IV.

_De herstelling van de Christelijke Coalitie.--De verkiezingen van

1897.--Het ministerie Pierson._

Ternauwernood was de kieswet aangenomen, of Mr. Van Houten liet zich van

de hoogte van de regeeringstafel dit totnutoe in Nederland ongehoorde

woord uit den mond vallen: »Alle liberalen in het gelid tegen het

clericalisme«. Deze oorlogskreet, uitgeroepen door een minister die

pas de kiesrechthervorming had afgedaan, weerklonk langen tijd in het

land. Door zijn magisch woord verdwenen de wolken, die het licht hadden

beneveld, en de schikkingen kwamen nauwkeurig met verwonderlijke

helderheid tevoorschijn; de opgezweepte wateren hernamen hun gewonen

aanblik, en de partijen, die zich als in ontbinding bevonden, voegden

zich weer tot hun ouden vorm en in dezelfde combinaties.

Toch waren de partijen in deze periode van zes jaren, dewelke door de

geschillen over de legerwet en de broedertwisten over de

kiesrechthervorming zoo verward was, veranderd.

Rechts bleven de Roomschen bijna dezelfden, behalve dat zij de eenheid

terugvonden, die sedert langen tijd was verbroken.

Daarentegen waren de Antirevolutionairen in vele afdeelingen verdeeld en

de scheuring was te groot dan dat ze geheeld kon worden. Het grootste

getal bleef wel is waar onder de machtige leiding van Dr. Kuyper, maar

van het oorspronkelijke bloc waren twee deelen afgegaan. Ter eener zijde

hadden de vrije Antirevolutionairen het machtige gezag van den leider

geschokt. Bijna allen waren het mannen van groot aanzien als De Savornin

Lohman en de oud-minister Mackay; en zij onderscheidden zich van de

Kuyperianen door aristocratische geaardheid, minder geneigd tot sociale

hervormingen. Evenwel was de breuk niet voltooid, want zij waren één

op het terrein van de Calvinistische beginselen, en over de klove,

die temidden der kiesrechtgeschillen was gevormd, was een brug

gelegd, die hen voortdurend verbond. Aan de andere zijde hadden de

Christelijk-historischen zich geheel van de partij afgescheiden. De

orthodoxe predikanten, die achter den driftigen Dr. Bronsveld aanliepen,

hadden de laatste gemeenschap afgesneden en gingen gemeene zaak maken

met de Liberalen.

Ter linkerzijde was de groote Liberale partij in verschillende stukken

uitééngevallen, waarvan het uiterste aan het Socialisme paalde. Het

voornaamste deel had zijn vaandel geplant op gelijken afstand van het

midden en van de uiterste linkerzijde. Het bestond uit de progressisten

van de »Liberale Unie", die democratische maatregelen vroegen; de

Unionisten in de richting van de Sociaal-democraten, voorafgegaan door

de rumoerige groep, weinig in aantal, van Radicalen, en achter haar

lieten zij de achterblijvers, de »oud-liberalen", die trachtten naar

vergeving voor hunne vadsigheid op sociaal gebied door hun vuur tegen

het clericalisme.

Zoo was de politieke toestand op het oogenblik dat de kieswet Van

Houten voor het eerst zou toegepast worden. In Juni 1897 moest de

belangrijke vernieuwing van de Staten Generaal plaatshebben. Van alle

kanten bereidden zich de partijen voor tot den strijd. De verschillende

programmen werden den volke voor oogen gesteld en men zocht de verbonden

weer op.

De Antirevolutionairen van beide schakeeringen maakten openlijk gemeene

zaak met de Roomschen. Voor het eerst stelde zich de Christelijke

coalitie in het volle licht en zij werd bevestigd door een krachtige

campagne. Hare hoofden, Dr. Kuyper en Dr. Schaepman, hoopten, dat deze

hereeniging van twee groote machten, die zonder hun eigen gezag en

karakter te verliezen zich verbonden voor een gemeenschappelijk doel, de

massa kiezers mede zou voeren, om zoo de meerderheid aan de Christelijke

partij van de natie te geven.

Ondertusschen had deze openlijke vereeniging tot onmiddellijk resultaat

dat de Christelijk-historischen geheel in het zog van de Liberalen

kwamen uit haat tegen de Roomschen en Dr. Kuyper. Dr. Bronsveld en Dr.

