I.

_De grondwetsherziening._

De Liberalen hadden zich vereenigd rondom de wet van 1878. Alle pogingen

waren er op gericht om een beslissende overwinning te behalen.

Maar toen de overwinning eens was verkregen, kwam des te grootere

wanorde en oneenigheid in het liberale kamp. Kappeyne sleepte in zijn

gevolg een deel van de Liberalen mede naar een radicalisme, dat met den

dag zich scherper belijnde; terwijl Gleichman, zoo goed of kwaad als het

ging de achterblijvers verzamelde, die deze evolutie teleurstelde en

verschrikte. Geen van de beide deelen had een program en op alle andere

kwesties dan die der Schoolwet, dewelke de Liberalen voor afgedaan en

onveranderlijk hielden, was groote verwarring van begrippen.

En deze tweedracht sloeg over op het ministerie. De eerste minister

Kappeyne in overleg met Tak van Poortvliet eischte grondwetsherziening

en in 't bizonder, uitbreiding van kiesrecht; de minister van financiën

Gleichman en verscheidenen zijner collega's oordeelden deze tenminste

nu niet aan de orde. Dit verschil van gevoelen was voor het ministerie

Kappeyne noodlottig. Het viel weldra tengevolge van inwendige

geschillen, waarmede in onmacht een tijd van een-en-twintig maanden

afgesloten werd, die begonnen was met de krachtige voorbereiding en

spoedige aanneming van een schoolwet, welke blijken zou te zijn de

zwanenzang van de liberale macht.

Een ministerie Van Lijnden trad thans op; een ministerie, tweeslachtig,

noch liberaal noch conservatief in den gewonen zin van het woord, liever

een politiek voerende van gematigd liberalisme, dat zich in de regeering

handhaafde tengevolge van de verschillen der liberale partij en dat in

de oogen van de anti-liberalen een zakenkabinet was.

Toen het zich terugtrok, poogden de Liberalen zelf het bestuur en

de regeering in handen te nemen. Koning Willem III benoemde Tak

van Poortvliet om een nieuw ministerie samen te stellen, maar deze

staatsman, radikaal in zijn gedachten en handelingen, stelde als

voorwaarde de belofte, dat de koning het initiatief van een

grondwetsherziening zou nemen. De koning weigerde en men had het

bijzonder geval, dat afgetreden ministers na vier maanden crisis hunne

portefeuilles wederom opnamen om ze weldra opnieuw over te geven ter

wille van uitbreiding van kiesrecht.

Bij dezen tweeden val van het ministerie wendden de Liberalen nieuwe

pogingen aan, eveneens onvruchtbaar. De innerlijke verdeeldheid was

zoo sterk, dat de verschillende deelen niet tot overeenstemming konden

komen. Deze keer had de koning, die weigerde onder het Caudynsche

juk van de Radikalen door te gaan, zich tot de gematigden gericht.

Verscheidene malen hadden Van Rees en Gleichman beproefd een liberale

combinatie te vormen. Maar zij hadden treurig gefaald.

Den strijd moede keerde zich Willem III tot den man, die de toevlucht in

menigen wanhopenden toestand voor de regeering was geweest, Heemskerk,

wiens groote hoedanigheden en bekwaamheid de gevaarlijke hinderpalen

overwonnen. Deze waarlijk buitengewone staatsman regeerde op wonderbare

wijze zonder flinke meerderheid in de Kamer en behield het gezag ondanks

de wisselingen van de meerderheid, ondanks zelfs de wijzigingen in zijn

eigen ministerie. Hij aarzelde niet de Kamer te ontbinden, wanneer hij

een hardnekkige oppositie wilde verbreken, en zonder vastgesteld program

slaagde hij er in zijne regeering langdurig en vruchtbaar te doen zijn.

Zijn derde ministerie duurde vijf jaren en verkreeg het record van

duurzaamheid in Nederland. Evenwel zag het twee verwisselingen van de

meerderheid in de Tweede Kamer en een ongewone opvolging van ministers:

vier van Marine, twee voor Buitenlandsche zaken, twee voor Financiën,

twee voor Koloniën en twee voor Waterstaat.

Temidden van deze wijzigingen bleef de eerste minister onbewegelijk en

behield de teugels met vaste handen. Ondanks alle moeilijkheden, bracht

hij hervormingen aan.

* * * * *

Op het oogenblik, dat Mr. Heemskerk opnieuw aan de regeering kwam,

was de kwestie van grondwetsherziening gesteld. Het was onmogelijk zich

er van te bevrijden. Het bleek meer en meer, dat de grondwet van 1848

in vele punten niet meer aan de behoeften van den tijd beantwoordde.

Zij bevatte veel bedenkelijks en gebreken, voornamelijk vele

beslissingen, die uit de nieuwe grondwet moesten genomen worden en in

een afzonderlijke, gemakkelijk te wijzigen wet moesten worden opgenomen.

