_Het ministerie Kuyper._
De nieuwe verkiezing had de richting der politiek veranderd. Dr. Kuyper
kwam aan het bestuur. Het nieuwe kabinet, waarin hij minister van
Binnenlandsche Zaken werd, bevatte vier Antirevolutionairen, drie
Roomschen en den admiraal Kruys, die tot geen politieke partij behoorde.
De Antirevolutionairen, die aan de zijde van den premier stonden, waren
Mr. Van Asch van Wijck, Koloniën, Mr. de Marez Oyens, Waterstaat, en
Melvil van Lijnden, Buitenlandsche Zaken.
Door hunne waarde en door het gewicht der portefeuilles, die hun waren
toebetrouwd, maakten de Roomsche leden van hun kant een goede figuur
in het Christelijke Kabinet. Generaal Bergansius, wiens militaire
bekwaamheid algemeen bekend was, die reeds zijne kracht had doen
gevoelen in het ministerie-Mackay, nam Oorlog, de heer Harte van
Tecklenburg, de leider der groep Protectionisten in de Kamer, ontving
Financiën, en voor Justitie gaf zich een jong talentvol rechtsgeleerde,
Mr. Loeff.
Het ministerie werd krachtig door eene meerderheid van rechts gesteund.
In de Tweede Kamer beschikte het over 58 stemmen, waarvan 25 Roomschen
en 23 Antirevolutionairen, die geheel te zijnen dienste waren. Bovendien
schonken de acht Vrij-antirevolutionaren, die De Savornin Lohman en
baron Mackay omringden, het kabinet een vertrouwen in beginsel, dat
onvoorziene voorvallen alleen konden doen verdwijnen. Tot aan de
Christelijk-historischen breidde zich dit niet uit, want de heeren De
Visser en Schokking besloten niet het te steunen. De premier kon dus
zonder vrees de politiek invoeren, waarvan hij de groote lijnen had
afgeteekend toen hij leider der partij was.
De Eerste Kamer was echter in meerderheid liberaal gebleven en kon
stelselmatig weigeren, haar stem te geven aan alle wetten, die haar
toeschenen al te sterk tegen de beginselen, die tot dien tijd in de
wetgeving des lands in eere waren, in te gaan. Maar deze hinderpaal
bestond meer in schijn dan in werkelijkheid, want bij een eventueele
ontbinding van de Eerste Kamer zou daar noodzakelijk de Liberale
meerderheid in een onmachtige minderheid veranderen.
Inderdaad schonken reeds de eerste maanden van 1901 de Provinciale
Staten, die de kiescolleges vormen voor de benoeming van leden der
Eerste Kamer, eene meerderheid aan de Christelijke partijen.
Reeds lang waren vijf provincies hun getrouw, maar de zes andere bleven
onder de liberale heerschappij.
Welnu in 1898 hadden de Roomschen, in vereeniging met de
Antirevolutionairen in Zuid-Holland dertien zetels bemachtigd en de
liberale meerderheid met tien stemmen verminderd. In 1901 waren zij zoo
gelukkig om er de overwinning te voltooien en de Gedeputeerde Staten te
veroveren.
Daardoor nu waren hun tien mandaten van de Eerste Kamer tebeurt gevallen
en daarmee de zekere meerderheid in de Eerste Kamer. Maar naar den
gewonen regel kwam deze omzetting niet dadelijk tot haar recht; daar
de Eerste Kamer, zooals in Frankrijk, slechts bij een derde gedeelte
tegelijk vernieuwd werd, moest men eenige jaren wachten om haar geheel
vernieuwd te zien; doch zoo in dien tusschentijd eene ontbinding
voorkwam, was de overgang vanzelf verkregen.
Ten slotte kon niets ernstiglijk het nieuwe ministerie in zijne
handelingen tegenhouden.
In de troonrede van dat jaar werd het regeeringsprogram als volgt
uiteengezet; zij stemde namelijk de noodzakelijkheid toe, den zedelijken
en stoffelijken staat van het Nederlandsche volk te verbeteren, zich
daartoe grondende op de Christelijke grondslagen van het nationale
leven.
