De markies van Saluzzo door de verzoeken van zijn leenmannen
gedwongen tot trouwen, neemt naar vrije keus de dochter van een
dorper. Hij krijgt twee zonen, die hij schijnbaar laat dooden.
Daarna voorgevend zijn vrouw niet meer lief te hebben en een andere
te begeeren, doet hij zijn eigen dochter terugkeeren of die zijn
tweede vrouw wordt, na de moeder in haar hema te hebben weggejaagd.
Wanneer hij haar in alles toegevend ziet, doet hij haar
terugkeeren, hem dierbaarder dan ooit, toont haar de volwassen
zonen, eert haar en doet haar eeren als markgravin.
Toen het lange verhaal van den koning geëindigd was, zeide Dioneo
lachend: De goede man, die de rechte staart wou laten neerhalen van het
spook [192] zou geen twee oortjes gegeven hebben voor al de lofuitingen
van u voor messer Torello. Daar hij alleen nog had te spreken, begon
hij: Mijn lieve donna’s. Naar het mij schijnt, is deze dag gewijd aan
een koning, sultans en meer lieden van dien rang en opdat ik niet
afwijk, wil ik u van een markgraaf verhalen: geen grootmoedige daad
maar een buitengewone beestachtigheid, hoewel er voor hem ten slotte
goeds uit voort kwam. Toch raad ik niemand hem te volgen, want het is
jammer, dat het zoo voor hem eindigde.
Lang geleden was onder de markgraven van Saluzzo de doorluchtigste van
hun huis een jonkman, Gualtieri, die ongetrouwd zijn tijd doorbracht
met de valkenvangst, de jacht en niet aan het huwelijk dacht, waarom
hij zeer wijs verdiende genoemd te worden. Zijn leenmannen beviel dit
niet en zij verzochten hen een vrouw te nemen, opdat hij niet zonder
erfgenaam bleef en zij niet zonder heer. Zij boden zich aan er een van
zulk een waarde te zoeken en van zulk bloed, dat hij goede hoop mocht
koesteren en zeer tevreden zou zijn. Gualtieri antwoordde: Mijn
vrienden. Gij dwingt mij tot iets, wat ik mij voorgenomen had nooit te
doen, daar het moeielijk is er een te vinden, die zich in mijn
gewoonten schikt en groot de overvloed van het tegendeel en hard het
leven van hem, wiens vrouw bij hem niet past. En uw geloof, dat gij uit
de manieren van den vader en moeder de dochters kunt kennen, waardoor
gij mij er een wilt geven, die mij bevalt, is een dwaasheid, omdat ik
niet weet, waar gij de vaders zoudt hebben kunnen kennen of de geheimen
van hun moeders; hoe het ook zij, ook als men ze kent, zijn toch
dikwijls de dochters aan de ouders ongelijk. Maar, omdat gij mij in
ketenen wilt boeien, heb ik er vrede mee. En opdat ik er mij niet over
zal hebben te beklagen, als er kwaad voor mij uit voort komt, zal ik
haar zelf zoeken en wie ik ook kies, als zij door u niet als donna
geëerd wordt, zult gij tot uw groote schade ondervinden, hoe gevaarlijk
het was mij tot een huwelijk te dwingen. De waardige mannen zeiden, dat
zij tevreden waren, mits hij zich maar een vrouw koos. De manieren van
een arm meisje uit een dorp dicht bij zijn kasteel, hadden Gualtieri
zeer behaagd en daar zij hem zeer mooi scheen, dacht hij, dat hij met
haar een gelukkig leven kon leiden en vroeg haar ten huwelijk. Hierna
liet Gualtieri al zijn vrienden uit den omtrek bijeenkomen en sprak tot
hen: Mijn vrienden, het behaagde u, dat ik een vrouw nam meer om u dan
uit eigen beweging. Gij weet, dat gij mij hebt beloofd de donna te
eeren, wie ik ook nemen zou. De tijd is gekomen, dat ik mijn belofte
aan u en gij die aan mij moet nakomen. Ik heb een meisje gevonden hier
heel dicht bij, dat ik als vrouw binnen enkele dagen naar huis leid.