Vóór alles verweet men haar, dat zij het kiesrecht voor de benoeming

van de leden van verschillende hooge colleges verbond aan een bepaalden

aanslag in 's rijks belastingen. Het opkomen van den vierden stand

tengevolge van verbeterd onderwijs en toenemende welvaart, was oorzaak,

dat van verschillende zijden stemmen oprezen voor algemeen kiesrecht.

De democratische stroom, die in andere landen uitbreiding van kiesrecht

medebracht, begon zich met kracht te doen gevoelen; hij dreigde de

perken van de grondwet over te gaan; men moest de bedding verruimen,

indien men niet wilde dat de stijgende vloed buiten zijn oevers trad en

de vlakte overstroomde.

Minister Heemskerk begreep het en hij spande zich voor deze taak in, na

de goedkeuring van den koning verkregen te hebben, wien het bevorderen

van nieuwe ideeën niet behaagde.

Toch was deze beweging voor Grondwetsherziening niet diep doorgedrongen

in het volk, dat zich meer onverschillig toonde. De hervorming was

vooral gewild door de Liberalen, en ofschoon zij zeer verdeeld waren

over de wijze van behandeling, trachtten zij toch niettemin het volk van

de noodzakelijkheid te overtuigen.

Tegenover de Liberalen hadden de Roomschen en Antirevolutionairen

op dit punt een speciale taktiek. Zij stonden niet vijandig tegenover

deze herziening, integendeel, velen onder hen, vooral bij de

Antirevolutionairen keurden haar goed, maar zij maakten haar

ondergeschikt aan de herziening der schoolwetten, die voor hen het

voorwerp bleef, waartoe ze sedert 1878 bijzonderlijk alle krachten

inspanden. Dat men beginne met herziening van artikel 194 van de

grondwet en met de toestemming van gelijkheid in beginsel van vrije

scholen en openbare scholen; vervolgens zullen wij de andere zaken, die

men zal willen, herzien. Zoo spraken en besloten ze: Grondwetsherziening

is goed, maar vóór alle dingen eischen wij recht.

Toen de minister zijn voornemen aankondigde om over te gaan tot de

herziening en eene Staatscommissie benoemde om ze voor te bereiden,

behoorde de meerderheid in de Kamers aan de Liberalen. Op hun steun

dan ook rekende hij om de groote voorgestelde hervorming tot stand te

brengen. Evenwel had ternauwernood de bijzondere commissie van onderzoek

haar taak voleindigd, of de meerderheid verplaatste zich en de Kamer

ging om.

Den 28en October 1884 hadden de algemeene verkiezingen voor de Tweede

Kamer plaats gehad. De anti-liberalen, Roomschen en Antirevolutionairen,

hadden door een gemeenschappelijken aanval en een gezamenlijke actie,

waaraan de schoolkwestie ten grondslag lag, de overwinning behaald.

Bevreesd voor het streven van zekere Liberalen, hadden zich de

Conservatieven bij hen gevoegd. De krachtige samenwerking van deze

verdubbelde groepen, gevoegd bij de zwakheid van de Liberale partij, had

den triomf aan de Christelijke Coalitie geschonken. Den eersten keer had

zij verscheidene zetels veroverd en bij de herstemming van 11 November

was hare overwinning voltooid.

Bijgevolg bevatte de linker, de liberale, zijde in de Tweede Kamer

niet meer dan 42 leden, terwijl men rechts 44 telde, en wel 23

Antirevolutionairen, 18 Roomschen en 3 Conservatieven. Voor het eerst

verkregen de confessioneele partijen de meerderheid, maar om deze te

handhaven was de steun der Conservatieven noodig.

Daarentegen bleven zij in groote minderheid in de Eerste Kamer. Acht

Roomschen stonden daartegenover 26 Liberalen en de Antirevolutionairen

hadden er niet in kunnen slagen een van hunne vertegenwoordigers er

binnen te brengen.

Hoewel overwinnaars konden de verbondenen toch alle voordeelen niet

plukken van hunne overwinning, zooals zij wel zouden willen. De

Eerste Kamer stelde tegenover hunne pogingen een formeel veto, in de

veronderstelling dat deze buiten de perken van de Tweede Kamer gingen.

Bijgevolg was het onmogelijk voor hen om met succes een positieve

politiek te voeren; zij moesten dus zich bij de verdediging houden

en trachten de samenbinding hunner tegenstanders te verhinderen. De

omstandigheden kwamen weldra zelfs de kracht van deze houding verstoren.

