_Het ministerie Heemskerk.--De algemeene verkiezingen van 1909.--De
toekomst van de Christelijke Coalitie._
Ondanks de begeerte van de rechterzijde om de Liberalen nu eens te
laten profiteeren van hunne overwinning van 1905, in den zin zooals
zij dat verstonden, kon deze zich niet meer onttrekken aan de
verantwoordelijkheid der regeering, zooals zij dat eenige maanden
tevoren gedaan had, voornamelijk niet, toen de linker concentratie zich
duidelijk genoeg onmachtig getoond had om een nieuw ministerie samen
te stellen. Allen waren echter niet van die gedachte. Dr. Kuyper in 't
bizonder meende, dat het de voorkeur verdiende om tot aan de algemeene
verkiezingen de overwinnaars in hun moeilijke positie en onmacht
te laten. Het volk zou, naar hij geloofde, zulk eene ontmoediging
ondergaan, dat het voor goed de liberale principes veroordeelde, die
door de feiten waren gelogenstraft, en de tijd, die er op volgde, zou
des te vruchtbaarder en te voorspoediger zijn. Maar de rechterzijde in
't algemeen deelde niet het inzicht van Dr. Kuyper en achtte, dat het
hoogste belang van den staat niet toeliet, dat men dit waagstuk beging.
De heer Heemskerk, zoon van den conservatieven oud-minister en president
van de Anti-revolutionaire kamerclub, ontving opdracht om een kabinet te
formeeren. Hij was daartoe aangewezen geworden door zijn beslissende
tusschenkomst in de bespreking van de Oorlogsbegrooting.
Spoedig vond de heer Heemskerk twee antirevolutionaire medewerkers; de
eene Ds. Talma, een der bekendste aanhangers van Dr. Kuyper, aan wien
hij het departement van Landbouw, Handel en Nijverheid toevertrouwde;
en de andere, de heer Idenburg, die Koloniën weder opnam, hetgeen hij
vóór de komst van het ministerie De Meester op uitnemende wijze had
waargenomen.
Tevens richtte zich de heer Heemskerk tot den heer Kolkman, den leider
der Roomsch-Katholieke Kamerclub, en gaf aan hem het departement
van Financiën, aan den heer Nelissen dat van Justitie en aan den
heer Bevers, allen Roomsch, dat van Waterstaat, terwijl hij voor
Buitenlandsche Zaken den heer Marees van Swinderen, Nederlandsch gezant
te Washington, benoemde, om in het kabinet de Christelijk-historische
ideeën van den heer de Savornin Lohman te vertegenwoordigen.
De heer Heemskerk nam Binnenlandsche Zaken op zich en tevens den
presidentshamer. Het baarde bizonder opzien, dat aan het hoofd van
Oorlog en Marine twee militairen stonden zonder politieke kleur, van
algemeen erkende bekwaamheid en in deskundige kringen zeer gezien.
Generaal Sabron, chef van den generalen staf, nam de zware taak op zich
om de legermacht te reorganiseeren en admiraal Wentholt, die den heer
Cohen Stuart vervangen had, behield in het nieuwe ministerie zijne
portefeuille.
Men was een oogenblik bevreesd dat de eerste daad van een zoo snel en op
zulke wijze opgekomen ministerie de ontbinding van de Tweede Kamer zou
zijn, dewijl een meerderheid van links, hoe zwak ook, de voltooiing van
zijne wetsontwerpen en de uitvoering van zijn program kon verhinderen.
Verstandige mannen waren van oordeel, dat het beter was dadelijk
de Kamer te ontbinden, dan dit te doen na maanden van kleurloos en
onvruchtbaar bestuur. Maar de heer Heemskerk was van andere gedachten.
Hij had een vluchtigen blik op de ligging der Tweede Kamer geworpen; hij
had rechts de christelijke partijen gezien, alle bereid om hem krachtig
te ondersteunen, links een zeker aantal staatslieden, die overtuigd
waren, dat noch zij noch hunne partij er profijt bij hadden om een
onverzettelijke houding aan te nemen, waarvan eene ontbinding het
noodzakelijk gevolg moest zijn. Daaruit had hij opgemaakt, dat hij geen
stelselmatige oppositie te duchten had en bijgevolg het voor het belang
van het land noodzakelijk was met de Kamer, zooals zij was, te regeeren,
maar haar bij het eerste conflict te ontbinden.
Dat was de gedachte, die uit de ministerieele verklaring sprak, welke
bij den terugkeer van de Kamer op den 10en Maart 1908 afgelegd werd. Met
het kennelijke voornemen om alles te verwijderen, wat aan de Liberalen
een directe uitdaging zou kunnen toeschijnen en hun tot voorwendsel zou
kunnen dienen voor sterken tegenstand, vermeed de minister-president
alle sterke kleuren, alle uitgebreide plannen, alle scherpe punten
van tegenstelling. Wel nam hij het christelijk program weder op, dat
in 1905 uit handen van Dr. Kuyper was gevallen, maar hij verklaarde
dadelijk, dat het kabinet in verzoenenden geest en zoo ruim mogelijk
zijne beginselen zou toepassen. Daartoe koos hij de minstbetwiste
hervormingen, die in het program stonden, zooals de strafrechterlijke
vervolging van de openbare onzedelijkheid en de wettelijke subsidieering
van het bizondere middelbare onderwijs, een maatregel die den
schoolarbeid van de ministers Mackay en Kuyper moest aanvullen en
waarvan zelfs door zekere Liberalen, zooals Dr. Bos en minister Rink, de
billijkheid was erkend. Daarbij voegde hij nog de herziening van wetten,
wier leemten in de praktijk aan het licht waren gekomen, voornamelijk
van de ongevallenwet en de gemeentewet.
