Saladin vermomd als koopman wordt ontvangen door messer Torello,
die een Kruistocht medemaakt. Messer Torello stelt voor zijn vrouw
een termijn om weer te mogen huwen. Hij wordt gevangen genomen en
door den Sultan opgemerkt als valkenier. De Sultan herkent hem en
wordt herkend en ontvangt hem zeer goed. Messer Torello wordt ziek
en wordt door tooverkunst in één nacht naar Pavia overgebracht op
de bruiloft, welke men voor zijn hertrouwde vrouw maakte, door haar
herkend en keert met haar naar huis terug.
Fiametta eindigde en de grootmoedige dankbaarheid van Titus werd door
allen gelijkelijk geprezen, toen de koning de laatste vertelling
bewarend voor Dioneo aldus begon te spreken: Begeerenswaardige donna’s.
Filomena sprak over de vriendschap de waarheid en met recht beklaagde
zij zich aan het einde, dat die zoo weinig door de stervelingen
gewaardeerd wordt. En als wij hier waren om de gebreken der wereld te
verbeteren of toch ze te laken, zou ik met langer gesprek haar woorden
vervolgen, maar omdat ons doel een ander is, viel het mij in u met een
vrij lange geschiedenis, maar toch aardig, een grootmoedigheid van
Saladin te verhalen, opdat gij daaruit zult hooren, dat, zoo men niet
de gansche vriendschap van iemand door onze ondeugden kan winnen, men
althans er genoegen in kan hebben een dienst te bewijzen, hopend,
dat—hoe ook—daaruit een belooning volgen zal.
Ten tijde van keizer Frederik den Eerste ondernam men een algemeenen
kruistocht om het Heilige Land te veroveren. Saladin, een zeer waardig
heerscher en toen Sultan van Babylon [191], die daar al van te voren
iets van hoorde, nam zich voor zelf de toebereidselen er van te
aanschouwen om beter gereed te staan. Hij regelde al zijn zaken in
Egypte, gaf voor een pelgrimstocht te doen en begaf zich met twee van
zijn grootste en wijste mannen en slechts drie dienaren als koopman
vermomd op weg. Zij zwierven door vele christelijke landen en door
Lombardije rijdend om de bergen over te gaan, ontmoetten zij op weg van
Milaan naar Pavia een edelman, messer Torello d’Istria van Pavia, die
met zijn knechten, honden en valken zich naar zijn landgoed begaf aan
den Tessino. Zoodra Torello ze zag, begreep hij, dat zij edellieden en
vreemden waren en wenschte hij ze te onthalen. Toen Saladin aan een van
zijn dienaren vroeg, hoever Pavia nog af was en of hij er bijtijds kon
binnenkomen, liet Torello den knecht niet antwoorden, maar hij zelf
sprak: Heeren, gij kunt Pavia niet bijtijds binnentreden. Dan, vroeg
Saladin, behage het u ons te wijzen, waar wij het best verblijven,
omdat wij vreemdelingen zijn. Torello sprak: Dat zal ik gaarne doen; ik
was juist op het punt een der mijnen in de buurt van Pavia te sturen.
Ik zal hem u meegeven en hij zal u leiden naar een plaats, waar gij
zeer goed kunt verblijven. Hij gelastte de verstandigste van zijn
onderhoorigen, wat hij te doen had en zond hem met dezen weg. Hij ging
naar zijn landgoed en liet snel een goed avondmaal gereed maken en de
tafels in zijn tuin zetten en daarna wachtte hij ze aan de deur. De
knecht sprak met de edellieden over verschillende dingen en voerde ze
langs bepaalde wegen om naar het landgoed van zijn heer, zonder dat zij
het merkten. Toen Torello hen zag, ging hij ze te voet tegemoet en
sprak lachend: Heeren, wees allen welkom. Saladin, die zeer hoffelijk
was, bemerkte, dat deze ridder er aan twijfelde, dat hij de
uitnoodiging niet zou hebben aangenomen, als hij dit gedaan had, toen
hij hem op weg aantrof, en hij ze met overleg naar zijn huis geleid
had, opdat ze niet konden weigeren den avond met hem door te brengen en
den groet beantwoordend, sprak hij: Messer, indien men zich kon
beklagen over de hoffelijkheid van de menschen, moesten wij het over u
doen, die, daargelaten, dat gij ons belet hebt onzen weg te vervolgen,
ons gedwongen hebt, en die, terwijl uw welwillendheid voor ons slechts
een groet waard was, zoo hoffelijk waart. De wijze en welsprekende
ridder antwoordde: Heeren, wat gij van ons ontvangt, zal bij hetgeen
voor u passen zou, naar uw uiterlijk te oordeelen, een povere ontvangst
worden, maar werkelijk buiten Pavia zoudt gij het nergens goed treffen
en daarom moge het u niet hinderen, dat gij wat zijt omgeloopen om wat
meer geriefelijkheid te hebben.