Bij de bespreking van de financiënwet van 1885, werd een van de leden

van de rechterzijde ziek en kon bij de zittingen van de Kamer niet

tegenwoordig zijn. Hierdoor werd de oogenblikkelijke sterkte der

partijen van 43 op 42; en bovendien bevond zich onder de Conservatieven,

die aan de meerderheid een noodzakelijken steun aanbrachten, een van

die eigenaardige mannen, die geen discipline kunnen verdragen en toch op

hun eigen wonderlijke wijze de zaken wenschen te ontwikkelen. Wintgens,

zoo is zijn naam, was dus de man van het evenwicht, waarop het aankwam

in dezen toestand: hij vermocht door vóór of tegen de ontwerpen of de

amendementen te stemmen, deze te laten aannemen of verwerpen. Zijne

meening, die in andere omstandigheden onopgemerkt zou voorbijgegaan

zijn, had evenveel gewicht, zoo niet meer, dan die van al zijne

collega's tezamen en gelijk een souverein zijne macht kent, maakte hij

er een ruim gebruik van en somwijlen onvoorziens.

Natuurlijk werd daardoor de zaak van zijne vrienden van rechts niet

altijd gebaat, die hem zijn onregelmatigheid en grillen verweten. Als

protest tegen deze verwijten, die volstrekt niet bedoelden om zijne

vrijheid van beweging aan banden te leggen, en om terzelfdertijd aan de

bestraffingen te ontkomen, deed hij afstand van zijne macht en verliet

de Tweede Kamer.

In zijne plaats werd een Liberaal gekozen en daardoor werd de minderheid

met één vermeerderd en werd bijgevolg gelijk aan de meerderheid: 43

tegenover 43. De Kamer was op het doode punt gekomen.

Toen begon een tijd van eenige maanden, beroemd gebleven in de

parlementaire jaarboeken van Nederland. Alle beslissingen hingen af

van het noodlot. Als een lid van de partijen ziek werd of tijdelijk

verhinderd was, hèlde dadelijk de evenaar naar de tegenpartij over. En

wanneer men aan beide zijden voltallig was, was men niet instaat iets

uit te werken of een meerderheid te verkrijgen.

In dezen toestand werd de strijd geleverd, waarvan de inleg was de

grondwetsherziening. Als gevolg van het verslag van de Staatscommissie

had minister Heemskerk elf wetsontwerpen voorgesteld, die dienen moesten

tot het in overweging nemen van de voorstellen voor grondwetsherziening.

Den 17en Maart 1886 begon hij met de bespreking er van in de Tweede

Kamer.

Getrouw aan hunne taktiek weigerden de anti-liberalen zich tot elke

herziening te leenen, voordat men voldoening had ontvangen op hoofdstuk

X van de grondwet, dát het onderwijs behandelde en het voornaamste

artikel voor deze kwestie bevatte, n.l. artikel 194. Door den

vrij-onverwachten steun van Mr. Van Houten, die op dat tijdstip onder de

geavanceerd liberalen had plaats genomen, besloten 44 tegen 40 leden de

wenschen van de rechterzijde in te willigen, zoodat de bespreking van

Hfdst. X geopend werd.

Na lange dagen van beraadslaging; na een kruisvuur van amendementen,

waarvan verscheidene werden verworpen door staking van stemmen; na

debatten, zoo afgerond dat men zou meenen dat de zaak uitgeput was; werd

eindelijk een besluit genomen op het hoofdstuk van onderwijs, maar

geheel en al negatief.

Het voorstel van de rechterzijde was verworpen met 43 tegen 42 omdat

Mr. Keuchenius zich onthouden had, daar hij weigerde tot de coalitie

van Roomschen en Antirevolutionairen toe te treden; de twee moties van

de linkerzijde met 64 tegen 22 en met 68 tegen 18; de redactie van de

regeering leed de nederlaag met 56 tegen 30 stemmen.

Er bleef niets meer over. Als een gek op den schoorsteen draaide de

Kamer al te zeer in evenwicht, in een voortdurende cirkelloop om zijn

as, zonder tot een vast besluit te komen.

* * * * *

De toestand was voor het ministerie Heemskerk onhoudbaar geworden; het

trad den 13en April af.

Dadelijk werd baron Mackay door den koning geroepen, een van de

uitnemendste mannen van de Antirevolutionaire partij; maar deze wees de

dringende aanbiedingen van de regeering af om deze besliste reden, dat

het onmogelijk voor het oogenblik was om de schoolkwestie weer aan de

orde te stellen en dat daarom de rechterzijde de verantwoordelijkheid

van de regeering weigerde.

Temidden van de onzekerheid van de ministerieele crisis, op het

oogenblik dat allen uitzagen naar den «minister bij uitnemendheid», die

er in slagen zou een ministerie te vormen, bij wijze van verrassing,

trok het ministerie Heemskerk zijn ontslagaanvrage in, hernam het

bestuur der zaken en ontbond de Kamer (11 Mei 1886).

