III.

_Het liberaal ministerie De Meester._

Kuyper was gevallen. Twee dagen na de herstemming, den 1en

Juli 1905, trok hij zich terug. Het ging er nu om, de traditie

van de liberale ministeries weder op te vatten en dat was niet

gemakkelijk. De zegevierende concentratie was uit ongelijksoortige

deelen samengesteld en het was dus moeilijk hieruit een ministerie

tevoorschijn te brengen. De Liberalen van allerlei nuanceeringen van

de Conservatieven tot de Vrijzinnig-democraten waren niet instaat

een zuiver concentratie-ministerie samen te stellen. Het gewicht

der gematigden bood wel het voordeel om dat van de geavanceerden

in evenwicht te houden op de spil der Liberale Unie, maar hun

gezamenlijke krachten omvatten slechts 45 afgevaardigden. De steun

der Sociaal-democraten was onontbeerlijk om deze onregelmatig

gevormde meerderheid vol te maken, bestaande uit 11 Oud-liberalen,

23 Unie-liberalen, 11 Vrijzinnig-democraten, 6 Sociaal-democraten en

1 onafhankelijke Socialist. »De Standaard" schreef ervan: »Wat ter

wereld zou men dan met zulk eene meerderheid uitrichten?"

De beantwoording van deze vraag was des te moeilijker, dewijl men er

zich totnutoe niet had over bekommerd. »Laat ons eerst maar den buit

behalen, dan zullen wij verder zien.« De moeilijke tijd was aangebroken

en in politieke kringen werden vele onderstellingen opgeworpen,

combinaties opgesteld; kortstondige samenstellingen, die in elke

periode van ministerieele crisis worden gemaakt om den volgenden dag

te verdwijnen.

Het eenvoudigste scheen te zijn de linkerzijde te nemen zooals zij

was en door de vereeniging van al hare elementen te regeeren, zelfs

door er de Socialisten in op te nemen. Op die manier zou het ministerie

nauwkeurig het »bloc", dat gezegevierd had, vertegenwoordigen. Maar deze

oplossing, logisch als zij was, nam niettemin de voorname bedenkingen

en zware moeilijkheden niet uit den weg. Het program der Oud-liberalen

was al te zeer in tegenspraak met dat der Sociaal-democraten, om een

vergelijk mogelijk te maken. Welke politiek zou daarom een combinatie

van dit soort kunnen voeren? Slechts ééne, de anticlericale politiek,

die bij de nadering der algemeene verkiezingen bij de linkerconcentratie

had voorgezeten. Welnu, men wist dat in een land als Nederland een

zoodanige politiek spoedig zou verworpen worden door de natie en dat

overigens elke poging om dezen weg op te gaan op de houding van de

Eerste Kamer zou stuiten, waar de meerderheid aan de Christelijke

partijen bleef.

Anderzijds door de Socialisten ter zijde te laten en een liberaal

ministerie samen te stellen, zonder zich om de uiterste linkerzijde te

bekommeren, zou men zich genoodzaakt zien een wankelend staatsstelsel

te aanvaarden, waar tegenover de rechterzijde de regeering zou steunen

op de Socialisten en op hen zou rekenen om haar te bestrijden. Deze

manier van handelen zou waarschijnlijk uitloopen op den meer of minder

haastigen val van een kabinet, dat op zulke broze grondslagen was

gebouwd, want dat is tegenover zulke goed-georganiseerde partijen niet

zeer praktisch.

Meester zijnde van den toestand, zouden zich de Socialisten vertoornd

over de weigering, die hun gedaan was, om aandeel aan de regeering te

hebben, wreken met hun beslisten tegenstand op een gegeven oogenblik.

Op het zien van deze moeilijkheden opperden eenige leden van rechts

zonder weerklank te vinden de bedenking, dat het ministerie Kuyper de

macht in handen had kunnen houden. Bij de voorwaarde zich te moeten

beperken binnen de grenzen der neutrale zone en vooral die van den

premier te vervangen, paarde zich de zekerheid, dat deze wijze van

oplossing van de crisis de stemmen der Liberalen, die nu in sterke mate

verward waren, zou vereenigen. Maar deze samenvoeging had geen kans van

slagen. Alle ministers zonder uitzondering vonden dat hun reden van

bestaan lag in de uitoefening van een Christelijke politiek en zij

hielden zich er bij Dr. Kuyper in zijn terugtrekken te volgen.

