_De eerste triomf van de Christelijke Coalitie.--Het ministerie
Mackay.--De Pacificatie-wet._
Dadelijk begonnen de partijen zich te weren voor de algemeene
verkiezingen van het volgende jaar. Het kwam er nu maar op aan om het
grootst-mogelijk aantal nieuwe kiezers zoo spoedig mogelijk voor zich te
veroveren, ten einde zoo de macht in handen te krijgen. Dat was het doel
van de politieke vereenigingen.
Reeds na de nederlaag van 1884 hadden de Liberalen begrepen, dat hun
inwendige verdeeldheid een begin van zwakheid, onmacht en ondergang
voor hen zou zijn. Zij hadden bemerkt, dat hun partij op weg naar de
ontbinding was; en om daar een eind aan te maken hadden zij een Liberale
Unie in 't leven geroepen teneinde, zoo zij zeiden, den politieken
invloed van de confessioneele partijen tegen te gaan, en de toepassing
der liberale beginselen te verzekeren. De Liberale Unie had voor het
oogenblik de verspreide troepen vereenigd en had krachtig gewerkt om tot
de grondwetsherziening te geraken.
De Liberalen waren op het gebied van vereeniging reeds voorgegaan door
de Antirevolutionaire partij, die in 1879 uit de handen van haar leider,
Dr. Kuyper, een volledige organisatie en een nauwkeurig-belijnd program
had ontvangen.
Alleen deze twee partijen waren goed georganiseerd, en het oogenblik was
dus gekomen tot een proef van hunne kracht.
Bovendien was Dr. Kuyper meer en meer de Roomschen genaderd. Doch hunne
samenwerking bij de verkiezingen was niet zonder horten en stooten.
De Roomschen beklaagden zich menigmaal over de strakheid van de
orthodoxe Calvinisten, die zonder ophouden spraken alsof het land hun
onvervreemdbaar goed was en die hunne medewerkers beschouwden met
een wantrouwend en minachtend oog. Vooroordeelen, onbillijkheden,
handelingen van een twijfelachtig wederkeerig vertrouwen kwamen bij
oogenblikken op en al de welwillendheid van de leiders was noodig om
deze verdrietelijkheden weg te nemen, zoo goed en zoo kwaad als het
ging.
Niettemin waren de verbonden partijen in de Tweede Kamer eensgezind
genoeg om een sterke oppositie te vormen. Zij waren er zelfs toe gekomen
om alle nieuwe credieten aan de regeering te weigeren, indien hun op
het stuk van onderwijs geen voldoening werd gegeven. «Geen herstel van
grieven, dan ook geen nieuw crediet», zoo was hun onveranderlijke leus.
Bij de nadering der verkiezingen achtten de verbonden partijen den
tijd nog niet gekomen om de geheime overeenkomst, die bij hunne actie
vooropstond, openbaar te maken. Het volk was naar hun meening nog
niet rijp voor zulk een mededeeling en niets was gemakkelijker dan een
krachtige samenwerking zonder openbaar verbond. Het was voldoende voor
iedere partij om eigen candidaten te stellen en in geval van herstemming
hare stemmen op den bevrienden candidaat, die den meesten kans van
slagen had, uit te brengen.
Zoo gewapend tot den strijd wachtte men de verkiezingen af. Roomschen
en Antirevolutionairen werkten ieder afzonderlijk, maar zij hadden
afgesproken, dat men bij herstemming de krachten zou samentrekken. Het
punt van uitgang, door hen gekozen, was de schoolkwestie, die sedert
dertig jaar het eerste artikel in hun beider program uitmaakte.
Op dezen grondslag begon de verkiezingsstrijd met kracht. Hij eindigde
met de overwinning der verbondenen, in zekere streken begunstigd door
Radicalen en op enkele plaatsen door de Socialisten.
In de nieuwe Kamer telde de Liberale partij 45 zetels, het
»monsterverbond" verkreeg 53, waarvan de Antirevolutionairen 27 en
de Roomschen 26 zetels. Een Conservatief, graaf Schimmelpenninck,
vertegenwoordigde er de onveranderlijke traditie, en het Socialisme
verscheen er voor het eerst in den persoon van Domela Nieuwenhuis,
afgevaardigde van Schoterland.
Het was een schoon succes, een resultaat van dertig jaren harden
strijd. Voor het eerst genoten de aan het Liberalisme tegenovergestelde
beginselen de gunst van het volk. De lange bijna nooit onderbroken tijd
van de Liberale ministeries of van een zakenkabinet in Liberalen geest
was geëindigd. Een Christelijke politiek deed hare intrede in Nederland.
De gebeurtenis was van het grootste gewicht en ieder wachtte met groote
nieuwsgierigheid en eenige vrees af, wat de gevolgen voor het land
zouden zijn van een politiek, lijnrecht tegenovergesteld aan die, welke
men sedert veertig jaren gevolgd had.
De algemeene verwachting werd niet beschaamd. Daags na de verkiezingen
ontving baron Mackay de opdracht een ministerie samen te stellen.
Als man van groot aanzien en onbetwiste waarde, had hij door zijne
gematigdheid en hoffelijkheid de sympathie zelfs van zijne tegenstanders
weten te winnen. Hij omringde zich met medewerkers, wie bekwaamheid
bekend was. Het meerendeel behoorde tot de Antirevolutionaire partij,
twee Roomschen ontvingen er belangrijke portefeuilles in, namelijk de
heer Ruys van Beerenbrouck die van Justitie, en generaal Bergansius die
van Oorlog.
Daar het nieuwe ministerie door de schoolkwestie op het kussen was
gekomen, deed het ook zooveel mogelijk om haar ten einde te brengen.