Daarna kwam de opsomming van voorgestelde verbeteringen, waaronder
opgemerkt werden de grootere vrijmaking van onderwijs, de herziening
van de wet op de Zondagsrust, de beteugeling der nationale zonden van
spel en dronkenschap, de voltooiing van het ambachtsonderwijs en de
reglementeering van den leertijd, de herziening van de wet op het
arbeidscontract, de invoering van de verplichte verzekering tegen de
gevolgen van ziekte, invaliditeit en ouderdom enz.....
Een buitengewoon-groot program. Tal van beloften van sociale
verbeteringen. Zonder haar critiek te sparen, constateerde de liberale
pers met voldoening, dat het program niet uitdrukkelijk een werk van
reactie was tegen de aangenomen wetten van het voorgaande ministerie en
oordeelde het de aandacht van het volk waardig. Het Handelsblad vroeg
zich met zekere ongerustheid af, of het niet een nieuwe periode van de
staatkundige geschiedenis van Nederland was, die begon; en de Nieuwe
Rotterdammer Courant voegde er, zonder de waardij van deze eerste
handeling van de ministerieele politiek te loochenen, met een
sceptischen inval aan toe: »Het zijn niet de woorden, die van belang
zijn, maar de daden!«
Het ministerie zette zich dadelijk met den ijver van een nieuweling
aan het werk en de daden bleven niet uit om de woorden te staven.
Bekwamelijk gesteund door zijne collega's en bijzonder door Mr. Loeff,
minister van Justitie, werkte Dr. Kuyper een reeks wetsontwerpen uit en
stelde ze voor, om zoo zijn program in werking te stellen. En het werk
in de Tweede Kamer begon ernstig en waardig.
De werkzaamheid was zoo groot, dat drie jaren later 24 November 1904,
zijn leider Dr. Kuyper hun, die klaagden over de schraalheid van den
wetsoogst, kon antwoorden met de lijst van wetsontwerpen, die in zijn
program waren neergelegd. Er waren er meer dan dertig; verscheidene
waren reeds door de Staten-Generaal goedgekeurd, en vele, die nog in
wording waren, zooals het wetsontwerp op het werklieden-pensioen, dat
ter herziening van het tarief van invoerrechten, en dat hetwelk het
onderwijs in zijn verschillende graden regelde, waren van bizonder
belang.
* * * * *
Aan het Christelijke ministerie echter waren de kritiek en de
moeilijkheden niet bespaard gebleven bij de vervulling van de groote
taak, die het op zich had genomen.
Na in het begin zich tot een verstandige afwachtende houding te hebben
beperkt, hadden de Liberalen niet lang gedraald, zich tegen het
ministerie te stellen.
Ieder jaar bracht de financieele begrooting, die door eene bespreking
over de algemeene politiek voorafgegaan wordt, hunne verwijten met zich
mede en wel bijna altijd dezelfde:
»Gij maakt voor uwe politiek aanspraak op de titel van Christelijk,«
zeiden zij tegen Dr. Kuyper, »maar wat speciaal Christelijks is er in
de wetten, die gij voorstelt? Waarom hebt gij recht op dat monopolie?«
Hetgeen de leider van het kabinet terstond beantwoordde met: »Om te
beoordeelen of de aangeboden wetsontwerpen de Christelijke beginselen
bekrachtigen of verwerpen, moet men zich niet beroepen op het denkbeeld,
dat sommige leden zich schijnen te maken van specifiek-Christelijk, maar
alleen op het begrip, dat de Christelijke partijen zelve er van hebben.
Het is niet het mystieke element van het Christendom, dat hier in het
spel is, maar alleen de verplichtingen, die voortvloeien uit den
Christelijken godsdienst voor het burgerlijke leven en in 't bizonder
voor het leven van den staat.«
En als zij er aan toe voegden: »Aan het einde van de hedendaagsche
wetgevende periode zal er slechts een klein deel van de taak, aangewezen
in het program van 1901, zijn verwezenlijkt, en dat, omdat het
ministerie standvastigheid en vlugheid ontbreekt," antwoordde Dr.
