plankjes afschaven, dan kan ik cito beginnen te schilderen als ik te huis
kom. Mijn eerste werk zal uw portret zijn waarde vrouw! daar gij mijn
eerste en eenigste liefde zijt en een schilder, zoo als Maeceen zegt een
idéaal moet hebben om naar te werken--zoo zult gij het eerst in olie worden
uitgevoerd.
Daar ik mij door de voorlichting van Maeceen nu reeds als artist gevoel,
zoo kan ik ook gerustelijk mijn oordeel over de schilderijen zeggen en
letterkundig in mijn reisdagboek boekstaven, vooral ook omdat ik van hem
eenige der meest gebruikelijke kunsttermen heb geleerd, die ik met oordeel
door mijn beschouwing meng. Dezelve zijn o.a.: _braaf gedaan_--_knap
gedaan_--_gelikt_--_wasachtig_ --_harig_--_stout gepenseeld_--_ferm
aangepakt_--_gesmeerd_--_goed van toon_--_verwerig_--_porseleinig_
--_zoeterig_--_gepeuterd_--_konventioneel_--_gemaakt_ --_galachtig_--_mooi
van factuur_--_realistisch_--_lekker_--_breed_--_vuil_--_week_--_kras_--
_degelijk_ enz. enz.
Ik heb ze allemaal in mijn zakboekje opgeschreven en mijn vriend Maeceen
heeft mij gezegd dat ik, wanneer ik deze woorden een beetje handig te pas
weet te brengen een kunstkritiek kan schrijven, zoo goed als menigeen 't
doet. Verder raadde hij mij aan om vóór en aleer ik een schilderij mooi of
leelijk vind goed naar den naam te zien die er op staat. Dit is, waarde
vrouw, om mij niet te vergissen en b.v., een schilderij onbedachtzaam af te
keuren, als 't van iemand is die bekend staat als een groot artist.
Dit zou van een beoordeelaar een groote domheid zijn, want somtijds doet de
naam ruim zooveel als de schilderij, zegt Maeceen. Bovendien noemt hij het
zaak om eerst andere beschouwingen te lezen of te hooren en nu en dan
aftekeuren wat de meesten mooi vinden d.w.z. niet geheel, maar
gedeeltelijk; b.v. als 't algemeen zegt, in dit of dat stuk is geen fout,
dan toch nog een paar groote fouten er in opteschommelen.
Weet gij waarde vrouw waarom Maeceen dat doet? Omdat hij daardoor alleen
staat, in zijn oordeel en 't publiek dan zegt: dat is een knappe vent.
Maeceen vertelde mij dat er groote kritikussen zijn, die voornamelijk aan
die handigheid hun reputatie te danken hebben. Het zou onmogelijk zijn om
stuk voor stuk al die schilderijen te bespreken want er zijn er wel duizend
geloof ik.--
Eerst dus de Hollandsche af deeling:
Van Israels zag ik een soort van brei- of naaischool waar visschersmeisjes
bijeenzitten; ik stond er eerst te dicht bij en daarom vond ik de kleur wat
vuil maar ik vergiste mij want toen ik wat verder afging staan trof mij de
natuurlijkheid van de voorstelling en het licht, net of 't heusch daglicht
is wat er opvalt, hier zet ik bij: _stout gepenseeld_ en _ferm
aangepakt-realistisch_ (mij dunkt dat zal hier wel passend zijn.) Het
zomerlandschap van J. v.d. Sande-Bakhuizen, deed mij veel pleizier. Ik
dacht dat de zon er op scheen zoo warm leek het mij toe. De boomen en alles
wat er op staat is heel netjes geschilderd, met groote juistheid, hier zou
ik 't woord "_niet gepeuterd_" kunnen gebruiken.
't Beviel mij een heele boel beter dan een landschap dat ik in een andere
zaal zag, ik geloof dat 't van een fransche schilder is. Maeceen zei dat
hij Impressionist heet. O! dierbare bloedverwanten wat een wonderlijk
schilderij, van dicht bij lijkt 't op een plank, besmeerd met allerlei
likken verf, grijs, heel veel vuil groen en geel, roodbruin, licht bruin,
groenekaas kleur, in één woord, van alles door elkaâr. Eerst dacht ik, dat
't een bemorst tafellaken moest voorstellen, toen ging ik er iets verder
afstaan en daardoor leek het op een hoop zand, met een stuk of wat
heiboenders er in, nog wat verder eraf, scheen het een zee met een
stoomboot er in.