Vos brachten den Christelijk-historischen Kiezersbond tot stand, die

door hen gebruikt werd om de Liberalen te helpen. Vóór alles wilden zij

den triomf van het »monsterverbond« verhinderen.

De Liberalen ontvingen hen met vreugde, want zij gevoelden zich

niet zeker van de overwinning en zij hadden er belang bij, zich

zooveel mogelijk hulp te verschaffen. Om die reden is het, dat zij de

vereeniging van allen, die den wijdschen naam van Vrijzinnigen droegen,

zich ten doel hadden gesteld, hoe verkleurd en ontaard hun Liberalisme

ook mocht wezen: Radicalen, Unionisten, Oud-liberalen, allen bevonden

zich momenteel voor den strijd vereenigd en zij voedden de geheime hoop,

dat in geval van groot gevaar, de S. D. A. P., die de revolutionaire

Socialisten van Domela Nieuwenhuis achter zich latende, van verlangen

brandde weer op het politieke erf op te treden, hun onder meer of minder

doorzichtigen sluier een werkdadige welwillendheid zouden aanbrengen.

Ter eener zijde dus de Christelijke Coalitie, aan welke Dr.

Kuyper de strijdleuze gaf: »Vóór God en het Evangelie«; aan de

andere zijde de liberale concentratie, krachtig ondersteund

door de Christelijk-historischen en waarschijnlijk ook door de

Vrijzinnig-democraten.

De eerste slag viel geheel in het voordeel van de Christelijke partijen

uit: 22 Roomschen en 13 Antirevolutionairen kwamen als overwinnaars

uit de stembus tegen 14 Liberalen en 1 Radicaal. Er bleven nog vijftig

herstemmingen over en van dien uitslag hing de eindelijke overwinning

af; maar alles deed voorzien, dat het succes van 15 Juni 1897 den 25

Juni d. a. v. zou bevestigd worden.

Dat ziende, speelden de Liberalen hun laatsten troef uit. Zij

verdubbelden hunnen ijver en verspreidden in het land van die

verkiezingsargumenten, altijd dezelfde, die men overal terugvindt,

samengetrokken in formules, die er op gericht zijn om indruk op de

groote massa kiezers te maken.

Deze wanhopige poging wierp alle voorspellingen van de eerste stembus

omver; 9 Antirevolutionairen werden nog gekozen en geen enkel Roomsche.

»Met Friesland," zeide Dr. Kuyper, »was het geheele Noorden voor ons

verloren en onze eerste zege veranderde in een smartelijke nederlaag.

Op zichzelf was de mislukking voor ons niet pijnlijk, maar wel de

zekerheid, dat belijders van het Evangelie met de mannen van de

Revolutie gemeene zaak hadden gemaakt.«

De liberale concentratie was overwinnares. De meerderheid bestond

uit 12 Oud-liberalen, 34 Unie-liberalen, 6 Radicalen, waarbij men

1 Christelijk-historische en 3 Sociaal-democraten moet voegen.

De Roomschen verloren drie zetels, de Antirevolutionairen wonnen er

acht, de Vrij-antirevolutionairen verloren er een. Totaal telde de

rechterzijde 44 tegen 56 stemmen. Maar die 56 stemmen van links waren

ver van eenstemmig en standvastig. De verschillende tinten van het

Liberalisme bezaten er wel de meerderheid, maar om te regeeren was hun

de hulp van de Radicalen absoluut onmisbaar en zij hadden daarenboven in

bizondere omstandigheden rekening te houden met de Socialisten, die na

een afwezigheid van zes jaren talrijker op het tooneel van de Tweede

Kamer verschenen en er een rol verstonden te spelen.

* * * * *

Het resultaat van de verkiezingen was van dien aard, dat alleen een

kabinet van links mogelijk was. Het ministerie Van Houten voldeed aan

deze voorwaarde en had, indien het dit gewild had, aan de regeering

kunnen blijven. Maar het beschouwde zijn taak als geëindigd met de

kiesrechthervorming en het had aan de Koningin-regentes zijn voornemen

aangekondigd om dadelijk na de verkiezingen af te treden. Toen deze

dan ook hadden plaats gehad, deed het dit onverwijld. Het liet een

belangrijken wetgevenden arbeid achter zich en men moet erkennen, dat

het parlementaire tijdperk, waarbij dit ministerie had voorgezeten,

onder de vruchtbaarste perioden behoorde. De omstandigheden waren hem

wel eenigszins gunstig, maar vooral de ijver, betoond sedert 1894 door

Van Houten, minister van Binnenlandsche Zaken, en Sprenger van Eyck,

minister van Financiën, waren er de oorzaak van.

