II.

_De verkiezingen van 1905.--De overwinning van de linkerzijde._

De kiezerscampagne werd geopend met de openbaarmaking van het

gemeenschappelijk program van actie, vastgesteld door de Liberale Unie

en den Vrijzinnig-Democratischen Bond. Hunne verdeeldheden van af het

begin van 1901 hadden op bizondere wijze de zaak van hunne tegenstanders

gediend. Dezen keer namen zij zich bijtijds voor, alle mogelijke

geschillen te onderdrukken en van den 21en Januari 1903 af gingen zij

eene Unie aan op zoo wijd terrein, dat zij hoopten te zien, dat zich aan

hunne zijde de andere fracties van links zouden opstellen, van af de

Oud-liberalen tot aan de Sociaal-democraten.

Hun zeer kort en zeer handig program had dezen voornaamsten inhoud:

ontwikkeling van de openbare school, sociale hervormingen, reorganisatie

van het leger en een volksleger, besparing van financiën, instelling van

een redelijker systeem van directe belastingen en vooral herziening van

de grondwet. Op dit laatste punt, het belangrijkste, hadden de leiders,

de heeren Goeman Borgesius en Marchant al de hulpmiddelen van hun

vruchtbaren geest in werking gebracht om niemands neigingen te kwetsen.

Wat zij wilden, dat was niet de totale herziening van de grondwet, maar

alleen die van artikel 80, dat het kiesrecht binnen grenzen opsloot,

die de wetgever niet kon overkomen.

Om dit doel te bereiken moest men met overleg handelen, want de

linkerzijde had verre van eenzelfde opinie over den zin van deze

gedeeltelijke herziening. De Oud-liberalen vonden de grenzen te wijd

getrokken; de Liberale Unie had zich kortelings verdeeld ten aanzien

van de kwestie, of het wel de tijd voor deze hervorming was; en men wist

het, dat de Sociaal-democraten voor allen en tegen allen in het algemeen

kiesrecht eischten.

In deze omstandigheden een oplossing te vinden, die allen kon

bevredigen, was bizonder moeilijk. Zich te verklaren vóór het algemeen

kiesrecht, dat was den rechtervleugel van de liberale troepen van zich

te vervreemden; zich voor het beperkte kiesrecht te verklaren, dat was

den mogelijken steun van de uiterste linkerzijde zich te ontzeggen. Men

had alle krachten en aller medewerking, waar zij ook vandaan kwamen,

noodig om te overwinnen.

In dit dilemma vonden de heeren Goeman Borgesius en Marchant op

vernuftige wijze een schoone oplossing: Men zou herziening aanvragen,

maar men zou zich wel voor uitlegging wachten. Men zou dan uitsluitend

bedoelen om uit artikel 80 de bestaande beperking door te streepen en

men zou aan de Tweede Kamer volle vrijheid laten om het kiesrecht naar

haar zin te regelen. Op zulk eene wijze zou de grondwet zelve aan den

gewonen wetgever een blanco pagina verschaffen, waarop hij vervolgens

kon schrijven, wat hij wilde. Men hoopte, dat iedere partij zich

bevlijtigen zou dit blanco artikel te eischen, in de hoop hare eigen

begrippen er op te doen schrijven. De Vrijzinnig-democraten verheelden

niet, dat in navolging van de Socialisten zij er het algemeene kiesrecht

begeerden te zien, maar niets verhinderde, naar men geloofde, de

Oud-liberalen te eischen dat er iets anders op geschreven zou worden.

Niettemin bracht deze oplossing, die tot niets besloot, niet al

de resultaten teweeg, die men er van verwachtte. Zij voldeed de

Vrijzinnig-democraten niet. Zij vermocht niet het wantrouwen en de

halsstarrigheid van de Oud-liberalen weg te nemen, van hen, die over

't geheel zeer begeerig waren om de wapenen, zooveel gebruikt als zij

waren, in het grondwettig arsenaal te laten om er richtingen, die hen

buiten zinnen brachten, mede te bestrijden.

Overigens waren zij in dit voorstel niet geraadpleegd en hun voorzichtig

conservatisme maakte er zich ongerust over. Hierdoor wordt verklaard,

waarom in hun manifest aan de liberale kiezers, in de Nieuwe

Rotterdammer Courant op den 18en Februari 1905 gepubliceerd, zij

verklaarden, dat het niet wenschelijk was, dat eene herziening van

de kieswet op den voorgrond werd gesteld, met de bedoeling om een

voorloopige en noodzakelijke hervorming van de grondwet tot stand

te brengen. Evenwel spraken zij zich in een andere passage uit

ten gunste voor een geleidelijke uitbreiding van het kiesrecht in

overeenstemming met de toeneming van de verstandelijke ontwikkeling

en van de stoffelijke onafhankelijkheid van de burgers. Het geheele

manifest proclameerde de noodzakelijkheid om front te maken tegen

het christelijke gouvernement, en hun verlangen zich ten behoeve der

gemeenschappelijke actie met de groepen van den meer of minder liberalen

stam te verstaan. Maar zij wilden met hun eigen program tot den vijand

gaan en konden in dit oogenblik tenminste het niet verlaten, om de hand

naar de uiterste linkerzijde uit te strekken, naar de Socialisten,

waarvoor zij vreesden als voor de nachtmerrie.