Een heer achter mij keek door een opgerold boekje en zei: "'t Is een
magnifiek vergezicht door een hollen weg. Ik deed mijn best om er dat ook
in te zien, maar 't lukte mij niet, ik bracht 't niet verder dan tot een
zandweg met boomen, die de rups in de bladeren hebben. Toen kwam Maeceen en
zei: Hoe vindt je dien straatweg bij zonsongang--mooi hé!--en dien molen op
den achtergrond; 't is de natuur op heeterdaad betrapt.
Nademaal ik hier nu geen mouw aan kan vast naaien schrijf ik al de
kunstermen in gedachten hier bij beginnende met "_knap gedaan_* tot en met
_realistisch_. Aangezien een iegelijk in dit schilderij, iets anders ziet,
zullen al deze termen, door elkander wel passelijk zijn.
Het is toch iets schoons zulk een schilderijen verzameling, vooral door de
menigte portretten die men ziet, maar eene zaak kan ik mij niet voorstellen
namelijk dit: dat er zooveel menschen, vooral dames zijn die zich laten
afschilderen ofschoon zij niets om of aanhebben. Vooral in de Fransche
galerij zag ik heel veel vrouwen, die afgebeeld staan, zooals Eva in den
prenten bijbel.
Ik als getrouwd man kan wel tegen deze voorstelling, maar voor Klaas vond
ik het niet passelijk, weshalve ik hem 30 cent gaf voor een glas port in de
Engelsche baar en hem beval zich te verwijderen; ik deed dit uit volle
overtuiging, want ik zag hoe de jongen bij voorkeur bij de onfatsoenlijkste
schilderijen bleef staan en er, zonder erg natuurlijk, met groote oogen
naar keek. Ik herinnerde mij daarbij de regelen:
De onschuld is zoo snel belaagd
Als de verleiding wenkt.
En bitter is de zwijmeldrank,
Die de onkuischeid schenkt.
(_Wijsheid en deugd in klein octavo_.)
Maeceen had gezien, dat ik Klaas met zachtheid verwijderde en zeide dat ik
verkeerd handelde want dat voor de Kunst geen fatsoenlijkheid of
onfatsoenlijkheid bestaat en dat die naaktheid voor de kunst niets anders
is dan studie van 't menschelijk lichaam dat toch 't schoonste
natuurvoortbrengsel is.
Ik begin nu langzaam aan te begrijpen dat er in schilderijen veel meer
inzit en ook niet inzit dan men oppervlakkig wel denkt--B.v. waarde vrouw
in stillevens, zit mijns inziens niets in terwijl in andere stukken heel
veel te zoeken is.
Weet gij wat stillevens zijn? 't Zijn afbeeldingen van doode hazen en
kippen sinaasappelen en tafelmessen, glazen met wijn en afgebeten peeren,
kreeften en halfgeschilde citroenen--bloemenvazen en druiventrossen,
aardbeziën, frambozen en potjes met ingelegde paling.--Zou ik hier het
woord "_lekker_" ook kunnen gebruiken?
Maeceen zei dat er niets in zit, omdat men er niets bij denken kan en ik
ben 't met hem eens, hoe mooi en kunstig ze ook geschilderd zijn, zou ik ze
niet willen hebben om op te hangen. Daarentegen een stuk dat stof tot
overpeinzing geeft zou ik gaarne bezitten, b.v. een zee met een strand,
vooraan. Een kinderhoedje dat op de golven drijft en een natte hond die
half in 't water staat te janken, zoo iets doet ons denken en wel aan een
ongeluk dat gebeurd is, men kan zich dan naar believen een mooi blond
jongentje verbeelden, dat spelende in 't water geloopen is hetwelk de hond
heeft willen redden maar niet kon, van wegens de zwaarte des lichaams. Ook
de verschillende godsdienstige stukken, zie ik niet graag. Ik zag onze
lieve heer Jezus op alle mogelijke wijzen voorgesteld, en soms zoo mager
dat men er medelijden mee kreeg, in plaats van eerbied. De verfoeilijkheden
der Inquisitie, heb ik ook aanschouwelijk gezien door een man, die op de
pijnbank ligt, en wiens voeten gebraden worden, hierbij zet ik: _ferm
aangepakt, breed, kras en stout gepenseeld_--maar een onderwerp om van te
rillen--
Aangezien ik door de opgewondenheid heen was van wegens de veelheid der
kunst die ik aanschouwde lette ik er niet op, dat ik zooals men 't noemt
van den hak op den tak sprong en om zoo te zeggen van de eene schilderij
naar den anderen holde en met groote vermoeidheid geslagen werd, door de
uitgestrektheid der door te loopen ruimte.
