_Het verbond der Conservatieven met de Roomschen._
Daar de Roomschen nu aan hun eigen macht waren overgelaten, en zij
slechts ternauwernood een vijfde der bevolking uitmaakten en vijftien
afgevaardigden naar de volksvertegenwoordiging van vijf-en-zeventig
leden met moeite konden zenden, daar gevoelden zij hunne onmacht.
Zij onderzochten daarom den politieken toestand, zooals zij zich aan hun
oog voordeed, met de verwachting om nog bondgenooten te vinden onder
degenen, die hen omgaven.
Aan de eene zijde zagen zij hun oude vrienden de Liberalen, de geheele
linkerzijde innemende, in overwegend aantal, die echter door innerlijke
verschillen over een koloniale kwestie pas de macht voor het oogenblik
hadden verloren.
Zij wachtten slechts op een gunstige gelegenheid, om er weder boven op
te komen, want hun kwam de meerderheid in het Parlement toe.
Aan den anderen kant bevonden zich onder de rechterzijde meer of
minder belangrijke fracties, de Conservatieven, de Roomschen en de
Antirevolutionairen. Deze laatsten weinig talrijk, hadden geen gelijke
inzichten op politiek terrein, het waren enkele leden, en het zou voor
hen zeker te zwaar geweest zijn een partij op te richten.
De Conservatieven, of zooals men ze dikwijls noemde, de
Liberaal-conservatieven telden in hun meer-gesloten rangen merkwaardige
mannen van groote bekwaamheid: hun ontbrak eenheid en samenhang. Zij
vormden niet meer de partij der aristocraten, de groote protestantsche
partij, maar gematigd, gekalmeerd en gefnuikt, bestreden zij den
vooruitgang niet meer, naar de mate dat zij van hun kracht en luister
verloren. Zij waren alleen nog slechts de bleeke Liberalen. In het
Parlement toonden zij zich tegenstanders van de politiek der getrouwe
volgelingen van Thorbecke of Fransen van de Putte. En tegen dezen
keerden zich ook de Roomschen, die evenzoo stelling innamen tegen hun
voormalige bondgenooten, welke van hunne zijde zich van allen schijn
ontdeden en zich meer en meer ontpopten als anticlericalen.
Het ministerie, dat aan de regeering was, hetwelk men, als het derde in
één jaar, den naam gaf van »Kamerministerie« was de getrouwe weerschijn
van de verschillende deelen der volksvertegenwoordiging; het was
even bont als het kleed van harlekijn. Aan zijn hoofd stond minister
Heemskerk, die zich betoond had een der uitnemendste mannen van de
Tweede Kamer te zijn. Een der leden, de heer Borret, was Roomsch ter
zijde van twee Antirevolutionairen, volgelingen van Groen van Prinsterer
n.l. de minister van Buitenlandsche zaken Van Zuijlen en van Koloniën
Mijer. De eenige band, die deze ongelijke elementen verbond, was de
conservatieve neiging, die in allen in meerdere of mindere mate aanwezig
was.
Het was een ministerie van overgang, tot stand gebracht door zeer
eigenaardige omstandigheden, dat, als gevolg van de stelselmatige
vijandelijkheid der Liberalen, de grootste moeilijkheden had te
overwinnen. Wat nog nimmer in de parlementaire jaarboeken was
opgeschreven, geschiedde nu; in een tijdsruimte van twee jaren werd
twee maal de Kamer ontbonden en een beroep gedaan op de getrouwheid
van het Nederlandsche volk.
Bij de verkiezingen, die op de eerste ontbinding volgden, vertoonde zich
voor het eerst het verbond der Conservatieven met de Roomschen. Dit gaf
aan het ministerie eenige stemmen meerderheid in den strijd, waarin
het ging om deze voorname zaak, of men in Nederland een koninklijk,
dan wel een parlementair ministerie zou hebben. Bij de Roomschen en
Conservatieven hadden zich ook een aantal Antirevolutionairen gevoegd.
Het ministerie ontmoette denzelfden steun bij de tweede Kamerontbinding,
maar deze herhaalde uitoefening van het grondwettig recht bracht het
land in geweldige beroering. De liberalen vergaten hunne geschillen en
vereenigden zich in heftige oppositie; zij noemden de ontbinding een
niet-te-rechtvaardigen aanslag op de rechten van het volk, een misbruik
van het koninklijk recht van ontbinding, een complot tegen het neutrale
onderwijs, gesmeed door Roomschen, Antirevolutionairen en
Conservatieven.
Tegen de verwachting van het gouvernement brachten de verkiezingen geen
merkbare verandering in de sterkte der partijen.
Voor den tegenstand, die den minister ontmoette temidden van de
onstuimige debatten der nieuwe Kamer, moest hij wel het veld ruimen.
De geestkracht van den eersten minister en zijne bekwaamheid hadden
den onverwrikbaren tegenstand niet kunnen overwinnen. En dit leverde
tenslotte het schouwspel van een parlement zonder wezenlijke regeering
gedurende bijna vijf maanden, als gevolg van politieke geschillen.
Toch bracht het herhaald en wellicht verkeerd gebruik van het recht van
ontbinding deze instelling door den slechten uitslag niet in mistrouwen,
zoodat ze van nu aan veilig onder de merkwaardigheden van een vorige
eeuw kon gerangschikt worden.