Bovendien sprak het kabinet zich uit tegen vermindering van het blijvend
gedeelte, in afwachting van een ophanden zijnde herziening van de wet op
den militairen dienst om aan de ongemakken, hier verbonden, tegemoet
te komen; erkende het de noodzakelijkheid van de versterking der
kustverdediging; behield nog de kwestie van de droogmaking der Zuiderzee
voor zich, om deze nauwkeuriger te onderzoeken; en trok eindelijk de
ontwerpen door den heer De Meester aangaande grondwetsherziening in,
daar ze naar zijn oordeel al te zeer tegen zijne beginselen ingingen
en naar het zeide vijftien maanden te kort waren, om deze ernstige
kwestie grondig te onderzoeken. Dat was te voorzien, want het was voor
niemand een geheim, dat de voorliefde van de rechterzijde de sociale
hervormingen bezaten, en dat het werk van grondwetsherziening niet
onmisbaar geacht werd voor hunne totstandkoming; ja integendeel, dat het
gevolg zou zijn, dat ze tot in 't oneindige zouden verdaagd worden; en
dat het dus verkieslijker voorkwam zonder te dralen een deel tenminste
van het sociale program van Dr. Kuyper in vervulling te brengen.
Van die gedachte bleek de heer Heemskerk te zijn, toen hij, zonder
zich bij zekere ontwerpen op te houden, als verplichte verzekering
tegen de gevolgen van ziekte, invaliditeit en ouderdom, die reeds van
tevoren in minachting waren; zich er toe beperkte om uitbreiding van
de arbeidsinspectie en ouderdomspensioen te beloven, als voorbereidende
maatregelen voor algemeene pensioenregeling tegen invaliditeit.
Het is verstandig dat men zich weet te beperken; en het geheele
ministerieele program, dat per slot van rekening slechts een program van
afwachten was, getuigde in zijn geheel van deze practische wijsheid, die
hetgeen onmiddellijk bereikbaar is verkiest boven prachtige en klinkende
voorstellingen, die te groot en te vaag zijn om tot waardeerbare
resultaten te komen. Dat erkenden bijna allen, ook ter linkerzijde,
waar men, behalve eenige geavanceerden, de ministerieele voorstellen,
den geest van opportuniteit en verzoening, de nauwkeurigheid der
verklaringen, den wensch om op positieve manier in het welzijn des lands
temidden van de moeilijke omstandigheden, waarin het ministerie de
regeering aanvaard had, te arbeiden, gunstig opnam.
De moeilijkheden, waarmede het te worstelen had, kwamen niet alleen
uit de vreemde politieke verhouding, waarin het ministerie De Meester
het had overgedragen, maar ook uit de economische crisis, die over het
land was gekomen tengevolge van de geweldige daling der Amerikaansche
papieren. De gebeurtenissen in de Nieuwe Wereld hadden een geweldigen
terugslag in dit land, dat met Amerika nauwe handelsbetrekkingen
onderhoudt. Toen in de maand Augustus van 1907 de Amsterdamsche Beurs
onder den invloed van nieuwstijdingen uit New-York begon te dalen,
maakte zich groote ongerustheid van de gemoederen der financiers
meester, die zich over nijverheid en handel verspreidde. Oude
bankiershuizen, bekend om hunne soliditeit, werden geschokt, anderen
sloegen bankroet, waardoor boven de tallooze verliezen er bijna volkomen
beslag op de zaken werd gelegd. De diamantindustrie en diamanthandel,
die van groot gewicht in Nederland zijn, moesten, dewijl er geen aftrek
meer was onder de Amerikaansche milliardairs, hun produktie en uitvoer
beperken. Bijgevolg werden duizenden diamantbewerkers werkeloos en dezen
bij die van andere werken gevoegd, in 't bizonder van het bouwvak,
vormden alleen voor de stad Amsterdam een leger van bijna 100.000
werklieden zonder werk en aan de ellende ten prooi. De particuliere
weldadigheid mocht wel hare pogingen verdubbelen, de winter van
1907-1908 was bar en de toestand bleef langen tijd pijnlijk, verergerd
door het feit, dat meer en meer de plattelandsbevolking zich in de
groote kustplaatsen en vooral in de hoofdstad vestigde.