Kuyper niet zonder ironie: »Ik heb nooit voorgewend de uitvoering van
het ministerieele program in vier jaren te zullen voltooien. Ik heb
daarentegen altijd gezegd, dat er eene periode van acht jaar noodig was
om het in vervulling te brengen. Zoo gij op algeheele uitvoering staat,
dan is er een eenvoudig goed middel, n.l. bij de verkiezingen van 1905
de meerderheid voor de Christelijke partij te laten en het ministerie
aan het bewind te houden tot 1909".
Natuurlijk verweet de linkerzijde het ministerie dat het een politiek
van reactie, een politiek van godsdienstige verdeeldheid bleef volgen.
Zij verweet het bits de natie vanéén te scheiden en tegenover de
geloovigen de ongeloovigen, de atheisten, te stellen, terwijl in
werkelijkheid deze verdeeling een onloochenbaar feit was, dat de
regeering zich bepaalde te constateeren. Maar, waar de beschuldigingen
het heftigste waren, dat was als er benoemingen voor openbare ambten
en bizondere burgemeestersbenoemingen aan de orde waren. De Liberalen
verweten het ministerie partijdig te zijn, door in het wilde
voorstanders van zijn eigen politiek te benoemen en candidaten,
verdacht van Liberalisme en vooral van Socialisme, van de voordracht
te schrappen.
Dr. Kuyper had ook op dit punt geene moeite om zijn gedrag te
rechtvaardigen. De vorige ministers, zeide hij, hebben bijna
stelselmatig de leden der Christelijke partijen over 't hoofd gezien.
Zij hebben dus een onrechtvaardigheid begaan, die ik zoek te herstellen,
mij grondende op dit feit, dat voor de benoemingen van burgemeesters en
nog anderen, men vóór alles moet nagaan of de aangeboden candidaten
beantwoorden aan den staat van het algemeen gevoelen van de gemeente,
die zij moeten besturen. Het kan in de gedachte van niemand opkomen,
voegde hij er aan toe, om aan het hoofd van gemeentebesturen in Limburg
Protestanten te willen plaatsen en in de provincie Groningen Roomschen.
Zoo moet de regel zijn en zoo is de regel geweest, waarnaar door
het ministerie gehandeld is. Bovendien, niemand kan ontkennen, dat
verschillende leden van de oppositie tot hooge functies zijn benoemd.
Dit dient om de aantijgingen, dat de voorstanders van de liberale leer
stelselmatig terzijde zijn gelaten, te logenstraffen.
Op die manier vervolgde Dr. Kuyper, al strijdende tegen tegenstanders
die hem trachtten af te matten, onvermoeid zijnen weg, front makende
tegen zijne vijanden met een kracht, die geen oogenblik verminderde.
Zijn altijd bekwame, somswijlen snijdende replieken volgden den aanval
op den voet.
Men moet zeggen, dat in dezen onophoudelijken strijd de meerderheid
het ministerie getrouw ondersteunde. Bewonderenswaardig was het, dat
gedurende de vier jaren van het bewind nooit de rechterzijde verdeeld
werd, nooit het christelijk verbond een oogenblik zelfs verslapte.
Het vervolgde zijn weg met kracht, de oogen op het gemeenschappelijk,
wèl-belijnd program en onder de leiding van den aanvoerder, gaf het
bestendig blijk van de nauwst-verbonden vereeniging en van de
verstandigste tucht.
* * * * *
Zonder dezen steun overigens was het onmogelijk voor het bewind geweest
om de groote moeilijkheden, die het op zijn weg ontmoette, te
overwinnen.
De eerste moeilijkheid was de algemeene werkstaking van de
spoorwegmannen, die in het begin van het jaar 1903 oproerige
gebeurtenissen veroorzaakte. Deze geweldige beroering had haar
oorsprong in het feit, dat de werklieden van verscheidene
expeditievereenigingen te Amsterdam hun werk in de maand Januari
verlieten, onder het voorgeven dat deze vereenigingen geen leden van
het machtige verbond van transportarbeiders in hun dienst wilden hebben.
