, dan ziet
ze Oom en de neven en nichten ook weer eens. Zoo gezegd, zoo gedaan.
Onder den maaltijd liep het gesprek over niets anders dan over Zeeland,
Zeeuwsche bloedverwanten en .... den Zeeuwschen kinderwagen.
»Coosje, het is jammer, dat je gisterenmorgen niet hier waart, toen was
het Rotterdamsche kinderservies te zien. Vader had je wel een
kijkkaartje bezorgd. O, het is zoo mooi!«
»Is het dan al klaar?«
»Ja, al verzonden. Met het blad mee 10 stuks alles gedreven mat zilver,
werk van den bekenden kunstenaar Zwollo, het versiermotief is een
oranjetak met massief gouden appeltjes; aan de achterzijde het wapen der
stad en: »Aan H. M. Koningin Wilhelmina aangeboden door de vrouwen van
Rotterdam April 1909.« Het sluitornament is een oude munt met de spreuk
»Orange fleurira.«--Het wordt geborgen in een doos van onderscheidene
kostbare Indische houtsoorten vervaardigd. De Industrieschool zorgde
voor 12 keurig bewerkte witte servetjes en Tesselschade gaf een dozijn,
versierd met borduurwerk, voorstellende de kleederdrachten.«
»Weet jullie nog, welke stuks het servies vormen?«
»Ten naastenbij wel: Melkkan, beker, plat- en diepbord, servetring,
vork, lepel en nog...... ik meen een opscheplepel of eetschepje.«
»Gunst, wat zal dat alles schitteren, als het op tafel staat!«
»Ja, Coosje, maar je moet denken bij de Koningin is alles nog prachtiger
dan bij de rijke lui.«
Coosje genoot volop van haar Zeeuwsche familie dien avond te Rotterdam;
en kwam goed op tijd aan het station en bereikte Amsterdam, toen juist
haar oudste schoonzuster ook uit den trein stapte.
»Wel Margreet hebben we samen gereisd? hoe jammer dat ik je niet zag;
waar ben je ingestapt?«
»Te Haarlem, ik heb niet naar je uitgezien, want je zoudt gisteren
thuiskomen. Ik ben een weekje naar Haarlem geweest bij mijn peettante
ook om het papstel voor het Koningskind te gaan zien. Ten Boom heeft het
vervaardigd en H. M. heeft in Haar bedankbrief dit voortbrengsel der
Haarlemsche kunstnijverheid zeer geroemd.«
* * * * *
Honderde menschen, beter gezegd: dames, kinderen, jonge meisjes, vrouwen
van allerlei stand en leeftijd stroomden uren lang door de Doelenstraat
en verdwenen in en verschenen weer uit de veilingzalen van Frederik
Muller, om haar huldeblijk voor H. M. te gaan zien en, hoe kon het
anders? te bewonderen.
Daar stond dan de Amsterdamsche wieg! Hoevelen sloegen met innige
bewondering haar gade! Ja liefdevolle blikken zag men, van haar, die
zich voorstelden hoe koninklijk de lieve kleine, met zooveel vreugde
verbeid, daarin rusten zou. Menige zucht ontglipte aan deze en gene
moeder, die aan haar eigen thans ledige wieg dacht, en die zucht
vertolkte zich in een bede, dat God de Heere H. M. een welgeschapen,
gezond kindeken mocht geven en laten behouden.
Koninklijk zal de Prins of Prinses rusten tusschen die plooien van het
crème-zijden behangsel, vastgehouden door een vergulden, metalen vogel,
wiens snavel een edelgesteente draagt; en die vogel vormt de bekroning
van een helmvormig, fraai bewerkt hemeltje. Eer een jaar voorbijgegaan
is gluren een paar lieve kinderoogjes, naar we hopen, op de wit en
geel zijden borduursels der voering van het overkleed; daarin waakt
zinnebeeldig reeds de Nederlandsche leeuw, in gezelschap van lonkende,
flonkerende sterren over de daartusschen gevoegde oranjeappeltjes, en
het gebed en de liefde van Neêrlands volk smeekt God om bescherming van
het telgje, aan het Koninklijk gezin en onze natie geschonken.
