I.

_Het Liberaal-Roomsch verbond._

Toen op den 3en November 1848 koning Willem II Nederland plechtig

aankondigde, dat het een parlementaire staatsregeling was geschonken,

begroetten de Liberalen en de Roomschen deze gebeurtenis als den

dageraad van een nieuw politiek leven; de Conservatieven schudden

bedenkelijk het hoofd, en de kleine groep van Antirevolutionairen

zag er tot hun droefheid in den triomf van de beginselen der Fransche

Revolutie.

Dadelijk bij de nadering van de eerste rechtstreeksche verkiezingen kwam

het land in beroering. Twee stroomen werden gevormd rondom de nieuwe

grondwet. Aan de eene zijde de Liberalen, krachtig gesteund door de

Roomschen; zij vertegenwoordigden de jeugdige ideeën, die als het sap

in den pas-geplanten boom van het parlementaire stelsel opstegen. Aan de

andere zijde de Conservatieven, mannen van den verleden tijd, sterk door

hun verkregen invloed, doch wier oude leer, nog wel krachtig, begon te

verbleeken, en hier en daar in het gebladerte van den ouden olm werden

de voorteekenen van den herfst gezien.

Ondertusschen bestond de antirevolutionaire groep uit weinige personen

van geringen invloed op den strijd, die geleverd werd.

De grondwetsherziening was het werk der Liberalen, zij had wijding

gegeven aan hunne beginselen. Ook deden zij zich aan het volk voor met

den invloed, die het succes teweegbrengt en met de handen vol beloften

voor de onbelemmerde toepassing van de grondwet.

Met de Liberalen hadden zich de Roomschen verbonden.

Voor het eerst zagen zij zich ontslagen van de gedeeltelijke onmacht,

die sedert het begin der eeuw had plaats gemaakt voor de geheele onmacht

van vóór de revolutie. Zij begroetten deze bevrijding met het gezicht

van menschen, die een langen tijd van droefheid hebben doorleefd,

en zij sloten zich zoo nauw aan bij hen, die hun een schoone toekomst

ontsloten, dat men van hen geloofde en zei, dat ze in de Liberale partij

waren opgegaan. Dat zij met heeler hart zich met de Liberalen verbonden,

en dat zij hun zonder ze in rekening te brengen de niet te versmaden

hulp aanbrachten van opnieuw ontwaakte energie. En niemand kon zich

daarover verwonderen: zij hadden denzelfden vijand als de Liberalen te

bestrijden, n.l. het conservatisme, dat hen onder onrechtvaardige

voogdij had gehouden, en dat toen nog het succes van hun rechtvaardige

heroveringen verhinderde, evenals de vlucht der liberale ideeën. Van den

nieuwen geest, die opkwam, scheen het, dat zij niets te vreezen hadden,

maar alles te hopen. »Men moet wel in 't oog houden«, schreef veertig

jaar later Dr. Schaepman, »dat de liberale partij van dien tijd

een partij van recht en vrijheid kon heeten. Zeker, ze was van

revolutionairen stam, ze had hare wortels in de beginselen van 1798,

maar temidden van reactie en contra-revolutie scheen het liberalisme

heilrijk te zijn. Het werkte bevrijdend en moedgevend. Het had zijn

stellingen nog niet ten volle ontvouwd en was nog ongedeeld. De

Roomschen waren dankbaar voor het tegenwoordige en zij verwachtten veel

van de toekomst.«

Hunne verwachtingen bleven niet lang onvervuld. Bij de verkiezingen

van 30 November 1848 triumfeerde de Liberale-Roomsche coalitie met

een groote meerderheid en de aanvoerders der beweging behaalden een

schitterende overwinning. Thorbecke werd gekozen in vier districten,

Storm in twee, Wichers in twee, Alberda in vier, en de macht was

verzekerd aan de Liberalen: zoodanig was het succes van dien tijd,

dewelke angstig wachtte om den koers van de nieuwe politiek en de

plannen der nieuwe partij te kennen.

Tegenover deze uitspraak van den volkswil, werd het ministerie Donker

Curtius na eenige ijdele pogingen tot wederstand tot vertrekken

gedwongen. Thorbecke nam de teugels van het bewind in handen (1 November

1849). Een der voornaamste daden van zijn vruchtbaar ministerie was de

belooning der Roomschen voor den trouwen steun, die aan zijne politiek

gegeven werd, door de herstelling van de katholieke hierarchie in

Nederland, van hem te ontvangen. Hij stemde er des te gereeder in toe,

omdat deze inwilliging was overeenkomstig met zijn beginsel. Hij was van

gedachte dat de verschillende godsdiensten dezelfde vrijheid moesten

genieten, zonder dat een van hen boven de andere bevoorrecht werd, en

dat de staat een onafhankelijke houding moest bewaren tegenover de

verschillende leerstellingen en geloofsbelijdenissen. Bijgevolg wilde

hij scheiding der beide machten toepassen en aan de Roomsche Kerk volle

vrijheid laten voor de regeling van haar inwendige belangen. Maar hij

had gerekend buiten den ouden wrok der Protestanten, waarvan de

Nederlandsche grond nog doortrokken was.

Ternauwernood was de Pauselijke brief bekend, of de Conservatieven en

de Antirevolutionairen traden in het strijdperk. Zij riepen luide dat

het Protestantisme in gevaar was. Tengevolge van deze actie begon de

oude zuurdeesem van godsdiensthaat te gisten en een krachtige agitatie

bracht het land in beroering. De beweging kwam op in Utrecht, de

universiteitstad, de plaats van antirevolutionaire aristocratie, van het

antipapisme, dat Pius IX had bestemd tot zetel van den aartsbisschop.

