Al wat gij heden kunt bezorgen?

Stel dit nimmer uit tot morgen.

(_Wijsheid en deugd in klein octavo_).

Ik vulde op de fraaie, ouderwetsch gedrukte uitnoodiging, onze drie namen

in en begaf mij wandelend naar het likeuren huis dat "'t Lootsie" heet,

maar dat niets van een loods heeft, integendeel een erg mooi ouderwetsch

huis is.

O dierbare wederhelft kinderen en nabestaanden! wat is het daar gezellig,

altijd is er Gezelschap aanwezig na den middag, vóór den middag niet zoo

dikwijls want dan borrelen de bezoekers minder.

Ik liet mij een prijscourant geven en trok mijn jas uit om goed te kunnen

proeven, in hemdsmouwen ben ik altijd meer op mijn gemak, maar aangezien

Klaas, mij beleefd verzocht niet alzoo te doen, heb ik met mijn jas aan,

evenzeer genoten van de liekeur.

Wanneer gij dit leest beste vrouw zult gij watertanden, de Aniesette is

overheerlijk, de Kurassou niet te zoet en met een echte Kurassou smaak,

heel wat anders als 't bogt dat gij gewoonlijk drinkt, NB. als gij dit

gelezen hebt lust gij niets meer uit "de Vergulde druif" waar gij altijd

laat halen.

Klaas bepaalde zijn beproeving op, Kakkoulikeur een sterke drank uit

sjokolaad gestookt en Nadaniël nam Krem de Mokka--ook een liekeur, evenwel

vervaardigd uit koffie met room.

Nadat ik mijn volle bekomst had van Aniesette en Kurassou verlustigde ik

mij aan diverse andere zoete dranken als "Hoe langer hoe liever,--Roosjes

zonder doorn,--Odematante,--Vergeet mij niet,--Drie maal drie,--Kwartier

voorvijven; bovendien probeerde ik een likeur waarvan ik den naam niet durf

schrijven als bijgeval Jansje van onzen buurman, die altijd zoo rood wordt

als de een of ander een onfatsoenlijkheid zegt, in de kamer is.

Als zij er is, waarde wederhelft! laat zij dan even naar den winkel gaan

want de likeur heet--"Hempje ligt op". Ik zal de prijskoerant van Lucas

Bols voor u mede brengen dan kunt gij in gedachten ook alles eens proeven.

Klaas en Nadaniël waren geducht aan de beproeving geweest en zagen zoo rood

als wortelen en ik voor mijzelf voelde mij zoo vroolijk en pleizierig als

ik in lang niet was weshalve ik Wien Neerlandsch bloed zong, waarin

Nadaniël de tweede stem vervulde, een omstandigheid waardoor Klaas

mankoliek werd en gevoelig begon te huilen. Aan ons gezang vermeidden zich

intusschen de andere bezoekers, die echter niet zingend instemden.

Hoewel ik de menigte die wij gedronken hadden op geen gering getal schat,

voelden wij geen zwaarte in het hoofd of in de beenen en erkenden dus de

deugdzaamheid der liekeuren en ook de goedkoopte, want 't proeven op

uitnoodiging kostte niets, weshalve wij meer genoten hadden dan betalender

wijs zou geschied zijn.

Aangezien er nog geen Elektriesieteit genoeg door de ondernemers wordt

geleverd en nog geen gasverlichting aanstekelijk is op 't terrein kunnen de

koffiehuizen enz. s'avonds, niemand ontvangen en moet het publiek een goed

heenkomen zoeken. Diensvervolgens gingen wij naar huis waar ik nu dezen zit

te schrijven terwijl de jongelui mij herinneren wat ik vergeet.

Vaartwel! morgen verder. Ook de schilderijen tentoonstelling hoop ik ter

bezichtiging te bezoeken waardoor mijn verblijf alhier wel een dag langer

zal duren. Schrijf me cito terug of alles goed gaat in de koomenij en weest

gegroet van uw waarde vader en bloedverwant. JORIS KOMIJN.

* * * * *

Derde Dag.

AMSTERDAM, Mei 1883.