Tevens leden 's lands financiën, zooals onvermijdelijk was, onder de
crisis, die de persoonlijke fortuinen teisterde. De nationale inkomsten
verminderden op buitengewone wijze en de begrooting wees een tekort van
10 millioen aan. Om het financieel evenwicht te herstellen, mocht men
geen nieuwe leening te hulp roepen, want in zulke omstandigheden was
dit middel bezwaarlijk. Het beste was om het tekort zooveel mogelijk
te dekken, door op de directe belasting een verhooging aan te brengen.
Daarom was het, dat de regeering na eenige maanden, waarin zij met vele
andere wetgevende maatregelen de reorganisatie van de inspectie op den
arbeid had beëindigd, in de Troonrede van 15 September 1908 mededeelde,
dat de financieele toestand ver van gunstig was en men, zonder de
uitvoering van de sociale hervormingen uit het oog te verliezen,
noodzakelijk voor hare toepassing, tot elken prijs de middelen van
's rijks schatkist moest versterken.
Hiertoe had het Kabinet zich in herinnering gebracht, dat de heer
De Meester vóór zijn val een wetsontwerp had ingediend om de beide
belastingen op het vermogen en het bedrijf, zestien jaar geleden door
minister Pierson ingesteld, tot ééne inkomstenbelasting te vereenigen;
en hij vertrouwde dat deze samensmelting voldoende zou zijn om het
financieel evenwicht te herstellen. Nu gaf het Kabinet het voornemen
te kennen dit ontwerp weder op te vatten, nadat het van eenige
beschikkingen, die slecht door het volk zouden worden opgenomen, zou
zijn ontdaan. Intusschen vroeg het aan de Tweede Kamer ter afdoening van
het allernoodzakelijkste 10 percent additioneele rechten op vermogens-
en bedrijfsbelasting, die zonder discussie werden toegestaan en behield
zich in het uiterste geval een hooger accijns op de jenever voor.
Zoo was het ministerie Heemskerk bezig toen de wetgevende periode ten
einde liep. In 't buitenland had het ministerie zich voorzichtig en
tevens krachtig vertoond in het Venezuelaansche conflict. Naar binnen
had het een groot deel van het afwachtingsprogram, dat het zich bij
zijn optreden had voorgesteld, werkelijkheid doen worden; het had tot
algemeene voldoening in de kwestie van het blijvend gedeelte een besluit
genomen, naar de verstandige plannen van generaal Sabron en tevens was
de wet op het middelbaar onderwijs tot stand gekomen. Het had op bekwame
wijze het bewind gevoerd, zonder in de Tweede Kamer een onverzettelijke
oppositie te vinden, die anders noodzakelijk op ontbinding had moeten
uitloopen. Zijne plannen, om in de toekomst de derde periode van
militairen dienst voor de op te komen miliciens weg te nemen en de
tweede voor de landweer, het jaarlijksche contingent van 17500 op 22000
soldaten te brengen, maar daarentegen de duur van den militairen dienst
van vijftien op tien jaar terug te voeren, werden met zooveel te meer
ingenomenheid begroet, daar de chefs van het leger deze wijzigingen
volkomen vereenigbaar achtten met de eischen der militaire defensie.
Anderzijds maakten de ontwerpen van minister Nelissen ter onderdrukking
van de openbare zedeloosheid en in 't bizonder van de pornographie en
der neomalthusiaansche propaganda een uitnemenden indruk. Het ontzag
voor de rechterzijde was, zooals sommigen gevreesd hadden, er in de
zestien maanden regeering niet op verminderd en de algemeene
verkiezingen kwamen voor haar op een gunstigen tijd.
De verkiezing was even kalm als zij in 1905 druk en luidruchtig geweest
was. De linkerzijde, die vier jaren tevoren een woedenden aanval gedaan
had op het ministerie Kuyper, had geen enkelen grond om te hopen, dat
zij dezen keer een beslissende zege zou behalen. De ervaring van het
kabinet De Meester had haar hare onmacht om te regeeren getoond, en
hare begeerte naar de overwinning werd getemperd door de zekerheid,
dat zij er toch geen voordeel van zou kunnen trekken. Overigens had het
ministerie Heemskerk het bewijs van zulk een verstandige handelwijze
geleverd, dat een aantal liberalen gaarne wilden dat hij maar aan
het bewind bleef, met deze voorwaarde natuurlijk, dat hij niet op een
Christelijke meerderheid zou kunnen steunen en dat de linkerzijde ten
minste haar 51 mandaten in de Tweede Kamer zou behouden. Men moet zich
nu eenmaal kunnen schikken. Het ministerie Heemskerk deed zijn werk zoo
goed. De kiezers moesten het niet omverwerpen, want de linkerzijde zou
toch geen meerderheid er uit kunnen krijgen, maar de regeering mocht
er niet meer door versterkt worden. Zoo was het beleid, dat in zekere
liberale kringen besproken werd en waarvan de Nieuwe Courant slechts de
weergalm was.