Onder de gematigden van de liberale concentratie, brak zich een andere

richting baan, die van vóór de verkiezingen aangegeven was door »Het

Handelsblad". Indien in de Tweede Kamer geen der partijen een vaste

meerderheid bezit, een werkende meerderheid, wat zal men dan doen? Dan

is er niets anders mogelijk dan eene vereeniging van de voornaamste

vertegenwoordigers der verschillende richtingen b.v. dat dr. De

Visser van de Protestanten, de heer Loeff van de Roomschen, minister

Idenburg van de Anti-revolutionairen de hand gaf aan professor Van

der Vlugt Oud-liberaal, aan Fock Unie-liberaal, en zelfs aan den

Vrijzinnig-democraat Dr. Bos. Een verbinding van dat soort zal wanneer

zij ontstaan is, zich op het standpunt van een verstandig conservatisme

plaatsen en een kalme wetgevende periode gematigd en vruchtbaar openen.

Toen nu de verkiezingen achter den rug waren en door het liberale orgaan

de voorziene onderstelling was geopperd, nam de pers van het linker

centrum dit thema weder op, waarop het geen slechte motieven borduurde.

Per slot van rekening ging het om een losmaken van de schikking der

partijen en een reconstructie van deze naar een nieuw kenmerk, namelijk

de mate van hun sociale strekkingen. Rechts derhalve moesten uitmaken de

conservatieve elementen, links de meer democratische mannen.

Door deze nieuwe klassificatie, die slechts tijdelijk zou zijn, maar die

men vuriglijk wenschte definitief te maken, zou er geen kwestie zijn van

een christelijk ministerie, van wetten tot vrijmaking van het onderwijs,

van een regeering die het volk zou zoeken te hypnotiseeren door op het

klavier van het volksgeweten te spelen. Na Dr. Kuyper zou men ook nog

zijn werk verwoesten en de monstercoalitie zou deelen in de nederlaag

van haren leider. Zoo was het levendige verlangen van de gematigden

van links. Zelfs zekere Vrijzinnig-democraten deelden in dezen droom

om namelijk de sociale kwestie de grondslag te doen worden voor nieuwe

partijen en nieuwe verbonden. Alleen de christelijke partijen verstonden

het niet. De Roomsche bondgenooten in 't bizonder, die voornamelijk

bedoeld werden met de uitnoodigingen van de democratische fracties van

links, achtten terecht dat een dergelijke schikking een groote fout

zou zijn en dat, daar zij zich op het terrein der beginselen bevonden,

zij dit niet konden verlaten om zich op den bewegelijken grondslag van

een kwestie te vestigen, belangrijk zonder twijfel in meer of mindere

mate maar niet op den voorgrond. Om die reden dan ook verwierp de

rechterzijde in haar geheel den discreten voorslag die haar was gedaan,

en zij antwoordde met »De Tijd": Het linker bloc heeft de overwinning

behaald. Laat men nu elkander verstaan, zooals men zal willen, om de

vruchten er van te plukken, en een ministerie samen te stellen volgens

hun wensch.

* * * * *

De taak was inderdaad bezwaarlijk. De tijd verliep en geene der

ontworpen combinaties werd verwezenlijkt. Eenige dagen na de aftreding

van Dr. Kuyper, had koningin Wilhelmina op »Het Loo", na de heeren Van

Karnebeek en Pierson, den voorzitter van de Liberale Unie, den heer

Goeman Borgesius ontboden. Regelmatig zich aan het hoofd van de

talrijkste groep van links bevindende, en in het centrum van de

zegevierende concentratie, had hij de formeering van een kabinet in

handen moeten nemen, maar zijn eigene persoonlijkheid was te scherp

belijnd voor een Kamer, die juist aan scherpe lijnen gebrek had. Er

kon geen sprake zijn van eenigen der staatslieden, die zich boven allen

in den verkiezingsstrijd onderscheiden hadden, want alles deed vreezen,

dat zij de onverzoenlijke oppositie van rechts niet zouden kunnen

doorstaan. Eerst na menige bespreking, veel besluiteloosheid en onnutte

onderhandelingen besloot de koningin personen van den tweeden rang te

roepen en zij vertrouwde den heer Goeman Borgesius de samenstelling

van een ministerie toe, waarvan hij zelf geen deel zou uitmaken. Het

was de tweede maal, dat dergelijke manier van handelen in werking werd

gesteld. Het precedent was van Thorbecke, maar de christelijke pers

bleef onder deze omstandigheid niet in gebreke op te merken, dat een

slecht precedent van geen waarde is, en dat bovendien de heer Borgesius

niet Thorbecke was.