Mijn vriend Maeceen maakte er mij opmerkzaam op en zei "ge moet meer
sijstematisch te werk gaan" ik begreep niet wat hij bedoelde en vroeg
derhalve verklaring, dewelke hij bereidwillig gaf.
Sijstematisch beduidt ordelijk; eerst het een en dan het ander, maar niet
alles door mekaar.
Maeceen zei: "behandel nu eerst de Hollandsche kunst en dan de vreemde--dan
levert ge een meer begrijpelijke en geordende critiek. Nademaal hij gelijk
had, deed ik aldus en bekeek met aandacht wat mij in de Hollandsche
afdeeling alzoo het begeerlijkste voorkwam. Voor het portret van onzen
geëerbiedigden Koning nam ik gevoelig en vaderlandschgezind mijn hoed af,
al vond ik, ronduit gezegd, dat Z.M. er in werkelijkheid veel fermer uit
ziet, maar de chakot die op 't portret geschilderd is, is of hij leeft, dat
's 't mooiste deel van 't schilderij; ik zou hier uit mijn woorden
verzameling bij willen zetten. _Zoet_ en _prenterig_.
Met veel genoegen zag ik een Friezin met een kindje geschilderd door
Mejuffr. Schwarze. Dat 's een mooi stuk daar zou U pleizier in hebben, net
iets voor u waarde wederhelft! 't Kind ziet er minder goed uit, maar de
moeder! een gezicht als melk en bloed, frisch en blozend, juist zoo als
gij, toen ge nog in uw goede dagen waart. Hier durf ik gerust bij te
zetten, _ferm gedaan, goed van factuur, frisch van toon_. 't Zelfde zou ik
kunnen schrijven van Mevrouw Ronner, die een stuk of wat poesjes heeft
geschilderd zoo aardig dat ik er bijna niet van daan kon komen. Maeceen
zegt dat ik hierbij de woorden _geestig, juist van teekening_ en _goede
techniek_ moet zetten.
Een dames portret van Bles vond ik ook heel mooi, maar Maeceen riep er zoo
erg niet over; hij zei dat hij veel mooier stukken van hem had gezien en
dat ik er gevoegelijk de woorden _aangenaam gepenseeld, iet of wat gemaakt_
en _oppervlakkig_ bij kon zetten. Ik kan er niet precies over oordeelen of
hij gelijk heeft maar ik schrijf het toch op, omdat hij het zegt; dat doen
meer critikussen als ze 't oordeel van iemand hooren die bekend staat als
een kenner, beweert Maeceen. Er zijn er zelfs, zegt hij, die in 't geheel
geen eigen oordeel hebben en altijd op 't kompas van een ander zeilen.
Waarom zou ik 't dan niet doen?
"Vliegend blad Heeren!" heet het schilderij van juffrouw Moes. O! dierbare
bloedverwanten wat is dat een aardig stuk, als je er lang op kijkt is 't
alsof de jongen, die er op staat, met natuurlijkheid schreeuwt; daar durf
ik gerust uit mij zelven bij te zetten,
_flink; geestig geteekend, juist van toon. Verkocht_. 't laatste woord
staat er op en is misschien voor de schilderes, 't beste bewijs dat ik
gelijk heb.
