Sophronia geloovend de vrouw te zijn van Gisippos wordt die van
Titus Quintius Fulvius en gaat met hem naar Rome, waar Gisippos
zelf arm aankomt. Hij meent door Titus vergeten te worden en
beschuldigt zich zelf een man te hebben vermoord om dan ter dood te
worden gebracht. Titus herkent hem, verklaart, dat hij de dader is
om hem te redden, waarop de ware schuldige zich zelf aanklaagt. Dan
worden zij allen door Octavianus in vrijheid gesteld en Titus geeft
zijn zuster aan Gisippos tot vrouw en deelt met hem al zijn
goederen.
Toen Pampinea ophield met spreken en ieder koning Peter al geprezen
had, vooral de Ghibellijnsche, begon Filomena op bevel des konings
aldus: Grootmoedige donna’s. Wie weet niet, dat de koningen allerlei
groote dingen kunnen doen, wanneer zij het willen en dat men van hen in
het bijzonder eischt zich edelmoedig te toonen? Die dus doen kan, wat
hij moet doen, doet goed. Maar men moet zich daarover minder
verwonderen noch ze met den hoogsten lof prijzen zooals anderen, van
wien het bij minder macht geëischt werd en die dit dan zouden doen. En
als gij daarom zoo de daden der koningen hebt verheerlijkt, twijfel ik
er niet aan, dat die van onze gelijken u nog meer moeten behagen,
wanneer zij de daden der koningen evenaren of overtreffen. Daarom wil
ik u de lofwaardige en grootmoedige daad vertellen van twee medeburgers
en vrienden.
In den tijd, dat Cesar Octavianus, toen nog niet Augustus genoemd, het
Romeinsche Rijk regeerde als lid van het Triumviraat, leefde er in Rome
een edelman Publius Quintius Fulvius, die een zoon van hem, Titus
Quintius Fulvius, wonderbaar begaafd, naar Athene zond om philosophie
te studeeren en hem zeer aanbeval bij een edel man Cremetes, zijn
oudsten vriend. Deze hield Titus in diens eigen huis met diens zoon
Gisippos en onder de leiding van een wijsgeer Aristippos. Titus en
Gisippos moesten gelijkelijk door bemiddeling van Cremetes leeren. Daar
de jongelieden samen omgingen, vonden zij elkaars gewoonten zoo gelijk,
dat er een groote broederschap en vriendschap tusschen hen ontstond,
die sinds slechts door den dood kon verbroken worden. Geen van hen had
vreugde of rust, als zij niet weer samen waren. Zij hadden de studies
begonnen en beiden met den hoogsten geest begaafd stegen naar de
roemvolle hoogte der wijsbegeerte met gelijken tred en met wonderbaren
lof en aldus hielden zij drie jaar vol tot het grootste genoegen van
Cremetes, die ze beide als zijn zoons beschouwde. Op het einde van
dezen tijd stierf Cremetes al oud; hierover droegen zij met gelijke
smart rouw als over een vader en de vrienden en verwanten van Cremetes
wisten hen niet over het gebeurde te troosten.
Na eenige maanden waren de vrienden en verwanten van Gisippos bij hem,
spoorden hem met Titus aan een vrouw te nemen en vonden voor hem een
meisje van wonderbare schoonheid en van zeer edele ouders en burgeres
van Athene, Sophronia, misschien vijftien jaar oud. Toen de tijd van de
bruiloft naderde, verzocht Gisippos eens Titus om haar te komen zien,
wat nog niet was geschied. Toen zij in haar huis waren en zij tusschen
beide in zat, beschouwde Titus de schoonheid van de vrouw van zijn
vriend zeer aandachtig en daar zij hem uitermate behaagde, werd hij,
zonder het aan iemand te toonen zoo verliefd als ooit een minnaar
ontgloeide voor een donna. Maar toen zij eenigen tijd samen waren
geweest, vertrokken zij en gingen naar huis terug. Hier dacht Titus aan
het bekoorlijke meisje en ontvlamde hoe langer hoe meer. Toen hij dit
merkte, sprak hij voor zich na vele heete zuchten: Ach, uw ellendig
leven, Titus! Waar en in wat stelt gij uw liefde en uw hoop? Of weet
gij niet zoowel door de gastvrijheid van Cremetes en zijn huisgenooten
als door de groote vriendschap tusschen u en Gisippos, wiens vrouw zij
is, dat gij dit meisje moet eerbiedigen als een zuster? Wie bemint gij
dan? Waartoe laat gij u vervoeren met uw bedriegelijke liefde? Waarheen
met valsche hoop? Open de oogen des geestes en ken, o ellendige, u
zelf; geef plaats aan de rede, beteugel de begeerte tot bijslaap, matig
de ongezonde verlangens en richt uw gedachten op iets anders. Weersta
van af het begin uw lust en overwin u zelf, terwijl gij den tijd hebt.
