_De crisis van de Christelijke Coalitie.--Hervorming van het kiesrecht._
Dadelijk na de aanneming van de pacificatiewet, waren de moeilijkheden
voor het kabinet-Mackay begonnen. Het voornaamste punt van zijn
regeeringsprogram was uitgevoerd, maar over de verdere zaken wisten de
verbonden partijen elkander niet meer te verstaan. Nadat het kabinet aan
het land de eerste sociale hervorming gegeven had, namelijk matiging van
den te zwaren arbeid van vrouwen en kinderen, had het een wijziging van
de militaire wet voorgesteld. Opheffing van het remplaçantenstelsel,
persoonlijke dienstplicht, langere diensttijd en een grooter jaarlijksch
contingent, dat waren de voornaamste lijnen van het wetsvoorstel van
generaal Bergansius. De Roomschen waren tegen den aangroei der militaire
sterkte en persoonlijken dienstplicht, hetgeen daarentegen de
Antirevolutionairen vroegen.
De overeenstemming was verbroken. Elke poging om het gevaar weg te
nemen, ten minste tot na de verkiezingen van 1891, mislukte en de
verdeeldheid der bondgenooten werd in den loop van de langdurige
bespreking van dit ontwerp gezien, dewelke nog niet was geëindigd toen
de tijd van een nieuwe verkiezings-campagne begon.
* * * * *
De overwinning was voor de Christelijke partijen noodlottig geweest. Zij
was wel dienstig geweest voor de verwezenlijking van het voornaamste
doel, waarvoor de vereeniging was tot stand gebracht, maar momenteel
niettemin bleef er, toen de schoolkwestie aanvankelijk geregeld was,
geen ander artikel meer over op het gezamenlijk program. De oppositie
van de Roomschen tegen het legerwetsontwerp, de slagen die men elkander
bij deze gelegenheid had toegebracht, de vijandschap van sommigen, de
weerzin van anderen, dat alles openbaarde zich spoedig in een heftige
campagne tegen het »monsterverbond", zijne leiders en hunne volgelingen.
Men begon te spreken over de noodzakelijkheid van echtscheiding door de
onverdraaglijkheid van humeur, en, zooals het in een twistzieke
huishouding gaat, werden de krenkingen en het misverstand talrijker,
zoodat men noodzakelijk wel tot scheiding moest komen. Zoowel aan deze
als aan gene zijde, schreef Dr. Schaepman, bij de Antirevolutionaren als
bij de Roomschen, hier minder, daar meer, alles werd gedaan en niets
werd nagelaten wat noodig was om de samenwerking weg te nemen en eene
scheiding en definitieve splitsing te veroorzaken.
Zeker, de Antirevolutionairen waren Antiliberaal, maar in de gegeven
omstandigheden herinnerden zij zich, wat de schoolstrijd hen uit het oog
had doen verliezen, dat zij vóór alles protestantsche Calvinisten waren
en bijgevolg antiroomsch. Het antipapisme werd opgewekt en de oude
vijandschap aangewakkerd door het vuur der discussies in het hart van
deze afstammelingen der Geuzen.
Tevergeefs trachtte Dr. Kuyper, die verder zag, de woede te kalmeeren
en voor het minst te vermijden dat de breuk onherstelbaar werd; zijne
volgelingen gaven hierin geen gehoor.
De Roomschen van hun kant vonden, dat hun Antiliberalisme hun
anticalvinisme tijdelijk had doen vergeten en ook zij keerden tot
hun historische lijn terug.
Niet allen dachten zoo, maar op het punt van beginsel zoowel als
op het punt van politieke leiding in den bestaanden toestand,
heerschte de grootste verdeeldheid in de partij. Men moet er het
gevolg van uiteenloopende denkbeelden en neigingen inzien, die van
eenige jaren her dateerden. Zij waren opgekomen bij de nadering van de
grondwetsherziening, toen er sprake was van uitbreiding van kiesrecht,
en deze waren niets minder te achten dan de democratische strooming, die
op het einde van de negentiende eeuw in alle landen en in alle partijen
doorbrak en de conservatieve richting bestreed.