De chef van de liberale Unie vond spoedig als voorzitter den heer De

Meester, die in Indië geweest was en er reputatie als financier had

verkregen. Deze ambtenaar, vreemd aan de ijverzucht der partijen en in

1904 om gezondheidsredenen in het moederland gekomen, bereidde zich voor

om naar Indië terug te keeren, toen hij geschikt bleek om een ministerie

van Financiën waar te nemen. Het moeilijkste had de heer Goeman

Borgesius voor zijn kabinet verkregen. Hij had een premier gevonden,

die niet te veel afschrikte, omdat hij zonder politiek verleden was. Hij

voegde er voor Binnenlandsche Zaken den heer Rink, afgevaardigde van

Arnhem, lid van het bestuur van de Liberale Unie, aan toe, wiens rol

totnutoe weinig belangrijk in de Tweede Kamer was geweest en die naar

alle waarschijnlijkheid in zijn nieuwe omgeving niet zou schitteren.

Hij plaatste voor Koloniën een ander Unie-liberaal, den heer Fock,

van betrekkelijk-gematigden zin. Voor Justitie deed hij beroep op den

heer Van Raalte, als Vrijzinnig-democraat. Buitenlandsche Zaken werd

toevertrouwd aan den heer Tets van Goudriaan, die grijs was geworden

in het diplomatieke harnas en in het kabinet de Oud-liberale richting

vertegenwoordigde. Het ministerie werd ten slotte voltallig door den

zeekapitein Cohen Stuart voor Marine, generaal Staal voor oorlog en

voor Waterstaat door den heer Kraus, beroemd ingenieur en professor en

rector-magnificus aan de Technische School te Delft, die deze benoeming

niet aanvaardde dan onder de voorwaarde om in Chili de belangrijke

werken te mogen uitvoeren, welke de regeering van dat ver-verwijderd

land hem had opgedragen. Goeman Borgesius beloofde alles, begeerig

als hij was als hoofd om aan ministerie De Meester dezen man van

groote bekwaamheid en wezenlijke kracht te verbinden. Om zijne taak te

vergemakkelijken, maakte een koninklijk besluit van den 11en September

1905, het bestuur van Landbouw, Nijverhandel en Handel los van het

departement Waterstaat om daarvoor een afzonderlijk ministerie te

vormen, het welk de heer Veegens, oud-redacteur van het Vaderland,

verkreeg, een Vrijzinnig-democraat, wiens richting grensde aan het

Socialisme.

In zijn geheel was het een ministerie met doffe toonaarden, samengesteld

uit staatslieden van den tweeden rang, en naar de gedachte van den

samensteller, bestemd om zoo goed en kwaad als het ging, zonder groot

gerucht en zonder groote hervorming de wetgeving weder op te vatten. De

bladen der oppositie gaven het den bijnaam van »blanco artikel«. Het

was niet een »zakenkabinet« in den eigenlijken zin des woords, daar het

geheel tegen den wil van den heer Van Houten zich niet beperkte tot de

neutrale zône en zijn voornemen aankondigde om naar sociale hervormingen

te staan. Het was liberaal, zoo zeide het, en dat was verstaanbaar,

maar daar het verplicht was om te laveeren, opdat het de hulp van

geheel tegenovergestelde richtingen behield, was het onbekwaam om iets

door middel van zichzelven, zijn eigen krachten en volgens zijn eigen

beginselen tot stand te brengen; een machteloos ministerie, dat aan de

voorwaarden eenige jaren tevoren door zijn samensteller opgenoemd, niet

beantwoordde. Want immers het bezat in zichzelven niet de noodige kracht

om aan het volk de groote hervormingen te geven, die de meerderheid

zonder onderscheid van partij of richting sedert lang scheen te

begeeren.

* * * * *

Dit alles kwam nauwkeurig uit in de Troonrede van 19 September 1905, die

het program van het nieuwe kabinet mededeelde.