Denk er dus aan, dat het bruiloftsfeest schoon wordt en haar eervol te
ontvangen, opdat ik over u zoo tevreden kan zijn als gij over mij. De
goede lieden antwoordden verheugd, dat zij, wie het ook was, haar in
alles als gebiedster zouden eeren. Hierna maakten zij en ook Gualtieri
zich gereed voor een groot bruiloftsfeest. Vrienden en verwanten en
groote edellieden en anderen uit den omtrek werden uitgenoodigd. Hij
liet verscheidene rijke gewaden maken naar het model van een jonge
vrouw, die hem gelijk van maat scheen met zijn meisje, en ook bestelde
hij gordels, een ring, een fraaien krans en verder al wat voor een
bruid vereischt wordt.
Op den bruiloftsdag steeg Gualtieri op de helft van het derde uur te
paard en sprak tot iedereen, die gekomen was om hem eer aan te doen:
Heeren, het is tijd de bruid te halen. Hij begaf zich met allen naar
het dorp en toen zij het huis van den vader van het meisje bereikt
hadden, ontmoetten zij haar met water van de fontein in grooten haast
terugkeerende. Toen Gualtieri haar ontwaarde, riep hij haar bij haar
naam Griselda en vroeg, waar haar vader was. Zij antwoordde bedeesd:
Mijnheer, hij is in huis. Gualtieri steeg af en na iedereen bevolen te
hebben op hem te wachten, trad hij in de arme hut, waar hij haar vader
Giannucole vond en sprak: Ik ben gekomen om Griselda te huwen, maar
eerst wil ik in haar bijzijn iets van u weten. Ik vroeg haar of zij
altijd, als ik haar tot vrouw genomen heb, haar best zou doen te
behagen en over niets kwaad zou worden en gehoorzaam zou zijn, hetgeen
zij alles toestemde. Toen leidde Gualtieri haar bij de hand naar buiten
en in tegenwoordigheid van het geheele gevolg liet hij haar naakt
uitkleeden, en na de bestelde gewaden te hebben laten komen, liet hij
haar snel kleeden en schoeien en op de nog losse haren een krans
zetten. Toen iedereen zich verwonderde, sprak hij: Heeren, dit is
degene, die ik tot vrouw begeerde, en tot haar, die bloosde en verward
was: Griselda, wilt gij mij tot man? Zij antwoordde: Mijn heer, ja. Hij
zeide: En ik wil u tot vrouw; en in aller bijzijn huwde hij haar. Hij
liet haar op een sierpaard stijgen en eervol begeleid voerde hij haar
naar huis. Daar was de bruiloft schoon en groot en het feest niet
minder dan alsof hij de dochter van den koning van Frankrijk genomen
had. Het scheen, dat de jonggehuwde met de kleeren ook van ziel en
gewoonten veranderde. Zij was schoon van gestalte en gelaat, even
voorkomend, lieftallig en welgemanierd als mooi, niet als een dochter
van Giannucole en een herderin, maar van een edel heer, waarmee zij al
haar kennissen verbaasde. Bovendien was zij zoo gehoorzaam en
gedienstig aan den echtgenoot, dat hij zich voor den best beloonden man
ter wereld hield en evenzoo was zij tegen zijn onderhoorigen zoo
genadig en welwillend, dat ieder haar beminde en eerde en haar welzijn,
gezondheid en voorspoed wenschte. Zij zeiden, dat Gualtieri wijs had
gehandeld als weinigen en de scherpzinnigste man ter wereld was, daar
niemand anders haar hooge deugd verborgen onder haar arme kleeren en
haar dorpsgewoonten had bespeurd. Kortom zij wist niet slechts in haar
markgraafschap maar overal weldra zoo te handelen, dat zij over haar
goedheid deed spreken en het tegendeel deed beweren, indien men iets
gezegd had tegen haar man, toen hij haar trouwde. Zij leefde niet lang
met Gualtieri of zij werd ernstig ziek en beviel van een dochter,
waarover Gualtieri zeer verheugd was. Maar kort daarop kreeg hij een
nieuwe gedachte en wel om haar lijdzaamheid aan een onverdragelijke
proef te onderwerpen. Hij toonde zich toornig en zeide, dat zijn
vazallen zeer ontevreden waren met haar lage afkomst en zij treurig
waren, dat zij een dochter had gekregen en niets deden dan mompelen.