Terwijl ik met alle aandacht stond te kijken hoorde ik een paar
buitenmenschen over een schilderij praten waarvan ik ongelukkig den naam
vergeten heb. De een zei, met zijn neus er vlak op, "'t zijn allemaal
klodders en vegen," toen zei de ander, "dat 's juist het mooie van de
kunst, hoe meer klodders, hoe kunstiger. Als je er verder afstaat kun je
toch heel goed zien dat 't een toer is om zulke vegen er zoo op te zetten
dat ze iets beteekenen; dat is de nieuwe richting in de kunst.
Of het nu nieuwe of oude richting is, is mij hetzelfde maar ik voor mij,
vind het toch mooier als men ook van dichtbij al kan zien wat 't beteekend.
Ik geloof dat ik de oude richting maar zal behouden als ik schilderen ga.
In dien nieuwen trant zag ik ook koeien, geschilderd door W. Maris. Een
heer die er voorstond riep maar aldoor tot zijn dame: "prachtig! geniaal!*
"heerlijk! goddelijk!* De dame vroeg zoo langs haar neus weg:*" hoeveel
koeien staan er eigentlijk op, beste man? en wat is gras en wat zijn
koeienpooten? Toen werd dien heer boos en zei alleen: "'t is van Maris"
daarop zweeg de dame en zei ook, dat 't eigentlijk toch wel "beelderig"
was.--Ik voor, mij schreef in mijn boekje*" _verward, verwerig, gesmeerd_.
(Ik weet niet of ik 't bij 't rechte eind heb.)
Weet gij waar ik lang voor heb gestaan? Voor een schilderij van Valkenburg,
voorstellende "Een oefening" dat wil zeggen een soort van preek bij de
afgescheidenen. Dat 's een mooi stuk waar men lang op kan kijken, 't is
juist alsof de figuren los voor elkander staan, ik schrijf _goed
gegroepeerd, ongezocht harmonisch, van kleur en toon_. Als ik zoo leer
schilderen beste vrouw, hang ik het sloof van den Koomenijsbaas voor goed
aan den nagel.
"Kom eens hier" zei Maeceen en kijk eens naar die schilderij. "Gedurende de
preek" van. G. Henkes, wat zou je daarbij zetten? Ik zag het en O! beste
nabestaanden, ik had er schik in. Een boer, een boerin en een Juffrouw met
neepjesmuts op zitten te luisteren naar de preek in een dorpskerk. De boer
zet een gezicht alsof hij in zich zelven denkt: Jongens! jongens! wat ben
ik toch een erge zondaar; de boerin leunt achterover in haar stoel en 't is
alsof je haar ziet denken; 'k begrijp er geen zier van maar mooi is 't, en
de juffrouw met de neepjesmuts neemt een snuifje, omdat ze aan de snuifjes
die de dominé uitdeelt, nog niet genoeg heeft 't is _ferm gedaan, lekker_,
zei ik tot Maeceen--schrijf dat gerust op Komijn! zei hij maar zet er bij:
_uitmuntend van teekening, natuurlijk van toon, juist van opvatting en mooi
van coloriet_.
NB. de neepjesmuts is sprekend tante Grietje, als ze mankeliek is.
Aangezien het al te laat werd vond ik het geraden om maar gauw over de
andere schilderijen heen te loopen, nademaal ik ook van de andere
afdeelingen iets wilde zien.
Belgie is evenzeer uitmuntende in goede schilders--als in vet en
kunstboter, (die ik daar altijd van daan krijg) daarvan heb ik de
overtuiging. Ze verstaan het daar ook hoor!
Jan van Beers, las ik op een schilderij lieve vrouw! Misschien is dat wel
een zoon van dien anderen van Beers die dat gevoelige vers heeft gemaakt,
"De zieke jongeling" dat Jaantje van den Apteker, op de rederijkerskamer,
zoo mooi kon voordragen, dat ik altijd de tranen in de oogen kreeg.