Om minister Van Houten te vervangen, had men een talentvol man noodig,

die de zegevierende liberale partij verpersoonlijkte en die haar in haar

eigen ministerie kon vertegenwoordigen, vooruitstrevend genoeg om te

worden ondersteund door de Liberale Unie en die de Radicalen niet te

zeer afschrikte, en die genoeg gehecht was aan de oude leer om niet

afkeerig te zijn van de gunst van Oud-liberalen. Men dacht dadelijk aan

den heer Pierson, welonderlegd landbouwkundige en ervaren financier,

die tevoren in het ministerie Tak van Poortvliet de portefeuille van

Financiën had gehad. Men wist dat hij in de oogen der Haagsche Liberalen

voor radikaal doorging, terwijl de Radikalen van Amsterdam hem voor

conservatief hielden, en men achtte dat de waarheid tusschen beide

uitersten in lag.

Wat er ook van aan was, de heer Pierson werd er mede belast een

ministerie samen te stellen en hij deed het op oordeelkundige wijze. De

liberale concentratie trad er geheel in op; de Liberale Unie met haar

leider, Mr. Goeman Borgesius voor Binnenlandsche Zaken, Mr. Cort van

der Linden voor Justitie, de heer Cremer voor Koloniën, de heer Lely

voor Waterstaat; de Oud-liberalen werden er vertegenwoordigd door den

heer de Beaufort voor Buitenlandsche Zaken, en boven hen zweefde de

verzoenende en beschermende glimlach van den minister van Financiën,

den heer Pierson. In alles was er voor gezorgd om schokken en kneuzingen

te voorkomen tusschen mannen, die allen van den eersten rang waren en

onbetwistbare kennis op politiek gebied bezaten. De heer de Beaufort kon

met zijne portefeuille met onverschillig oog de democratische strooming

gadeslaan, die zijne collega's van de uiterste linkerzijde der Liberalen

tot sociale hervormingen drong, en zonder eenigen strijd had de heer

Pierson alle vrijheid het fiscale werk, dat hij voorheen was begonnen,

voort te zetten.

En toch, dit samenstel van eminente mannen was in den grond niets anders

dan het voorbijgaand resultaat van behendige vergelijken; het rustte op

een onstandvastige meerderheid, wier ongelijksoortige beginselen bijna

geen enkel program-artikel gemeen hadden. Ook kon het kabinet niet

regeeren, dan met behulp van eindelooze beloften, temidden van

voortdurende moeilijkheden.

Nauwelijks was het geformeerd of de Christelijk-historische

afgevaardigde Dr. De Visser weigerde het zijn steun en voegde zich

weder bij de rechterzijde. Terzelfder tijd brachten tusschentijdsche

verkiezingen eenige lichte wijzigingen in de partijsterkten aan. De

Sociaal-democraat Schaper werd gekozen te Veendam en twee Oud-liberalen

namen de plaatsen van twee vooruitstrevenden in. De meerderheid, die

in het geheel niet hecht was, werd het nog minder tengevolge van deze

beweging en veranderingen. Bovendien stond het den heer Pierson tegen,

bestendig op de Socialisten te steunen en hen een te grooten invloed in

het bestuur der zaken te doen nemen. Zoo men echter een meerderheid

van links wilde behouden, moest men wel rekening met hen houden. De

minister kon daar niet toe komen, en in menige omstandigheid nam hij

den steun der rechterzijde aan om zich te kunnen vrijmaken van woelige

elementen van de uiterste linkerzijde; maar zijne politiek leidde hem er

logisch toe slechts toevallige meerderheden te vereenigen, die zoodra

men over beginselkwesties handelde, teloorging; en met dit resultaat,

dat geen der partijen hem als de vertegenwoordiger van hare beginselen

beschouwde.

In dien toestand had een sterke en geoefende oppositie het lot van

het ministerie in handen; zij kon wanneer zij het wilde den val

veroorzaken. Doch de verstandhouding was nog niet volkomen goed tusschen

de Christelijke partijen. Er bestonden vooroordeelen, verschil van

inzichten en taktiek, die op eenige bijkomstige punten somwijlen de

onafgebroken krachtsaanwending en de eenvormigheid van actie benadeelde.