_Waarde wederhelft, kinderen en nabestaanden!_

Ditmaal sta ik om zoo te zeggen met mijn mond vol tanden overwegende ik

weet niet waar te beginnen om u beschrijvend mede te deelen wat ik heden

mocht aanschouwen. Bijaldien gij gelooft dat ik overdrijf zult gij later

Klaas kunnen vragen en Nadaniel die mij heden redelijk wel voldaan heeft

aangezien hij beleefder is geweest dan vroeger en mij getrouwelijk heeft

uitgelegd wat ik niet wist; heb ik denzelven daarom een pond zoete

amandelmoppen beloofd welke gij mij zenden kunt, wordende dezelve hier te

Amsterdam niet vervaardigd in dezelfde kwaliteit als bij ons.

Heden bezocht ik het hoofdgebouw en stond onthutst over de groote variatie

van artikelen en uitstallingen die ik onmogelijk beschrijven kan, als

vorderend te veel tijd en te groote inspanning mijwaarts. Ik stip derhalve

met oordeel aan wat mij het meeste trof en beviel.

O! dierbare bloedverwanten van deze tentoonstelling is het eind weg, door

de veelheid der menigte zaken wordt een mensch duizelig en verward. Waar

zal ik u 't eerst over schrijven? Ik weet het inderdaad niet.

Alle hemelstreken zijn er vertegenwoordigd; Ik zag het eerst de afdeeling

Nederland en moet zeggen veronderstellenderwijs als vreemdeling denkend,

dat in ons vaderland de drankwet eigentlijk een gek ding is, want liekeuren

en sterke dranken zijn scheering en inslag. Ik heb nog nooit zooveel

fleschen en kruiken bij elkaar gezien en moet de hoeveelheid der gestookte

vochten onnoemelijk zijn in ons vaderland, wat voor een vreemdeling wel het

denkbeeld kan doen oprijzen alsof Nederland en liekeur een

onafscheidelijkheid zijn; ook ingelegde blikjes groenten en overheerlijke

worst, socijsen en schildpadsoep en andere varkensvleeschen zag ik met

rijkdom vertegenwoordigd, desalniettemin wil ik aan de fraaie meubelen en

andere nuttige instellingen niet te kort doen, benevens de sigaren, die ook

geen klein gedeelte van ons vaderland innemen. Daar ik niemand wil te kort

doen, of beleedigend overslaan, meld ik u dat op de tentoonstelling alles

te vinden is wat ons dierbaar land oplevert en door onze landgenooten wordt

gemaakt of verkocht. Hiermede nu, moet gij tevreden zijn.

Al wandelend door de hoofdzaal is mij een zonderling geval overkomen, dat

wel der moeite waard is om te worden geboekstaafd, tot leering en nut van

hen, die na mij, tentoonstellingen willen bezoeken; ook met het oog op de

ongerechtigheid der zaak.

Weet dan geliefde wederhelft en kinderen, uw vader is daar voor 50 cents

afgezet door menschen die fatsoenlijkerwijs gekleed zijn en met

beleefdheid mij er in lieten loopen. Ik zal u verklaren wat het was,

luistert!

Op een paar stoelen in de hoofdgalerij zitten twee heeren met een tafeltje

voor zich waarop mijn oog viel, op een groot boek net zoo dik als u lieve

vrouw eenmaal van uwe ouders present kreeg ik meen dat 't Vader Cats is--'t

ligt onder 't penantkastje in de achterkamer.

Toen ik naderbij kwam riep een kleine jongen met een schelle stem,

_"liverdor mesjeu siegné sievoeplê."_ Niet vermoedende welk een adder onder

dit gras schuilde naderde ik en vroeg met beleefde hoedoplichting: "Wat is

dit, jongeheer?"

Hij antwoordde, "dit is het gedenkboek der Tentoonstelling, dat iedereen

teekenen kan, als herinnering aan zijn bezoek, en middelerwijl gaf hij mij

de pen in de hand, nogmaals verzekerende dat ik aan de geheele stad er een

plezier mede deed door te teekenen, daar later het "liverdor" aan den

burgemeester zou worden ter hand gesteld, of aan de stad aangeboden voor 't

argief tot eeuwige nagedachtenis van alle degenen die bezoekend in de zalen

waren.