De heer Goeman Borgesius was evenwel niet van deze gedachte en daarom
trachtte hij tegenover het clericalisme de linkerconcentratie te
herstellen, die bij de vorige verkiezingen er in geslaagd was het
gevreesde Kuyper-regime van de baan te schuiven, hetwelk hij het
grootste ongeluk achtte dat ons treffen kan. Maar die taak ging met
groote moeilijkheden gepaard. De algemeen-bekende vooruitschuiving van
de »Liberale Unie" naar den kant van den Vrijzinnig-democratischen
Bond was niet goed opgenomen en tusschen Vrij-liberalen en
Vrijzinnig-democraten heerschte een kwalijk verscholen vijandschap.
Om de gunst van de vrij talrijke leden van den Bond voor Algemeen
Kiesrecht te behouden en die van de leden van den Algemeenen Bond
voor Staatspensioneering te verwerven, had de heer Borgesius op
vermetele wijze aan het socialistische program twee eischen ontleend:
staatspensioneering en algemeen kiesrecht. Nu was het niet meer het
schemerduister van het »blanco-artikel«, dat hij zocht, hij vroeg nu
onomwonden grondwetsherziening om tot algemeen kiesrecht te komen;
maar daarin kon hij de goedkeuring der Oud-liberalen niet wegdragen.
Deze had hij ook niet meer in de kwestie van staatspensioneering,
want men vond dat hij alleen werk maakte van kiesrechtuitbreiding.
Zelfs de Vrijzinnig-democraten, die hij in sociale hervormingen trachtte
te overtreffen, veroordeelden voor 't meerendeel deze manoeuvre.
Hun aanvoerder, de heer Treub, bewees met cijfers de financieele
onmogelijkheid om in Nederland staatspensioneering in te voeren, en
hij voegde er aan toe, dat het voorspiegelen van gunstige maatregelen
voor de armen, zonder te weten dat ze ook verwezenlijkt konden worden,
geen democratie was maar volksverleiding, en dat de voorstanders van
verzekering tegen invaliditeit en ouderdom uit staatskas waren naieve
optimisten of staatkundigen van den kouden grond.
Men was het dus onder de Liberalen over het verkiezingsprogram niet eens
en ook niet over de indeeling van de te veroveren zetels in de Tweede
Kamer. De Oud-liberalen spraken openlijk hun voornemen uit om tegenover
sommige Vrijzinnig-democraten hun eigen candidaten te stellen; en
deze laatsten dreigden met weerwraak. De Socialisten, gedrongen als
zij werden door de propaganda van de Marxisten, verscherpten hun
klassestrijd in de verkiezingen tegen de burgerlijke partijen zelfs
tegen de Liberalen.
Tegelijkertijd met die verdeeldheid heerschte een volstrekt gebrek aan
vertrouwen en geestdrift onder de kiezers van de linker-concentratie.
Hun geheele houding voorspelde een nederlaag voor de verkiezingen en hun
onrustig verlangen beperkte zich tot de handhaving van den politieken
toestand zooals hij was. Per slot van rekening deden zij alleen maar
moeite om hunne posities te verdedigen, maar evenals in den oorlog is
een defensieve houding een slechte taktiek ook in den politieken strijd.
Tevergeefs trachtten eenige leiders den ouden Kuyperhaat weer aan te
wakkeren en de heer Van Houten wierp hun het wachtwoord toe: Kuyper mag
niet terugkomen!
Zoo verdeeld en onzeker als het linkerbloc was, zoo vast-aaneengesloten
was de Christelijke coalitie. Men had een oogenblik gevreesd, dat het
verschil van inzichten tusschen Dr. Kuyper en Mr. De Savornin Lohman,
dat wederom in een levendige polemiek over de toekomstige rol van het
ministerie Heemskerk was gebleken, een belemmering in de eenheid van
actie zou zijn, maar bij de nadering der verkiezingen hadden deze twee
eminente mannen hun verschil van gevoelen doodgezwegen en namen zij hun
gemeenschappelijke overeenkomst met de Roomschen weder op. Zelfs de
Christen-democraten, die door de ondervinding waren geleerd, maakten
zich gereed om de candidaten van rechts te ondersteunen, mits men ter
hunner belooning in het district Helder hun leider Staalman
ondersteunde.
Dadelijk togen de verschillende organisaties aan het werk om een
verkiezingsprogram op te stellen. Den 22en April werd te Utrecht de
deputaten-vergadering der Antirevolutionaire partij gehouden, die
tot de volgende hervormingen besloot: huismanskiesrecht, verplichte
verzekering tegen invaliditeit en ouderdom, verhooging der invoerrechten
om tot werklieden-pensionneering te kunnen komen, vollediger
gelijkstelling van bizonder en openbaar onderwijs. Van zijne zijde
besloot het Algemeen Verbond der Roomsch-Katholieke kiesvereenigingen
tot dezelfde eischen, terwijl het evenwel nog bij het huismanskiesrecht
evenredige vertegenwoordiging voegde. Beiden spraken buitendien hun
vertrouwen in het ministerie Heemskerk uit, op dit punt door de
Christelijk-historischen gevolgd, die niettemin weigerden om een lijst
van hervormingen openbaar te maken, daar zij zeiden, dat de bepaling,
welke kwesties urgent zijn, aan het ministerie toekwam en niet aan de
kiezers.