Ds. Schaepman, met Dr. Kuyper de vader van de Christelijke coalitie,
welke tot dien tijd was gehouden voor het hoofd van de Katholieke
partij, stond nu aan het hoofd van een groep, die men de democratische
noemde, terwijl de heer Bahlmann, afgevaardigde van Tilburg, om zich
heen de »dissidenten" vereenigden, die het talrijkst waren. Tusschen de
fractie-Schaepman en de fractie-Bahlmann heerschte misverstand op alle
punten; op het punt van militaire wet, waar de eerste een overeenkomst
met de rechtsche Protestanten zocht en de onveranderlijke houding van de
andere afkeurde; op het punt van een verbond met de Antirevolutionairen,
hetwelk de dissidenten wilden vervangen door de politiek van de vrije
hand en in zekere streken door een hereeniging met de Liberalen; op het
punt van sociale wetgeving enz....
Inderdaad waren de wanorde en de verwarring verschrikkelijk bij de
bondgenooten van gisteren, die hunne wapenen tegen elkander keerden en
elkander hevige slagen toebrachten.
Temidden van deze verdeeldheid en aanvallen had de verkiezingscampagne
plaats. Roomschen en Antirevolutionairen waren meer gezind om elkander
te bestrijden dan om front te maken tegen hunne tegenstanders van links.
Niet alleen streed elk bij de stembus afzonderlijk, maar men had ook
nog te rekenen met den afval en de vijandigheid van een minder of meer
groot deel der troepen. De mannen van Utrecht maakten gemeene zaak met
de Liberalen volgens het principe van Ds. Bronsveld; men kan orthodox
zijn op godsdienstig en liberaal op politiek gebied. De fractie Bahlmann
bestreed de volgelingen van Dr. Schaepman met verwoedheid en om hun de
nederlaag te bezorgen, aarzelde zij niet de liberale candidaten in
bepaalde districten te ondersteunen.
Het resultaat van de verkiezingen was ongelukkig; de slag, die onder
zulke omstandigheden werd begonnen, was vooruit verspeeld. Zoo behaalden
de Liberalen gemakkelijk de meerderheid in de Tweede Kamer en zij wonnen
tien zetels. De linker zijde bevatte nu 55 leden, waarbij één radikaal,
gekozen in de plaats van Domela Nieuwenhuis, die zich met zijne partij
uit den politieken strijd had teruggetrokken.
De rechtsche partij behield 45 van de 55 zetels. De Roomschen verloren
slechts één, maar het was juist dien van Dr. Schaepman, die in Wijk bij
Duurstede verslagen werd tengevolge van de houding der fractie-Bahlmann.
Het meest geteisterd waren de Antirevolutionairen, die van 28 tot 20
zetels in de Tweede Kamer waren teruggedrongen. De nederlaag was
volkomen.
* * * * *
De ramp, die op de Christenpartijen neerkwam en die slechts het gevolg
van hunne tweedracht was, had hen niet zoo verstandig gemaakt, dat
zij de vereeniging terug verlangden. Integendeel, hunne twisten gingen
door; zij sloegen zelfs over tot de Liberale partij en men trad toen een
periode van verwarring en beroering in, waarin de verschillende fracties
elkander stootten en hinderden, zonder dat men eigenlijk wist tot welke
partij zij behoorden.
Het ministerie-Mackay had plaats gemaakt voor het ministerie Van
Tienhoven-Tak van Poortvliet, waar voornamelijk Tak, een zeer radikaal
liberaal, den boventoon voerde. Het kwam aan de regeering met een
program, waarvan het eerste punt de kiesrechthervorming was, »die
hoeksteen van het staatsgebouw, die noodzakelijke voorwaarde tot eene
duurzame verbetering", zooals hij zeide.
Als gevolg van de grondwetsherziening van 1887 was een provisioneel
reglement op het kiesrecht van kracht geworden. Dat had vier jaren
geduurd en zag in dien tijd twee generale verkiezingen gehouden. De
heer Tak achtte het oogenblik gekomen om een einde te maken aan dit
provisioneel reglement en tot vaste bepalingen hierin te geraken. Hij
stelde daarom ook een ontwerp voor, dat het kiesrecht zooveel mogelijk
binnen de grenzen van de grondwet uitbreidde, het ontwerp-Tak; een soort
van algemeen kiesrecht, gematigd door de uitsluiting van analphabeten en
degenen, die ondersteuning hadden ontvangen.