Zoo sprekend hadden zijn bedienden de reizigers omringd, die afgestegen
waren en voerden de paarden weg en Torello leidde de drie edellieden
naar hun kamer, waar hij ze de laarzen liet uittrekken en verfrisschen
met zeer jongen wijn. Hij hield ze in aangename gesprekken tot het
maal. Saladin en zijn metgezellen en alle bedienden kenden Latijn,
zoodat ze elkaar zeer goed verstonden en het scheen aan hun allen, dat
die ridder de aardigste en beleefdste man was en beter praatte dan wie
ze ook kenden. Messer Torello schenen zij edele mannen en veel meer dan
hij eerst had gedacht, waarom hij het in stilte betreurde, dat hij ze
niet met gezelschap en een statiger gastmaal dien avond kon onthalen.
Daarom wilde hij dit den volgenden morgen herstellen en na een van zijn
bedienden gezegd te hebben, wat hij doen wilde, zond hij hem naar zijn
vrouw, die zeer verstandig en grootmoedig was, te Pavia, bij wie men de
poorten nooit sloot. Daarna leidde hij de edellieden in den tuin en
vroeg ze hoffelijk, wie zij waren. Saladin antwoordde: Wij zijn
cyprische kooplieden en gaan voor onze zaken naar Parijs. Torello ging
voort: Mocht het God behagen, dat onze streek zulke edellieden
voortbracht, als Cyprus kooplieden oplevert. En toen men hierna over
meer had gesproken, werd het tijd om te avondmalen. Hij noodigde ze uit
het maal eer aan te doen. Toen de tafel was opgeheven, zag Torello
spoedig, dat zij moede waren en liet ze in zeer schoone bedden slapen.
De knecht deed de boodschap te Pavia aan de donna, die niet met
vrouwelijke maar met koninklijke ziel dadelijk een groot aantal
vrienden en dienaren van Torello liet roepen, alles voor een grootsch
gastmaal liet gereed maken en bij toortslicht vele der edelste burgers
liet uitnoodigen. Ze liet lakens halen en zijden stoffen en
eekhoren-vellen en daarmee alles opsieren. Bij den dageraad stonden de
edellieden op, waarna Torello te paard steeg. Hij liet zijn valken
komen, leidde ze naar een naburig moeras en liet hun zien, hoe ze
vlogen. Maar toen Saladin iemand verlangde, die hem naar Pavia en naar
de beste herberg zou leiden, zeide Torello: Dat doe ik, daar ik er heen
moet. Zij waren daarmee tevreden en gingen tegelijk met hem op reis en
toen het al drie uur was en zij bij de stad waren gekomen en meenden,
dat zij naar de beste herberg waren gegaan, bereikten zij het huis van
Torello, waar wel vijftig van de edelste burgers waren om de ridders te
ontvangen, die dadelijk hun toomen en paarden omringden. Saladin en
zijn gezellen begrepen al te wel, wat dit beteekende en zeiden: Messer
Torello, dat hebben wij niet gevraagd; gij hebt den vorigen nacht
genoeg gedaan en meer dan wij verlangden. Hij antwoordde: Heeren, wat
gisteravond gedaan werd, weet ik, is meer te danken aan het toeval dan
aan u, zoodat gij noodzakelijk in mijn klein buiten moest komen. Wat
dat van morgen betreft, ben ik aan u verplicht en met mij al die edele
burgers, die u omringen, aan wien gij, als het u beleefd schijnt, kunt
weigeren met u te ontbijten.
Saladin en zijn metgezellen werden overreed, stegen af en werden door
de edellieden ontvangen, en naar de kamers geleid, die zeer rijk voor
hen waren versierd. Nadat zij hun reisgewaad hadden afgelegd en zich
wat hadden verfrischt, kwamen zij in de zaal, waar alles prachtig
gereed was gemaakt.