Zij waren gereeder van gedachten, dit beslissende gebaar niet te zullen

maken, want men gevoelde reeds, zooals een van hen, de heer Van Houten,

later erkende, dat voor hen het beste was de Roomsche Kerk en hare

bondgenooten te bestrijden. »Men moest vóór alles«, zoo trachtte de heer

De Louter te bewijzen, »zich vrijmaken van de clericale heerschappij,

die werkelijkheid was, terwijl de socialistische heerschappij slechts

een hersenschim is«. Voor het oogenblik bepaalden zij zich er

toe hun eventueelen steun aan de Unie-liberalen en zelfs aan de

Vrijzinnig-democraten toe te zeggen.

Zonder volkomen voldaan te zijn over deze vorderingen, die zij stelliger

en onbepaalder hadden gewenscht, maakten deze laatsten er staat op voor

een vollediger liberale concentratie. Intusschen hadden de Liberale

Unie en de Vrijzinnig-democratische Bond, na de districten onder hunne

candidaten verdeeld te hebben en zoo de kans van slagen het grootst te

hebben gemaakt, aan hunne comité's hetzelfde wachtwoord gegeven, hoewel

met eenige verscheidenheid. »Geen candidaten stellen«, zoo was het

eerste »tegenover oud-liberale afgevaardigden, die in 't bezit van een

zetel zijn.

»Zich er van te onthouden om candidaten er tegenover te stellen«, zoo

luidde het tweede, »zoodra zal blijken, dat de zetel ernstig gevaar zou

loopen in de handen van de confessioneele partijen te geraken.«

* * * * *

Tegenover de liberale concentratie, die zich langzamerhand nauwer

aaneensloot, had de Christelijke coalitie zijne stellingen ingenomen.

In een schoone rede had de heer Kolkman, die Dr. Schaepman was opgevolgd

aan het hoofd van de Roomsch Katholieke Kamerclub, de noodzakelijkheid

doen uitkomen van nauwe vereeniging met de Antirevolutionairen, om

de zege van de Christelijke ideeën te voltooien, om de ramp van een

staat zonder God te vermijden. En de algemeene vergadering van de

Roomsche kiesvereenigingen had besloten om hare candidaten met dit

eenvoudig program voor te dragen: Handhaving van de Christelijke

regeeringsmeerderheid en trouwe medewerking tot vollediger uitvoering

van het regeeringsprogram, zooals dat in de Troonrede van 1901 is vervat

geweest.

Aan den anderen kant stelde zich de Deputatenvergadering van de

Antirevolutionaire partij op hetzelfde standpunt, en Dr. Bavinck, aan

wien Dr. Kuyper de leiding der partij had overgedragen, drukte in zijne

uitnoodiging van de kiezers tot den heiligen strijd zijn vertrouwen uit

op de overwinning.

Waarlijk, alle kansen schenen aan de zijde van de rechter-coalitie te

liggen. Nooit was de verstandhouding tusschen de verbondenen beter

geweest. Evenals in 1901 hadden zij de districten onder elkander

verdeeld, om boosaardigen wedijver en versplintering der krachten te

vermijden. Deze politieke verdeeling had men ook toegepast op de nieuwe

Christelijk-historische partij van de heer De Savornin Lohman en Dr.

De Visser en op de Friesch-Christelijke-historischen. Ds. Bronsveld

bleef wel is waar in zijne vijandschap tegenover het »monsterverbond«

volharden, maar zijn gezag was zeer verzwakt door de breuk met Dr.

de Visser; en zelfs degenen, die eertijds aan zijne zijde Dr. Kuyper

bestreden hadden, zooals Ds. Buitendijk, verlieten hem om zich wederom

in 't openbaar met de Christelijke politiek van de rechterzijde te

vereenigen.

Er was wel van de Antirevolutionairen onder de leiding van den heer

Staalman, afgevaardigde van den Helder, een nieuw deel afgegaan, dat

zich Christelijk-democratisch noemde, maar zij waren zeer klein in getal

en er was naar men geloofde geen reden, om zich met hen te bemoeien,

dewijl hun politiek en hun overdreven eischen hun ondergang voorspelden.