De wind wakkerde spoedig aan tot storm. Tevergeefs poogde Thorbecke het

onweder af te wenden en zijn rondschrijven aan de commissarissen der

provincies vermocht niet de publieke opinie te kalmeeren.

De hevige en hartstochtelijke strijd keerde zich tegen het ministerie,

dat men verantwoordelijk stelde voor de godsdienstige gebeurtenissen.

De dagbladartikelen, geschriften en pamfletten vermenigvuldigden hunne

aanvallen. Een algemeen petitionnement werd georganiseerd en op den

15den April 1853 werd koning Willem III bij zijn jaarlijksch bezoek aan

Amsterdam een adres aangeboden met 51000 handteekeningen van bewoners

der hoofdstad.

Deze krachtige uiting van den volkswil dwong Thorbecke de

regeeringstafel te verlaten. Dat begreep hij en hij trok zich terug, met

zich trekkende drie van zijne collega's: de heeren Van Zuijlen van

Nijevelt, Strens en Van Bosse.

Op den val van het ministerie volgde Kamerontbinding en nieuwe

verkiezingen bevestigden de Aprilbeweging. De Liberale-Roomsche coalitie

was geslagen; de Conservatieven en Antirevolutionairen kregen de macht

in handen. De Liberalen verlieten gedecimeerd het slagveld. De nederlaag

had bij voorkeur hen getroffen, die tot de eigenlijke partijgangers

behoorden van Thorbecke, de »Thorbeckeanen«, zooals men ze noemde. De

groote minister zelf was niet weder verkozen dan door de dankbaarheid

der Roomschen, die hem de overwinning bezorgden in twee van hunne

districten: Maastricht en Breda.

Door dit succes werden de hoofden dezer beweging aangevuurd. Het nieuwe

ministerie: Van Hall-Donker Curtius gaf de wet op bescherming der

eerediensten, een wet gericht tegen de Roomschen, die aan de eene zijde

belemmerende maatregelen inhield tegen het brengen van kerksieraden

buiten de gebouwen en besloten plaatsen, en aan de andere zijde de

Oud-Bisschoppelijke secte verhief tot den rang van erkende kerk met een

aartsbisschop van Utrecht, een bisschop van Haarlem en een van Deventer.

* * * * *

Al deze gebeurtenissen echter hadden het verbond van Roomschen en

Liberalen versterkt. Men geloofde dat het niet kon ontbonden worden. De

wet op het lager onderwijs van 13 Augustus 1857 toonde dat het minder

sterk was dan men dacht.

Terwijl alle Liberalen deze wet, die het neutrale openbare onderwijs

invoerde, ondersteunden, kwam er splitsing onder de Roomschen. Eenigen,

bovenal in aanmerking nemende de bezegeling van de vrijheid van

onderwijs, vervat in de wet, en vol vertrouwen in een oprechte

onpartijdigheid, mengden hunne stemmen in het liberale concert; anderen,

in getal gelijk, niets ziende dan de gevaren van de neutrale school en

haar praktijk, verklaarden er zich sterk vijandig tegen.

De schoolkwestie was gesteld, zij zou op noodlottige wijze het verbond

van de Roomschen met de Liberalen oplossen. Hunne beginselen op dit punt

waren te veel tegenover elkander gesteld, om tot overeenstemming met

elkander te komen.

Bovendien begonnen de Liberalen, in den aanvang zeer edelmoedig, een al

te drijverige houding aan te nemen en zich te leenen tot partijdige

handelingen. De vertegenwoordigers hielden er rekening mee te meer,

dat rondom haar zich een ontzagwekkende meerderheid in het land vormde

en de medewerking der Roomschen hun noch noodig noch zelfs nuttig meer

toescheen. Waartoe zouden zij van toen af meer concessies doen aan

bondgenooten, die nergens meer voor konden dienen?

Gedurende nog eenigen tijd geleek de bond veel op een vogel, die

vleugellam geschoten door het doodelijk lood nog niet kan sterven. Maar

andere grieven paarden zich bij de schoolkwestie en brachten dezen bond

den genadeslag toe.

Het waren ten eerste de Pauselijke Encycliek en de Syllabus van 8

December 1864, waarin de onvereenigbaarheid van Roomsche met liberale

beginselen uitblonk. De slotsom er van was, dat het moderne levensbegrip

tegenover het Christelijke stond. De houding van de liberale pers, wier

aanvallen met den dag levendiger werden en drukker, toonde duidelijk

dit fondamentale verschil, terwijl de toepassing der wet op het lager en

middelbaar onderwijs hen ook in daden van elkander deed verschillen.

Aan de andere zijde volgde Nederland met een opmerkzaam oog de

gebeurtenissen, die in Italië plaatshadden. Ook op dit punt bleek er

scheiding te zijn tusschen de Liberalen en de Roomschen. Zij verzwegen

inderdaad hunne goedkeuring niet voor de houding van Piemont en van de

Liberalen in Italië. De Roomschen ondersteunden daartegen met kracht de

heilige rechten van het Pausdom.

De breuk was onvermijdelijk en de scheiding, uit tegenovergestelde

beginselen en neigingen voortkomende, was volkomen zelfs vóór den dood

van Thorbecke, toen in Juni 1867 het eerste ministerie Heemskerk het

bestuur der zaken in handen nam.

De Liberale-Katholieke bond had bijna achttien jaren geduurd. Zij had

aan de Liberalen de macht bezorgd en aan de Roomschen zekere rechten

en vrijheden, alsmede een zeker ontzag voor hen, als gevolg van het

aandeel, dat zij zijdelings aan de regeering hadden gehad.

De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie · 第 21 / 54 题