Toen het water voor de handen was aangereikt en men zich aan tafel had
gezet, werden zij rijkelijk met vele spijzen bediend, zoodat, als de
keizer er gekomen was, men hem niet meer eer had kunnen bewijzen. En
hoewel Saladin en zijn metgezellen groote heeren waren en gewoon groote
dingen te zien, verwonderden zij zich toch zeer en het scheen hun des
te fraaier, daar zij wisten, dat de ridder een burger was en geen
vorst. Toen men na den eten over andere dingen wat gesproken had,
gingen de edellieden van Pavia, daar het zeer warm was, naar Torello’s
wensch wat rusten en hij bleef met hun drieën achter en trad met hen in
een kamer, opdat alles wat hem dierbaar was, door hen gezien werd en
liet daarom zijn waardige vrouw roepen. Deze groot en schoon van
gestalte en rijk gekleed trad tusschen haar twee zoontjes, die
engeltjes geleken, op hen toe en groette ze bekoorlijk. Zij stonden op
en ontvingen haar met eerbied en na haar tusschen zich geplaatst te
hebben vleiden zij haar zeer met haar twee zoontjes. Maar toen zij met
hen een aangenaam gesprek had aangeknoopt en Torello een oogenblik was
heengegaan, vroeg zij lieftallig, waar zij vandaan kwamen en
heengingen. Zij antwoordden daarop als aan Torello. Toen sprak de donna
met blij gelaat: Nu zie ik, dat vrouwelijk doorzicht nuttig kan zijn en
daarom bid ik u, dat gij mij de bijzondere gunst bewijst deze kleine
gift niet te weigeren noch dit kwalijk te nemen, dat ik die liet komen,
maar omdat de donna’s naar hun kleinen geest kleine geschenken geven
moet gij hierbij meer letten op de goede gezindheid dan op de
hoeveelheid. Zij liet voor hen twee paar gewaden komen, het een
geborduurd met zijde en het andere met eekhoornvel niet passend voor
burgers of kooplieden maar voor ridders en drie rokken van taf en
linnen en zeide: Neem die, ik heb u gekleed met de gewaden van mijn
heer. Wanneer gij er acht op geeft, dat gij ver van uw vrouwen zijt en
op de lengte van de gemaakte reis en op die, welke gij nog maken moet
en dat de kooplieden zindelijke en gemakzuchtige menschen zijn, zullen
zij u van nut wezen, hoewel ze weinig waarde hebben.
De edellieden verwonderden zich en bemerkten, dat Torello in geen enkel
opzicht zijn hoffelijkheid jegens hen wilde verwaarloozen en zij
twijfelden er aan, terwijl zij de voornaamheid van de koopvrouw zagen,
dat Torello hen niet kende. Maar toch antwoordde een van hen: Madonna,
dat zijn prachtige kleederen en dat is niet licht aan te nemen, indien
uw beden er ons niet toe dwongen. Daarna keerde messer Torello terug en
de donna beval ze Gode aan en vertrok en liet hun bedienden ook van
dergelijke gewaden voorzien. Torello verzocht hen met veel aandrang,
dat zij dien ganschen dag bij hem bleven. Daarom na te hebben geslapen
en in hun gewaden gekleed gingen zij met hem wat door de stad rijden en
toen het uur van het avondmaal gekomen was, aten zij met voorname
dischgenooten zeer overvloedig. Toen het tijd was, gingen zij rusten en
bij dageraad stonden zij op en vonden in plaats van hun vermoeide
knollen drie zware en goede ridderpaarden en ook nieuwe en sterke
dieren voor hun knechten. Saladin keerde zich hierbij tot zijn
metgezellen en sprak: Ik zweer bij Allah, dat ik nooit een beschaafder,
hoffelijker en voorkomender man gezien heb als deze en als de
christelijke koningen zoo vorstelijk zijn als deze ridderlijk is, zal
de sultan van Babylon niet hoeven te verwachten, dat een hunner, nog
minder zoovelen als er zijn, hem zullen aanvallen om niet te spreken
van hen, die zich gereed maken. Maar wetend, dat hij tevergeefs zijn
geschenken zou weigeren, bedankten zij daarvoor zeer beleefd en stegen
te paard. Messer Torello begeleidde hen een heel eind en hoezeer het
scheiden van Torello Saladin moeite kostte, zooveel vriendschap had hij
voor hem opgevat, toch gedwongen voort te gaan, verzocht die hem terug
te keeren. Deze, hoe hard het hem ook viel te scheiden, zeide: Heeren,
ik wil het doen, omdat het u behaagt, maar dit zeg ik u: ik weet niet,
wie gij zijt, noch wil ik er meer van weten, dan gij verkiest; maar wie
gij ook zijt, gij zult mij geen oogenblik doen gelooven, dat gij
kooplieden zijt en ik beveel u Gode aan. Saladin, die reeds van alle
bedienden van Torello afscheid had genomen, antwoordde hem: Messer, het
zal nog kunnen voorkomen, dat wij u onze koopwaar kunnen toonen,
waardoor wij uw geloof zullen bevestigen en ga met God.
