Zeer edele donna’s, voor wier genoegen ik mij zulk een langdurigen
arbeid heb opgelegd, ik geloof, bijgestaan door de goddelijke
Genade—verkregen, naar ik denk, door uw vrome gebeden en niet door mijn
verdiensten—geheel dat te hebben verricht, wat ik in het begin van dit
werk beloofd heb, waarop ik na eerst God en dan u te hebben bedankt
mijn veder en mijn hand rust moet geven. Maar voordat ik hun die
schenk, wil ik eerst eenige dingen beantwoorden, welke misschien
eenigen onder u of anderen, bewogen door geheime drijfveeren zouden
kunnen zeggen, hoewel het mij schijnt, dat deze verhalen niet meer
voorrecht moeten hebben dan anderen, wat ik mij ook herinner aangetoond
te hebben bij het begin van den Vierden Dag.
Er zouden er onder u toevallig kunnen zijn, die zullen zeggen, dat ik
bij het schrijven al te vrij ben geweest, bijvoorbeeld waar ik aan de
donna’s dingen laat zeggen en zeer vaak hooren, die voor eerbare dames
niet welvoegelijk zijn. Dit ontken ik, omdat er niets oneerbaars in is,
waarover niet elk kan spreken in fatsoenlijke termen. Maar laten wij
voorop stellen, dat het zoo is—ik wil dit niet met u bespreken, want
gij zoudt mij verslaan—dan zeg ik om te verklaren, waardoor ik zoo
gehandeld heb, dat er veel aanleiding toe was. Ten eerste, indien er
zich iets van dien aard in bevindt, heeft de soort der verhalen het
vereischt en ieder, die met onpartijdig oog dit beschouwt, zal klaar
inzien, dat zij niet anders zijn te vertellen, zonder dat ik hun vorm
veranderde. En indien er misschien een stukje in dezen is, een woord
misschien vrijer dan aan huichelaarsters past, die de woorden zwaarder
wegen dan de daden en die meer goed trachten te schijnen dan het te
zijn, moet men minder mij het recht ontzeggen ze te schrijven dan te
verbieden aan heeren en dames te zeggen: gat en pen, stamper en vijzel,
saucijs en metworst en al zulke dingen meer. Buitendien moet aan mijn
veder evenveel gezag worden toegestaan als aan het penseel van den
schilder, die zonder eenig verwijt en terecht—daargelaten, dat hij Sint
Michaël de slang doet treffen met den degen of lans en Sint George den
draak, naar het hem bevalt—Christus mannelijk en Eva vrouwelijk
voorstelt en dan eens met een, dan eens met twee spijkers Hem zelf aan
het kruis nagelt, waaraan Hij voor het heil der Menschheid wilde
sterven. Behalve dat kan men er in den Bijbel vinden, waarin van die
dingen met zeer reine taal en ziel moet worden gesproken, en velen nog
anders staan dan in mijn werk. Ook worden zij niet verteld in de
scholen der wijsgeeren, waar de eerbaarheid niet minder dan elders
vereischt wordt, noch waar ook onder geestelijken of denkers maar in
tuinen bij wijze van verstrooiïng onder jongelieden, hoewel reeds rijp
en niet gemakkelijk van keus voor verhalen, in een tijd, waarin het aan
de eerbaarsten geoorloofd was met de broek op het hoofd te loopen om
hun leven te redden.
Deze verhalen kunnen schaden en nuttig zijn als alle andere dingen al
naar dengeen, die er bij luistert. Wie weet niet, dat de wijn zeer goed
is voor alle stervelingen, volgens Cinciglione en Scolajo [193] en vele
anderen en nadeelig voor een koortslijder? Zullen wij zeggen, omdat die
aan dezen hindert, dat die slecht is? Wie weet niet, dat het vuur zeer
nuttig is en noodig voor de menschen? Zullen wij dan zeggen, omdat het
huizen, dorpen en steden verbrandt, dat het slecht is? De wapens
verdedigen ook het heil van hen, die vreedzaam verlangen te leven en
toch dooden zij vaak menschen, die ze niet uit boosaardigheid, maar
toch slecht gebruiken. Nooit verstaat een bedorven geest een woord goed
en zooals de eerbaren die niet verbeteren, zoo kunnen zij, die
oneerbaar zijn de niet daartoe aangelegden niet bezoedelen, zoo min als
het slijk de zonnestralen of het vuil van den grond de schoonheden des
hemels.
Welke boeken, welke woorden, welke brieven zijn heiliger, waardiger,
eerbiedwaardiger dan die van de Heilige Schrift? En er zijn er genoeg
geweest, die deze verkeerd verstaan en zich zelf en anderen ten
verderve hebben gevoerd. Elk ding op zich zelf is goed voor iets en
slecht toegepast kan het in vele gevallen nadeelig zijn en dit zeg ik
ook van mijn novellen. Die er slechten raad of een slechte daad uit wil
doen voortkomen, zullen zij het niet beletten, als zulke menschen dit
misschien al in zich hebben en die ze verwringen en vervormen om zoo te
doen. En die er nut uit zal halen, zullen zij het niet verhinderen; en
zij zullen nooit anders dan nuttig en eerbaar genoemd worden, indien
zij op dien tijd en door die menschen gelezen worden, voor wie ze
worden verteld. Die paternosters moet zeggen of zoete broodjes moet
bakken bij zijn zielenherder, late ze liggen. Die hoeven niemand na te
loopen om ze te laten lezen en die maken zelf soms genoeg van die
histories!