Zoo begon de verkiezingstijd. Na eenige somwijlen ietwat moeilijke
onderhandelingen en lichte schermutselingen vooral tusschen
Christelijk-historischen en Antirevolutionairen, kwam de overeenkomst
tusschen de verschillende partijen van rechts tot stand. De Roomschen
hadden meer dan eens en nog pas bij een tusschentijdsche verkiezing
voor de Provinciale Staten van Zeeland ondervonden, dat een zeker
aantal Protestanten hardnekkig weigerde op een Roomschen candidaat te
stemmen, en gaven maar zooveel mogelijk toe. Zij beperkten zich er toe
om de 25 zetels te behouden en in vele districten waar zij een groote
kans hadden, steunden zij liever den Antirevolutionairen candidaat.
Zij offerden zelfs Enschede, dat hun voorheen had toebehoord, op, waar
sedert 1897 ondanks een betrekkelijk zeer schoone meerderheid bij de
eerste stemming voor hun eigen candidaat, de Socialist Van Kol, steeds
bij herstemming de volstrekte meerderheid haalde. Want dit doende,
achtten zij het niet het belangrijkst om de twee of drie zetels, die
hun bij evenredige verkiezing toekwamen, te veroveren, maar om een
schitterende overwinning aan de Christelijke coalitie te bezorgen.
Dank zij de wèl-voorbereide en goed-bestuurde gemeenschappelijke actie
werd het dadelijk op den 11en Juni reeds eene overwinning. De 25
Roomschen kwamen allen met sterke meerderheid uit de stembus, zelfs
de heer Passtoors in Beverwijk, die het meest bedreigd werd, met een
meerderheid van 1000 stemmen boven de gezamenlijke drie candidaten,
die tegenover hem stonden. De Antirevolutionairen, die den zwaarsten
aanval des vijands hadden te doorstaan, hadden een winst van zes
zetels, namelijk Enkhuizen, dien zij op den leider der Liberale Unie
heroverden, Kampen, Enschede, Gorkum, Amsterdam VII en Amsterdam VIII.
De Christelijk-historischen bleven op dezelfde hoogte. In één woord,
de rechtsche partijen vorderden en behaalden onbetwistbaar een vaste
meerderheid in de Tweede Kamer. De linkerzijde had slechts tien
afgevaardigden verkozen gekregen en haar aanvoerder, de heer Goeman
Borgesius, in twee districten verslagen, trachtte met moeite bij de
herstemming voor Rotterdam I verkozen te worden.
De 36 herstemmingen waren niet instaat om den toestand te wijzigen.
Haar resultaten konden òf de meerderheid versterken òf verhinderen dat
de nederlaag van links in een verplettering veranderd werd. Ondanks
het welslagen van de eerste stemming en het prestige op de kiezers als
gevolg van hunne overwinning, verwachtte de rechterzijde weinig van
de herstemming. Behalve één zetel, die zij te Ede veroverde, waar een
onafhankelijke Christelijk-historische tegenover een Antirevolutionair
stond, verwachtte zij niet meer dan twee of drie districten te winnen.
De voorgaande verkiezingen hadden haar inderdaad geleerd dat over
't algemeen de herstemmingen in haar nadeel waren; op het beslissend
oogenblik vereenigden dan de linkerpartijen hunne stemmen op den
liberalen of socialistischen candidaat en behaalden er de overwinning.
Deze keer echter ging het niet op dezelfde wijze. De Sociaal-democraten
hadden van de eerste stemming af hun voornemen te kennen gegeven om in
geen geval de Oud-liberalen te ondersteunen. Conservatieven van rechts
of van links, »dat is hetzelfde«, zeiden zij. Bijgevolg bevalen zij
onthouding aan waar een Oud-liberaal tegenover een van rechts stond.
Als weerwraak namen de Vrij-liberalen eenzelfde houding aan tegenover
de Socialisten, en niet tevreden er mede, om ten hunnen opzichte
een wangunstige neutraliteit te bewaren, zeiden zij zelfs hunne
partijgenooten aan om op den candidaat van rechts te stemmen,
indien namelijk de tegenpartij van den Socialistischen candidaat een
Christelijk-historische was, hetgeen zich in 't bizonder voordeed
in Amsterdam II, waar de heer Snoeck Henkemans den president van het
Socialistische Werkliedenverbond, den heer Oudegeest, bestuurder van
de algemeene werkstaking van 1903, bestreed.
Tengevolge van deze verdeeldheid, die de kracht van de liberale
concentratie aanmerkelijk verzwakte, behaalde de Christelijke den
28en Juni een nieuwe overwinning. Amsterdam II en Haarlem waren door
de Christelijk-historischen veroverd, waardoor dezen 12 zetels zich
verwierven. De Antirevolutionairen behaalden 23 zetels, en wonnen
Rotterdam IV door de verkiezing van den heer Jacob Heemskerk, broeder
van den minister van dien naam; Rotterdam V, waar de heer Van Raalte,
oud-minister in het kabinet De Meester verslagen werd; en Utrecht II,
op den heer Roëll, den geachten voorzitter der Tweede Kamer, veroverd.