Uit solidariteit verbreidde zich de beweging tot het personeel van de
spoorwegmaatschappijen. Op bekwame wijze voorbereid brak de werkstaking
den 31en Januari in dezen tak van vervoer uit, zoo plotseling, dat
zij de geheele wereld verraste. De regeering ontbrak elk middel om te
handelen tengevolge van de minimum-vermindering van het staande leger;
de maatschappijen hadden niet het minste vermoeden van deze gebeurtenis;
de leden der christelijke werkliedenvereenigingen waren behendig
medegesleept door de socialistische leiders. In deze omstandigheden niet
machtig genoeg, om de orde te handhaven, en te kunnen tusschenbeiden
komen, onthield zich de regeering daarvan, en de maatschappijen gaven
dadelijk op het gezicht van de algemeene wanorde, die hun tegenstand in
den handel en de nijverheid des lands zou veroorzaakt hebben, toe.
Maar het ministerie, hoewel een oogenblik ontsteld, nam maatregelen om
te verhinderen, dat gebeurtenissen van dezen aard, die Nederland aan een
algeheele en langdurige verwarring konden prijsgeven, weder voorkwamen.
Het diende onverwijld wetsontwerpen in tot krachtige bescherming van
de vrijheid van arbeid tegen het geweld der werkstakers; tot militaire
bewaking van de spoorwegen, opdat het onmogelijk zou zijn in de
toekomst, dat beambten bij dezen openbaren dienst het werk zouden
neerleggen; en tot instelling eener commissie van enquête om den
toestand van de spoorwegbeambten te onderzoeken en de grieven, die
rechtvaardig bleken, zooveel mogelijk weg te nemen.
Op de aankondiging van de regeeringsontwerpen, die, zeiden zij, de
arbeidsklassen moesten overweldigen, worgen en muilbanden, roerden zich
de socialistische werklieden organisaties en bereiden zich voor op de
grootste krachtsaanwending, die ooit is geschied. Den 19en Februari
vereenigden zich te Utrecht 40 werklieden-organisaties om een Comité
van verweer op te richten, waarin de S. D. A. P. en de Anarchistische
socialisten hand aan hand gingen.
In 't openbaar waarschuwde dit Comité, dat, indien de Kamers niet
onmiddellijk de aangeboden wetsontwerpen verwierpen, zij tot de
uiterste maatregelen zouden overgaan; maar zijn geschreeuw en zijne
bedreigingen konden het ministerie niet afschrikken en de bespreking
ging bijna zonder onderbreking door. Ziende dat van deze zijde de
gedane waarschuwing niets uitwerkte, besloot het Comité van verweer
den 2den April te Amsterdam op voorstel van Troelstra tot een algemeene
werkstaking in de middelen van vervoer. Vier dagen daarna brak zij uit,
namelijk in den nacht van 6 April, vier en twintig uren eerder dan men
ze verwachtte.
Dr. Kuyper echter had dit alles voorzien. In overleg met generaal
Bergansius had hij krachtige maatregelen genomen om deze politieke
werkstaking tegen te gaan; de miliciëns werden onder de wapenen
geroepen, een plan van organisatie werd tot in de fijnste détails
uitgewerkt, en op den morgen zelf na den beruchten nacht,
toen het wachtwoord van werkstaking tot alle revolutionaire
werklieden-vereenigingen was doorgedrongen, vonden de werkstakers
alle stations bezet met troepen, de lijnen bewaakt, de belangrijkste
bruggen bezet met oorlogsschepen en de bediening der treinen goed
verzorgd door Christelijke werklieden, die met behulp van militairen,
leerling-ingenieurs of leerling-machinisten hun werk hadden terhand
genomen.
De groote krachtsinspanning, door de Socialisten van allerlei soort
aangewend, stuitte af op de energie der regeering.