Voorts leende de rechterzijde zich voor 't meerendeel niet tot dit spel

van ministerieelen moord, dat in vele landen het vermaak was van de

parlementaire oppositie, want wat zij zou hebben verwoest kon zij

niet herstellen. De uitslag zou op niets dan op een onvruchtbare

ministerieele crisis zijn uitgeloopen, in welk geval een Christelijke

regeering niet anders had kunnen doen dan de Kamer onmiddellijk

ontbinden. Zonder uit de rol eener sterke oppositie te treden,

vergenoegde zij zich met toezicht op het ministerie te houden, en op

zijne handelingen krachtige controle uit te oefenen. Deze houding raadde

Mr. de Savornin Lohman voortdurend in zijn dagblad »de Nederlander« aan,

en men moet erkennen dat het de verstandigste was.

* * * * *

Door dezen samenloop van omstandigheden en inzichten, vervolgde het

ministerie Pierson zijn weg tusschen rechts en links door, en hield zich

slechts door wonderen van bekwaamheid in evenwicht.

Het begon de uitvoering van zijn program met persoonlijken

dienstplicht, die in 1890 troebelen en oneenigheid in de Christelijke

Coalitie gebracht had. Het regeeringsontwerp, dat zich voordeed als een

begin van een volkomen hervorming der militaire organisatie, ontmoette

van de zijde der Roomschen denzelfden tegenstand als onder het

ministerie Mackay het ontwerp Bergansius. Bij de andere partijen

ontmoette het geen moeilijkheden. Ook kwam het er gemakkelijk den 2en

Juli 1898 met 72 tegen 20 stemmen in de Tweede Kamer door. Alle

Roomschen hadden tegengestemd behalve Dr. Schaepman, die, hoewel tegen

persoonlijken dienstplicht, toegaf ten gunste van uitzonderingen, in

de wet vervat in 't bizonder van die, welke in het eerste artikel was

omschreven, namelijk van de onmisbare »kostwinners«. Deze aanneming

door het hoofd, die zich zoodoende van zijne volgelingen onderscheidde,

verwekte eenige verwondering en veel critiek in het Roomsche kamp;

gelukkig strekte dit niet zoo ver, dat daardoor de zoo moeilijk

verkregen eenheid der partij verbroken werd.

Daarna volgden elkander op de ongevallenwet, de gezondheidswet, de

woningwet, die, gemaakt met de medewerking der rechterzijde, er het

merk in verscheidene gedeelten van dragen. Maar het voornaamste werk

van het ministerie was de leerplichtwet, reeds lang in het program der

Liberalen opgenomen; op dit punt concentreerde zich de geheele strijd

der partijen. Antirevolutionairen en Roomschen bestreden met kracht het

regeeringsontwerp. Het scheen hun toe, dat het beginsel van leerplicht

de vrijheid van den huisvader trof in de regeling van het onderwijs

zijner kinderen, en deze vrijheid was de grondslag van hunne

schooltheorie, zooals deze beschreven was geworden door Groen van

Prinsterer; de bizondere school regel, de openbare school aanvulling. De

bespreking duurde lang en de uitkomst van het ontwerp was langen tijd

onzeker. Ten slotte werd het aangenomen met 50 tegen 49 stemmen, dank

zij de afwezigheid van een Antirevolutionair afgevaardigde, den heer

Schimmelpenninck, die van het paard was gevallen en daardoor ziek lag.

In den loop van deze »tragische wetgeving« zooals Dr. Kuyper haar

noemde, waarbij het kabinet het Hollandsche patriottisme in erge mate

misnoegd maakte, doordat het, ten aanzien der vredesconferentie, een

wijkende houding aannam ten aanzien van Transvaal en Oranje-Vrijstaat,

die toen gewapend stonden tegenover Engeland; waardoor het mede

tengevolge van de scheuring der vrijzinnig-democraten gebeurde, dat

het niet meer dan 40 stemmen ter linkerzijde bezat, deed zich eene

gebeurtenis voor, waarbij de strijd der partijen en het gedruis der

politiek wegstierf. De kleine koningin Wilhelmina had haar achttiende

jaar bereikt. Het oogenblik was gekomen om den scepter van de

voorvaderlijke stadhouders in haar zwakke hand als jonge vrouw te nemen

en op haar hoofd de kroon van Oranje-Nassau. Den 30en Augustus 1898

legde de koningin-moeder haar regentschap, dat zij acht jaren met

zeldzame bekwaamheid had uitgeoefend, neer. Den volgenden dag nam

Wilhelmina de regeering op en den 6en September d. a. v. legde zij den

eed op de grondwet af in de Nieuwe Kerk te Amsterdam.