Waarde wederhelft! ditmaal heeft mijn eigenliefde mij gefopt, want ik dacht

er vereerd door te zijn dat mijn naam later onder de oogen van zooveel

groote heeren zou komen, een wonderlijk gevoel stroomde door mij heen, toen

ik de pen nam en met mijn klein middelsoort in het boek zette:

*"Joris Komijn van Medemblik."*

Nadat ik mijn pen fatsoenlijkerwijze had schoon gelikt en aan mijn jaspand

afgeveegd, overhandigde de eene heer van het tafeltje mij een rolletje

papier met een elastiekje er om en zei: "Asjeblieft, hier is het bewijs dat

u geteekend heeft." Eerst vond ik het beleefd en ook sicuur dat men zulk

een bewijs afgaf, kennende anders een iegelijk en een elk beweren, te

hebben geteekend, maar ik veranderde iets van meening toen ik twee kwartjes

moest betalen voor dit papier dat op zich zelve geen twee centen waard

is--want de stempels die er op staan en den onnoozelen mensch in de waan

brengen dat de commissie van uitvoering der tentoonstelling die

certificaten heeft gestempeld tot bewijs van echtheid

zijn--fopperijstempels.

Er staat met blauw op: "De commissie van uitvoering" maar dat beduidt de

commissie die de geschiedenis van het boek uitvoert.

Nadanaël zeide mij ook niet te kunnen gelooven dat de wezentlijke Commissie

van uitvoering haar stempel zou laten misbruiken om argelooze menschen de

somma van 50 centen uit den zak te kloppen want:

Nooit is de argeloosheid

Bestand voor slim- of boosheid.

_(Wijsheid en deugd in klein octavo)_

Ik veroorloofde mij aan den heer van 't tafeltje beleefdelijk op te merken

dat ik zijn certifikaat geen cent waard vond, maar hij antwoordde niets

anders dan "je behoeft 't immers niet te nemen als je niet wilt!" Evenwel

zei hij dit zonder teruggeving der 50 centen.

Nu werd ik boos, noemde hem een afzetter, waarop hij niets antwoordde, maar

lachtte, Nadanaël zei later dat hij meende dat de heer zeide dat hij mij

voor een kaffer hield; dit evenwel heeft Nadanaël zeker verkeerd verstaan.

Tot mijn spijt zag ik hoe verschillende buiten menschen, argeloozen en

onnoozelen evenals ik, er in liepen en twee kwartjes betaalden; derhalve

zei ik aan Klaas dat hij op de beurs aan iedereen mijn ongeval moest

vertellen, opdat men zich zoo veel mogelijk voor schade wachten kan. Ik zeg

ook u geliefde bloedverwanten, bijaldien er Medeblikkers, die gij kent,

naar de Tentoonstelling gaan, waarschuwt hen voor "'t liverdor." Voor 2

kwartjes is een herinnering aan de Tentoonstelling te krijgen, die veel

aardiger is; 't is de zakdoek van Adriaan Schakel, die grappig is en nuttig

in éénen adem.

Wanneer het maar meer en meer bekend wordt dat het "liverdor" een

bankroetje na zich sleept, zal men zich niet meer laten beet nemen--en

teekenen, zonder certifikaat. Ik geloof beste wederhelft! dat de

ondernemers er dan spoedig mede zullen ophouden, want ik heb een zwaar

vermoeden dat zij veel meer om de twee kwartjes geven, dan wel om de

naamteekeningen.

Ik heb Klaas ook laten teekenen, met het bevel, om als men hem een

certifikaat wilde geven, beleefdelijk te zeggen "dank u wel, houdt uwe 't

maar." Nadaniël zegt, dat als iedereen dit doet de mannen van 't tafeltje

er zeker iets van krijgen dat zij niet overleven. Aangezien ik nu de dood

van een achtingswaardig mensch niet veroorzaken wil of op mijn geweten

nemen, heb ik Klaas bevolen, om het niet verder te vertellen--en over dit

schandaal te zwijgen.