Met duistere geleerdheid en gewilde gematigdheid kondigde zij

hervormingen aan, die het voorwerp zouden zijn van den wetgevenden

arbeid. Daartoe behoorden: herziening van enkele gedeelten van het

strafrecht en van het handelsrecht, van de armenwet; voltooiing van het

wetboek van het militaire strafrecht, wijzigingen in den dienst van het

reservekader enz., zonder duidelijk den zin aan te geven, op welke wijze

het ministerie deze hervormingen wilde verwezenlijken. Het voegde er

aan toe, dat noodzakelijk de middelen voor de staatsbegrooting moesten

versterkt worden, maar er werd niet bij gezegd, hoe men dat wenschte te

doen. Ondertusschen erkende het, dat voor de uitvoering van de beloofde

sociale hervormingen geld noodig was en dat derhalve deze eerst konden

verkregen worden, wanneer de middelen daartoe gevonden waren. Tevens

deelde het zijn voornemen weder om voor zijn rekening te nemen de

ontwerpen van den oud-minister Loeff, voor zoover ze betrekking hadden

op het arbeidscontract en de administratieve rechtspraak. Eindelijk

sprak het zich uit over de grondwetsherziening, artikel 80, het

vermaarde blancoartikel. Dit laatste punt was van het meeste gewicht

en met groot ongeduld verwacht. Men meende dat hierin ten minste

de ministerieele verklaring duidelijk zou zijn, en dat zij het

wachtwoord zou bevatten, dat in de liberale concentratie gedurende den

verkiezingsveldtocht leefde: dringende en dadelijke afschaffing van de

hinderpalen, die door artikel 80 van de grondwet den gewonen wetgever

waren gesteld voor de wettelijke regeling van het kiesrecht. Maar

inplaats van zich precies aan dit punt te houden verbreedde het de

hervormingslijst en benoemde als voorloopigen maatregel eene commissie

om te onderzoeken, welke andere wijzigingen in de grondwet aangebracht

moeten worden, waardoor inplaats van een gedeeltelijke een algemeene

grondwetsherziening werd gesteld.

Deze manier van handelen, die naar men zeide geïnspireerd was door den

kundigen chef van de Liberale Unie, was zeer verstandig. Zoo won men

tijd zonder dat het ministerie door scherpe debatten in opspraak werd

gebracht. Terwijl de commissie van onderzoek zich met de uiterste

nauwkeurigheid aan haar taak wijdde, met de verstandige traagheid,

waarmede de Nederlanders bij de oplossing van een belangrijke kwestie

steeds te werk gaan, ging het ministerie met zijn arbeid voort zonder

eenige opzien te baren, en leidde de bespreking over eenige wetten van

lageren wetgevenden arbeid, zonder dat de Staten-Generaal den tijd

hadden gehad de herzieningen tot een goed einde te brengen en de

volgende verkiezingen reeds van de nieuwe herziening konden profiteeren.

Dat was de toekomst laten zorgen en zelf voor den tegenwoordigen tijd

op te passen en zoo de vrees der Oud-liberalen te doen bedaren. Het

is evenwel moeilijk om allen tevreden te stellen, en het ongeduld van

Vrijzinnig-democraten en Socialisten kon zich niet goed vereenigen met

hetgeen zij noemden een capitulatie op het belangrijkste punt van het

ministerieele program.

De oppositie hoorde de Troonrede met een ongeloovigen glimlach aan.

Zij verborg niet haar spijt over het terugtrekken van Dr. Kuyper's

wetsontwerp tot regeling van den arbeidsduur en het nalaten van de

verzorging der moreele belangen van Indië en moederland. Evenwel toonde

zij een zekere voldoening over het feit, dat het nieuwe kabinet zich

niet had laten beinvloeden door de liberale pers in hare eischen

aangaande herziening van de wet op het onderwijs en van andere

partijwetten, onder de voorgaande wetgeving aangenomen. Zij was dankbaar

voor de woorden van bevrediging, door het ministerie uitgesproken en zij

beloofde, zoo de regeering de voorgestelde maatregelen zou indienen,

zoolang het te steunen, als zij kon zonder dat hare beginselen hieronder

leden.

De rechterzijde nam dus geen stelselmatig-vijandige houding aan. Dat

kwam wel uit toen in de Tweede Kamer de bespreking aan de orde kwam

van het arbeidscontract, het eenige nog eenigszins belangrijke werk,

dat het ministerie ten einde bracht. De oppositie heeft er trouw aan

medegearbeid en hare hulp verzekerde den goeden uitslag ervan.

Maar ondanks deze medewerking aan een hun noodzakelijk-toeschijnende

hervorming, die reeds door den oud-minister Loeff op het program

was gebracht, hebben toch de Christelijke partijen voortdurend een

oppositie-politiek gevoerd. De grenslijn tusschen rechter en linkerzijde

bleef gehandhaafd en alle openlijke of heimelijke pogingen om dezen te

doen verdwijnen, door de eenheid van handeling van de oude steunpilaren

van het kabinet Kuyper te breken, bleven ijdel. Het monsterverbond

overleefde de stembusnederlaag van zijn hoofd en men gevoelde het, dat

het voor een gunstig oogenblik zijn kracht en werkdadigheid bewaarde.