Toen de donna dit hoorde, zeide zij zonder van gelaat te veranderen of
van goed voornemen bij iedere daad: Mijn heer, doe met mij, wat gij
gelooft dat uw eer en vrede is, want ik zal mij met alles vergenoegen,
omdat ik weet, dat ik minder ben dan zij en dat ik de rang niet waardig
ben, waartoe gij mij door uw hoffelijkheid gebracht hebt. Dit antwoord
was Gualtieri zeer aangenaam, omdat zij volstrekt niet trotsch was
geworden, nadat hij haar gezegd had, dat zijn leenmannen haar dochter
niet mochten lijden. Hij gaf aan een zijner knechten bevelen, zond haar
die en deze sprak met zeer treurig gelaat: Madonna, als ik niet wil
sterven, moet ik dat doen, wat mijn heer mij beveelt. Hij heeft mij
bevolen uw kind te nemen en dat ik ... meer zeide hij niet. De donna
begreep, dat hem bevolen was het te dooden. Zij nam het uit de wieg,
kuste en zegende het, hoewel zij groot hartzeer gevoelde en zonder een
spier te vertrekken legde zij het in de armen van den knecht en sprak:
Zie, doe geheel, wat uw en mijn heer u heeft opgedragen, maar zorg, dat
de wilde dieren en vogels het niet verslinden, of het moet u bevolen
zijn. De knecht nam het meisje mee en vertelde aan Gualtieri,
verwonderd over haar standvastigheid, wat de donna gezegd had. Hij zond
hem naar Bologna naar een bloedverwant, die zonder ooit te zeggen, wie
het meisje was, het met zorg grootbracht.
Toen werd de donna op nieuw ziek en beviel van een zoon, die Gualtieri
zeer dierbaar was. Maar daar het hem niet genoeg was, wat hij gedaan
had, trof hij de donna nog pijnlijker en met geveinsden toorn zeide hij
haar eens: Donna, nu gij een knaap hebt gekregen, heb ik het niet met
de mijnen kunnen uithouden, zoo hard verwijten zij mij, dat een
kleinzoon van Giannucole na mij hun heer moet worden, zoodat ik, indien
ik niet verjaagd wil worden, een andere vrouw moet nemen. De donna
antwoordde lijdzaam niet anders dan: Mijnheer, bekommer u niet om mij,
daar niets mij dierbaar is dan uw wil. Kort daarop zond Gualtieri op
dezelfde wijze zijn zoon weg, deed ook of hij die had laten dooden,
doch stuurde hem om hem op te voeden naar Bologna. De donna zweeg weer,
waarover Gualtieri zich zeer verwonderde en in zich zelf beweerde hij,
dat geen andere had kunnen doen als zij. En als hij niet gezien had,
dat zij verzot op haar kinderen was, had hij ondersteld, dat zij om hen
niet gaf, maar hij wist, dat zij gewoon was verstandig te handelen.
Zijn onderhoorigen, denkend, dat hij zijn kinderen had laten ombrengen,
spraken veel kwaad van hem, noemden hem wreed en hadden veel medelijden
met haar. Zij zeide tot de donna’s niets meer dan, dat haar alleen
hetzelfde behaagde als hun vader. Toen reeds vele jaren voorbij gegaan
waren sinds de geboorte van haar dochter en het Gualtieri tijd scheen
de uiterste proef te nemen met haar lijdzaamheid, zeide hij, dat hij
Griselda niet meer tot vrouw wenschte, dat hij slecht en lichtzinnig
had gehandeld door haar te nemen en dat hij daarom van den Paus verlof
wilde erlangen voor een andere, waarover hij door vele goede mannen
gelaakt werd. Hierop antwoordde hij alleen, dat het hem aanstond. Toen
de donna duchtte naar het huis van haar vader terug te keeren en
misschien weer de schapen te moeten hoeden en hem met een andere vrouw
te zien, wien zij slechts goed had gedaan, had zij in stilte zeer groot
verdriet. Maar toch gelijk zij de andere slagen van het lot verdroeg,
besloot zij met strak gelaat ook dit te verduren.