Saladin en zijn metgezellen vertrokken met het vaste voornemen, dat als
zijn leven gespaard bleef en de oorlog, dien hij verwachtte, niet zijn
val zou zijn, niet minder eer te bewijzen aan messer Torello dan deze
hem had gedaan: en hij sprak veel van hem en zijn vrouw en prees alles
steeds meer. Toen hij het geheele Westen met groote inspanning was
doorgetrokken en in zee was gestoken, ging hij met zijn metgezellen
terug naar Alexandrië en maakte zich geheel ingelicht tot de
verdediging gereed. Messer Torello keerde naar Pavia terug en in lang
nadenken wie die drie konden wezen; maar hij kwam daar niet achter.
Toen de tijd voor den Kruistocht gekomen was en overal groote
toebereidselen gemaakt werden, wilde messer Torello ondanks de beden en
tranen van zijn donna beslist heengaan en toen alles klaar was om op te
stijgen, zeide hij haar, die hij ten zeerste liefhad: Donna, gelijk gij
ziet, ga ik bij die kruisvaart mee tot eer van mijn persoon en tot heil
van mijn ziel; ik beveel u onze zaken aan en onze eer en daar ik zeker
ben van het heengaan maar door duizend gevallen, die zich kunnen
voordoen heelemaal niet zeker van den terugkeer, wil ik, dat gij mij
een groote gunst bewijst: Wat er ook gebeure, zoolang gij geen
tijdingen hebt omtrent mijn leven, dat gij één jaar en één maand en één
dag op mij zult wachten, te beginnen van af heden, mijn vertrek. De
donna, die zeer schreide, antwoordde: Messer Torello, ik weet niet, hoe
ik de smart zal verduren, waarin gij mij achterlaat, maar zoo mijn
leven sterker is dan deze en U het tegendeel mocht overkomen, leef en
sterf in de zekerheid, dat ik als vrouw van messer Torello en van zijn
nagedachtenis zal leven en sterven. Hierop antwoordde hij: Vrouw, ik
ben er zeker van, dat, voor zoover het van u afhangt, wat gij belooft,
gebeuren zal, maar gij zijt een jonge vrouw en schoon en van voorname
familie en uw deugd is groot en overal bekend: daarom twijfel ik niet,
dat vele voorname en edele mannen, als er niets van mij gehoord wordt,
u zullen vragen aan uw familie. Gij zult u tegen hun aanzoeken, hoezeer
gij ook wilt, niet kunnen verzetten en door geweld zult gij hun wil
moeten doen. Dit is de reden, waarom ik u dien termijn en geen
grooteren stel. De donna sprak: Ik zal doen, wat ik zal kunnen en
wanneer ik toch iets anders zou moeten doen, zal ik u zeker
gehoorzamen. Ik bid God, dat gij binnen dien termijn terugkeert. De
donna omhelsde schreiend Torello; zij trok een ring van den vinger, gaf
hem dien en sprak: Indien ik sterf, zoo ik u niet terugzie, denk dan
aan mij, als gij dien zien zult. Hij nam dien aan, steeg te paard en na
allen vaarwel gezegd te hebben, ging hij op reis. Te Genua ging hij met
zijn gezelschap op een galei en kwam spoedig te Acre en vereenigde zich
met het andere leger van de Christenen, waarin dadelijk een zware,
besmettelijke ziekte uitbrak. Intusschen, of het de krijgskunst of de
kans van Saladin was, het overschot der Christenen daaraan ontsnapt
werd door hem gevangen genomen en in vele steden verdeeld en gekerkerd.
