II.

_De eerste triomf van de Christelijke Coalitie.--Het ministerie

Mackay.--De Pacificatie-wet._

Dadelijk begonnen de partijen zich te weren voor de algemeene

verkiezingen van het volgende jaar. Het kwam er nu maar op aan om het

grootst-mogelijk aantal nieuwe kiezers zoo spoedig mogelijk voor zich te

veroveren, ten einde zoo de macht in handen te krijgen. Dat was het doel

van de politieke vereenigingen.

Reeds na de nederlaag van 1884 hadden de Liberalen begrepen, dat hun

inwendige verdeeldheid een begin van zwakheid, onmacht en ondergang

voor hen zou zijn. Zij hadden bemerkt, dat hun partij op weg naar de

ontbinding was; en om daar een eind aan te maken hadden zij een Liberale

Unie in 't leven geroepen teneinde, zoo zij zeiden, den politieken

invloed van de confessioneele partijen tegen te gaan, en de toepassing

der liberale beginselen te verzekeren. De Liberale Unie had voor het

oogenblik de verspreide troepen vereenigd en had krachtig gewerkt om tot

de grondwetsherziening te geraken.

De Liberalen waren op het gebied van vereeniging reeds voorgegaan door

de Antirevolutionaire partij, die in 1879 uit de handen van haar leider,

Dr. Kuyper, een volledige organisatie en een nauwkeurig-belijnd program

had ontvangen.

Alleen deze twee partijen waren goed georganiseerd, en het oogenblik was

dus gekomen tot een proef van hunne kracht.

Bovendien was Dr. Kuyper meer en meer de Roomschen genaderd. Doch hunne

samenwerking bij de verkiezingen was niet zonder horten en stooten.

De Roomschen beklaagden zich menigmaal over de strakheid van de

orthodoxe Calvinisten, die zonder ophouden spraken alsof het land hun

onvervreemdbaar goed was en die hunne medewerkers beschouwden met

een wantrouwend en minachtend oog. Vooroordeelen, onbillijkheden,

handelingen van een twijfelachtig wederkeerig vertrouwen kwamen bij

oogenblikken op en al de welwillendheid van de leiders was noodig om

deze verdrietelijkheden weg te nemen, zoo goed en zoo kwaad als het

ging.

Niettemin waren de verbonden partijen in de Tweede Kamer eensgezind

genoeg om een sterke oppositie te vormen. Zij waren er zelfs toe gekomen

om alle nieuwe credieten aan de regeering te weigeren, indien hun op

het stuk van onderwijs geen voldoening werd gegeven. «Geen herstel van

grieven, dan ook geen nieuw crediet», zoo was hun onveranderlijke leus.

Bij de nadering der verkiezingen achtten de verbonden partijen den

tijd nog niet gekomen om de geheime overeenkomst, die bij hunne actie

vooropstond, openbaar te maken. Het volk was naar hun meening nog

niet rijp voor zulk een mededeeling en niets was gemakkelijker dan een

krachtige samenwerking zonder openbaar verbond. Het was voldoende voor

iedere partij om eigen candidaten te stellen en in geval van herstemming

hare stemmen op den bevrienden candidaat, die den meesten kans van

slagen had, uit te brengen.

Zoo gewapend tot den strijd wachtte men de verkiezingen af. Roomschen

en Antirevolutionairen werkten ieder afzonderlijk, maar zij hadden

afgesproken, dat men bij herstemming de krachten zou samentrekken. Het

punt van uitgang, door hen gekozen, was de schoolkwestie, die sedert

dertig jaar het eerste artikel in hun beider program uitmaakte.

Op dezen grondslag begon de verkiezingsstrijd met kracht. Hij eindigde

met de overwinning der verbondenen, in zekere streken begunstigd door

Radicalen en op enkele plaatsen door de Socialisten.

In de nieuwe Kamer telde de Liberale partij 45 zetels, het

»monsterverbond" verkreeg 53, waarvan de Antirevolutionairen 27 en

de Roomschen 26 zetels. Een Conservatief, graaf Schimmelpenninck,

vertegenwoordigde er de onveranderlijke traditie, en het Socialisme

verscheen er voor het eerst in den persoon van Domela Nieuwenhuis,

afgevaardigde van Schoterland.

Het was een schoon succes, een resultaat van dertig jaren harden

strijd. Voor het eerst genoten de aan het Liberalisme tegenovergestelde

beginselen de gunst van het volk. De lange bijna nooit onderbroken tijd

van de Liberale ministeries of van een zakenkabinet in Liberalen geest

was geëindigd. Een Christelijke politiek deed hare intrede in Nederland.

De gebeurtenis was van het grootste gewicht en ieder wachtte met groote

nieuwsgierigheid en eenige vrees af, wat de gevolgen voor het land

zouden zijn van een politiek, lijnrecht tegenovergesteld aan die, welke

men sedert veertig jaren gevolgd had.

De algemeene verwachting werd niet beschaamd. Daags na de verkiezingen

ontving baron Mackay de opdracht een ministerie samen te stellen.

Als man van groot aanzien en onbetwiste waarde, had hij door zijne

gematigdheid en hoffelijkheid de sympathie zelfs van zijne tegenstanders

weten te winnen. Hij omringde zich met medewerkers, wie bekwaamheid

bekend was. Het meerendeel behoorde tot de Antirevolutionaire partij,

twee Roomschen ontvingen er belangrijke portefeuilles in, namelijk de

heer Ruys van Beerenbrouck die van Justitie, en generaal Bergansius die

van Oorlog.

Daar het nieuwe ministerie door de schoolkwestie op het kussen was

gekomen, deed het ook zooveel mogelijk om haar ten einde te brengen.