Nademaal het veel te omslachtig zoude zijn, om u waarde bloedverwanten, de

geheele tentoonstelling van A tot Z te beschrijven en gij ook wellicht in

slaperigheid zoudt vervallen door de herhaling, want er is van alle soorten

artikelen een veelheid van 't zelfde, zoo bepaal ik mij liever tot het

medebrengen van den wegwijzer en de adreskaartjes die ik overal nam, ter

herinnering en geef u alleenlijk beschrijvend de avonturen die ik ondervond

en beleefde. Ik besef dat u dit meer zal bevallen en deel u dus mede dat ik

hedenavond het Café-chantant heb bezocht met Nadaniël--Klaas had ik

voorshands tehuis gelaten tot nader orde.

O, geliefde wederhelft en kinderen! ik sta beschaamd en aangedaan tevens

over hetgeen ik nu denken moet. Alweder heb ik te haastelijk geoordeeld en

daardoor onwetend eene inrichting met den naam van onzedelijkheid besmet

die dit in geenen deele verdient.

Nadaniël had gelijk er is niets onfatsoenlijks in, zelfs een klein gedans,

dat ze hier *kan-kan* noemen vond ik zoo grappig dat ik over de

rarigheid die er aan kleeft heenstapte. Na de somma van f 1,- te hebben

betaald, Nadaniël zei weer "Pers" en betaalde niets kwam ik in het Café des

Ambassadeurs binnen en zag in de verte een tooneel, wel drie maal zoo

groot, als dat van de liefhebberij komedie bij ons--met Electriek verlicht!

Schoon dierbare vrouw! overschoon!--ik ging zitten en Nadaniël naast mij.

Het allereerst speelde de muziek een vroolijke deun, die mij wel beviel,

zoodat ik opgewekt wierd en met mijn hoofd onwillig de maat sloeg, terwijl

ik mijn rechtervoet bewegelijk heen en weer liet gaan. Een heer die achter

mij zat, was onaardig, want hij bedierf mijn pleizier door er aanmerking op

te maken en te zeggen dat hij wêe wierd van dat gewiegel; laf hé! voor een

groot volwassen mensch,--afijn de man had misschien zwakte van zenuwen.

Toen de muziek uit was kwam een heer, fijn gekleed in een zwarte rok en

witte das. Hij zong een prachtig lied. Nadaniël zei dat 't Fransch was,

maar ik geloof 't niet want telkens zong hij met een hooge noot in de keel,

duidelijk:

Danse! danse! danse! met je moer.

Danse! danse! danse dan toesjoer.--

Tusschen beide kreeg ik er kippenvel van, als hij zoo uithaalde en ik

dacht, omdat hij zoo rood werd, bij dat "je moer" (moeder klinkt toch

fatsoenlijker vindt gij ook niet?) als de man er maar niets van krijgt.

Gelukkig liep 't goed af. Wij applaudisseerden zoo hard we konden en toen

gaf die heer, Nadaniël zegt, hij heet teenoor, nog een stukje toe; ik vind

het netjes dat ze niet op een toegevertje zien. Toen kwam een

jongejuffrouw, O! beste vrouw, wat een hondje van een meisje, zij had een

japon, waarvan de bovenste helft de kleinste was. Gij hebt een goed gevulde

hals, waarde wederhelft, maar dat is door de dikheid der jaren, deze dame

evenwel had de gevuldheid door de jeugd, iets dat nog wel zoo schoon is; om

jaloersch op te worden voor u waarde wederhelft, maar desniettemin bemin ik

u met hartelijke huwelijksliefde daar dus niet van.