Ook messer Torello werd te Alexandrië in de gevangenis gezet. Daar men
hem niet kende en hij vreesde zich te doen kennen, begon hij door
noodzakelijkheid gedwongen vogels te fokken, waarin hij een groot
meester werd en daardoor de aandacht trok van Saladin. Deze liet hem
daarom vrij en hield hem als zijn valkenier. Messer Torello, die niet
anders dan de christen van Saladin genoemd werd, die hem niet herkende,
noch de Sultan hem, had zijn gedachten in Pavia en had meermalen
beproefd te vluchten, maar het was hem nooit gelukt Toen eenige
Genueezen als gezanten bij den Sultan kwamen om verscheidene
medeburgers los te koopen en vertrekken moesten, schreef hij in een
brief aan zijn vrouw, dat hij leefde en zoo spoedig mogelijk bij haar
zou terugkeeren en dat zij hem zou verwachten. Hij bad vurig een der
gezanten, dien hij kende, dat hij zou zorgen dien in handen te stellen
van den abt van San Pietro di Ciel d’oro, die zijn oom was. Eens sprak
Saladin hem over zijn vogels; Torello glimlachte en maakte een beweging
met zijn mond, die Saladin, toen hij te Pavia was, meermalen had
opgemerkt. Daardoor keek hij hem strak aan en hij herinnerde zich
Torello. Hij staakte dit gesprek en zei: Zeg mij, Christen, uit welk
land van het Westen zijt gij? Mijnheer, zeide Torello, ik ben
Lombardiëer uit de stad Pavia, een arm man en van lagen stand. Toen
Saladin dit hoorde, haast zeker van datgene, waaraan hij twijfelde,
zeide hij verheugd in zich zelf: God heeft mij de gelegenheid gegeven
hem te toonen, hoe aangenaam zijn hoffelijkheid mij was en zonder meer
liet hij al zijn kleeren in een kamer brengen, voerde hem er in en
sprak: Kijk, christen, of er onder die gewaden geen is, dat gij ooit
hebt gezien. Torello zag die, welke zijn vrouw aan Saladin had
geschonken, maar dacht, dat die het niet konden wezen en antwoordde:
Mijnheer, ik ken er geen van; het is wel waar, dat die twee op rokken
gelijken, waarmee ik drie kooplieden, die bij mij verblijf hielden,
gekleed heb. Toen kon Saladin zich niet meer houden, omhelsde hem innig
en sprak: Gij zijt messer Torel d’Istria en ik ben een van de drie
kooplieden, aan wien uw donna die rokken heeft gegeven en nu is het
tijd om u zekerheid te geven omtrent mijn koopwaar, gelijk ik u bij
mijn vertrek zeide, dat gebeuren kon. Torello verheugde zich zeer en
schaamde zich. Hij was blij hem te gast te hebben gehad en verlegen,
omdat hij hem armelijk ontvangen had. Saladin sprak: Messer Torello,
omdat God u hier gezonden heeft, denk, dat ik niet meer hier de heer
ben maar gij. Na te samen een groot feest te hebben gevierd, deed hij
hem koninklijk kleeden en na hem voor al zijn groote baronnen te hebben
gebracht en veel tot zijn lof te hebben gezegd, beval hij, dat elk zijn
gunst op prijs zou stellen en dat hij even geëerd zou zijn als hij
zelf. Dit deed van toen af iedereen, maar veel meer dan de anderen de
twee heeren, die Saladin’s metgezellen in zijn huis waren geweest.
De grootte van de plotselinge glorie, waarin Torello zich bevond, deed
hem een weinig de dingen uit Lombardije vergeten, vooral omdat hij vast
hoopte, dat zijn brieven zijn oom zouden bereiken. In het kamp, waar
het leger der Christenen, op den dag, dat zij door Saladin gevangen
werden genomen, zich bevond, was een provençaalsch ridder van weinig
beteekenis gestorven, die messer Torello de Dignes heette. Daar Torello
d’Istria door het heele leger om zijn adel bekend was, hoorde ieder
zeggen: messer Torello is dood en geloofde, dat het Torello d’Istria
was en zijn gevangenneming hield de bedrogenen in dien waan. Vele
Italianen, waaronder er verscheiden durfden beweren, dat ze hem dood
gezien hadden, gingen met die tijding terug en beweerden zelfs, dat ze
bij de begrafenis geweest waren. Toen zijn familie dit wist, was dit de
oorzaak van zeer groote en onnoemelijke droefheid, niet alleen bij deze
maar bij al zijn kennissen. Groot was de rouw en treurigheid van zijn
vrouw, die eenige maanden voortdurend in tranen doorbracht en toen zij
wat minder begon te treuren en door vele voorname mannen van Lombardije
gevraagd werd, drongen haar broeders bij haar aan te hertrouwen. Zij
weigerde vaak met groot geklaag, maar ten slotte gedwongen volgde zij
het verlangen van haar familie met inachtneming van de voorwaarde, die
zij aan Torello beloofd had. Omstreeks acht dagen voor haar huwelijk,
zag Torello te Alexandrië een man, die hij met de Genueesche gezanten
op de galei had zien stijgen, die naar Genua ging. Hij liep op hem toe
en vroeg hem, hoe de reis geweest was en wanneer zij te Genua waren
aangekomen. Hij sprak tot hem: Mijnheer, ik hoorde te Creta, dat de
galei een slechte reis deed. In de buurt van Sicilië verhief zich een
gevaarlijke storm, die haar op de zandbanken van Barbarije deed
stooten. Geen levende ziel ontkwam en twee van mijn broeders kwamen om.
