II.

_Het verbond der Conservatieven met de Roomschen._

Daar de Roomschen nu aan hun eigen macht waren overgelaten, en zij

slechts ternauwernood een vijfde der bevolking uitmaakten en vijftien

afgevaardigden naar de volksvertegenwoordiging van vijf-en-zeventig

leden met moeite konden zenden, daar gevoelden zij hunne onmacht.

Zij onderzochten daarom den politieken toestand, zooals zij zich aan hun

oog voordeed, met de verwachting om nog bondgenooten te vinden onder

degenen, die hen omgaven.

Aan de eene zijde zagen zij hun oude vrienden de Liberalen, de geheele

linkerzijde innemende, in overwegend aantal, die echter door innerlijke

verschillen over een koloniale kwestie pas de macht voor het oogenblik

hadden verloren.

Zij wachtten slechts op een gunstige gelegenheid, om er weder boven op

te komen, want hun kwam de meerderheid in het Parlement toe.

Aan den anderen kant bevonden zich onder de rechterzijde meer of

minder belangrijke fracties, de Conservatieven, de Roomschen en de

Antirevolutionairen. Deze laatsten weinig talrijk, hadden geen gelijke

inzichten op politiek terrein, het waren enkele leden, en het zou voor

hen zeker te zwaar geweest zijn een partij op te richten.

De Conservatieven, of zooals men ze dikwijls noemde, de

Liberaal-conservatieven telden in hun meer-gesloten rangen merkwaardige

mannen van groote bekwaamheid: hun ontbrak eenheid en samenhang. Zij

vormden niet meer de partij der aristocraten, de groote protestantsche

partij, maar gematigd, gekalmeerd en gefnuikt, bestreden zij den

vooruitgang niet meer, naar de mate dat zij van hun kracht en luister

verloren. Zij waren alleen nog slechts de bleeke Liberalen. In het

Parlement toonden zij zich tegenstanders van de politiek der getrouwe

volgelingen van Thorbecke of Fransen van de Putte. En tegen dezen

keerden zich ook de Roomschen, die evenzoo stelling innamen tegen hun

voormalige bondgenooten, welke van hunne zijde zich van allen schijn

ontdeden en zich meer en meer ontpopten als anticlericalen.

Het ministerie, dat aan de regeering was, hetwelk men, als het derde in

één jaar, den naam gaf van »Kamerministerie« was de getrouwe weerschijn

van de verschillende deelen der volksvertegenwoordiging; het was

even bont als het kleed van harlekijn. Aan zijn hoofd stond minister

Heemskerk, die zich betoond had een der uitnemendste mannen van de

Tweede Kamer te zijn. Een der leden, de heer Borret, was Roomsch ter

zijde van twee Antirevolutionairen, volgelingen van Groen van Prinsterer

n.l. de minister van Buitenlandsche zaken Van Zuijlen en van Koloniën

Mijer. De eenige band, die deze ongelijke elementen verbond, was de

conservatieve neiging, die in allen in meerdere of mindere mate aanwezig

was.

Het was een ministerie van overgang, tot stand gebracht door zeer

eigenaardige omstandigheden, dat, als gevolg van de stelselmatige

vijandelijkheid der Liberalen, de grootste moeilijkheden had te

overwinnen. Wat nog nimmer in de parlementaire jaarboeken was

opgeschreven, geschiedde nu; in een tijdsruimte van twee jaren werd

twee maal de Kamer ontbonden en een beroep gedaan op de getrouwheid

van het Nederlandsche volk.

Bij de verkiezingen, die op de eerste ontbinding volgden, vertoonde zich

voor het eerst het verbond der Conservatieven met de Roomschen. Dit gaf

aan het ministerie eenige stemmen meerderheid in den strijd, waarin

het ging om deze voorname zaak, of men in Nederland een koninklijk,

dan wel een parlementair ministerie zou hebben. Bij de Roomschen en

Conservatieven hadden zich ook een aantal Antirevolutionairen gevoegd.

Het ministerie ontmoette denzelfden steun bij de tweede Kamerontbinding,

maar deze herhaalde uitoefening van het grondwettig recht bracht het

land in geweldige beroering. De liberalen vergaten hunne geschillen en

vereenigden zich in heftige oppositie; zij noemden de ontbinding een

niet-te-rechtvaardigen aanslag op de rechten van het volk, een misbruik

van het koninklijk recht van ontbinding, een complot tegen het neutrale

onderwijs, gesmeed door Roomschen, Antirevolutionairen en

Conservatieven.

Tegen de verwachting van het gouvernement brachten de verkiezingen geen

merkbare verandering in de sterkte der partijen.

Voor den tegenstand, die den minister ontmoette temidden van de

onstuimige debatten der nieuwe Kamer, moest hij wel het veld ruimen.

De geestkracht van den eersten minister en zijne bekwaamheid hadden

den onverwrikbaren tegenstand niet kunnen overwinnen. En dit leverde

tenslotte het schouwspel van een parlement zonder wezenlijke regeering

gedurende bijna vijf maanden, als gevolg van politieke geschillen.

Toch bracht het herhaald en wellicht verkeerd gebruik van het recht van

ontbinding deze instelling door den slechten uitslag niet in mistrouwen,

zoodat ze van nu aan veilig onder de merkwaardigheden van een vorige

eeuw kon gerangschikt worden.