De meerderheid van rechts werd hierdoor op 60 stemmen in de Tweede Kamer
gebracht. De Liberalen kwamen gedecimeerd uit den strijd, vooral de
Oud-liberalen, die hun beste vertegenwoordigers van het staatkundig
tooneel zagen verdwijnen en niet dan vier zetels behielden, het
ongelukkig overblijfsel van vroegere grootheid. Alleen waren de
Socialisten eenigszins vooruitgegaan, die zonder de handelwijze van
Roomschen en Christelijk-historischen in verscheidene districten hun
aantal afgevaardigden zouden hebben zien vermeerderd.
Alles tezamen genomen had de les der verkiezingen een dubbel karakter.
Ter eener zijde was het de ongenade, waarin de gematigde-liberalen
gekomen waren bij de kiezers, waardoor zij hen verlieten in hun
onafgebroken evolutie in de richting van het Socialisme, om de
vooruitstrevende elementen van de oude groote liberale partij te volgen.
Aan de andere zijde was het groote tevoren nimmer voorgekomen succes der
rechterzijde, dat een vertrouwen in de gematigde en kalme leiding van
minister Heemskerk te kennen gaf en voor de Christelijke coalitie een
schoone toekomst opende.
* * * * *
Tweemaal reeds in 1888 en 1901 waren de Christelijke partijen op één
verkiezingsprogram vereenigd, aan de regeering gekomen, maar hunne
overwinning was slechts, zij wisten het, momenteel en zij gevoelden
dat de Liberalen slechts één oogenblik de macht in handen behoefden
te krijgen, om met meer kracht hun overwicht in de verschillende
staatslichamen te hernemen. Overigens zijn de laatste verkiezingen van
groot gewicht. Wanneer men ze van naderbij beschouwt, geven zij den
indruk, dat men zich op een keerpunt in de staatkundige geschiedenis
bevindt. Tachtigduizend stemmen meerderheid in het land, twaalf in de
Eerste Kamer, twintig in de Tweede Kamer, een ministerie samengesteld
uit bekwame mannen; zoo is de gunstige toestand van de Christelijke
Coalitie. Niets staat meer de uitvoering van hare plannen in den weg,
niets meer de voltooiing der noodzakelijke hervormingen.
Maar deze toestand is, om zich sterk uit te drukken, niet onneembaar.
De veroverde stellingen hebben versterking, bevestiging en bescherming
noodig. De invloed van rechts in de Tweede Kamer is naar het getal te
groot voor het aantal kiezers, die van deze begrippen doordrongen zijn.
Deze onevenredigheid is daar, waar zij zich vertoont, een bedreiging
voor hen, te wier voordeel zij bestaat. In Nederland is er dus bij de
nadenkende staatkundigen een zekere vrees, die het ministerie Heemskerk
kan doen verdwijnen. Groot is de verantwoordelijkheid, die op dit
ministerie rust; van zijn ijver, wijsheid, en politieken zin hangt het
vertrouwen der natie in de werkdadigheid der Christelijke politiek af.
Indien het bij geval niet aan de verwachtingen, die men ervan heeft,
voldeed, dan zouden de volgende algemeene verkiezingen in éénen dag
het werk van dertig jaren worsteling vernietigen, zonder wellicht de
mogelijkheid over te laten om een nieuw gebouw uit het puin te doen
herrijzen.
Maar tevens, welk een schoon vergezicht van vruchtbaren wetgevenden
arbeid opent zich niet voor ons; een tijd om, zonder onderdrukking der
minderheden, op den grondslag van de grootst-mogelijke vrijheid en
gelijkheid voor alle burgers, een goede sociale wetgeving op duurzame
grondslagen op te bouwen. De hangende vraagstukken zijn ernstig en
veelvoudig; arbeiderspensioneering op practische wijze verzekerd, en
tevens hiermede in verband, de herziening der inkomende rechten; de
Zondagsrust beter geregeld en beter beschermd; de openbare zedeloosheid
op afdoende manier tegengegaan; het vrije onderwijs in al zijne
vertakkingen en onderafdeelingen genietende van dezelfde voordeelen als
het openbare. Bovendien binnen korter of langer tijd grondwetsherziening
naar de Christelijke grondslagen, waardoor een organische regeling van
het kiesrecht geoorloofd wordt. Ziedaar de opdracht, vol van beloften,
die de krachten van de Christelijke Coalitie bezighoudt en waarvan de
verwezenlijking de liefde van het volk, de dankbaarheid der historie zou
doen verwerven.
De Nederlandsche Roomschen zijn niet alleen, maar met de hulp van
hunne bondgenooten, op hetzelfde historische punt gekomen als de
Belgische Roomschen in 1884. Hunne methode is anders geweest, de
strijd was moeilijker, de weg langer. Zij hebben niet de overmaat van
verontwaardiging gekend, waarmee hun zuidelijke buren zijn ontwaakt,
maar een geleidelijke en voortdurende stijging, vrucht van sterke
organisatie, van vasten wil en volhardende inspanning. Hun doel is
eindelijk bereikt. Na een halve eeuw van liberale regeering is de
Christelijke Coalitie onbetwistbaar meesteres van den toestand. En waar
zij een langduriger opkomst kende, misschien zal zij daar nog langer dan
in België de Roomsche partij haar beslissenden invloed op de toekomst
van Nederland doen behouden.