Om de nederlaag te verkleinen, breidde het comité van verweer de
werkstaking tot andere vakken uit, maar het werd spoedig verplicht zich
overwonnen te verklaren en aan de ongelukkige arbeiders, die aan de
algemeene werkstaking meegedaan hadden, order te geven tot hervatting
van den arbeid.
Zoo eindigde met de aanneming van de wetsontwerpen deze woeling, die Dr.
Kuyper »misdadig« noemde, en wier verwoestende gevolgen hij gelukkig
afwendde door zijn volhardende ijver en vastheid van hand.
* * * * *
Deze storm was nauwelijks bedaard, toen een andere van gansch anderen
aard opstak. De aanneming van de beteugelende voorzorgsmaatregelen was
verkregen en het gevaar der werkstaking geweken, toen de Staten-Generaal
op reces ging. Bij den terugkeer kwamen de wetsvoorstellen in
behandeling, die moesten dienen om het onderwijs meer vrij te maken; in
't bizonder het ontwerp van het Hooger Onderwijs. De Tweede Kamer nam
het zonder ernstigen tegenstand aan, maar bij de Eerste Kamer gelukte
het niet. De liberale meerderheid verhief zich met kracht tegen de
artikelen van het ontwerp en in 't bizonder tegen artikel 5, dat aan
vrije universiteiten het recht om graden te verleenen toekende. In het
voorloopig verslag drukte zij haar voornemen uit om aan de regeering
hare medewerking voor de beoogde hervorming te ontzeggen, maar men wist
nog niet of dit een volstrekte verwerping beteekende. Het ministerie
volhardde van zijn kant om zijn wil door te zetten. Het stootte toen
op een vaste oppositie van de liberalen, die bij monde van een hunner,
Van Boneval Faure, eischten dat het ontwerp zou teruggetrokken worden
en het kabinet zich in de neutrale zône zou bewegen. Misschien hoopten
zij zoodoende Dr. Kuyper te doen aftreden en door den drang der
omstandigheden zelf de macht in handen te krijgen. De redevoeringen
van de sprekers van links, de verklaring van de meerderheid, die
onafgebroken in hare weigering volhardde om het hooger onderwijs volgens
de inzichten der Tweede Kamer te organiseeren, de stemming, die volgde
en die de voorspelling van de verwerping bevestigde, dat alles maakte
een groot bezwaar uit.
De toestand van de regeering was werkelijk critiek. Ze kon noch wilde
van haar hervormingswet van het hooger onderwijs afstand doen, want dat
beteekende een der belangrijkste deelen van haar program op te offeren.
Van toen af bleef haar niets anders over dan keuze tusschen twee
uitersten: aftreden of de Eerste Kamer ontbinden.
Zeker de aftreding van het ministerie zou de crisis wegnemen, maar zij
zou niet definitief het conflict tusschen de beide Kamers uit den weg
ruimen. De eerste daad der Liberalen, wanneer zij de macht weder in
handen zouden nemen naar de gewone parlementaire beginselen, moest de
ontbinding van de Tweede Kamer zijn; en men wist niet hoe het volk op
dezen maatregel zou antwoorden... Het kon gebeuren, dat het wederom
een meerderheid van rechts naar de Tweede Kamer zond. Bovendien zelfs
wanneer men op een tegenovergestelde gebeurlijkheid rekende, was de
Eerste Kamer toch niet de uitdrukking der denkbeelden van de lichamen,
die haar afvaardigden, namelijk de Provinciale Staten, en de liberale
leer moest noodzakelijk binnen korten tijd er in de minderheid zijn. De
verkiezingen van 1905 moesten de Eerste Kamer op het doode punt brengen
van 25 tegen 25, die van 1908 er een meerderheid voor de Christelijke
Coalitie in verzekeren. Op dit oogenblik kon men wel alles op het spel
zetten en hetzelfde conflict zou toch weder in een anderen vorm en in
omgekeerde orde tevoorschijn komen.