Het linkerbloc had zich in den loop van den parlementairen arbeid

eenigszins verwrongen. De Socialisten hadden er zich van losgemaakt en

aan zekere teekenen kon men zien, dat er meer breuken ophanden waren.

Naar de erkenning van de grootste optimisten was de toestand van het

ministerie gansch niet gezond. Door de tusschentijdsche verkiezing te

Leiden, waar de Christelijk-historische Dr. de Visser de plaats van den

oud-liberaal Van der Vlugt innam, werd het er niet beter op.

* * * * *

Deze onzekere toestand had het ministerie zoo verstandig moeten maken

om de baan van een zakenkabinet niet te verlaten. Maar het begreep

het niet; door Borgesius, naar men zeide, gedrongen, die achter de

coulissen het bestuurde, alsmede door de Vrijzinnig-democraten, had het

de onvoorzichtigheid in de begrooting van 1907 met het doel het budget

te verlagen, de hervorming van het leger op te nemen.

Men wete namelijk, dat in Nederland de miliciens, waaruit het leger

bestaat, aan een vrij-eigenaardig stelsel onderworpen zijn. Sedert de

wet van 1901 zijn de soldaten, die opgeroepen worden om het jaarlijksch

contingent uit te maken, oorspronkelijk verplicht tot een dienst van

acht en een halve maand. Gedurende het overige gedeelte van het jaar

zouden de kazernes eigenlijk leeg moeten staan en zij zouden het

werkelijk zijn indien niet de noodzakelijkheid van een altijd mogelijke

mobilisatie, de eischen van kadervorming, en de vervulling van de

hulpdiensten niet de handhaving oplegden van een deel der troepen, het

blijvend gedeelte onder de wapenen gedurende vier maanden, dat een

aantal van 7.500 mannen, in 30 garnizoenen verdeeld, niet mocht teboven

gaan.

Sedert eenigen tijd hield een deel van links niet op, de opheffing van

het blijvend gedeelte te vorderen, met de bedoeling om langzamerhand

tot een volksleger te komen, dat niet meer als een afzonderlijk lichaam

zou bestaan, van het overige deel der natie door militaristische

denkbeelden, door een partijgeest, een kaste en een paradegeest uit

vroegere eeuwen overgebleven, die geen reden van bestaan meer hadden,

gescheiden. Het was de partij der Vrijzinnig-democraten, die openlijk

naar één harmonisch en democratisch geheel streefde, dat de geheele

natie zou omvatten, die eensgezind zou werken aan de handhaving van de

onafhankelijkheid des lands en aan het respect voor zijn grondgebied.

Deze theorieën waren de voorwaarde van samenwerking met de Liberale Unie

geweest. Zij kwamen voor op het gezamenlijke program van de liberale

concentratie en men verdacht er de regeering sterk van, dat deze er

zich van af wilde maken, door de middelen voor het blijvend gedeelte te

verminderen en deze te gebruiken voor de verhooging van het jaarlijksche

contingent. Immers de minister van oorlog, generaal Staal, had tegen de

eerste beloften van den heer De Meester in verklaard, dat hij hier niet

uit spaarzaamheid handelde, maar dat hij de verkregen gelden noodig had

voor een ander hoofdstuk van zijne begrooting.

Toen de begrooting van oorlog zoo werd ingediend bij de Tweede Kamer,

ontmoette ze groote moeilijkheden. Men was er zich inderdaad van bewust,

dat al de legerautoriteiten het ontwerp van generaal Staal geheel

afkeurden, hetwelk zij tenminste slecht voorbereid achtten; en bovendien

had men een ongunstigen indruk gekregen door de handeling van den

minister, die was begonnen een deel der soldaten van het blijvende

gedeelte naar huis te sturen, zonder de Tweede Kamer er in te kennen.

Evenwel behield hij het vertrouwen van de Kamer, vergaderd op 21

December 1906, door de belofte, die door middel van den leider der

Oud-liberalen aan de regeering ontrukt werd, dat de toepassing van

eenige militaire maatregelen tot 1 April verdaagd zou worden.

Maar zoo was het niet in de Eerste Kamer, die het oogenblik niet gunstig

achtte voor de vermindering van het blijvend gedeelte en bijgevolg de

oorlogsbegrooting verwierp.

Zich solidair met generaal Staal verklarende, trad het kabinet in

zijn geheel af, waardoor wel wat lichtvaardig een moeilijke crisis

geopend werd. Zij duurde twee maanden en tegenover de weigering van de

rechterzijde om de regeering te aanvaarden, kon zij niet anders opgelost

worden dan door de terugkomst van het kabinet De Meester voorloopig

zonder generaal Staal, dien op het genoemde tijdstip de Provinciale

Staten van Noord-Holland naar de Eerste Kamer zonden, denkelijk om daar

hen van naderbij te leeren kennen, die zulk een ongelukkig einde aan

zijn ministerieele fortuinlijkheid gemaakt hadden.