Torello geloofde deze woorden en herinnerde zich, dat de termijn binnen
kort eindigen zou en daar hij dacht, dat zijn toestand te Pavia niet
bekend was, achtte hij het zeker, dat zijn vrouw hertrouwd zou zijn.
Hij verloor van verdriet zijn eetlust, legde zich te bed en wilde
sterven. Saladin hoorde dit en vernam na ernstig aandringen zijn smart
en ziekte, en laakte, dat hij dit niet eerder gezegd had. Hij smeekte
hem beter te worden bewerend, dat hij dan zou beproeven hem op den
bepaalden termijn naar Pavia te voeren. Torello geloofde hem en daar
hij vaak had gehoord, dat dit meermalen was gebeurd, begon hij aan te
sterken en bij Saladin op spoed aan te dringen. Saladin gelastte aan
een toovenaar, dat die een weg zou vinden om Torello in één nacht op
een bed naar Pavia te vervoeren. Hij antwoordde, dat dit zou gebeuren,
maar dat hij in diepen slaap moest zijn. Toen dit geregeld was, ging
Saladin tot Torello terug en daar hij hem geheel bereid vond op den
bepaalden datum in Pavia te zijn of, als dit niet kon, te sterven,
sprak hij: Messer Torello, als gij uw vrouw innig lief hebt en gij er
niet aan twijfelt, dat zij de vrouw van anderen wordt, weet God, dat ik
u geenszins zou laken, omdat zij van alle donna’s, die ik ooit zag,
degene is, die in gewoonten, manieren en wijze van optreden,
daargelaten haar schoonheid, slechts een vergankelijke bloem, mij het
meest van allen te loven en beminnenswaardig schijnt. Het zou mij zeer
aangenaam zijn, omdat de fortuin u hierheen zond, dat wij zullen leven
als heeren, gelijk wij tijdens mijne regeering geleefd zouden hebben.
Omdat God het niet toe stond, toen het in u opkwam te sterven of naar
Pavia te gaan voor den gestelden termijn, verlangde ik zeer tijdig te
weten met welke eer, grootheid en het gevolg, dat uw deugd verdient, ik
u naar uw huis moest laten voeren. Dit is mij niet gegund, maar daar
gij verlangt er spoedig te zijn, zal ik u er toch heen zenden. Torello
antwoordde: Mijn heer, zonder uw woorden hebben uw daden mij genoeg uw
welwillendheid getoond, die ik niet in zoo hooge mate verdiende en ik
zal gerust leven en sterven. Maar omdat ik die keus deed, bid ik u om
dit spoedig te doen, want het is morgen de laatste dag, waarop ik
verwacht wordt. Saladin antwoordde, dat hij er voor zou zorgen en den
volgenden dag liet Saladin in een groote zaal een rein, schoon en rijk
bed van matrassen opmaken, allen naar hun gewoonte van fluweel en
goudlaken. Hij liet er een pronkdeken op leggen bewerkt met ornamenten
van zeer groote parels en met zeer kostbare steenen, die in het Westen
zeer hoog geschat worden en twee oorkussens, gelijk daarbij vereischt
wordt.