Ter anderer zijde zou de ontbinding der Eerste Kamer niet geschieden
zonder ernstige tegenwerpingen zelfs van de flinkste voorstanders van
het ministerie. Zou het niet voor de Eerste Kamer eene schending zijn
van haar traditioneel karakter als regelend lichaam, dat de zaken
verstandig overweegt, zooals zij naar den wensch der grondwet is
ingesteld buiten den al te levendigen strijd der partijen en
hartstochtelijke incidenten? Zou het niet beteekenen ondermijning
van haar gezag, wegneming bijna van de reden van bestaan van deze
instelling, die geroepen is om bestendigheid aan den wetgevenden
arbeid en aan de staatsmachine te schenken, en haar voor de toekomst
onderwerpen door dit precedent aan alle politieke avonturen en aan alle
wisselvalligheden van de veranderlijke meerderheid?
In één woord, zou de Eerste Kamer, die sedert 1848 op een soort van
voetstuk was gezeten, niet daarvan afgetrokken worden om zich in den
strijd te mengen, waar zij noodzakelijk in achting verminderd, misschien
ten doode gedoemd, zou uitkomen?
Deze overwegingen, waarbij nog bij sommigen de vrees kwam, dat deze
daad van gezag slechts een bedroevend effect op het volk zou hebben,
kon de regeering echter niet tegenhouden. Dr. Kuyper dacht, dat het
ontzag voor een gekozen lichaam nooit meer verzwakt wordt, dan wanneer
de zekerheid is verkregen, dat het zijn politiek fondament in zijne
lastgevers heeft verloren, en hij nam het besluit tot ontbinding van de
Eerste Kamer. De verwerping van het wetsontwerp had plaats gevonden op
den 14 Juli 1904; terwijl het koninklijk besluit van ontbinding den 19en
Juli verscheen, en den 3en Augustus 1904 gaven de verkiezingen aan het
kabinet een meerderheid van 31 tegen 19 stemmen.
Dezen keer nog had de geestkracht van den eersten minister den
tegenstand verbroken. Het plan der Liberalen had gansch en al schipbreuk
geleden en hun tegenstand had slechts gediend om de overwinning van
hun geduchten vijand vollediger en gemakkelijker te maken. Maar deze
staatsgreep, zooals zij deze eenige episode in de parlementaire
geschiedenis van Nederland noemen, vermeerderde hunne vijandschap
tegenover den man, die de teugels van het bewind hield.
De nadering van de verkiezingen maakte hen nog onverzoenlijker. De
oppositie bereidde er zich lang en scherp op voor, zette alles op haren
en snaren, en gaf aan den strijd een gewelddadig karakter, totnutoe
ongekend in de Nederlandsche verkiezingen.
Temidden van de hitte van den strijd en van deze voorbereidingen voor de
wraakneming, vertoonde zich het ministerie voor de kiezers met de handen
vol van den wetgevenden oogst, die door den vierjarigen regeeringsarbeid
was behaald, en met opgehoopte goede verwachtingen voor de toekomst. Het
had de tenuitvoerbrenging van verschillende wetten verzekerd, die hoewel
onder het voorgaand kabinet aangenomen, nog niet in toepassing waren
gebracht; in 't bizonder: de ongevallenwet, de legerwet en de wet op
de landweer, alsmede die op de volksgezondheid. Het had verschillende
belangrijke wetsontwerpen beëindigd, zooals de vaststelling van het
militaire strafrecht en de wettelijke regeling van de discipline in
het leger, de beteugeling van werkstakingsmisdrijven, gedeeltelijke
wijziging van het onderwijsregime, de procedure van het hooger beroep
op gebied van ongevallenverzekering, de herziening van de gemeentelijke
en van de provinciale wet, de decentralisatie van de regeering van
Nederlandsch Indië en de hervorming van de comptabiliteitswet, de
wetgeving tegen het alcoholisme, enz... Het kon bijgevolg zijn werk
onderwerpen aan het oordeel van het kiezerscorps zonder de systematische
verdachtmaking van zijne tegenstanders te vreezen.