De toestand was dus bizonder gunstig. De rechtsche meerderheid bezat 58

zetels, waarvan slechts weinige ernstig bedreigd werden. Er was alle

grond om dadelijk bij de eerste stemming op een gemakkelijke overwinning

te hopen. Op zijn slechtst genomen, kon de rechterzijde zeven zetels

verliezen, zonder dat de macht in andere handen zou overgaan, en verloor

zij meer, dan was het absoluut zeker, dat de liberale concentratie nooit

genoeg zou winnen, om tot de samenstelling van een ministerie te geraken

zonder verplicht te zijn den steun van de Sociaal-democraten te zoeken

en zonder de Kamer dicht bij het doode punt te brengen, dat haar reeds

eenmaal als een gek om zijn spil had doen draaien.

* * * * *

De strijd was hard en ging met eene ruwheid gepaard, zooals geen enkele

vorige verkiezing had doen zien. De taktiek der Liberalen bestond

daarin om al de grieven te vergaderen en ze opnieuw op te wekken.

Terzelfder tijd dat zij zich stelden tegen het clericalisme en tegen

de godsdienst-oorlogspolitiek, die naar zij zeiden gepredikt was door

het gouvernement, legden zij er zich op toe om de oude strijd tusschen

Protestanten en Roomschen aan te wakkeren. Terwijl sommigen een

rechtstreeksche charge uitvoerden onder leiding van den heer Van Houten

tegen de Roomschen, die zij ervan beschuldigden, dat zij met hulp van

hun eigen secten de Hervormde Kerk wilden verwoesten, deden de anderen

op zeer handige wijze een zijdelingschen aanval op hen, door hun

de beleedigingen te herinneren, die zij tevoren van de kant der

Antirevolutionairen hadden moeten ondergaan. En allen tegelijk vielen

Dr. Kuyper met woede aan, dien zij »een ramp voor het land« noemden.

Alle critiek, alle wrok, die zij bijeen hadden vergaderd tegen

dezen man, die in hunne oogen een politiek van onverzettelijkheid en

krachtige actie voerde, werd den vrijen loop gegeven en rumoerige dagen

braken voor het land aan. Tot dezen stormloop vereenigden zich al de

ontevredenen, al degenen die maar eenigermate en te eeniger tijd zich

over Dr. Kuyper hadden te beklagen gehad, hetzij tegenover hem als

kerkhervormer, als journalist, als staatsman of als minister-president.

Zoo werd het 16 Juni 1905. De resultaten van dezen dag, waarop in geheel

Nederland de verkiezingskoorts woedde, maakten alle voorspellingen

ijdel. Naar de berekeningen, die op dat tijdstip waren gemaakt, hadden

zich van de 617.760 kiezers, die deelgenomen hadden aan de stemming,

332,763 uitgesproken voor de regeeringspolitiek en 283.907 tegen haar.

Toch bereikte de rechtsche partij het gedachte succes niet, want

44 van hare candidaten slechts kwamen als overwinnaars uit de

stembus tevoorschijn, terwijl zij minstens 48 hadden verwacht, en

van dezen waren er slechts 13 Antirevolutionairen tegen 23 Roomschen,

7 Christelijk-Historischen en 1 Friesch-christelijk historische

vertegenwoordiger. De heer Staalman had zijn eigen candidatuur in vele

districten gesteld, met de bedoeling herstemmingen te veroorzaken,

waaruit hij met goed fatsoen zou tevoorschijn komen, maar hij zag zich

met zijn weinige aanhangers gansch bedrogen uitkomen. Inplaats van

een voldoend stemmencijfer voor de Christelijk-democratische partij

te halen, werd hij nog in zijn eigen district, den Helder, verslagen

door de radicaal Gerritsen. Zijne nederlaag, hoe verdiend ze ook was,

beteekende niettemin het verlies van een zetel voor rechts. Een ander,

dat voor haar nog gevoeliger was, werd haar toegebracht in het district

Gorkum, waar de opvolger van den Antirevolutionair Seret werd geslagen

door den oud-minister Pierson.

De linkerzijde van haar kant verloor de Unie-liberaal Lieftink, die

er voor doorging in den oosthoek van Holland geliefd te zijn, wiens

grootredenaar hij geweest was, of nog was. Desniettemin verkreeg zij

bij de eerste ontmoeting 16 zetels meer dan 14 Juni 1901. Het was niet

genoeg om victorie te roepen of zich te vleien, dat men de ministerieele

meerderheid krachtig zou doen verdwijnen. Alle reden was er voor, om

daarentegen te denken dat de rechterzijde voor de tweede keer minstens

een voldoende meerderheid zou erlangen om de macht te behouden. Twee

districten waren reeds zeker voor haar behouden, die van Grave en

Zevenbergen, waar alleen Roomschen met elkander in herstemming kwamen.