* * * * *

Op dat oogenblik was in de politieke kringen aller aandacht gericht op

de provinciale verkiezingen. Deze waren van te meer belang, derwijl de

Provinciale Staten de leden der Eerste Kamer verkiezen en men terecht of

te onrecht de liberalen er een weinig van verdacht, het vraagstuk van de

vermindering van het blijvend gedeelte te hebben opgeschort om voor zich

daardoor bij deze verkiezingen een voordeelige reclame te maken.

Het belang van den strijd lag grootendeels in Zuid-Holland. In de

overige provincies scheen inderdaad de meerderheid te sterk hetzij

van rechts of van links, om aan verandering te kunnen denken, of het

mogelijke resultaat zou te gering zijn invloed op de houding van de

Eerste Kamer kunnen oefenen.

Maar in Zuid-Holland was het anders. Tot 1901 had deze provincie een

liberaal bewind gehad; nu nog waren er 36 liberalen in tegenover 46

rechtschen. Onder de 31 leden, die in Juni 1901 hun mandaat geëindigd

zagen, bevonden zich 17 van links en 24 van rechts. Derhalve zou een

verplaatsing van 5 of 6 stemmen voor de linker concentratie genoeg zijn

om de meerderheid te behalen en tegelijk 10 zetels in de Eerste Kamer

te heroveren en om wellicht door deze nieuwe Eerste Kamer tot een

vernieuwing van het liberalisme in het land te komen.

Om dit te bereiken, spaarde het linker bloc geen enkel middel, waardoor

de christelijke coalitie uit hare stellingen kon worden verjaagd.

Het was bij deze gelegenheid meer saamverbonden dan ooit tevoren.

Een vereenigingsverdrag verbond al degenen nauw met elkander, die

den weidschen naam van liberaal droegen, namelijk: Oud-liberaal,

Unie-liberaal en Vrijzinnig-democraat. Bovendien werd het in bijzondere

districten bij de herstemming gesteund door de Sociaal-democraten.

Het driemanschap Tijdeman-Borgesius-Marchant, dat bij deze entente aan

het hoofd stond, had nauwkeurig den veldtocht bepaald. Men hield niet

verborgen, dat nu de overwinning van 1905 moest voltooid worden; dat

de overwinning van dat jaar slechts halverwege was geweest zoolang de

confessioneele meerderheid, die sedert de staatsgreep van 1904 in de

Eerste Kamer heerschte, bleef bestaan en dat het van belang was aan de

liberale regeering een Eerste Kamer te bezorgen, gewijd aan de liberale

denkbeelden, opdat de regeering hare beloften zou kunnen vervullen en

hare hervormingen tot een goed einde zou kunnen brengen.

Zoo namen de verkiezingen in de provincie Zuid-Holland een politieken

tint aan tegen de ontbinding van de Eerste Kamer in 1904. Het was als

een beslissende strijd tegen het monsterverbond en zijne deelhebbers,

de mannen van de antithese. In één woord: het was een indirecte

verkiezing voor de Eerste Kamer, vrijwel gelijk aan de verkiezingen

voor een president van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika.

Onder de leiding van zijne chefs gaf de concentratie blijk van een

ongelooflijk drukke werkzaamheid, die echter voor de Liberalen het

ongelukkigste resultaat had, dat ooit door hen was ondervonden. Bij de

eerste stemming op 11 Juni verloren zij, inplaats van te winnen, vele

zetels. Meer nog dreigde de christelijke coalitie, die door hare eenheid

en organisatie den woedenden aanval vermocht terug te slaan, bij de

herstemming de meeste districten van Rotterdam, waaraan zij hare

bizondere zorgen had gewijd, te veroveren. De linkerzijde verkreeg

slechts twee zetels, terwijl men rechts 23 bij de eerste stemming

verwierf.

Dat was meer dan een nederlaag, dat was verval.

Nog erger werd het daarna, toen de verkiezingen in Overijsel de

meerderheid aan de christelijke partijen bezorgden, en in hun handen de

Gedeputeerde Staten vielen, die tot dien tijd voortdurend liberaal waren

geweest.