Zes zuiltjes, door een kruis verbonden, schragen den korf, fraai
ciseleerwerk versiert èn zuiltjes èn metalen banden van den korf. Geheel
opengewerkt, versierd met gedreven metaal, zijn de openingen tusschen de
verticale paneeltjes, gevoerd met grijs fluweel, geborduurd met goud,
alles in overeenstemming met snij-, ciseleer- en drijfwerk. Met fraai
bewerkte kant is de binnenzijde der voering omzoomd.
Nog heel wat zinnebeelden, behalve de aanwezigheid van den geborduurden
Nederlandschen leeuw, zijn aan die wieg te vinden. Van rozehout is ze,
afkomstig uit Suriname, dus reeds heeft West-Indië een product voor den
Vorstentelg geleverd. En van dat rozehout is een kruis gevormd,
onwillekeurig lispelt de mond:
»Een kruis met rozen
Is 't menschenlot.
Is 't rijke leven
Uw gave, o God.«
Ja, het kruis zal ook Prins of Prinses niet gespaard worden; geve God
slechts daarbij het geloof in den Gekruiste, Die alleen het kruis ter
verzoening torschte, in Wien zoo menige Prins en Prinses uit het Huis
van Oranje-Nassau geloofde en voor Wien hun heldenbloed vloeide!--
Zes zuiltjes dragen den korf, moge liefde tot God en het ons van Hem
geschonken vorstenhuis steeds een der zuilen van ons volksbestaan
zijn; dan zullen liefde tot den naaste tot recht en gerechtigheid,
weldadigheid en moed ook hechte stutten blijken van den troon, gelijk
de wijze Salomo reeds schreef: »Een koning houdt het land staande door
het recht.« »En door weldadigheid ondersteunt hij zijnen troon.«
* * * * *
Te lang reeds mijmerden wij bij die vorstelijke wieg, welke op 5 April
door de werklieden van »De Ploeg« naar 's Gravenhage werd gebracht;
keeren wij thans naar onze vrienden in Amsterdam terug.
»Wel Dora, hoe vindt je nu _onze_ wieg?« zei haar Papa; »zou je nog
altijd graag op eens een klein kindje in huis willen vinden, om dit dan
in zoo'n wieg te leggen?«
»Neen, Papa! dat #kan# niet, dat #mag# niet; zulk een wieg, met zooveel
moois, hoort alleen in een paleis, bij een koningin!«
»Knap gesproken kleintje!« viel Gustaaf in. »Doch daar is Anton met de
brieven. Wat 'n dikke, Jet, voor jou, natuurlijk uit Friesland; als je
mij hem niet lezen laat, krijg je hem niet;« plaagde Jan.
»Ik zal er je wat uit voorlezen als je hem mij gauw geeft; maar gauw
dan, zeg ik je.«
»Wat een gevaarlijke belofte doe je daar, kind.«
»Och, Papa....«
»Zie zoo! daar heb je hem, vlug openmaken en voorlezen óók, je hebt het
beloofd.«
»#Wat# er uit, heb ik gezegd.«
»Neen, neen, den heelen brief,« riepen de drie zoons.
»Foei, Gustaaf, wees zoo flauw niet om met de kleintjes meê te doen; ik
heb gezegd: ik zal er je #wat# uit voorlezen.«
»Dat is waar jongens, laat Jetje nu met rust;« zei mijnheer, want Jan en
Louis trachtten zich van Jets brief meester te maken.
»O, de kast is klaar en net als Gladschaaf vertelde, ze is een pronkstuk
van houtsnijkunst.