De vermenging der partijen werd door dit ontwerp bevorderd, dat van zijn
auteur twee achtereenvolgende redacties ontving en dat een ware regen
van amendementen en tegenvoorstellen tengevolge had. Het vraagstuk,
dat zich hier voordeed, was van groot gewicht. Zou men bij een meer of
minder beperkt kiesrecht blijven staan, of zou men tot een zoo goed als
algemeen kiesrecht overgaan? In den grond der zaak ging het hier om de
question brûlante, die gedurende de laatste helft van de negentiende
eeuw bijna al de staten van Europa in beroering bracht: Moet men de
volksmassa's tot het politieke leven inroepen en tengevolge van hun
aantal in hunne handen het lot der natie stellen?
Twee stroomingen vormden zich tegenover elkander; de eene conservatief,
achtende dat de tijd voor de hervorming nog niet gekomen was, weigerde
indien het niet mogelijk was om den toestand te laten zooals hij was,
de onverstandige en al te milde verleening van het kiesrecht; de
andere, democratisch, eenstemmig met minister Tak, wilde het kiesrecht
uitbreiden zóó ver als de grondwet het toeliet. Deze beide stroomingen
omvatten elk meer of minder belangrijke fracties van de partijen. Er
was geen rechts meer of links, maar groepen van rechts bestreden onder
éénzelfde banier als van links het voorstel-Tak, terwijl anderen zich
naast de meest-geavanceerde liberalen onder de verdedigers bevonden.
De democratische Antirevolutionairen van Dr. Kuyper en de Roomsche
volgelingen van Schaepman, verstonden zich met de Radicalen en
de vooruitstrevende Liberalen, terwijl de oppositie gevormd werd
door de groote meerderheid der Roomschen, de groep aristocratische
Antirevolutionairen onder Mr. De Savornin Lohman, en de Conservatieven,
de volgelingen van de heeren Roëll, Van Houten en Van der Kaay.
Gedurende achttien maanden was de strijd hevig en hij eindigde in de
ontbinding van de Kamer op den 17en Maart 1894. Een heftige beroering
verspreidde zich toen over het gansche land. De verkiezings-campagne was
langdurig en bitter. De candidaten werden niet meer naar hunne partijen
en programmen onderscheiden, maar geheel door elkaar verward deelden
zij zich in als voor- en tegenstanders van Tak, in Takkianen en
anti-Takkianen. De tegenstanders behaalden bij de herstemming de
overwinning en verkregen eene meerderheid van tien stemmen. Het doel
der ontbinding werd niet bereikt, en Tak van Poortvliet trad af en
werd vervangen door den heer Van Houten.
Door den heer Roëll uitgenoodigd om het ministerie van Binnenlandsche
Zaken op zich te nemen, vormde de heer Van Houten met hem een
conservatief-liberaal kabinet. Hij nam de zware taak op zich om de
kiesrechtkwestie, die door zijn voorganger onbeslist was achtergelaten,
tot een goed einde te brengen. Hij kwam aan het bewind op een oogenblik
dat de verhouding der partijen zoo verward mogelijk was. Zij handelden
blindelings, als in den mist verdeeld, gedesorganiseerd, slechts vage
vormen afteekenende. Om de waarheid te zeggen, waren het groepen zonder
bestand, en om een oude Hollandsche uitdrukking te gebruiken: »Een ieder
stuurt zijns weegs en niemand weet waarheen....«
In de volksvertegenwoordiging kon men duidelijk bij de hervatting der
werkzaamheden opmaken, dat het èn aan een vaste meerderheid èn aan
eenstemmige en krachtige oppositie faalde. Bij elke trede werd men door
nieuwe en toevallige meerderheden gehinderd, en niets wees meer op de
verwarring der geesten dan deze besluiteloosheid in eene Kamer, waar
gewoonlijk de opinies wèl belijnd en de partijen stevig waren en de
gelegenheidspolitiek weinig in de gunst was. Het scheen, dat het volk,
van de kiesrechthervorming doordrongen, in den cirkel rondliep zonder
een uitweg te vinden.
Mr. van Houten beproefde dien toovercirkel te verbreken en met dit
voornemen, waarin hij standvastig bleef, stelde hij zijn wetsontwerp
voor en ondersteunde het met volharding. De debatten duurden een geheel
jaar. In den loop der bespreking had het kabinet verklaard, dat zijn wet
in haar geheel aangenomen of verworpen moest worden. Dat was een fier en
klinkend woord, maar verbazingwekkend van de zijde van een staatsman,
die geen vaste meerderheid achter zich had en die, om te slagen, moest
rekenen op de hulp van zekere afgevaardigden van rechts. Doch hij
wist wat hij wilde en dat, volgens de theorieën van zijn geliefden
leermeester Schopenhauer, de wereld nergens anders uit bestaat dan uit
vertooning en wilskracht, en dat de wilskracht de verwarde beelden der
gebeurtenissen en omstandigheden beheerscht.