De leerplichtwet was een van de laatste daden van het ministerie

Pierson. Bij de nadering der verkiezingen verdubbelde het zijn ijver en

bood het vele wetsontwerpen aan, waardoor het een handige reclame maakte

in de hoop de volksgunst te verwerven. Deze ontwerpen regelden het

hooger beroep tegen ongevallen-verzekeringen, hadden betrekking op den

openbaren onderstand, op de reglementeering van het arbeidscontract, op

werkliedenpensioen, en besloten met een grootsch plan van de droogmaking

der Zuiderzee.

De oppositie liet zich niet tot dit terrein verlokken en Dr.

Kuyper wees in zijne rede op de Algemeene Deputatenvergadering der

Antirevolutionaire partij de stelling, die zij te kiezen had. »De

strijd,« zoo verklaarde hij, »moet gestreden worden buiten het kabinet

om, wij moeten strijden zonder ons aan het ministerie te storen alsof

het niet bestond. De eenige vraag, die zich voor het land in de maand

Juni zal voordoen is deze: Zal de meerderheid der Staten-Generaal tot

het Christelijk deel der natie behooren of zal zij blijven aan onze

medeburgers, die onophoudelijk in hun politieke beschouwing met den

Christus Gods hebben gebroken?«

Van zijn kant opende Dr. Schaepman de campagne der Roomsche partij met

een groote redevoering, waarin hij met alle kracht aanspoorde tot de

»entente cordiale« met de Calvinistische partij, om zoo een einde te

maken aan de liberale heerschappij.

De Christelijke coalitie had zich steviger en vollediger samengeknoopt

dan tevoren. De nauwe verbintenis was bovendien bewonderenswaardig

voorbereid door een reeks artikelen in de »Standaard« van de

hand van Dr. Kuyper, aangaande de gemeenschappelijke beginselen

bij alle geloovigen. Zij omvatte niet alleen de Roomschen en de

Antirevolutionairen, maar ook nog de Vrij-antirevolutionairen, alsook

vele Christelijk-historischen die Dr. Bronsveld niet getrouw bleven, en

zij nam de verbondsleuze weder op, die zij bij de verkiezingen van 1897

had aangeheven: »Vóór God, vóór het Evangelie! tegen den leugengeest der

Revolutie!«

Terzelfder tijd, om de poging van de verbonden partijen krachtdadiger te

maken, beijverden Dr. Kuyper en Dr. Schaepman zich om de mededinging

en verdeeldheid uit den weg te ruimen, waarvan de vijand te vaak

profiteerde. Daartoe stelden zij een systeem van ruiling van stemmen

in, dat hunne tegenstanders een systeem van koopmanschap noemden.

Het was enkel een besluit van tucht en wijsheid, om verlies van

macht te vermijden. Het bestond eigenlijk hierin, om de Liberale of

Socialistische districten onder de verschillende Christelijke partijen

in te deelen, ten einde ze toe te voegen aan degene, die den meesten

kans had, door overal één candidaat te stellen, gesteund door alle

»geloovigen«.

Er moest voor de rechtsche partijen een soort van evenredige

volksvertegenwoordiging komen, waardoor zij in ruil voor de opoffering

hunner afzonderlijke politiek en voor het aanbrengen van hunne stemmen

in één district, het voorrecht ontvingen een candidaat elders te zien

overwinnen, dank zij de stemmen der bondgenooten. Ofschoon het gezag

der leiders niet sterk genoeg was om dit systeem in het geheele land te

doen aannemen, en de te dien einde aangevangen onderhandelingen niet met

volkomen succes werden bekroond, zij liepen niettemin er op uit, om van

den eersten keer af--wat tot dien tijd toe nog niet gezien was--de

stemmen van de Antirevolutionairen te verzekeren aan de Roomsche

candidaten in de districten, waar de Calvinisten de overwinning op

geenerlei manier konden behalen, bijvoorbeeld Beverwijk. In Friesland

bracht het verdeeling der zetels aan tusschen de verschillende

protestantsche fracties, waaronder de Friesche-Christelijk-historischen;

en daar maakten zij een einde aan de ijverzucht, die de zaak der

Liberalen zoo goed diende. De Christelijke Coalitie had zich dus, door

nieuwe elementen bij haar linkervleugel in te lijven, uitgebreid; zij

had zich aan tucht gewend en was een geduchte macht.