Indien tenminste de verdeeldheid niet gaat heerschen en de verbonden
partijen het eens-gegeven woord niet terugnemen om zich aan een eigen
politiek te wijden. Maar dat is niet waarschijnlijk. Het verbond rust
te sterk op de nauwkeurig-belijnde beginselen, dan dat het aan de
genade van voorbijgaande invloeden zal overgeleverd zijn, die slechts
kunnen schudden, maar niet omverwerpen. Het is langzamerhand gegroeid
en naarmate van zijn vooruitgang, zijn de belemmeringen, die zich op
zijn weg voordeden, uit den weg geruimd. Het zijn de Liberalen zelf,
die deze weggenomen hebben. Door hunne zorgen zijn de kwesties van den
persoonlijken dienstplicht en van den leerplicht uit den weg geruimd.
En hunne pogingen om het »monsterverbond« uit elkander te rukken hebben
nauwere aaneensluiting veroorzaakt. Zij kunnen haar niet meer in 't
openbaar bekampen, en daarom trachten zij de eenheid der Coalitie
teniet te doen en ze zoo te overwinnen. Doch onder de hedendaagsche
omstandigheden heeft de linker-concentratie minder dan ooit kans om zich
op duurzame wijze te herstellen.
Het is dus te hopen, dat de Christelijke Coalitie zal voortgaan
met het totstandbrengen van wèl-overwogen hervormingen. Zoolang het
Christelijk-Sociaal program niet is afgewerkt, zoolang de schoolkwestie
haar volkomen oplossing niet heeft verkregen, zal zij haar reden van
bestaan behouden. En dan alleen, wanneer de strijd het godsdienstig
terrein zal verlaten hebben, wanneer de Nederlandsche moderne
maatschappij zal ontloken zijn bij het licht van het Evangelie, wanneer
de sociale wetgeving op de Christelijke grondslagen zal rusten, kunnen
de partijen hare rangen verlaten, den citadel ontmantelen evenals de
vesting Nijmegen, eertijds onneembaar, schier van hare versterkingen
is ontdaan, toen zij geen oorlogen meer te vreezen had en men haar met
breede boulevards en schoone parken mocht omringen.
NAAMLIJST VAN DE PERSONEN
IN DIT WERK GENOEMD
Aalberse, 30, 35.
Alberda, 148.
Angenent, 35.
Asch van Wyck (M. Van), 242.
Asch van Wyck (T. Van), 210.
Bahlmann, 23, 191.
Bavinck, 56, 224.
Beaufort (De), 87, 202.
Benoist (Ch.), 47.
Bergansius, 186, 204, 210, 217.
Bevers, 30, 247.
Bilderdijk, 45.
Bismarck (Von), 113.
Boneval Faure (Van), 218.
Borret, 152.
Bos (Dr.), 232, 248.
Bosse (Van), 149.
Broere, 37.
Bronsveld, 53, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 192, 198, 199, 206,
225, 229.
Buijs, 162, 187.
Buytendijk, 70, 225.
Bylandt (Graaf Van), 61.
Ceton, 133.
Cohen (L.), 120.
Cohen Stuart, 234, 245, 247.
Cornelissen, 134, 140.
Cort van der Linden, 202.
Cremer, 202.
Da Costa, 45, 68.
Dam (Van), 242.
Domela Nieuwenhuys, 114, 115, 116, 117, 119, 121, 127, 130, 134, 135,
136, 139, 140, 185, 192, 199.
Donker Curtius, 148, 149.
Douwes, 76.
Drucker, 112.
Eigenraam (Mgr.), 33.
Elout van Soeterwoude, 68.
Emma (Koningin-regentes), 189.
Ferri, 134.
Fock (minister), 17, 155, 232, 234.
Fortuijn, 120, 130.
Fransen van de Putte, 82, 152.
Frans Hals, 18.
Gambetta, 87.
Gerhard (A.), 120.
Gerhard (H.), 114, 130.
Gerritsen (C. V.), 105, 227.
Gilse (Van), 208.
Gleichman, 175.
Goeman Borgesius, 103, 202, 221, 222, 233, 238, 241, 252, 253.
Goes (Van der), 119, 120, 128, 130, 131.
Gorter, 128, 130.
Groen van Prinsterer, 40, 45, 60, 66, 68, 152, 156, 204.
Hall (Van), 149.
Harte van Tecklenburg, 210.
Heemskerk (Mr. A.), 75, 103, 152, 159, 176, 180.
Heemskerk (J. F.), 257.
Heemskerk (Mr. Th.), 30, 58, 208, 245, 246, 247, 249, 251, 252, 254.
Heldt, 208.
Helsdingen (Van), 120, 127.
Hermans, 127.
Holwerda, 87.
Houten (Van), 61, 84, 87, 90, 93, 101, 102, 166, 169, 180, 194, 195,
197, 201, 223, 235, 254.