Gelijktijdig met den val van het ministerie, ging het verbond tusschen

de Roomschen en de Conservatieven teniet. Dit verbond was een misslag

geweest, want de Roomschen kregen er niet veel voordeel van, maar wel

veel vijandschap. Wat meer is, het was sedert zijn begin ten doode

verwezen, want het was een toenadering, door de omstandigheden bewerkt

en geenszins op degelijke beginselen gegrond.

Zooals het wel gaat met oude verbroken vriendschapsbanden en met

bedrogen liefde, hadden zij zich uit haat tegen de Liberalen, die hen

bedrogen hadden in hunne verwachtingen, in de armen der Conservatieven

geworpen zonder te bemerken, dat deze partij, waarmede zij zich

verbonden, instaat van ontbinding verkeerde en dat zij niets hadden te

winnen dan vijandschap en impopulariteit.

Zij hadden echter wel eenige verontschuldiging voor deze politiek van

vergelijk. Velen onder hen deelden de meeningen van de Conservatieve

partij, zoodat zij door hunne houding hunne bondgenooten niet van zich

afstootten. Bovendien was het een woelige tijd en de partijen waren voor

nieuwe groepeeringen te vinden; de Roomschen durfden niet, gewoon als

zij waren door een verbond ondersteund te worden, in het parlementaire

leven verder gaan zonder hulp en bescherming.

Het ergste was, dat zij de grondbeginselen vergaten en in 't bizonder

de schoolkwestie uit het oog verloren; want zij wisten, dat de

Conservatieven op dit punt hun geen voldoening konden of wilden geven.

De val van het ministerie en vooral de herderlijke brief van de

gezamenlijke bisschoppen riepen hen terug tot de beginselpolitiek en

gaven hun eenheid, moed en waardigheid in hun afzondering.

* * * * *

Een nieuw ministerie had de teugels in handen genomen, hetwelk Thorbecke

een rechtschapen ministerie noemde; onvervalscht, geheel overeenkomstig

de kleur van het land. Toen het den 9den Juni 1868 zich presenteerde aan

de Kamer, verklaarde de minister van Buitenlandsche Zaken, Fock, dat de

regeering elke herziening van de wet op het lager onderwijs volkomen

weigerde.

Dadelijk verhieven de vijf bisschoppen hunne stem en in een gezamenlijk

herderlijk schrijven, stelden zij plechtig de plichten der Roomsche

ouders tegenover de neutrale school vast.

De ministerieele verklaring en het manifest der bisschoppen hadden een

belangrijken terugslag op den politieken toestand, die nog zoo verward

was; zij brachten er licht en regeling aan.

Het onmiddellijke resultaat was dat de schoolstrijd de spil werd van den

strijd der partijen. Men scheidde zich van nu aan in het Parlement en

in het land in voor- en tegenstanders van de neutrale school; sommigen

wilden, dat de wet van 1857 gehandhaafd werd en zelfs nog verscherpt;

anderen stelden voor als doel van hun strijd zoo al niet afschaffing van

het openbare neutrale onderwijs dan toch de gelijkstelling van de vrije

school met de openbare. De eersten waren alle Liberalen, de andere alle

partijen met confessioneele kleur, de Roomschen en de

Antirevolutionairen.

Deze nieuwe partijverdeeling bracht weldra den dood aan de Conservatieve

partij. Deze oplossing begon zich dadelijk te vertoonen en duurde

ternauwernood eenige jaren, onvermijdelijk als zij was vanaf het

oogenblik, dat de schoolkwestie den grondslag vormde van de politieke

beweging. Want juist over deze zaak hadden de Conservatieven geen vaste

meening en, als alle partijen van het juiste midden, waren zij ten doode

gedoemd, zoodra de omstandigheden hen dwongen zich uit te spreken.

Deze noodzakelijkheid bracht hen voor een dilemma, dat zij niet konden

overkomen, n.l.: òf zich te verklaren vóór de neutrale school en dan

tot de Liberalen over te gaan; òf de herziening van de wet van 1857

te eischen en dan bij wijze van consequentie zich aansluiten aan de

Antirevolutionairen. Geen andere uitweg bleef hun open.

Dadelijk bij het begin rangschikten zich een groot aantal Conservatieven

onder de Antirevolutionaire banier, die Groen van Prinsterer met

onuitblusschelijke geestkracht omhoog hield.

Zoo leverde dan bij het einde van het jaar 1868 het politieke slagveld

dezen aanblik. Op de hoogten van de macht was het Liberale kamp

gelegerd, waar van tijd tot tijd innerlijke geschillen rezen, maar de

eenheid werd volkomen, zoodra het gold de verdediging van de bastions

van de schoolwetgeving, waaromheen zij in gesloten rijen zich legerden.

In de vlakte stonden de bataillons der Roomschen en de escadrons der

Antirevolutionairen, die zonder verpoozing de vijandelijke stellingen

aanvielen. Deze beide troepen handelden ieder op zichzelf en voerden elk

voor zijne rekening den heiligen schoolstrijd.

Maar wie kon niet zien, dat deze actie tegen een zelfden vijand

noodzakelijk moest uitloopen op meer of minder erkende samenwerking,

op meer of minder nauwe verbinding? Inderdaad werd dit practisch, zoo

door de langzame werking der omstandigheden, daarna ook openlijk op

principieel terrein.

Tusschen beide in bewogen zich met bedachtzame langzaamheid eenige

Conservatieven, een oud overblijfsel van een machtig verleden, of

achterblijvers van het Liberale leger, die nu eens in het ééne,

dan weder in het andere kamp het overschot van hun ervaring en de

voorzichtige kracht van hun arm aanbrachten.

De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie · 第 22 / 54 题