Die Van Beers heeft een schilderij gemaakt, voorstellende, een juffrouw die
op een bank ligt, midden in een wandelpark. Dat moog je van dichtbij
bezien, dan is 't net zoo mooi, ja bijna nog mooier als van verre! daar zit
niet één klodder op en toch is het kunstig. Al zegt Maeceen nu ook
honderdmaal: _'t is mij te glad, te porceleinig, te gelikt_; ik vind het
mooi.--Het is volgens mijn domme verstand, _afgewerkt, netjes geschilderd
en fijn_,--zou ik hier maar niet bijzetten, _juist van teekening,
concientieus_. Ik weet waarlijk niet of ik de schilderij "La Sirène", zoo
staat het in den Catalogus, niet bijna nog mooier vind. Een sloep met
roeiers ligt onder aan een steiger, en een heer, een zeeofficier, geeft een
lieve jonge dame de hand om haar van den steiger in de sloep te helpen, van
achteren ligt een stoombootje en schijnt de zon.
Maeceen vertelde mij dat een concurrent van Van Beers, (hij houdt vol, 't
is een koomenijsbaas geweest) stilletjes het hoofd van de dame met een
pennemes, uit de schilderij heeft gesneden, omdat hij geloofde dat 't een
gekleurde potograpfie was. Wat een slecht sujet, zoo'n mooi stuk uit
broodnijd te bederven, maar hij is er kaaltjes van afgekomen, want Jan van
Beers heeft er een lapje in gezet en 't hoofd weer zóó netjes
bijgeschilderd dat men er niets van zien kan, namentlijk van de sneden, Van
Beers heeft daardoor bewezen dat 't geen potograpfie was.
In de Belgische afdeeling heb ik een kennis van Maeceen ontmoet, ook een
kritikus, die schrijft voor een buitenlandsch blad. Wat een rare vent
dierbare vrouw, voor elke schilderij ging hij staan, met de armen over
elkaar en zijn oogen bijna digt geknepen en dan zei hij: "Hm! Hm!" of
"prrrrrt." Hm! Hm! beteekent bij hem vrij goed en Prrrrrt! is een teeken
dat 't hem niet bevalt. Tusschenbeide hoorde ik hem zeggen Psssss! zoo
tusschen zijn tanden, dat deed hij alleen als 't erg mooi was.
Ik luisterde, terwijl ik op een fluweelen bank zat midden in eene der
zalen, ik meen van de Fransche afdeeling een gesprek af tusschen Maeceen en
zijn vriend. Nadaniël die mij kwam opzoeken schreef 't op voor de pers--ik
vond het merkwaardig, dat hij zoo gauw schrijven kon, en heb 't van avond
op mijn gemak van hem overgeschreven, daar ik het nuttig en leerrijk vond
voor u lieve bloedverwanten, om te weten hoe twee critikussen, die hun vak
verstaan over een schilderij oordeelen. Het schilderij stelde voor een
avondstond door Guillon.
Maeceen keek eerst naar den naam en zei: "Guillon?" toen keek zijn vriend
naar den naam op 't doek, keek daaropvolgend Maeceen aan en zei: "Guillon?"
Nadaniël schreef voor 't gemak alleen den naam van hem die sprak net als in
een tooneelstuk,
_Maeceen_: Impressionist?
_Vriend_: Hm! Impressionist!
_Maeceen_: Verder af gaan staan!
_Vriend_: Verder af gaan staan.
_Maeceen_: 'n Beetje groen?
_Vriend_: Groen genoeg!
_Maeceen_: Redelijk van teekening, maar groen, erg groen!
_Vriend_: Spinazieachtig--vet--plakkerig.
_Maeceen_: Vrij goed belicht, nog al natuurlijk van toon, vooral die
horizont.
_Vriend_. Ja hm! er zit wel iets in, maar 't doet niet _dàt_--hm! je
begrijpt me, 't doet niet _dàt_--NB. de vriend wees met zijn duim over de
vingers gelegd naar de schilderij.
_Maeceen_. Juist, 't is _dàt_ niet. och! maar _dàt_ hebben zoo weinig
artisten, er zit anders wel iets in dien...Guillon heet hij niet zoo?
_Vriend_. 'k Zal eens in den Catalogus zien.
_Maeceen_. Als er maar meer natuur in zat. 't Is wat pruikerig.
_Vriend_. Guillon. Hm! Hm!--Psssss!--medaille Parijs 1878, 2e classe
1880--dat dacht ik wel; 't is verdienstelijk geschilderd, dat zag ik op den
eersten blik.