De jongejuffrouw zong dat ze zoo "bleu was, ze riep voortdurend uit van

"patiet bleu" eigentlijk verstond ik 't niet maar ik lachte toch mee toen

de anderen het deden; ik dacht anders meenen ze dat ik niet weet hoe 't

hoort. Evenwel heb ik opgemerkt dat zij in 't geheel niet "bleu" was. want

ze maakte zoenhandjes tegen Nadaniël en mij toen wij, vooral ik, zoo hard

in de handen klapten dat een paar menschen achter ons zeiden: "die twee

hebben handen als hamers"

Na deze zangeres kwam een heer, nog al dikker met een mankeliek gezicht en

witte handschoenen aan. Wat had die man een stem! Hij had 't erg over een

"maleur" dat hij ondervonden had en was erg naar, net of hij verdriet had

en als hij dan zoo heel diep in de tweede of derde stem zong, wees hij met

zijn eene hand naar den grond net als of hij zeggen wou, 'k ga gauw in 't

graf zoo'n gezicht zette hij ook. Nadaniël zei dat 't de bas was en dat de

bassen, namentlijk als 't goede zijn, altijd mankoliek zien of van moord en

doodslag zingen.

Nadat hij mij bijna tot tranen toe geroerd had over zijn ongeluk, kwam er

weer een jonge dame met een rood zijden japonnetje aan. 't Was bepaald een

geleend rokje, want 't was veel te kort.

Ik dacht waarlijk eerst dat zij, met verlof gezegd bloote beenen droeg,

maar goed bekijkend, bespeurde ik dat zij vleeschkleurige kousen aan had.

O! waarde aanverwanten wat was dat een grappenmaakster, ze sprong als een

kakkerlak en danste zoo komiek, dat ik van mijn stoel opstond om goed te

kunnen zien. Zij ging heelemaal over eene kant schuin staan en schudde met

haar eene been en arm net alsof ze met geweld die twee lichaamsgedeelten

wilde uitschudden en ondertusschen hield zij de andere hand tegen haar

achterhoofd, terwijl zij aldoor knipoogjes maakte. Ik hield mijn buik vast

van 't lachen en riep hardop "Bravo" dat hoorde zoo, zei Nadaniël, maar een

heer achter mij riep: zitten!" en toen riepen wel tien tegelijk zitten!

derhalve was ik genoodzaakt weer plaats te nemen, hoewel ik de

*"Kan-Kan"* zoo heet die dans, gaarne verder staande had genoten. Als ik

te huis kom zal ik u deze dans eens wijzen en voordoen, waarde wederhelft

en kinderen! want het is om je ziek te lachen.

Terwijl wij daar zoo zaten had ik reeds opgemerkt dat buiten de tent, "ge

moet weten lieve nabestaanden het Café des Ambassadeurs is open en bloot

aan de zijden in de lucht," ook muziek was. Een piano was hoorbaar, nu en

dan een orgel en andere instrumenten, zooals blikken deksels en een vijsel,

die met kracht bespeeld werden.

Nadaniël vroeg aan een Jan die ze hier in 't Fransch "cochon" noemen waar

die wonderlijke muziek van daan kwam en wij vernamen dat het eenige

bewoners der P. G. Hoofdstraat waren die uit piekanterigheid dat zij den

geheelen dag café chantant muziek hooren en 't vervelend vinden, ketel

muziek maakten.

Ik voor mij vond het erg lastig, want tussehenbeiden klonk het heel valsch

door elkaar, zoodat mijn tanden er zeer van deden en mijn ooren tuitten.

Een van de "cochons" beweerde dat vroeger, toen er nog geen gordijnen waren

en de bewoners der naburige huizen in het Café des Ambassadeurs op het

tooneel konden zien, zij de muziek minder lastig vonden en geen ketelmuziek

maakten. Of het waar is weet ik niet, maar in allen gevalle vond ik het

voor mij persoonlijk, jammer, dat ik voor mijn f 1 entree twee concerten te

gelijk hoorde, omdat één alleen wel zoo liefelijk is. Er waren ook veel

menschen in onze nabijheid, die vloekten en raasden als zij terwijl de

juffrouw van "Bleu Bleu" zong, door de buren hoorden spelen: "Sara je rok

zakt af" en dergelijke volksdeunen, die op zich zelve genomen niet

onaangenaam zijn, maar te samen met iets anders ongezellig klinken, vooral

als er bij in een vijzel gestampt wordt. Van den anderen kant moet ik

zeggen dat ik ook niet graag den geheelen dag muziek zou hooren, aan gezien

vooral des morgens de mensch niet altijd gestemd is om lichtvaardige

liederen te vernemen. Wanneer ze nu des morgens nog speelden: "Mijn eerst

gevoel zij dankbaarheid" of iets dergelijks laat ik het daar en zou ik het

zelfs stichtelijk vinden. Ik zou in 't belang van menschen zoo als ik, die

betalender wijs binnenkomen en aan de kibbelarij geen aandeel hebben, wel

aan de bewoners en de muzikanten willen zeggen: "Plaagt elkander niet

langer, want:

"Waar twee personen kijven,

Met boosheid zwaar vervuld,

Daar zal het waarheid blijven:

Zij hebben beiden schuld."

(_Wijsheid en deugd in klein octavo_.)

Dit tusschen twee haakjes, nu vervolg ik de voorstelling. De electrieke

muziek van de Gebroeders Bozza is iets buitengemeens. Stelt u voor vijf

heeren als duivels gekleed, (evenwel zonder staarten) blazen op vijf

bazuinen met een geweld als of de dag des oordeels is aangebroken. In de

zaal hangen allerlei klokkenspelen, kastje, een lokomotief, een duivenhok,

een huisje dat in brand vliegt, een stuk of zeven trommen en allerlei

andere artikelen.

Tusschen het geblaas der bazuinen nu hoort men, door middel van de

electriek, die de middelste duivel door drukking der vingeren op een tafel

opwekt, een trommelspel, dan weer een klokgelui of geschel, nu en dan 't

geluid van een duif of 't zingen van een vogel. Soms is alles tegelijk in

beweging en stoomt de lokomotief dat 't verbazend is, 't is een wonderlijk

orkest, maar heel mooi--en 't speet mij dat 't uit was. Hoe of het kwam

weet ik niet, maar, ik gevoelde door de verschillende mij vreemde

aandoeningen die ik genoten had, behoefte om eens even naar buiten te gaan

en zei tegen Nadaniël, dat hij maar op mij moest wachten, want dat ik

dadelijk terug kwam.

Toen ik naar buiten wilde, zei een heer aan den uitgang, met beleefdheid

tegen mij, dat er geen "sorties" gegeven werden. Nademaal ik dit nu niet

begreep verklaarde ik hem de noodzakelijkheid waarom ik even weg wilde,

maar 't hielp niets, ik moest blijven of mijn gulden in den steek laten.

Met wellevendheid beduidde ik dien heer dat ik met geen mogelijkheid kon

blijven, waarop ZEd. antwoordde: "O! gaat u dan maar naast het orkest." Ik

begaf mij daarheen, maar vond mij erg teleurgesteld want iemand die ik,

voor een deur die er was, aantrof zei: "ik ben de directeur van deze

gelegenheid en ik mag hier alleen artisten binnenlaten."

Ofschoon ik hem trachtte te overtuigen dat ik, hoewel geen artist zijnde

toch even goed die deur kon binnengaan, bleef hij standvastig weigeren en

zei, dat zijn weigering alleen kwam om dat men de ondernemers van de Wasch

en gemak huisjes, geen concurrentie mocht aandoen, aangezien zij op zware

lasten zaten en dat ik dus op 't terrein moest gaan, als ik absoluut wilde.

Ondertusschen begon de muziek weder, namentlijk de goede en ik, niets

willende verzuimen waarvoor ik betaald had, begaf mij weder bij Nadaniël in

de zaal evenwel niet zonder groote benauwdheden, zoodat ik van het verdere

wat gezongen en gespeeld werd maar half genot had.

Gelukkig was het spoedig uit en konden wij naar huis gaan.

Wij liepen nog even op het terrein, maar door de plotseling invallende

duisternis, zoodra de laatste noot der muziek gespeeld was ging al 't licht

uit, kon ik niet vinden wat ik wilde en moesten wij een goed heenkomen

zoeken; 't Was waarlijk een geluk dat Nadaniël den weg zoo goed wist,

anders lieve aanverwanten had uw bloedverwant en vader, best kunnen

verdwalen.