In vele andere, in Sliedrecht, Kampen, Sneek en Leiden, was het getal

der rechtsche stemmen grooter dan dat van al de liberale stemmen. Meer

nog in Enschede had een Roomsche grooten kans van slagen, en men kon op

het succes der Antirevolutionairen in veel andere districten hopen.

Maar hier hing alles af van de houding der Oud-liberalen en der

Sociaal-democraten.

* * * * *

De strijd hernieuwde zich met des te grooter vuur, naarmate het

beslissend oogenblik naderde. Hij werd gekenmerkt door een geheime

overeenkomst, die met zorg was bedekt gehouden, tusschen de

Oud-liberalen en de Sociaal-democraten. De eersten hadden wel verklaard,

dat hunne politiek onvereenigbaar was met die der Sociaal-democraten,

maar hunne commissie van advies, die van oordeel was dat men vóór

alles een eind moest maken aan het Kuyper-regime, besloot even vóór de

stemming, dat zij in de districten, waar een candidaat van rechts met

een Sociaal-democraat in herstemming kwam, het aan de plaatselijke

besturen zou overlaten, om de houding aan te nemen, die het hoogste

belang des lands eischte. Met andere woorden: zij ried hun indirect aan

de Socialisten te steunen. De besturen hadden aan een half woord genoeg,

en zij faalden niet om den raad uit te voeren.

Anderzijds was het niet twijfelachtig of de S. D. A. P., die twee

maanden tevoren het besluit had genomen om bij de tweede maal hare

stemmen eenig en alleen aan die candidaten te geven, die zich hadden

uitgesproken vóór de urgentie van het algemeen kiesrecht, was bereid

eerder hare beginselen te verloochenen dan den »Kuyperhaat« af te

leggen. Zoo kwam het uit en met een goed-bewaard wachtwoord gaf zij haar

partijgenooten vrijheid om te stemmen zooals zij dat wilden, zelfs vóór

de Oud-liberalen, de meest-burgerlijke en conservatieve partij.

Zoo vormde de geheele linkerzijde slechts één enkel bloc, zich richtende

tegen het clericalisme en de Christelijke politiek, verpersoonlijkt door

de regeering van Dr. Kuyper.

Deze wanhopige pogingen, gevoegd bij een wonderbaar

verkiezingsenthousiasme, brachten de Christelijke coalitie de nederlaag

toe. De Roomschen, die zich er niet mede hadden gevleid, dat zij een

eigen voordeel uit den strijd zouden behalen, behielden hunne 25

mandaten; maar bij dat aantal kwamen slechts 15 Antirevolutionairen,

7 Christelijk-Historischen en een Friesch-Christelijk-Historische. De

linkerzijde had 52 afgevaardigden voor de Tweede Kamer verkregen.

De liberale pers begroette deze overwinning met een vreugdekreet: Kuyper

is gevallen, Kuyper is er uit. Dat was het refrein, hetwelk de liberale

organen ten beste gaven, zooals de Nieuwe Rotterdammer Courant en het

Handelsblad. Het Socialistische blad »Het Volk« eischte voor zijne

partij de eer op van den reus verslagen te hebben.

Toen de eerste razernij over de zegepraal over was, vroeg het land, als

uit den droom komende, zich af, hoe de Liberalen tot dit onverwachte

resultaat hadden kunnen komen. Zonder twijfel had de samentrekking van

alle partijen van links tot een anticlericaal bloc er krachtig toe

medegewerkt. Maar ook zeker had de groote Kuyperhaat, die gedurende

eenige maanden chronisch had geheerscht, niet alleen de Liberalen en

Socialisten, maar ook vele orthodoxe Protestanten, aanhangers van Dr.

Bronsveld, overmachtigd, alsmede de Christelijk-Democraten en ook

eenige wantrouwige en weinig-ontwikkelde Roomschen. Misschien zouden

al die redenen niet voldoende zijn om het resultaat der herstemming te

verklaren, indien zij niet waren vergezeld geweest van een manoeuvre

van een groep van rechts n.l. de Friesch-Christelijk-Historischen.

Hetzij uit wrok over de verwerping van hunne eischen, hetzij uit

bovenmatig vertrouwen op de onmogelijkheid van een samengaan tusschen

de Oud-liberalen en de Sociaal-democraten en meer nog van de zege van

links, richtten zij zich naar den raad van een hunner leiders, den heer

Wagenaar, en weigerden aan de Antirevolutionairen in drie districten hun

steun namelijk in Utrecht, Leiden en Kampen. Deze onverstandige houding,

die van gebrek aan flinke organisatie getuigde, was zeer waarschijnlijk

de oorzaak voor het verlies van deze drie zetels voor de rechterzijde en

bijgevolg van de nederlaag der ministerieele politiek.

De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie · 第 33 / 54 题