_Maeceen_. Ik zei immers direct, goed van teekening, ik ga nog een beetje
terug. Blikslagers! nu vat ik hem op eens. Daar heb ik hem
gepakt--kolossaal wat een effect!
_Vriend_. Waarachtig Maeceen, ik stond er te dicht bij; nu is 't ook niet
zoo groen, 't is puur natuur, wat een licht hé! verduiveld dat zonnetje
tusschen die boomen is kranig.
_Maeceen_. Je kunt het hebben, dat 't avonds in de natuur zoo groen is; 't
is in 't geheel niet overdreven.
_Vriend_. Wat staat alles los voor mekaar, 't is compleet natuur, en wat 'n
perspectief,
_Maeceen_. Hoe meer ik het bekijk hoe meer ik er _dàt_ je weet wel, _dàt
hm_! dat schuivende in zie.
_Vriend_, 't Schuift kolossaal!
_Maeceen_. Magnifiek! die Guillon is bepaald een kraan.
_Vriend_. Pssst! dat geloof ik--kijk eens aan 't is al verkocht ook, dat
had ik nog niet eens gezien.
_Maeceen_. Dat verwondert mij niet, zoo'n stuk moet verkocht worden.
_Vriend_. 't Is positief een van de beste doeken van de expositie. Waarde
vrouw en nabestaanden, Nadaniël transpireerde, met permissie gezegd, van 't
schrijven, want ze spraken nog al gauw, maar 't is hem toch gelukt. Vindt
gij dit gesprek niet leerrijk, ik uw vader en bloedverwant vond het
merkwaardig, derhalve boekstaafde ik het naar waarheid om u eens te doen
weten hoe men eigentlijk als critikus spreken moet. Ik hoop dat ik 't ook
zoo zal leeren.
Van wegens de stikkende benauwdheid der zalen ben ik even naar buiten
gegaan om een sneeuwballetje te gebruiken.
Vol besluiteloosheid stond ik een oogenblik stil, niet wetende waar ik mij
zoude vervoegen, ten einde het beste sneeuwballetje te verkrijgen.
Ik stond reeds op het punt mij naar de American bar, waarvoor ik een
bijzondere soort van toeneiging gevoel te wenden--toen Nadaniël mij meenam
naar de Fransche Restoraatsie, waar vele menschen zaten onder 't genot van
hun gelag. De Muziek begon te spelen liefelijk en schoon, zoodat ik
onwillig mee neuriede, met beweging van mijn hand op de maat, iets dat
Nadaniël mij verzocht na te laten, nademaal men 't in Amsterdam niet doet,
en men mij licht voor boersch of onopgevoed kon houden.
Ik rustte dus kalm uit van de afmatting der kunst, want, O! waarde
wederhelft er is niets zoo vermoeiend als 't zien van schilderijen, vooral
als men er over moet denken.
Terwijl wij daar geplaatst zaten, gebeurde mij iets wonderlijks. Beste
vrouw kunt gij u ook herinneren dat wij permetasie in Amsterdam hebben? ik
niet, maar toch is het zoo. Er kwamen twee dames naast mij aan het tafeltje
zitten, die mij aankeken als of ze mij jaren hadden gekend en met
gemeenzaamheid goeden dag zeiden.
De eene zei "Dag neef hoe gaat het." Ik was verwonderd aangezien ik nooit
gehoord had van een nicht of anderszins vrouwelijke familie alhier,
nademaal onze familie alleen te Medenblik tehuis is met uitzondering van
den neef weduwnaar uit de Tuinstraat zonder dochters.
De andere dame vroeg heel beleefd of 't mij goed beviel op de
tentoonstelling en ik antwoordde met wellevendheid, naar mijn overtuiging
dat alles prachtig is maar dat ik niet wist, zij een nicht was.
Tusschen twee haakjes de dames schenen heel voornaam want zij waren
prachtig gekleed, in zijde, kant en fluweel met een reuk, die heerlijk in
mijn neus kwam; zoodat ik vroeg of ze bij de O. de kolonje juffrouw waren
geweest. Bovendien schenen zij algemeen geacht en bekend, want iedereen
keek naar haar en er waren fijngekleede heeren, die wel drie of vier maal
voorbijliepen en haar als oude bekenden groetten.