In het regeeringsprogram, hetwelk talrijke hervormingen aankondigde,

verklaarde het zich over dat punt op duidelijke wijze: »Het resultaat

der verkiezingen", zeide het, »doet ons het vurig verlangen des

lands kennen naar hetgeen volgens de regeling van het onderwijs is

voorgeschreven, dat er rekening gehouden wordt met de Christelijke

overtuigingen des volks. Daarom zal de regeering, het openbare onderwijs

als het voorwerp van haar bizondere zorg beschouwend, met inachtneming

van de grenzen door de grondwet gesteld, zooveel mogelijk de beletselen

opruimen, die totnutoe de ontwikkeling van het bijzonder onderwijs

tegenstaan".

Om de bedoeling van deze verklaring te begrijpen, moet men zich de

wanhopige pogingen herinneren, die de Christelijke partijen hadden

gedaan bij de behandeling van de grondwetsherziening om een wijziging

van artikel 194 te verkrijgen, dat men als hinderpaal beschouwde voor

elke begunstiging en hulp van den Staat voor het bizonder onderwijs.

Hun pogingen mislukten: artikel 194 bleef als artikel 192 in de nieuwe

grondwet onveranderd. In den loop van de bespreking hadden echter de

Liberalen zich laten ontglippen, dat aan dit wetsartikel tot dusver een

verkeerde uitlegging was gegeven en dat, wanneer men het letterlijk

opvatte, het niet verbood, dat de staat zich met het vrije onderwijs

bezighield, ja zelfs dat dit onderwijs een godsdienstigen tint aannam.

Professor Buys had deze nieuwe verklaring der wet ondersteund en zijn

boek; »Toelichting en kritiek van de Grondwet", gaf hieraan eenig gezag.

Daarom sprak baron Mackay niet meer van wijziging van het

grondwetsartikel, maar van de hervorming van onderwijs, totstand te

brengen binnen de vastgestelde perken van de grondwet.

Dadelijk begaf hij zich aan den arbeid en stelde weldra een ontwerp voor

ter herziening van de wet van 17 Augustus 1878. Het was een gematigd

ontwerp, en vele Liberalen erkenden, dat het in den grond der zaak niet

meer dan billijk was.

Deze beide hoedanigheden, gematigdheid en billijkheid, waren buitendien

noodzakelijk om te kunnen slagen. Want de Eerste Kamer behield een

enorme meerderheid van Liberalen, die er 36 zetels hadden tegen 10

van de Roomschen, 2 Antirevolutionairen en 2 Conservatieven, en deze

oppositie kon dus altijd de wet nog doen mislukken. Elk conflict zou

haar noodlottig geweest zijn. Maar de Liberalen gevoelden, dat het

volk naar bevrediging verlangde, in de oplossing van de schoolkwestie

bestaande, en men maakte er geen gebruik van behalve in kleine bizondere

punten.

Na lange levendige bespreking werd het ontwerp-Mackay aangenomen in de

Tweede Kamer op den 2en September 1889 met 71 tegen 27 stemmen. Bij de

stemmen van rechts hadden zich 17 Liberalen gevoegd.

Men zou een oogenblik hebben kunnen vreezen, dat de Eerste Kamer niet

denzelfden weg zou volgen en dat destemeer, omdat vele petities van

zekere groepen en bonden door haar waren ontvangen, die haar aanraadden

het ontwerp te verwerpen. IJdele vrees echter, want de wind van

bevrediging, die er nu eenmaal woei, nam de laatste bezwaren weg van de

Liberale meerderheid en den 5en December 1889 werd het ontwerp ook daar

aangenomen met 31 tegen 18 stemmen. Alleen de onverzettelijken hadden

niet gewild.

Den 8en December d.a.v. werd de wet afgekondigd en zij ontving in de

geschiedenis den naam van de wet van pacificatie, die zij tegelijk

draagt met die van de wet-Mackay.

Zij schonk eindelijk dan voldoening aan de wenschen van Roomschen en

Antirevolutionaren; want zij bezegelde het beginsel van gelijkheid van

openbaar en bizonder onderwijs voor de wet. De openbare scholen bleven

neutraal, maar de staat ontving bovendien de vrijheid vrije scholen te

ondersteunen, zonder dat deze neutraal behoefden te zijn.

De rechten der ouders werden beter geëerbiedigd. In het voorschrift van

den bouw der bizondere scholen werd wat toegegeven; het beginsel van

schoolgeldheffing werd ook op de openbare scholen toegepast, de omslag

van de noodzakelijke kosten voor het onderwijs werd gewijzigd.

In den grond der zaak bracht de wet belangrijke verandering in de

onderwijswetgeving aan, zij maakte een einde aan het monopolie, dat

vooral sedert 1878 het openbare onderwijs begunstigde. Een nieuw en

volstrekt tegenovergesteld beginsel kwam in de wetgeving; het recht

namelijk van de huisvaders tegenover het recht van den Staat, welk

laatste streng en buitensporig was in de meeste moderne wetgevingen.

* * * * *

Terzelfder tijd, dat de hervorming van het onderwijs, het groote werk

van het ministerie Mackay, bekrachtigd werd, deed zich een gebeurtenis

voor, die gedurende eenige maanden Nederland in angstige spanning

bracht, namelijk de ziekte en de dood van Willem III. Sedert langen tijd

door een chronische ziekte aangetast, werd zijn toestand zoo verergerd,

dat het bij zijn leven zelfs noodig was een regentschap in te stellen

en dit aan koningin Emma, zijn tweede echtgenoote, op te dragen. Eenige

dagen later, op den 23en November 1890, stierf hij in den ouderdom

van drie en zeventig jaren, na een regeering van een en veertig jaren

opgevolgd door zijn tienjarige dochter Wilhelmina onder regentschap der

koningin-weduwe.

De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie · 第 28 / 54 题