Kort daarop liet Gualtieri valsche brieven van Rome komen en liet aan
zijn leenmannen zien, dat de Paus hem verlof gaf een andere vrouw te
nemen. Daarom riep hij haar tot zich en sprak: Vrouw, door dispensatie,
mij vanwege den Paus verleend, kan ik een andere vrouw nemen; omdat
mijn voorvaderen groote heeren en edellieden in deze streken waren en
de uwen altijd dorpers, wil ik u niet langer tot vrouw. Keer naar het
huis van Giannucole terug met uw bruidschat en dan zal ik een andere
hierheen voeren. De donna, die dit niet zonder groote spanning
aanhoorde, weerhield tegen de natuur der vrouwen haar tranen en sprak:
Mijn heer, ik heb altijd geweten, dat mijn lage afkomst volstrekt niet
met uw adel overeenstemde en wat ik met u geweest ben, erkende ik
altijd door God en door u mij te zijn gegeven. Het behaagt u dit terug
te nemen en dus aan mij dit terug te geven. Zie hier uw trouwring. Gij
beveelt mij u de bruidschat terug te geven. Daarvoor hebt gij niet
noodig mij te betalen met geld of vee, omdat ik niet vergeet, dat gij
mij naakt hebt genomen. En indien gij het eerbaar oordeelt, dat dit
lichaam, waarin ik uw kinderen heb gedragen, door allen gezien wordt,
zal ik naakt heengaan, maar ik bid u, dat gij in ruil voor mijn
maagdelijkheid, die ik hier bracht en niet meenam, mij tenminste een
enkel hemd geeft buiten de bruidschat, die ik niet kan wegvoeren.
Gualtieri, die meer lust had om te huilen dan in iets anders, zeide
toch met hard gelaat: Gij krijgt er een. De aanwezigen baden hem, dat
hij haar een gewaad gaf, opdat men niet zou zien, dat zij, meer dan
dertien jaar zijn vrouw, zoo arm en zoo schandelijk zijn kasteel
verliet, maar te vergeefs. De donna, die allen Gode aanbeval, keerde in
een hemd, barrevoets en zonder hoofddeksel tot haar vader terug onder
tranen en klachten van alle aanwezigen. Giannucole (die nooit had
kunnen gelooven, dat Gualtieri zijn dochter werkelijk als vrouw hield
en dit elken dag verwachtte) had de kleeren bewaard, die zij had
uitgedaan op den morgen, dat Gualtieri haar trouwde. Hij ontving haar
en kleedde haar weer aan. Zij wijdde zich weer aan de kleine zorgen
voor zijn huis en verdroeg met sterke ziel den wreeden aanval van het
vijandige lot.
Hierop berichtte Gualtieri aan de zijnen, dat hij een dochter had
genomen van de graven van Panago en terwijl hij groote toebereidselen
maakte voor de bruiloft, ontbood hij Griselda en zeide haar: Ik breng
deze donna, die ik pas heb genomen en wil, dat zij van het begin af aan
geëerd wordt. Gij weet, dat ik in huis geen vrouwen heb, die de kamers
weten in te richten noch wat voor zulk een feest vereischt wordt.