Den 15en Juni volgden de algemeene verkiezingen; zij brachten den

Liberalen de zege. Hunne tegenstanders verloren vier zetels en zagen

hunne krachten afnemen tot 39 stemmen inplaats van 43, waarover zij

tevoren beschikten.

Uit vrees evenwel om het werk van de grondwetsherziening te verhinderen

dat het ministerie wederom beloofde op te nemen, zochten de Liberalen

niet de regeering weer in handen te krijgen en schikten zich voor het

oogenblik in neutrale regeering.

Heemskerk ging derhalve voort het roer van staat in handen te houden en

nam tot eenige taak de grondwetsherziening tot een goed einde te

brengen.

De verworpen wetsontwerpen werden nu wederom aan de orde gesteld, de

besprekingen werden heropend op den 8en Februari 1887, vaak «bruisend en

woelend», zooals de verslagen het noemden.

Eindelijk begon men met het onderzoek der wetsontwerpen zelve. Zij

werden ten slotte aangenomen alsmede ook eenige amendementen over

artikel 194, dat nu artikel 192 was geworden, maar deze amendementen

werden niet van kracht tengevolge van de halsstarrigheid der Eerste

Kamer.

Bij het begin van November 1887 was alles beëindigd; den 6en van die

maand verscheen de herziene grondwet in het Staatsblad, en den 30en

bij den laatsten slag van 12 uur des middags van de klokken, werd zij

plechtig afgekondigd op het voorplein van de groote gerechtshoven, en

bij de deuren van alle Nederlandsche gemeentehuizen.

De bewerkte herziening was lang niet zoo uitgebreid als men had gehoopt.

Vele artikelen, waar wijziging noodzakelijk was, bleven onveranderd.

Niettemin waren de aangebrachte veranderingen wel van belang, want zij

brachten verscheidene punten in nauwe betrekking met het openbare

nationale leven.

Het kiesrecht ontving een breederen grondslag en bevond zich nu

tusschen beter uit te zetten grenzen. Artikel 80 hief de uitdrukkelijke

voorwaarde op van een betrekkelijk-hoogen aanslag in de belasting,

zooals dat door het oude artikel 76 geëischt was van iederen Nederlander

van 23 jaren om als kiezer te worden toegelaten door de wet.

Het aantal leden van de te verkiezen lichamen was voor de Tweede Kamer

op 100 onveranderlijk vastgesteld en op 50 voor de Eerste Kamer (art. 8

en 82). De verplichte parlementaire eed werd afgeschaft (art. 87).

Voor de Eerste Kamer werden verkiesbaar gesteld niet alleen de

hoogst-aangeslagenen in de directe belastingen, maar ook zij die het

eene of andere hooge ambt bekleedden, of bekleed hadden; in de wet

opgenoemd (art. 90).

De dienaren in de verschillende eerediensten waren in beginsel niet meer

uitgesloten van de Generale Staten (art. 96).

Deze uitsluiting was sedert 1880 niet meer gehandhaafd, maar

geestelijken waren verplicht bij hun zitting-nemen in de Kamer hun ambt

neder te leggen. Die bepaling werd afgeschaft.

Het recht van enquête werd verleend aan elk van de beide afzonderlijke

Kamers en zelfs aan de Vereenigde zitting, en het recht van amendement

van de Tweede Kamer was uitgebreid tot de vereenigde zitting der Staten

Generaal zonder aan de Eerste Kamer afzonderlijk toebedeeld te zijn.

(art. 112 en 95)

Verkiesbaar voor de gemeenteraden en voor de provinciale Staten waren

dezelfden als voor de Tweede Kamer. (art. 127 en 143)

De gewone wetgever ontving grootere vrijheid om nuttige maatregelen te

nemen voor de nationale defensie. (art. 181)

Zoo waren de voornaamste herzieningen in de nieuwe grondwet, die door

middel van elf wetten voor herziening daarin gekomen waren den 6en

November 1887. Additioneele artikelen bepaalden de kiesdistricten,

waarvan 79 enkelvoudig en 5 meervoudig waren. Zij stelden tevens een

overgangsbepaling van het kiesrecht vast, vooreerst nog een census

aangevende, maar met een verlaging tot op de helft.

Zoodoende werd het aantal kiezers verdubbeld. Op een bevolking van vier

en een half millioen inwoners werd dit van 138.000 op 290.000 gebracht.

Het politieke leven schoot wortel in den minderen stand, waartoe

een voornaam deel der bevolking behoorde. Dat was het onmiddellijk

gewichtige resultaat van de grondwetsherziening. Toch was het nog verre

van het algemeen kiesrecht, dat de radicalen, de Socialisten en de

leden van den «Nederlandschen Bond van Algemeen Kies- en Stemrecht»

eischen.

De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie · 第 27 / 54 题