Tehuis gekomen, vond ik Klaas dien ik f 1--gaf om morgen het Café des

Ambassadeurs te bezoeken; de jongeling was in zijn schik en verzocht de

complimenten aan allen. Hiermede verblijf ik voor heden als altijd.

Uw liefhebbende vader enz. enz.

JORIS KOMIJN.

NB. Zend mij bij de amandelmoppen voor

Nadaniël _cito_ eenig ondergoed, denk er om wat

azijn en water bij den mostert te doen, anders

verdroogt hij uw waarde vader.

* * * * *

Vierde Dag.

AMSTERDAM, Mei 1883.

_Waarde Echtvriendin en Bloedverwanten_,

Er gaat toch niets boven de kunst, alles wat

overigens het hart aandoet of den mensch tot nagedachten stemt verzinkt bij

de kunst in nietigheid. De kunst is alles! en daarom zeg ik: leve de

kunst!--O geliefde wederhelft! indien ik geen welgezeten koomenijsbaas was,

zoude ik kunstenaar willen zijn, al was het maar alleen om met

natuurlijkheid alles te kunnen voorstellen wat de Schepper, met

ondoorgrondelijke wijsheid, heeft gewrocht, tot een voorbeeld voor de

kunstenaren.

Ik bevind mij heden in een opgewonden stemming, want Nadaniël heeft mij

verzekerd, dat er onder de hedendaagsche kunstenaren heel veel

koomenijsbazen zijn, daarom wanhoop ik niet dat ook in mij iets groots ligt

en derhalve heb ik het plan om mij behalve op de letteren, ook op de

schilderkunst te werpen.

Dit voornemen heb ik te danken aan de Eksposietsie van de schilderijen die

ik heden bezocht zonder perreplu, veroorzakende deze een onkosten van 10

cents voor de bewaring, die onnoodig is.

Ik gevoel mij sedert gisteren zoo verheven, zoo echt kunstig, waarde

echtvriendin en nabestaanden! want ik heb op die tentoonstelling kennis

gemaakt met een sjenie, hij heet Maeceen en is een groot kunstenaar die

kennis heeft van al de schilderijen.

't Is bepaald een groot kenner want hij vindt bijna nooit iets mooi en weet

op alle schilderijen iets aan te merken. Hij praatte veel met mij en leerde

mij in één oogenblik de kunst begrijpen. Hij vertelde mij dat schilderen

eigenlijk zoo moeilijk niet is als 't lijkt en dat men, bijaldien men

slechts goede penseelen heeft en vooral een boel goede verf, een heel eind

ver komt in de kunst, ten minste wanneer men natuurlijken aanleg heeft en

navolgingstalent om de natuur getrouw na te bootsen.

Nu! dat heb ik; daarvan ben ik zeker. Herinner u maar eens dierbare

echtgenoote, hoe goed ik destijds, toen ik nog niet door de kathedrale

koortsen, die bezetting op mijn stem kreeg, een haan kon nabootsen en ook

thans nog met duidelijkheid, het geluid der kikkers voortbreng, terwijl ik

in hondengeblaf en kattengeschreeuw, lang niet onverdienstelijk, de natuur

overtref.

Ik deed bij wijze van proefstuk aan den heer Maeceen een honden geblaf na,

met gejank aan 't slot. Hij stond verbaasd over mijn talent, want de

oppasser kwam dadelijk kijken waar de hond was, hij snapte mij evenwel

niet, en toen ik nogmaals met natuurlijkheid een kat voorstelde zeide mijn

vriend mij, "ge hebt aanleg, veel aanleg, want ge copieert de natuur en

schilderen is niets anders dan copieeren--ge zult zonder twijfel ook in 't

schilderen wel iets kunnen leveren." Ik kocht derhalve heden voor *f

3.48^5 aan penseelen en voor ca. f 6 aan olieverf in tinnenspuitjes;

plankjes om op te schilderen heb ik te huis genoeg van de rozijnkisten, dat

is gladhout als 't afgeschaafd wordt.

Joris Komijn op de Tentoonstelling Humoristische schets van Justus van Maurik · 第 2 / 4 段