Ten aanzien van haar waren de Liberalen verdeeld. Het verschil van

gevoelen tusschen de Oud-liberalen en de Unie-liberalen was niet

weggenomen en bovendien was er tweedracht gekomen onder deze laatsten.

De kwestie van urgentie van de grondwetsherziening, ten einde tot

algemeen kiesrecht te komen, was er opgeworpen door het bestuur. Het had

er zulk een onweder doen losbarsten, dat de banden, die de verschillende

elementen verbonden, verbroken waren en dat de meest-geavanceerden zich

hadden teruggetrokken achter de leden van het bestuur aan, om met de

Radicalen de partij der Vrijzinnig-democraten te vormen. De »Liberale

Unie« had zich zoo goed of kwaad als het ging gereformeerd, maar

de verdeeldheid was niet verdwenen. In menige streek stelden de

Vrijzinnig-democraten hun eigen candidaten tegen die der Unie-liberalen

voor.

Ondanks die oorzaken van zwakheid werden de Liberalen niet ontmoedigd.

Zij behielden heimelijk de hoop, dat de zaken zouden gaan als in 1897.

De eerste keer zou men opnieuw een gedeeltelijke overwinning der

Christelijken zien en later bij herstemming zou de linkerzijde,

vereenigd door de bedreiging van »het clericale gevaar«, het verschil

van gevoelen vergeten, front maken tegen den vijand en de eindelijke

overwinning behalen of tenminste de rechterzijde zoodanig verslaan, dat

het haar onmogelijk zou zijn te regeeren.

Maar deze keer was hunne verwachting ijdel. De resultaten bij de eerste

stemming waren zoodanig, dat de zege aan de Christelijke partijen

verzekerd was, hoe de herstemming ook liep. Bij den eersten keer hadden

zij 47 zetels bemachtigd en van de 42 herstemmingen liepen er velen in

hun voordeel uit.

Om hunne nederlaag minder gevoelig te doen worden, moesten de Liberalen

hunne krachten vereenigen en hielpen zelfs de Socialisten in zekere

districten; doch hun meest-pessimistische voorspellingen werden nog

overtroffen en zij kwamen zeer verminderd in aantal en in aanzien uit

den strijd.

De Socialisten inbegrepen telde de linkerzijde niet meer dan 42

vertegenwoordigers, waaronder 6 Oud-liberalen, 20 Unie-liberalen, 9

Vrijzinnig-democraten en 7 Sociaal-democraten. Alle liberale partijen

waren min of meer verslagen, maar geene verloor meer uitmuntende

mannen dan de scheuringspartij van de Liberale Unie, die den naam had

aangenomen van Vrijzinnig-democratisch. De heer Van Gilse, een der

leiders der beweging, door zijn eigen kiezers verloochend, had den moed

gehad zich in Amsterdam IX candidaat te stellen tegen den Unie-liberaal

Lely, minister van Waterstaat, en had er erbarmelijk schipbreuk geleden;

een andere, de heer Veegens, werd te Hoogezand vervangen door een

Socialist en de heer Heldt, voorzitter van het Algemeen Nederlandsch

Werklieden-Verbond, werd om zijn Nieuw-Malthusianisme door de

kiezers van Amsterdam VII verworpen, die Mr. Heemskerk, zoon van den

conservatieven oud-minister en een der leiders van de Antirevolutionaire

partij in de Tweede Kamer verkozen.

Wat de Socialisten betreft, al wonnen zij ook drie zetels, was toch

hun aanvoerder Mr. Troelstra geslagen in de vijf districten, waar hij

candidaat was gesteld, in 't bizonder in Tietjerksteradeel, welk

district de predikant Dr. Talma na fellen strijd had veroverd.

De uitslag der algemeene verkiezingen van 14 en 27 Juni 1901 was dus

ongunstig genoeg voor de liberalen. Het ministerie Pierson, dat het

totaal der stemmen van links had opgemaakt, constateerde dat het

onmogelijk was aan het bewind te blijven en legde zonder dralen zijn

ambt neder.

De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie · 第 30 / 54 题