Nadaniël was middelerwijl opgestaan en stond in de verte met een heer te
praten die zeker erg grappig was want zij schudden allebei van 't lachen.
Hij hield mij echter goed in 't oog, want telkens keek hij naar mij om te
zien of ik er nog wel zat. Dit vond ik knap van hem aangezien hij wist dat
ik onbekend ben en zonder hem moeilijk den weg naar huis zou vinden.
Nu komt een zonderling geval. De dame die mij zeide, nicht te zijn gaf mij
haar adreskaartje als ik casuweel lust had om haar te bezoeken, "zij woont
in de Kerkstaat en zij heet ook Komijn--is dit niet zonderling, dierbare
vrouw! Ik vroeg haar namentlijk toen zij "neef zeide," Heet u dan ook
Komijn? waarop zij antwoordde, "natuurlijk, maar om dat 't zoo'n grappige
naam is (hier is wel iets van aan) heb ik op mijn kaartje alleen mijn
voornaam, Henriëtte laten drukken." Een ding is mij toch van haar niet
bevallen hoewel zij en haar vriendin, die Betsy heel allerliefste en
ingetogen meisjes zijn en ik dus alleen aan een vergissing geloof,
namentlijk dit. Zij hadden ieder twee glaasjes port gedronken en nadat zij
beleefd hadden gezegd "avoez, neef" op mijn gezondheid geklonken, een
beleefdheid die ik netjes vond.
Toen waren zij opgestaan, nadat ik beloofd had haar te komen opzoeken om
kennis te maken met de overige nichten (Henriëtte heeft nog 5 zusters in
huis) en wandelend verder gegaan. Wat mij nu niet beviel was dit: de
koffiehuisknecht vroeg mij *f 2.-- voor de vier glaasjes port en op mijn
beleefde weigering te betalen zeide hij: "als jij je nichten tracteert moet
jij betalen vrind!" Een onhebbelijk mensch dien Jan, maar aangezien
_Bedaardheid steeds onbeschoftheid overwint_, betaalde ik, alleen
bejammerend, dat ik den knecht niet beter kon inlichten omtrent het geval.
Wat of Nadaniël scheelde weet ik nog niet; de jongeling was rood van 't
lachen toen hij weer bij mij kwam en vertelde mij, dat die kennis waar hij
meê had staan praten hem zoo had laten lachen over een verhaal van iemand
die een ander had beet gehad. Ik zeide hem, dat 't niet aardig is om iemand
beet te hebben en dat geen braaf en goedhartig mensch 't doet want:
Neemt gij door slimheid anderen beet
Veroorzaakt gij licht smart of leed.
En der onnoozelen rein gemoed.
Nooit booze sluwheid recht bevroedt,
(_Wysheid en Deugd in klein Octavo_.)
Ik zal morgen eens naar de nichten Komijn gaan om te zien of ik weten kan
van welken tak zij zijn. In Enkhuizen heeft voor jaren een achterneef van
vader-dominé Komijn gestaan, misschien zijn het daar kleindochters van, en
als dat zoo is zal ik onzen Klaas medenemen, dan heeft hij nog eens een
fatsoenlijk huis waar hij nu en dan komen kan, dat is altijd veel waard
voor een jong mensch, vooral in eene groote stad, nietwaar, beste
wederhelft! dit zal u ook verheugen.--
N.B. Zend mij dezer dagen een bankje van
*f 25.-- maar laat den brief aanteekenen--'t geld is hier veel gauwer op
dan te huis--, maar dat doet er niet toe, ik wil nu alles zien; gijlieden
geniet er toch evenveel mede door mijn beschrijving--ik vervolg dezelve; om
dezen middag goed te besluiten en nog eenige afleiding te hebben ben ik nog
even in de "Galerie du Travail" geweest. Tot dusverre had ik verzuimd er
in te gaan, maar 't zou toch jammer zijn als ik 't niet gezien had. Deze
Galerij behoort naar mijne meening niet tot de eigenlijke tentoonstelling,
want het is meer een bazaar, waar men van alle kanten wordt vastgehouden om
iets te koopen.