Daarom moet gij, die dit alles kent, dit doen. Noodig uit, wie u
goeddunkt en ontvang ze, of gij hier meesteres zijt. Dan kunt gij na de
bruiloft naar huis terugkeeren. Hoewel elk woord een messteek was in
het hart van Griselda, die van de liefde voor hem niet zoo licht had
kunnen afstand doen als van de fortuin, antwoordde zij: Mijn heer, ik
ben geheel bereid. Zij ging met haar kleeren van grof en dik laken van
Romagna door dat huis, waar zij kort te voren in haar hemd uit was
gegaan, begon de kamers te reinigen en te ordenen, behangsels en
tapijten in de zalen te brengen, de keuken in orde te maken en zich met
alles bezig te houden, alsof zij een dienstmeisje was. Na aan Gualtieri
te hebben medegedeeld, dat zij al de edelvrouwen uit den omtrek
uitnoodigde, wachtte zij het feest af. Toen de bruiloftsdag aanbrak,
ontving zij, hoewel zij zeer armelijke kleeren aan had, met een
voorname geest en houding al de dames en met blij gelaat. Gualtieri had
zijn kinderen met zorg te Bologna laten opvoeden bij zijn verwante, die
gehuwd was in de familie der graven van Panago. Zijn dochter was al
twaalf jaar oud en de schoonste, die men ooit had gezien en zijn zoon
was zes jaar. Hij verzocht den verwant te Bologna met de kinderen naar
Saluzzo te komen en een fraai en voornaam gezelschap mee te brengen en
allen te zeggen, dat hij het meisje meebracht als zijn vrouw zonder aan
iemand te openbaren, wie zij was. De edelman, die handelde gelijk de
markgraaf het verlangde, ging op reis en kwam kort na het etensuur te
Saluzzo, met de dochter en haar broeder en met een nobel geleide, waar
hij al de boeren en vele andere buren uit den omtrek vond, die de
nieuwe bruid van Gualtieri verwachtten. Toen zij door de donna’s
ontvangen was en in de zaal gekomen, waar de tafels waren, trad
Griselda haar blijmoedig tegemoet en sprak: Madonna, wees welkom. De
edelvrouwen (die vaak, maar vergeefs, Gualtieri hadden verzocht, dat
Griselda in een kamer zou blijven of dat hij haar een van haar vroegere
gewaden leende, opdat zij zoo niet voor de vreemdelingen zou
verschijnen) werden aan tafel gezet en bediend. Het meisje werd door
iedereen bekeken en ieder zeide, dat Gualtieri een goeden ruil had
gedaan, en met de anderen prees Griselda haar zeer en ook haar broeder.
Gualtieri, dien het scheen, dat hij alles gezien had, wat hij van de
lijdzaamheid van zijn vrouw begeerde en dat zij in ’t geheel niet door
de nieuwe gebeurtenissen veranderde en zeker was, dat dit niet
voortkwam uit domheid, vond het tijd haar van die bitterheid te
bevrijden, welke hij meende, dat zij onder een onbewogen gelaat
verborgen hield. Nadat hij haar dus had laten komen, zeide hij in aller
bijzijn glimlachend: Hoe lijkt u onze bruid! Mijn heer, antwoordde
Griselda, zij komt mij zeer goed voor en als zij zoo wijs is als
mooi—want dat geloof ik—twijfel ik niet, dat gij met haar bepaald als
de gelukkigste ridder ter wereld zult leven. Maar zoo ik kan, bid ik u,
dat gij haar niet de smarten veroorzaakt als de andere, vroeger de uwe,
want ik geloof, dat zij die nauwelijks kan verdragen, zoowel omdat zij
een jong meisje is, als omdat zij beter en voornamer is opgevoed,
terwijl de andere van jongs af voortdurend hard moest werken.