Jammer dat nicht reeds naar Engeland vertrok, dan had ze deze kunnen
bewonderen. Een Makkummer stel, van het mooiste soort, staat er op; en
Dora, hoor eens, in de binnenkastjes is zilver kinderspeelgoed. Ook is
er in een zilveren koker, rijk bewerkt en met Frieslands wapen gesierd,
een baby-boek.«
»Een baby-boek? Jet, zoo'n heel klein boekje als in de kast van mijn
poppenhuis?«
»Neen, Dora het is een mooi gebonden schrijfboek, waarin de Koningin
alles op kan schrijven over het kleintje.«
»Weet u wat er in zal staan, Mama? heeft u ook zulke boeken over ons?«
»Neen, die heb ik niet; maar de Koningin zal er zeker inschrijven op
welken dag 't kindje geboren werd en gedoopt is; hoe het kindje er uit
ziet, op wie het lijkt, naar wie het heet; wanneer het tandjes krijgt,
gaat kruipen, loopen, praten en zoo al meer.«
»Hoe dolletjes! Als het kindje dan groot is en lezen leert, mag 't
zeker wel de poppen er uit voorlezen, hè Mama?«
»Als 't kindje een prinsesje is, kan het wel gebeuren,« antwoordde haar
vader. »Waarheen wordt de kast verzonden, Jetje? Naar het Loo of naar 't
Noord-Einde?«
»Sjoerd meldt het niet Papa, maar o, daar staat weer iets heel
bijzonders in zijn brief. Een zeker heer W. H. te Harlingen vond, dat
deze dagen zeker een gepaste gelegenheid gaven om H. M. een bokaal aan
te bieden, sedert ruim een eeuw in zijn familie. Die bokaal behoorde
eenmaal tot de rariteitenkamer van Prins Willem V. Na zijn overlijden
te Brunswijk, in 1806, zag de Prinses-Weduwe zich genoodzaakt vele dier
rariteiten te verkoopen uit geldgebrek. H. M. zal volgaarne dit zeldzame
huldeblijk, waarop de huidige eigenaar toch zeer gesteld is, aanvaarden,
heeft de particuliere secretaris geschreven.«
»Dat is veel belangwekkender, dan je opgaaf van leerlingen en werkuren
der Haagsche wieg, Ida! Je zult ze wel niet meer weten!«
»Ik weet ze nog opperbest: Alleen betreft het de kanten, 34 leerlingen
werkten 12000 uren; maar dit is een aandoenlijke mededeeling, vind ik.«
»Als Dora nog klein was, zou ze weer zeggen: »Ik krijg er de huil van in
mijn keel!« Niet waar,« vroeg Jan.
»Die huil daargelaten, is het waarlijk zeer treffend zoo iets te
vernemen. Over de ellende en rampen, die ons volk troffen in dien
droeven Franschen tijd, weet iedereen wat en soms uit ondervinding, in
de familie, niet waar, Papa? maar wie vraagt zich af: Wat hebben de
Oranjes toen geleden?« merkte Gustaaf op.
Bij de Gladschaafs besprak de jongste dochter hetzelfde onderwerp door
haar in de courant gevonden.--»Op onze les moesten we onlangs een
persoonsvergelijking lezen over Willem V en Lodewijk XVI. Hier is nu
weer één trek, die bewijst hoe moeielijk het gaat zulke vergelijkingen
te maken. De voorgangers van den beklagenswaardigen Lodewijk XVI dachten
er slechts aan hun genot- en praalzucht te bevredigen, hun toomelooze
heerschzucht bot te vieren en daarvoor hun volk uit te mergelen; daarmeê
vormt de goedigheid en de liefde tot zijn volk van den rampspoedigen
Lodewijk XVI een scherpe tegenstelling en met innig medelijden denken
we aan het lijden van hem en de zijnen in de Tempel-gevangenis. Maar hoe
geheel anders is het uitwijken van Willem V. Opdat er om #zijnentwil#
geen bloed zou vloeien, gaat hij met de zijnen de jammeren van de
ballingschap gewillig tegen. En hoe zelfopofferend en onbaatzuchtig
hadden zijn voorgangers en zijn voorvaderen gehandeld!--En van die 18
jaren, waarin dat gezin van vorstelijke personen velerlei kommer leerde
kennen, weten slechts weinigen iets.«
»Marielief, ge zijt in uw gedachten bezig met een brief aan uw Fransche
vriendin, stop nu even en hoor wat ik net lees.--De Koningin-Moeder
bracht den geheelen namiddag op 't paleis in 't Noord-Einde door, doch
heeft zich gisterenavond weer naar haar eigen paleis begeven.--De
menschen, die reeds omstreeks 's Prinsen verjaardag op de verwachte
gebeurtenis hoopten, en gisteren bijna den geheelen dag om het
Ruiterstandbeeld postvatten, keerden langzamerhand om elf uur 's
avonds huiswaarts.
»Wij moeten geduld oefenen, en wie er het naast bij betrokken zijn, nog
meer dan wij«--zegt de vader.
»Man, laat ons veel bidden, God moge allen en ons verhooren; Hij alleen
kan ook hier uitkomst geven. Moge Hij zijn gunst gebieden!«
»Zoo is het Moeder, ik begreep best, waarover gij dacht, toen ge van
nacht niet slapen kondt.«
[Decoratieve illustratie]
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK III.
30 April 1909.