De herstemming bracht geen verzoeting van de bitterheid der eerste

stemming teweeg. In Zuid-Holland overmeesterde de christelijke coalitie

voor een deel de groote stad Rotterdam. In het derde district behaalde

de heer Kolkman, leider van de Roomsch-Katholieke Kamerclub de zege

over den Liberaal, den heer Van Dam, en in district 5 versloeg een

Christelijk-historische, de heer Van Asch van Wijk, den heer Zimmerman,

den jongen en vurigen burgemeester van Rotterdam.

In Friesland daarentegen was het resultaat, dat de meerderheid der

Provinciale Staten, die bijna door de orthodoxen was verkregen, aan de

Liberalen onttrokken werd, terwijl ze toch aan de linkerzijde bleef. De

Provinciale vertegenwoordiging bevatte tengevolge der stemmingen, waarin

de Socialisten 5 zetels wonnen: 22 Liberalen, 20 coalitiemannen en 8

Sociaal-democraten. Deze laatsten werden bijgevolg de scheidsrechters

van den politieken toestand. Maar de rechterzijde had geen reden zich

er over te verheugen, want het was te voorzien dat de Socialisten ervan

zouden profiteeren, om spoedig of minder spoedig storm te loopen op de

deuren van de Eerste Kamer en van de Liberalen ter vergoeding voor hunne

medewerking te eischen, dat Friesland een of meer van de vier Eerste

Kamerleden uit de Socialisten zou zenden. Desniettegenstaande liet dit

feit den achteruitgang der liberale denkbeelden zien, overal behalve in

Amsterdam.

* * * * *

De grootste inspanning van het Liberalisme, om in de Eerste Kamer het

verloren terrein terug te winnen, was geheel mislukt en deze nederlaag

schraagde zeker het wankelende ministerie niet, maar het zag zich het

vertrouwen van het kiezerscorps ontzegd.

Begreep minister De Meester wel, dat de liberale regeering in zeer

slechte verhouding kwam te staan en wilde hij wellicht voordat de

toekomst hem ontging tenminste het vraagstuk van de herziening van de

kieswet, het voornaamste van zijn program, aan de orde te stellen? Of

wel, wilde hij daarmede de onmacht der wetgeving, waartegen hij zich

met alle macht verzette, verbloemen? Hoe het zij, bij de opening van de

Staten-Generaal op den 17en September 1907, bracht hij onverhoeds de

kieswetherziening in bespreking.

Doch wat hij aankondigde, was niet meer een generale herziening, zooals

het verslag der Staatscommissie behelsde, hetwelk eenige maanden tevoren

was medegedeeld, maar een gedeeltelijke herziening, die de grenzen

door artikel 80 gesteld slechts overschreed om eenige wijzigingen

aan te brengen in de samenstelling en de rechten der Eerste Kamer. De

verwondering was algemeen en van alle kanten, zelfs in het liberale

kamp, vond men, dat een staatscommissie te benoemen om de lijst van de

punten der herziening wat te verbreeden en deze vervolgens bijna bij het

punt van uitgang te laten, zonder zich meer om de conclusies van deze

commissie te bekommeren, alsof zij niet bestond, een vreemd schouwspel

was en wel een weinig met den samenhang spotten.

Ondanks de haast, die hij aan den dag legde om met de zoo beperkte

hervorming te beginnen, had het ministerie niet den tijd om met het

onderzoek een aanvang te maken. De aangekondigde ontwerpen waren

nauwelijks ingediend, toen het zonder genade en zonder glorie onder de

bespreking van de begrooting viel.

Sedert de aftreding van generaal Staal was de kwestie van het blijvend

gedeelte opgeschort en de voorwaarde door den heer De Meester tot de

hervatting van het bewind, van het indienen een nieuw ontwerp, scheen

een doode letter gebleven te zijn. Wat nog meer inhad: de nieuwe

minister van oorlog, de heer Van Rappard, had den 12en Juli een

circulaire aan de korpscommandanten gezonden om den 1en December een

deel van het blijvend gedeelte van de infanterie naar huis te zenden.

Maar deze circulaire onderstelde, dat de kwestie door de Staten Generaal

zou zijn afgewerkt vóór dien datum, en zij was het niet.

Ook werd deze ernstige kwestie door de bespreking der begrooting van

1908 wederom aan de orde gebracht in de Tweede Kamer, waaraan deze

nog ernstiger kwestie werd toegevoegd, aangaande den toestand van het

leger. Volgens algemeen oordeel was deze toestand ver van voldoende.

Teekenen van ontmoediging en demoralisatie vertoonden zich overal. Om

deze toestand van malaise, die er heerschte sedert het optreden van het

ministerie De Meester, te doen ophouden, moest aan het hoofd een man

komen te staan van groote militaire kennis, die de reorganisatie van het

leger geleidelijk doorzette, noodzakelijk om tot het gewilde resultaat

te komen, en een kloekheid, die onmisbaar is om vertrouwen in te

boezemen.