Toen beval hij Torello, die herstelde, een gewaad aan te doen op
saraceensche manier, het rijkste en het mooiste, wat ooit door iemand
gezien was en plaatste hem op het hoofd een van zijn grootste
tulbanden. Het was al laat, toen Saladin zich met velen van zijn
baronnen in die kamer begaf. Hij ging naast hem zitten en sprak
bedroefd: Messer Torello, het uur van scheiden nadert en omdat ik u
niet kan vergezellen noch laten begeleiden, nu de weg het niet
toestaat, neem ik hier afscheid van u. Voordat ik u dus bij Allah
aanbeveel, bid ik u bij onze vriendschap, dat gij aan mij denkt en
indien het mogelijk is, voordat onze leeftijd vervuld is, dat gij, als
gij uw zaken in Lombardije geregeld hebt, tenminste één keer mij komt
opzoeken, opdat ik dan verheugd de leemte kan aanvullen, die ik thans
moet verdragen. Gij moet geen bezwaar maken mij brieven te sturen en
mij alles te vragen, wat gij wenscht, en wat ik voor u liever doen zal
dan voor wie ook. Torello kon zijn tranen niet weerhouden en door dezen
belemmerd, antwoordde hij, dat hij onmogelijk zijn weldaden en zijn
waarde zou vergeten en dat hij zou doen, wat hij hem aanbeval, mits hem
de tijd daartoe verleend werd. Saladin omhelsde hem innig en zeide met
vele tranen: Ga met God en ging de kamer uit; al de andere baronnen
namen daarop afscheid van hem en gingen met Saladin in die zaal, waar
het bed geplaatst was. Daar de toovenaar het oogenblik van vertrek
afwachtte en het bespoedigde, kwam er een dokter met een drank. Hij gaf
hem dien als versterking en kort daarop sliep hij in. Zoo werd hij op
bevel van Saladin in zijn fraai bed vervoerd, waarop hij een kostbaren
krans plaatste en kenmerkte dien zoo, dat men later wel begrijpen kon,
dat deze door Saladin aan de vrouw van Torello was gezonden. Daarop
deed hij aan den vinger van Torello een ring, waarin een robijn gezet
was, glanzend als een toorts van haast onschatbare waarde. Vervolgens
liet hij hem een degen aangorden, waarvan het beslag niet licht te
schatten was en hij liet hem bovendien een halsketen om hangen van
nooit geziene parels met andere kostbare juweelen en aan beide zijden
liet hij twee zeer groote bekkens vol dubloenen plaatsen en vele
parelsnoeren, ringen en gordels en andere zaken, wat lang zou zijn om
te vertellen.
Hierop kuste hij Torello opnieuw en beval den toovenaar zich te
haasten, opdat dadelijk in tegenwoordigheid van Saladin het bed met den
geheelen messer Torello werd weggevoerd en hij bleef met zijn baronnen
over hem spreken. Reeds was Torello in de kerk van San Piero in Ciel
d’oro van Pavia neergedaald met al de genoemde juweelen en sieraden en
sliep hij nog, toen de vroegmis luidde, de koster met een licht in de
kerk kwam en dadelijk het kostbare bed zag en niet alleen verwonderd
was, maar zeer bang vluchtte. De abt en de monniken zagen dit,
verbaasden zich en vroegen hem de reden daarvan. De koster vertelde
het. O, sprak de abt, je bent toch geen kind meer en niet in een
vreemde kerk, dat je zoo gauw moet schrikken; laten we gaan kijken wie
boe! boe! tegen je geroepen heeft. De abt en de monniken staken meer
lichten aan en allen zagen in de kerk dit wonderbare en rijke bed en
den ridder en terwijl ze aarzelend en schroomvallig zonder vlak bij het
bed te komen de edele steenen beschouwden, richtte, toen de kracht van
den drank uitgewerkt had, messer Torello zich op met een grooten zucht.
Zoodra de monniken hem zagen, vluchtten de abt met hun allen verschrikt
en schreeuwden zij: God helpe ons! Messer Torello opende de oogen en
zag duidelijk, dat hij was, waar Saladin het verlangd had. Hij ging
zitten, zag met aandacht om zich heen en hoezeer hij vroeger al de
vrijgevigheid van Saladin gekend had, scheen die hem nu nog grooter.
Niettemin zonder zich verder te bewegen riep hij den abt en verzocht
hem niet bang te zijn, omdat hij Torello, zijn neef, was. De abt werd
toen nog banger, daar hij hem verscheidene maanden dood waande, maar na
eenigen tijd werd hij gerust gesteld, maakte het teeken des kruises en
ging naar hem toe. Torel sprak: Mijn vader, waarom zijt gij bang? Ik
leef Goddank en ben van over zee teruggekeerd. De abt, hoewel Torello
een langen baard droeg en op zijn Arabisch gekleed was, herkende hem
spoedig en geheel bedaard, nam hij hem bij de hand en sprak: Mijn zoon,
gij zijt behouden teruggekeerd; verbaas u niet over onze vrees, omdat
er hier niemand is, die niet vast gelooft, dat gij dood zijt en dat
madonna Adalieta, uw vrouw, overreed door de bedreigingen van haar
ouders en tegen haar wil hertrouwd is en van morgen naar haar nieuwen
man zal gaan; de bruiloft is gereed. Torello, door de abt en de
monniken zeer goed ontvangen, smeekte van zijn terugkeer niet te
spreken, totdat hij zijn taak zou volbracht hebben. Nadat hij de rijke
juweelen in veiligheid had laten brengen, vertelde hij alles aan den
abt. Deze was verheugd over zijn fortuin, en zij dankten samen God.