Gualtieri, die zag, dat zij die bepaald zijn vrouw waande en toch niet
ongunstiger sprak, zette haar naast zich en zeide: Griselda, het is
thans tijd, dat gij de vruchten plukt van uw langdurige lijdzaamheid en
dat zij, die mij vroeger wreed en onrechtvaardig en dom hebben genoemd,
weten, dat ik dit deed met een voorop gezet doel. Ik wilde u leeren
vrouw te zijn en hun de hunne leeren kiezen en te behouden en mij een
voortdurende rust veroveren voor geheel mijn leven. Ik was hier, toen
ik u tot vrouw nam, zeer bang en om er de proef van te nemen, heb ik u
op zooveel manieren geschokt en gekwetst. Daar ik gezien heb, dat gij u
in woord en daad nooit tegen mijn wil hebt verzet, en het mij voorkwam,
dat ik van u zou hebben, wat ik verlangde, wil ik u in een één uur
teruggeven, wat ik u in velen ontnomen heb en ik zal met de hoogste
vreugde de veroorzaakte wonden herstellen. Neem daarom haar met blij
gemoed, die gij mijn vrouw waant en haar broeder als uw en mijn
kinderen weer aan. Zij zijn het, van wie gij en vele anderen lang
meenden, dat ik ze wreed liet vermoorden en ik ben uw echtgenoot, die u
boven alles bemin en die gelooft zich er op te kunnen beroemen, dat er
geen is, die zoo met zijn vrouw tevreden kan zijn. Toen omhelsde en
kuste hij haar en hij stond op met haar, die schreide van vreugde en
zij gingen samen naar de dochter, die toen geheel overbluft zat, en
toen zij haar en ook den broeder innig had omhelsd, waren zij en de
vele andere aanwezigen bevrijd van hun waan. De donna’s, zeer verheugd
van de tafels opgestaan, gingen met Griselda in de kamer, ontdeden haar
onder de beste voorteekens van de grove dracht, kleedden haar opnieuw
en leidden haar als edelvrouw, wat zij zelfs onder haar lompen scheen,
naar de zaal. Daar maakte men met de kinderen een wonderbaar feest,
daar ieder er vroolijk over was en vermeerderde men de blijdschap en de
feestelijkheid en verlengde die vele dagen en noemden zij Gualtieri
zeer wijs, hoewel zij de proeven met zijn donna genomen voor al te
wreed en ondragelijk hielden en bovenal vonden zij Griselda zeer
verstandig. De graaf van Panago kwam na eenige dagen van Bologna terug
en Gualtieri, die Giannucole uit zijn werk had gehaald, behandelde hem
als zijn schoonvader, zoodat hij met eere en zeer gelukkig voortaan op
zijn ouden dag leefde. Gualtieri, die zijn dochter voornaam uithuwde,
leefde lang en gelukkig met Griselda en eerde haar steeds, zooveel hij
kon.
Wat kan men hier anders zeggen dan, dat engelengeesten in armelijke
harten afdalen, gelijk men in de koninklijke paleizen er vindt, die
eerder waard zijn zwijnen te hoeden dan adelsrechten uit te oefenen
over de menschen? Wie anders dan Griselda zou met een niet alleen strak
maar blij gelaat de harde en ongehoorde proeven hebben verduurd van
Gualtieri? Het zou voor hem misschien niet kwaad zijn geweest, als hij
er eene getroffen had, die, nadat hij deze in haar hemd uit het huis
had gejaagd, zich door een ander de peluw had laten schudden om er
slechts een mooi gewaad voor te krijgen.
Het verhaal van Dioneo was uit en de donna’s, zeer verschillend van
meening, prezen en laakten. De koning, met het gelaat ten hemel,
ziende, dat de zon al laag was op het uur van den vesper zonder zich
van zijn zetel te verheffen begon aldus te spreken: Schoone donna’s.
Naar ik geloof, weet gij, dat het verstand der stervelingen niet alleen
daarin bestaat de vroegere dingen in het geheugen te bewaren en het
tegenwoordige te begrijpen, maar door beide de toekomstigen te kunnen
voorzien, waarvoor groote mannen befaamd waren. Het zal morgen veertien
dagen zijn, dat wij uit Florence gingen om ons te vermaken tot behoud
van onze gezondheid en ons leven en tot de verslagenheid en de smarten
en de angsten, door de pest in onze stad, weken. Dit hebben wij naar
mijn oordeel eerbaar gedaan. Daarom, als ik wel heb gezien, hoezeer de
histories vroolijk waren en misschien tot den bijslaap aantrekken, ook
het voortdurend eten en drinken en het spelen en zingen, alles dingen,
die zwakke zielen tot minder eerlijke dingen leiden, heeft men geen
daad, geen woord, niets van uwe of onze zijde kunnen laken.
Voortdurende eerbaarheid, eendracht en broederlijke welwillendheid heb
ik hier gekend, wat zeker u tot eer en nut en mij zeer aangenaam is.