De kieswet Van Houten werd door de Tweede Kamer den 19en Juni 1896 met
56 tegen 43 stemmen aangenomen. Zij werd dadelijk in de Eerste Kamer
behandeld en insgelijks aangenomen op den 5en September 1896 met 34
tegen 12 stemmen.
Onder de tegenstanders der wet bevonden zich tegelijk geavanceerden van
links, die achtten dat zij niet ver genoeg ging en die haar armelijk,
spaarzaam en willekeurig noemden, en de Conservatieven, die haar te wijd
en te mild achtten. In werkelijkheid was het een wet van het juiste
midden, die niemand voldeed. De Roomschen en de Antirevolutionairen
hadden gehoopt in het verloop der behandeling amendementen aangenomen
te zien, waardoor in 't bizonder het kiesrecht van den huisvader was
vastgesteld, maar hunne hoop werd niet vervuld. Een groot deel van
rechts was dus ontevreden. De uiterste linkerzijde was het niet minder,
want het kiesrecht was verbonden gebleven aan den census, een stelsel,
dat zij volkomen wilde afschaffen. Op zichzelf was de wet niet boven
alle kritiek verheven. Haar eerste fout was zeer ingewikkeld te zijn
en willekeurig de kiezers in talrijke klassen in te deelen, naar de
kenmerken om kiezer te kunnen worden. Er waren:
1e _belastingkiezers_, waartoe al de Nederlanders van 25 jaren, die in
een directe belasting vielen, behoorden;
2e _woningkiezers_, gevormd uit degenen, die geen belasting betalende op
den 1en Februari sedert zes maanden hetzelfde huis hadden bewoond en
die daardoor een wekelijksche huur betaalden, waarvan het minimum
varieerde naar de plaatselijke gesteldheden van f --.80 tot f 2.--;
of die een woonschip bezaten voor het minst van 24 kubieke meters
grootte;
3e _loonkiezers_, waaronder gerekend werden zij, die niet behoorden tot
de beide voorgaande klassen, en die gedurende tenminste drie maanden
in hetzelfde huis hadden gediend, en een jaarlijksch loon ontvingen
naar de verschillende plaatselijke gesteldheden varieerende van ten
minste f 275-f 550 of van f 100-f 200 indien zij in dezelfde woning
kost en huisvesting hadden;
4e _pensioenkiezers_, welke categorie allen omvat, die een jaarlijks
pensioen trekken, gelijk aan het loon, dat de loonkiezers moeten
ontvangen;
5e _spaarbankkiezers_, waaronder zich rangschikken degenen, die
tenminste f 100 op het grootboek hebben of f 50 in de spaarbank.
6e _Examenkiezers_, een groep samengesteld uit zulken, die tengevolge
van een examen, bij de wet vastgesteld, in bezit zijn van een
diploma, waaruit geschiktheid tot een ambt blijkt of krachtens
hetwelk de uitoefening van een beroep of de volvoering van een
opdracht werd veroorloofd.
Dat waren de verschillende categorieën, waarin het kiezerscorps werd
verdeeld. Eén afgevaardigde, de heer Heldt, sprak minachtend over deze
»wanorde, waarop zich ten langen leste de werklieden vermoeien,
ingedeeld als zij zijn en gescheiden op zeer willekeurige wijze.«
Overigens berustte het stelsel geheel op den census, nog van kracht.
Wanneer de wetgever er iets in zou gaan veranderen, dan werd de kieswet
daardoor dadelijk verdraaid, en het was een verwijt te meer, dat men hem
deed, dat nu een herziening van de kiezerslijst bij iedere wijziging der
belastingen noodzakelijk was gemaakt.
Niettemin werd met een soort van verlichting de kieswet ontvangen;
voorloopig tenminste was de nachtmerrie, die sedert vijf jaren het volk
had gedrukt, weg; was het onweder, dat de partijen omver had geworpen,
bedaard en voordat een nieuwe hervormingswind van het kiesrecht zou
waaien, konden verscheidene jaren voorbijgegaan zijn, die gebruikt
konden worden om een weldadige politiek te oefenen naar de wenschen van
de 300.000 nieuwe kiezers, die in het verbreede kiezerscorps deel zouden
nemen aan de regeering des lands.