Welnu, generaal Van Rappard was zulk een man niet. Een goed generaal,

maar een betreurenswaardig minister, die zich door den loop der

gebeurtenissen liet besturen, en het leek wel, of hij geen vast doel in

het oog had en geen diepe overtuiging bij zich droeg. Sedert het begin

van zijn ministerschap, had hij wel eenige wettelijke beschikkingen

genomen van minder belang, maar op alle voornaamste punten scheen hij

geen bizondere meening te hebben. Deze besluiteloosheid van karakter

evenwel, die hem raad deed inwinnen bij de Kamer inplaats van aan hare

goedkeuring een wèl-overwogen plan te onderwerpen, was niet de eenige

oorzaak van de middelmatige hoedanigheden, die in het bestuur van

zijn ministerieel-departement uitkwamen. De heer Van Rappard was

tevens bovenal het slachtoffer van de moeilijkheden, door de linker

concentratie teweeggebracht. Bij de verkiezingen van 1905 was zij naar

de stembus gegaan met de inschrijving van twee punten in haar program:

besparing van militaire uitgaven en een volksleger. Daaruit was de

meening ontstaan, dat wanneer zij maar eens de zege behaalde, zij

spoedig een hervorming onder zee- en landsoldaten zou invoeren, en

dat zij, terwijl de militaire lasten werden verlicht, de waarde

van het leger zou verhoogen. Zulke verwachtingen had zij onder het

volk gebracht; en zoo kwam het dan, dat menschen van goeden wil,

vreemdelingen in de staatkundige wereld, op wie de overwinnaars

de waarmaking van hunne beloften hadden overgedragen, den kiezers

onvoldaanheid inboezemden. Van besparing was geen sprake meer, de

begrooting van 1908 bracht eene verhooging van 1 millioen boven die

van 1907 aan en men was ver van zeker, dat die van de volgende jaren

daarbij bleven. Wat betreft het volksleger, dit scheen meer en meer

een droombeeld te zijn.

Deze opeenvolgende toestanden van afwachten, onzekerheid en bedrog

hadden een malaise onder het volk teweeggebracht en een wezenlijke

crisis in het leger.

Verscheidene sprekers constateerden het bij de bespreking in de Tweede

Kamer; van den heer Heemskerk, den Antirevolutionair, af tot den heer

Troelstra, den Socialistischen leider toe; en generaal Van Vlijmen trok

uit naam van de Liberalen de conclusie, dat de verkregen resultaten

in het leger niet in verhouding waren met de geldelijke offers, die

Nederland werden opgelegd. Het was duidelijk, dat de minister niet

meer het vertrouwen van de Tweede Kamer bezat. De verwerping van de

oorlogsbegrooting in de zitting van 21 December 1907 was er het

noodzakelijk gevolg van.

Bij deze nieuwe nederlaag aan zijn militaire politiek toegebracht, kon

het ministerie met de aftreding van den heer Van Rappard niet volstaan.

In minder dan een jaar tijds waren twee ministers op het parlementaire

slagveld gesneuveld; de eene verslagen door den tegenstand der Eerste,

en de andere door de oppositie van de Tweede Kamer, zoodat op dien

manier de volksvertegenwoordiging in haar geheel zijne houding aangaande

legerhervorming had veroordeeld. Hier komt nog bij, dat de minister van

Marine, de heer Cohen Stuart, eveneens gedrongen was geworden om in dien

tusschentijd af te treden. Zoo is het dan gemakkelijk te begrijpen, dat

de heer De Meester, ook al vond hij een opvolger voor de zware taak van

den heer Van Rappard, en dat was twijfelachtig, niet meer genoegzaam

zedelijk overwicht had om zijne positie te handhaven en nog minder om

het met Kamerontbinding te wagen. Uitermate verzwakt als het liberale

ministerie was geworden in de twee jaren zijner regeering, waar het bij

elke ontmoeting een weinig van zijn kracht en prestige had verloren,

stierf het, zooals het neutrale blad, »De Telegraaf" schreef, aan de

gevolgen van de ziekte van stembusbeloften. Het werd gedwongen zijne

onmacht om ze te verwezenlijken te erkennen en aan anderen het bestuur

der nationale zaken over te laten. Zonder al te lang te dralen, deed het

dit en den 26en December 1907 gaf het de gezamenlijke portefeuilles aan

de koningin over.

De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie · 第 34 / 54 题