Er zullen er ook zijn, die zeggen, dat het beter ware, dat enkelen van
die verhalen ontbraken. Dat stem ik toe: maar ik kon noch moest anderen
schrijven dan de verhaalden; bijgevolg hadden de dames, die ze
vertelden, ze mooi moeten vertellen en ik ze mooi moeten schrijven.
Maar als men zou willen onderstellen, dat ik er èn de schepper èn de
schrijver van was (wat niet zoo is), zou ik mij daar niet voor schamen,
omdat er geen meester is, behalve God, die alles goed en volmaakt doet
en Karel de Groote, die de schepper was der Paladijnen heeft van dezen
geen heel leger kunnen maken. In vele dingen moet men een groote
verscheidenheid vinden. Geen veld is zoo goed bewerkt of men vindt er
brandnetels, distels of doornen vermengd met het heilzame groen.
Buitendien: als men te spreken heeft tegen eenvoudige jonge meisjes,
als gij zijt, zou het dwaasheid geweest zijn te gaan zoeken en zich in
te spannen voor de meest kiesche zaken en met groote zorg zeer
behoedzaam te spreken. Evenwel zij, die ze lezen, kunnen de kwetsenden
voorbij gaan en men leze de vermakelijken. Om niemand te bedriegen
dragen zij allen het opschrift van wat zij inhouden. En dan, geloof ik,
zullen er zijn, die er eenigen te lang zullen vinden. Hun zeg ik nog,
dat wie wat anders te doen heeft, dwaasheid doet ze te lezen zelfs, als
ze korter waren. En hoewel het lang geleden is, dat ik ze begon te
schrijven, is, nu ik tot het einde van mijn arbeid kom, het mij niet
uit den geest gegaan, dat ik mijn werk heb aangeboden aan hen, die
niets te doen hebben en niet aan anderen. Wie ze leest als
tijdverdrijf, kan niets te lang duren, zoo daaruit volgt, wat men
zoekt. De korte dingen passen meer voor de studenten, die niet om den
tijd te verdrijven maar om dien nuttig te besteden zich inspannen dan
aan u, donna’s, die zooveel tijd overhoudt als gij niet voor uw
liefdegenoegens verbruikt. Behalve dat moet men, omdat geen van u te
Athene, Bologna of Parijs ging studeeren, uitvoeriger spreken tot u dan
tot hen, die hun geest in de studie scherpten.
Ook twijfel ik er niet aan, dat er zullen zeggen, dat de verhalen te
vol zijn van woordspelingen en scherts en dat dit slecht staat aan een
ernstig, bedachtzaam man. Aan hen moet ik dank zeggen en doe ik dit,
omdat zij door goeden ijver bewogen worden voor mijn naam. Maar dit wil
ik op hun verzet antwoorden: Ik beken een bedachtzaam man te zijn en
vaak in mijn leven te hebben gewogen en daarom zeg ik aan hen, die mij
niet gewogen hebben, dat ik niet zwaar ben, maar zóó licht, dat ik
drijf als een galnoot op water. En omdat de preeken van de monniken om
de schulden der menschen uit te wisschen tegenwoordig vol
woordspelingen, scherts en dwaasheid zijn, meen ik, dat die zelfden
niet slecht zouden staan in mijn novellen, geschreven om de
zwaarmoedigheid van de vrouwen te verdrijven. Niettemin als zij er te
veel om lachen, kunnen de klaagliederen van Jeremia, het Lijden van den
Verlosser en de Boete van Magdalena hen dan licht genezen. En wie zal
aanvoeren, dat er nog zullen zeggen, dat ik een kwade en giftige tong
heb, omdat ik ergens de waarheid heb gezegd van de monniken? Hen, die
zoo spreken, moet men dit vergeven, omdat het niet te gelooven is, dat
een andere dan een rechtmatige reden ze beweegt, daar de monniken goede
lieden zijn, die den arbeid ontwijken uit liefde tot God en bij sluizen
vol malen maar in het geheim en als zij niet een beetje naar den
geitebok roken, zou hun omgang veel aangenamer zijn. Ik beken
niettemin, dat de dingen dezer wereld in ’t geheel niet standvastig
zijn, maar steeds veranderen en dat zou met mijn tong kunnen gebeurd
wezen, van welke daar ik niet aan eigen oordeel hecht,—dat mij in eigen
zaken zou kunnen ontgaan—toch onlangs een mijner buurvrouwen zeide, dat
ik de beste en de zoetste ter wereld had. Waarlijk, als dat zoo was,
bleef er weinig van dezen te schrijven over. En voor hen, die zoo uit
welwillendheid spreken, meen ik, dat dit antwoord volstaat. Verder laat
ik elk spreken en denken, gelijk het hem goeddunkt, daar het mij tijd
schijnt aan de woorden een einde te maken, Hem nederig dankend, die na
zulk een langen arbeid met Zijn hulp mij tot het gewenschte einde heeft
gevoerd. En gij, bekoorlijke donna’s, blijf in vrede met Zijn genade,
als gij aan mij denkt en als het voor een Uwer misschien van nut is ze
te hebben gelezen.
Hier eindigt de Tiende en Laatste Dag van het Boek genaamd Decameron,
bijgenaamd Prins Galeotto.