Torel sprak: Voor zij mijn terugkeer weet, wil ik haar houding bij die
bruiloft zien en hoewel het geen gebruik is, dat geestelijken naar zulk
een gastmaal gaan, wil ik, dat gij mij vermomt om er samen te komen. De
abt vond dit goed en toen het dag werd, vroeg hij aan den nieuwen
echtgenoot verlof om met een ambtsbroeder op de bruiloft te zijn, wat
den pas gehuwden zeer aanstond. Op het etensuur gingen zij naar diens
huis door ieder met verbazing beschouwd, maar hij werd door niemand
herkend en de abt vertelde aan allen, dat hij een Saraceen was door den
Sultan naar den koning van Frankrijk gezonden als ambassadeur. Torello
werd dus aan tafel geplaatst vlak tegenover zijn vrouw. Zij keek hem
aan, hoewel zij hem niet herkende, want de groote baard en het ongewone
gewaad en het vaste geloof, dat hij dood was, beletten dit. Toen
Torello wilde beproeven of zij zich hem herinnerde, deed hij den ring
van zijn vinger, dien de donna hem bij zijn vertrek gegeven had, liet
een jongen knecht roepen, die hem vroeger diende en zeide: Zeg namens
mij aan de jonge vrouw, dat het in mijn land de gewoonte is, wanneer
een vreemdeling gelijk ik hier eet aan het gastmaal van een jonggehuwde
vrouw ten teeken van goedkeuring, dat zij hem haar beker geeft vol met
wijn, waarvan, nadat de vreemdeling heeft gedronken, zooveel hij lust
en hij die weer heeft toegedekt, de vrouw de rest drinkt. De jonkman
deed de boodschap aan de donna, die welgemanierd en verstandig hem voor
een groot edelman hield en wilde toonen, dat zijn komst haar aangenaam
was. Zij liet een grooten, vergulden beker schoonmaken en vullen en
naar den ridder brengen. Torello, die haar ring in den mond had
gestopt, liet dien bij het drinken er in vallen, dekte den beker weer
toe en stuurde dien aan de donna. Deze nam hem aan, opdat zij zijn
gewoonte volgde, maakte hem open, zette dien aan den mond, zag den ring
en zonder iets te zeggen bezag zij hem even. Zij herkende dien, greep
dezen, tuurde hem star aan, herkende hem, werd als dol, wierp de tafel
voor haar omver en schreeuwde: Dit is mijn heer, dit is werkelijk
messer Torello! Zij liep naar de tafel, waaraan hij zat zonder te
letten op de lakens of wat er op stond, wierp zich aan zijn hals,
omarmde hem innig en men kon haar niet scheiden, wat men ook zeide of
deed, voor messer Torello had gezegd, dat zij tot zich zelf zou komen,
omdat er nog tijd genoeg was tot onmhelzen.
Nadat zij zich hersteld had, maar de heele bruiloft in de war kwam en
men ten deele blijder was dan ooit, omdat men zulk een edelman herwon,
bleef, toen hij er om vroeg, ieder stil. Toen vertelde Torello alles en
zeide, dat het den edelman, die zijn vrouw had gehuwd, niet moest
mishagen, dat hij haar weer tot zich nam. De nieuwe echtgenoot, hoewel
verlegen, antwoordde grootmoedig en als vriend, dat hij met zijn
eigendom mocht doen, wat hij wilde. De donna gaf den krans en den ring
aan den nieuwen echtgenoot terug, deed zich dien uit den beker aan en
zette zich den krans op gezonden door Saladin en van daar gingen zij
met bruiloftspraal naar het huis van messer Torello en daar bekeken hem
al de troostelooze vrienden, verwanten en burgers als een wonder en
hielden een lang en vroolijk feest. Messer Torello maakte hem, die de
kosten van de bruiloft had gedragen van zijn dure juweelen deelgenoot
en ook den abt en vele anderen. Door vele berichten verwittigde hij
Saladin van zijn gelukkigen terugkeer, bleef zijn vriend en dienaar en
leefde sinds met zijn donna vele jaren en hoffelijk voor anderen. Dat
was het einde van de ongelukken van messer Torello en die van zijn
dierbare vrouw en het loon van hun beleefdheid. Velen doen hun best zoo
te handelen, die, hoewel zij de middelen hebben, het zóó slecht doen,
dat zij hun grootmoedigheid voor meer verkoopen dan die waard is. Als
er daarom voor hen geen loon op volgt, moeten zij er zich niet over
verwonderen.