Idenburg, 231, 247.
Kaay (Van der), 81, 85, 87, 194.
Kappeyne van de Coppello, 159, 175.
Karnebeek (Van), 87, 93, 233.
Kerdijk, 84.
Ketelaar, 93.
Keuchenius, 181.
Ketteler (Mgr.), 31.
Kol (Van), 119, 120, 130, 255.
Kolkman, 30, 224, 242.
Konings (Mgr.), 33.
Koolen, 29.
Krans, 234.
Kruys, 210.
Kuykhoff (Van), 127.
Kuyper (Dr. A.), 21, 28, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50, 52, 53,
54, 55, 56, 57, 59, 62, 66, 69, 70, 72, 168, 184, 190, 191, 194, 198,
199, 200, 205, 206, 210, 212, 213, 214, 215, 217, 218, 220, 224, 226,
228, 229, 231, 232, 233, 237, 246, 248, 249, 252, 254.
Lely, 202, 208.
Lennep (Van), 61.
Leo XIII, 24.
Levy (Mr. J. A.), 94.
Liebknecht, 119.
Lieftink, 227.
Lodewijk XIV, 11.
Lodewijk Bonaparte, 44.
Loeff, 30, 210, 212, 231, 235, 237.
Loopuit, 130.
Lijnden (Van), 176.
Mackay, 21, 30, 61, 68, 181, 186, 187, 189, 198, 211, 248.
Marchant, 221, 222, 241.
Marees van Swinderen, 247.
Marez Oyens (De), 210.
Marx (Carl), 114, 117, 122, 123, 131, 134.
Meester (De), 59, 233, 234, 239, 242, 243, 244, 247, 248, 249, 251, 252.
Melvil van Lijnden, 210.
Mendels, 127, 130.
Meyer (H.), 128.
Mun (De), 79.
Myer, 152.
Nelissen, 30, 247, 252.
Nispen tot Sevenaar (Van), 30, 35.
Nolens (Mgr.), 30.
Nouwens, 34.
Nuyens, 76.
Ophemert (Van), 68.
Opzoomer, 82, 83.
Oudegeest, 256.
Pannekoek, 130.
Passtoors, 30, 33, 34.
Pennink, 140.
Pierson, 102, 201, 202, 203, 209, 227, 233, 251.
Pius IX, 24.
Polak (H.), 120, 141.
Quarles van Ufford, 61.
Raalte (Van), 234, 257.
Rappard (Van), 243, 244.
Ravesteyn (Van), 133.
Rees (Van), 176.
Rembrandt, 18.
Rink, 234, 248.
Roëll, 84, 87, 194, 257.
Roland Holst (Mevw.), 128, 130.
Ruijs de Beerenbrouck, 30, 186.
Sabron, 247, 251.
Savornin Lohman (De), 54, 59, 61, 63, 65, 72, 194, 198, 203, 211, 225,
247, 254.
Schaepman (Dr.), 15, 16, 18, 21, 22, 23, 24, 27, 28, 30, 31, 36, 37, 38,
46, 75, 147, 168, 190, 191, 192, 194, 199, 204, 206, 224.
Schaper, 120, 127, 130, 132, 202.
Schimmelpenninck (Graaf), 185.
Schimmelpenninck van der Oye, 61.
Schokking, 71, 72, 211.
Schopenhauer, 195.
Seret, 227.
Smits (Mgr.), 20.
Snoeck Henkemans, 256.
Spiekman, 120.
Sprenger van Eyk, 201.
Staal, 234, 239, 243.
Staalman, 57, 225, 254.
Storm, 148.
Strens, 149.
Stuers (De), 32.
Tak van Poortvliet, 47, 59, 101, 175, 176, 192, 193, 194, 201.
Talma, 58, 247.
Ter Laan, 130.
Tets van Goudriaan, 87, 234.
Thorbecke, 16, 22, 74, 76, 78, 81, 82, 148, 151, 152, 155, 157, 158,
233.
Tienhoven (Van), 192.
Treub, 90, 108, 112, 253.
Troelstra, 74, 85, 119, 120, 124, 130, 131, 132, 133, 134, 208, 217,
245.
Tijdeman, 91, 92, 241.
Veegens, 208, 234.
Vegt (Van der), 120.
Visser (De), 63, 64, 65, 69, 70, 72, 202, 211, 225, 231, 238.
Vos Azn. (G. J.), 199.
Vliegen, 117, 120, 127, 128, 130, 132.
Vlugt (Van der), 87, 232, 238.
Vlymen (Van), 245.
Vredeburch (Baron Van), 89.
Vries Cz. (S. de), 93.
Wagenaar, 229.
Wentholt, 247.
Wichers, 148.
Wilhelmina (Koningin), 189, 205, 233.
Willem I (Koning), 13.
Willem II (Koning), 15, 146.
Willem III (Koning), 149, 176, 189.
Wintgens, 179.
Wijnkoop, 133.
Zimmerman, 242.
Zuylen van Nyevelt (Van), 149, 152.
Zwaag (Van der), 121, 127, 140.