In het regeeringsprogram, hetwelk talrijke hervormingen aankondigde,
verklaarde het zich over dat punt op duidelijke wijze: »Het resultaat
der verkiezingen", zeide het, »doet ons het vurig verlangen des
lands kennen naar hetgeen volgens de regeling van het onderwijs is
voorgeschreven, dat er rekening gehouden wordt met de Christelijke
overtuigingen des volks. Daarom zal de regeering, het openbare onderwijs
als het voorwerp van haar bizondere zorg beschouwend, met inachtneming
van de grenzen door de grondwet gesteld, zooveel mogelijk de beletselen
opruimen, die totnutoe de ontwikkeling van het bijzonder onderwijs
tegenstaan".
Om de bedoeling van deze verklaring te begrijpen, moet men zich de
wanhopige pogingen herinneren, die de Christelijke partijen hadden
gedaan bij de behandeling van de grondwetsherziening om een wijziging
van artikel 194 te verkrijgen, dat men als hinderpaal beschouwde voor
elke begunstiging en hulp van den Staat voor het bizonder onderwijs.
Hun pogingen mislukten: artikel 194 bleef als artikel 192 in de nieuwe
grondwet onveranderd. In den loop van de bespreking hadden echter de
Liberalen zich laten ontglippen, dat aan dit wetsartikel tot dusver een
verkeerde uitlegging was gegeven en dat, wanneer men het letterlijk
opvatte, het niet verbood, dat de staat zich met het vrije onderwijs
bezighield, ja zelfs dat dit onderwijs een godsdienstigen tint aannam.
Professor Buys had deze nieuwe verklaring der wet ondersteund en zijn
boek; »Toelichting en kritiek van de Grondwet", gaf hieraan eenig gezag.
Daarom sprak baron Mackay niet meer van wijziging van het
grondwetsartikel, maar van de hervorming van onderwijs, totstand te
brengen binnen de vastgestelde perken van de grondwet.
Dadelijk begaf hij zich aan den arbeid en stelde weldra een ontwerp voor
ter herziening van de wet van 17 Augustus 1878. Het was een gematigd
ontwerp, en vele Liberalen erkenden, dat het in den grond der zaak niet
meer dan billijk was.
Deze beide hoedanigheden, gematigdheid en billijkheid, waren buitendien
noodzakelijk om te kunnen slagen. Want de Eerste Kamer behield een
enorme meerderheid van Liberalen, die er 36 zetels hadden tegen 10
van de Roomschen, 2 Antirevolutionairen en 2 Conservatieven, en deze
oppositie kon dus altijd de wet nog doen mislukken. Elk conflict zou
haar noodlottig geweest zijn. Maar de Liberalen gevoelden, dat het
volk naar bevrediging verlangde, in de oplossing van de schoolkwestie
bestaande, en men maakte er geen gebruik van behalve in kleine bizondere
punten.
Na lange levendige bespreking werd het ontwerp-Mackay aangenomen in de
Tweede Kamer op den 2en September 1889 met 71 tegen 27 stemmen. Bij de
stemmen van rechts hadden zich 17 Liberalen gevoegd.
Men zou een oogenblik hebben kunnen vreezen, dat de Eerste Kamer niet
denzelfden weg zou volgen en dat destemeer, omdat vele petities van
zekere groepen en bonden door haar waren ontvangen, die haar aanraadden
het ontwerp te verwerpen. IJdele vrees echter, want de wind van
bevrediging, die er nu eenmaal woei, nam de laatste bezwaren weg van de
Liberale meerderheid en den 5en December 1889 werd het ontwerp ook daar
aangenomen met 31 tegen 18 stemmen. Alleen de onverzettelijken hadden
niet gewild.
Den 8en December d.a.v. werd de wet afgekondigd en zij ontving in de
geschiedenis den naam van de wet van pacificatie, die zij tegelijk
draagt met die van de wet-Mackay.
Zij schonk eindelijk dan voldoening aan de wenschen van Roomschen en
Antirevolutionaren; want zij bezegelde het beginsel van gelijkheid van
openbaar en bizonder onderwijs voor de wet. De openbare scholen bleven
neutraal, maar de staat ontving bovendien de vrijheid vrije scholen te
ondersteunen, zonder dat deze neutraal behoefden te zijn.
De rechten der ouders werden beter geëerbiedigd. In het voorschrift van
den bouw der bizondere scholen werd wat toegegeven; het beginsel van
schoolgeldheffing werd ook op de openbare scholen toegepast, de omslag
van de noodzakelijke kosten voor het onderwijs werd gewijzigd.
In den grond der zaak bracht de wet belangrijke verandering in de
onderwijswetgeving aan, zij maakte een einde aan het monopolie, dat
vooral sedert 1878 het openbare onderwijs begunstigde. Een nieuw en
volstrekt tegenovergesteld beginsel kwam in de wetgeving; het recht
namelijk van de huisvaders tegenover het recht van den Staat, welk
laatste streng en buitensporig was in de meeste moderne wetgevingen.
* * * * *
Terzelfder tijd, dat de hervorming van het onderwijs, het groote werk
van het ministerie Mackay, bekrachtigd werd, deed zich een gebeurtenis
voor, die gedurende eenige maanden Nederland in angstige spanning
bracht, namelijk de ziekte en de dood van Willem III. Sedert langen tijd
door een chronische ziekte aangetast, werd zijn toestand zoo verergerd,
dat het bij zijn leven zelfs noodig was een regentschap in te stellen
en dit aan koningin Emma, zijn tweede echtgenoote, op te dragen. Eenige
dagen later, op den 23en November 1890, stierf hij in den ouderdom
van drie en zeventig jaren, na een regeering van een en veertig jaren
opgevolgd door zijn tienjarige dochter Wilhelmina onder regentschap der
koningin-weduwe.