Gelijktijdig met den val van het ministerie, ging het verbond tusschen
de Roomschen en de Conservatieven teniet. Dit verbond was een misslag
geweest, want de Roomschen kregen er niet veel voordeel van, maar wel
veel vijandschap. Wat meer is, het was sedert zijn begin ten doode
verwezen, want het was een toenadering, door de omstandigheden bewerkt
en geenszins op degelijke beginselen gegrond.
Zooals het wel gaat met oude verbroken vriendschapsbanden en met
bedrogen liefde, hadden zij zich uit haat tegen de Liberalen, die hen
bedrogen hadden in hunne verwachtingen, in de armen der Conservatieven
geworpen zonder te bemerken, dat deze partij, waarmede zij zich
verbonden, instaat van ontbinding verkeerde en dat zij niets hadden te
winnen dan vijandschap en impopulariteit.
Zij hadden echter wel eenige verontschuldiging voor deze politiek van
vergelijk. Velen onder hen deelden de meeningen van de Conservatieve
partij, zoodat zij door hunne houding hunne bondgenooten niet van zich
afstootten. Bovendien was het een woelige tijd en de partijen waren voor
nieuwe groepeeringen te vinden; de Roomschen durfden niet, gewoon als
zij waren door een verbond ondersteund te worden, in het parlementaire
leven verder gaan zonder hulp en bescherming.
Het ergste was, dat zij de grondbeginselen vergaten en in 't bizonder
de schoolkwestie uit het oog verloren; want zij wisten, dat de
Conservatieven op dit punt hun geen voldoening konden of wilden geven.
De val van het ministerie en vooral de herderlijke brief van de
gezamenlijke bisschoppen riepen hen terug tot de beginselpolitiek en
gaven hun eenheid, moed en waardigheid in hun afzondering.
* * * * *
Een nieuw ministerie had de teugels in handen genomen, hetwelk Thorbecke
een rechtschapen ministerie noemde; onvervalscht, geheel overeenkomstig
de kleur van het land. Toen het den 9den Juni 1868 zich presenteerde aan
de Kamer, verklaarde de minister van Buitenlandsche Zaken, Fock, dat de
regeering elke herziening van de wet op het lager onderwijs volkomen
weigerde.
Dadelijk verhieven de vijf bisschoppen hunne stem en in een gezamenlijk
herderlijk schrijven, stelden zij plechtig de plichten der Roomsche
ouders tegenover de neutrale school vast.
De ministerieele verklaring en het manifest der bisschoppen hadden een
belangrijken terugslag op den politieken toestand, die nog zoo verward
was; zij brachten er licht en regeling aan.
Het onmiddellijke resultaat was dat de schoolstrijd de spil werd van den
strijd der partijen. Men scheidde zich van nu aan in het Parlement en
in het land in voor- en tegenstanders van de neutrale school; sommigen
wilden, dat de wet van 1857 gehandhaafd werd en zelfs nog verscherpt;
anderen stelden voor als doel van hun strijd zoo al niet afschaffing van
het openbare neutrale onderwijs dan toch de gelijkstelling van de vrije
school met de openbare. De eersten waren alle Liberalen, de andere alle
partijen met confessioneele kleur, de Roomschen en de
Antirevolutionairen.
Deze nieuwe partijverdeeling bracht weldra den dood aan de Conservatieve
partij. Deze oplossing begon zich dadelijk te vertoonen en duurde
ternauwernood eenige jaren, onvermijdelijk als zij was vanaf het
oogenblik, dat de schoolkwestie den grondslag vormde van de politieke
beweging. Want juist over deze zaak hadden de Conservatieven geen vaste
meening en, als alle partijen van het juiste midden, waren zij ten doode
gedoemd, zoodra de omstandigheden hen dwongen zich uit te spreken.
Deze noodzakelijkheid bracht hen voor een dilemma, dat zij niet konden
overkomen, n.l.: òf zich te verklaren vóór de neutrale school en dan
tot de Liberalen over te gaan; òf de herziening van de wet van 1857
te eischen en dan bij wijze van consequentie zich aansluiten aan de
Antirevolutionairen. Geen andere uitweg bleef hun open.
Dadelijk bij het begin rangschikten zich een groot aantal Conservatieven
onder de Antirevolutionaire banier, die Groen van Prinsterer met
onuitblusschelijke geestkracht omhoog hield.
Zoo leverde dan bij het einde van het jaar 1868 het politieke slagveld
dezen aanblik. Op de hoogten van de macht was het Liberale kamp
gelegerd, waar van tijd tot tijd innerlijke geschillen rezen, maar de
eenheid werd volkomen, zoodra het gold de verdediging van de bastions
van de schoolwetgeving, waaromheen zij in gesloten rijen zich legerden.
In de vlakte stonden de bataillons der Roomschen en de escadrons der
Antirevolutionairen, die zonder verpoozing de vijandelijke stellingen
aanvielen. Deze beide troepen handelden ieder op zichzelf en voerden elk
voor zijne rekening den heiligen schoolstrijd.
Maar wie kon niet zien, dat deze actie tegen een zelfden vijand
noodzakelijk moest uitloopen op meer of minder erkende samenwerking,
op meer of minder nauwe verbinding? Inderdaad werd dit practisch, zoo
door de langzame werking der omstandigheden, daarna ook openlijk op
principieel terrein.
Tusschen beide in bewogen zich met bedachtzame langzaamheid eenige
Conservatieven, een oud overblijfsel van een machtig verleden, of
achterblijvers van het Liberale leger, die nu eens in het ééne,
dan weder in het andere kamp het overschot van hun ervaring en de
voorzichtige kracht van hun arm aanbrachten.