Maar opdat er uit een al te lange gewoonte geen verveling ontstaat en
opdat een al te lang verblijf niet tot twist leidt en daar ieder
gedurende zijn dag dat deel van de eer heeft gehad, dat ik nog geniet,
oordeel ik, wanneer het u mocht behagen, dat het goed zou zijn terug te
keeren. Anders, indien gij er wel over denkt, zou ons gezelschap, reeds
bij vele anderen in den omtrek bekend, zich zoo kunnen vermeerderen,
dat al ons genoegen zou ophouden en als gij mijn raad goedkeurt, zal ik
mijn kroon tot ons vertrek bewaren, wat ik morgen wensch te doen. Als
gij er anders over denkt, ben ik al gereed te kiezen, wie ik voor den
volgenden dag moet kronen.
De redeneeringen tusschen de donna’s en de jongelieden waren velen,
maar ten slotte beschouwden zij den raad des konings als nuttig en
rechtmatig en zij besloten aldus te doen. Zij lieten dus den hofmeester
roepen en men sprak met hem af, hoe men den volgenden morgen zou
handelen. Nadat het gezelschap vrijaf had gekregen tot het uur van het
avondmaal, stond men op. De donna’s en de anderen gaven zich als
steeds, deze aan dit, gene aan dat vermaak over. Op het uur van het
avondmaal zaten zij met het grootste genoegen aan en daarna begonnen
zij te zingen, te spelen en te dansen. En terwijl Lauretta een dans
leidde, beval de koning aan Fiammetta een lied te zingen, dat zij zeer
bekoorlijk begon:
Indien Amor zonder ijverzucht zou komen
Weet ik niet, of er één donna ter wereld zou wezen
Meer verheugd dan ik.
Indien blijde jeugd
Met een schoonen minnaar een donna gelukkig maken moet
Of waarde van deugd
Of moed of dapperheid,
Verstand, fraaie manieren of sierlijke taal
Of volmaakte bekoorlijkheden
Ben ik die, zeker want tot mijn heil
Verliefd zag ik
Die allen in hem, die mijn hoop is.
Maar omdat ik bemerk,
Dat andere donna’s even wijs zijn als ik,
Beef ik van angst
En vrees ik voor erger.
Want ik zie bij de anderen dezelfde begeerte,
Die mij de ziel ontneemt;
En wat mij het hoogste geluk is,
Maakt mij troosteloos,
Doet mij diep zuchten en ellendig leven.
Als ik zoo vertrouwde
In mijn heer als ik zijn waarde besef,
Zou ik niet jaloersch zijn;
Maar men ziet er zooveel,
Wie het ook zij—die den minnaar verlokken,
Dat ik ze allen voor schuldig houd.
Dit bedroeft mij en ik zou gaarne sterven,
En van elk, die hij aanziet,
Vermoed ik en vrees ik, dat zij hem meesleept.
Bij God, dat elke donna
Gewaarschuwd zij, dat zij niet overlegt
Mij hiermee te grieven
Want als er een zou wezen,
Die met woorden of teekens of liefkoozingen
Mij hierin zou schaden,
Of die veroorzaken en ik het zou weten
Zou ik misvormd willen worden,
Als ik haar niet bitter die dwaasheid deed beweenen.
Toen Fiammetta haar zang had geëindigd, sprak Dioneo lachend aan haar
zijde: Madonna, het zou een groote beleefdheid zijn Uw minnaar aan al
de donna’s te doen kennen, opdat men niet door onwetendheid U zijn
bezit ontrooft, daar gij er toornig om zoudt kunnen worden. Vervolgens
zongen vele anderen hierover en toen het haast middernacht was, gingen
allen, naar het den koning behaagde, rusten. En toen de nieuwe dag
verscheen en de hofmeester al het noodige reeds vooruit had gestuurd,
stonden zij op en gingen onder de leiding van den verstandigen koning
op weg naar Florence. Nadat de drie jongelieden de zeven donna’s in de
Santa Maria Novella hadden achtergelaten, de kerk, waaruit zij met hen
waren vertrokken en zij van hen verlof hadden gekregen, gaven zij zich
aan hun andere genoegens over. Wat de donna’s betreft, die gingen, toen
het hun tijd scheen naar huis.