Wat gij wilt, past niet; dat is niet eerlijk en zelfs wanneer gij zeker
zijt te slagen in wat gij doen wilt (wat gij niet zijt), moet gij het
vermijden en acht geven op wat de ware vriendschap van u eischt. Wat
wilt gij dus doen, Titus? Laat de onpassende liefde varen, indien gij
behoorlijk wilt handelen. En toen aan Sophronia denkend, tot het
tegengestelde gezind, veroordeelde hij al het gesprokene en zeide: De
wetten der liefde zijn van meer kracht dan alle anderen; zij breken
niet slechts die der vriendschap maar zelfs de goddelijke. Hoeveel
keeren heeft reeds de vader de dochter bemind, de broer de zuster, de
schoonmoeder haar schoonzoon! Die dingen veel monsterachtiger dan dat
de eene vriend de vrouw van den ander lief heeft, hadden al duizend
maal plaats. Bovendien ben ik een jonkman en vooral de jeugd is
onderworpen aan de liefdewetten. Wie dus aan Amor behaagt, bevalt mij.
De eerbaarder dingen passen rijpere mannen; ik kan niets anders willen
dan Amor. Haar schoonheid verdient door iedereen bemind te worden en
indien ik het doe, die jong ben, wie zal mij dit terecht kunnen
verwijten? Ik heb haar niet lief, omdat zij van Gisippos is, maar ik
bemin haar zelfs, die ik, al behoorde zij aan wie ook, zou beminnen.
Hier zondigt de fortuin, die haar eerder aan mijn vriend Gisippos heeft
gegeven dan aan mij, en als zij bemind moet worden (wat zij door haar
schoonheid verdient) moet Gisippos eerder tevreden zijn, als hij het
weet, dat ik haar lief heb dan een ander. En op die wijze zichzelf
bespottend, naar het tegengestelde en van het een naar het ander
draaiend, bracht hij niet alleen dien dag maar ook den volgenden nacht
door zoo, dat hij eet- en slaaplust had verloren en uit zwakte
gedwongen was te gaan liggen.
Gisippos, die hem meermalen vol gedachten en nu ziek zag, treurde
daarover zeer en zonder een oogenblik van hem vandaan te gaan, deed hij
zijn best hem te sterken en vroeg hem vaak en met aandrang de oorzaak
van zijn gedachten en zijn ziekte. Maar nadat Titus hem meermalen met
verzinsels had geantwoord en Gisippos dit had bemerkt, voelde hij zich
toch gedwongen en antwoordde hem met klachten en zuchten aldus:
Gisippos, als het aan de goden behaagd had, zou het mij aangenamer
wezen dood te zijn dan te leven, als ik bedenk, dat het noodlot mij
gebracht heeft tot een uiterste, waarin ik mijn deugd moest bewijzen en
mij tot mijn groote schaamte overwonnen zie. Maar zeker verwacht ik
spoedig het loon, dat ik verdien: den dood, die mij liever zal zijn dan
het leven door de herinnering aan mijn lafheid, omdat ik aan u niet kan
noch mag verbergen, wat ik u niet zonder groote schaamte openbaren zal.
Hij bekende alles en beweerde, dat hij wetend, hoezeer hem dit niet
paste, tot straf had willen sterven en geloofde, dat het spoedig zou
gebeuren. Gisippos, die zijn tranen zag, bleef eenigen tijd in zich
zelf gekeerd, alsof hij gelijk deze door de schoonheid van het jonge
meisje maar kalmer bevangen was. Doch dadelijk bedacht hij, dat het
leven van zijn vriend hem dierbaarder moest zijn dan Sophronia. Hij
antwoordde, tot schreiens toe bewogen: Titus, indien gij niet zooveel
behoefte hadt aan versterking, zou ik mij bij u over u zelf beklagen,
daar gij onze vriendschap geschonden hebt door dien zeer ernstigen
hartstocht zoo lang voor mij verborgen te houden. Want hoewel u die
oneerbaar schijnt, moet men dien evenmin als de eerbare zaken voor een
vriend verbergen, omdat wie behagen schept in de eerbare daden van een
vriend, zijn best doet hem af te houden van de schandelijke, maar wij
zullen dit nu laten varen en ik wil komen tot wat ik moet weten. Indien
gij vurig Sophronia bemint, verwondert dit mij niet, omdat ik haar
schoonheid en uw zielenadel ken, een feit, dat te meer een hartstocht
kweekt, naarmate het voorwerp er van door meerdere uitnemendheid
behaagt. Hoe meer gij Sophronia werkelijk bemint, des te meer beklaagt
gij u ten onrechte over het noodlot, al uit gij u daar niet over, dat
het haar mij heeft afgestaan. Want het schijnt u, dat gij haar eerbaar
zoudt beminnen, als zij aan een ander had behoord. Maar indien gij
verstandig zijt als gewoonlijk: aan wien zou de fortuin haar beter
kunnen afstaan, opdat gij er haar dankbaar voor zoudt zijn? Wie het ook
geweest ware, zou, hoe eerbaar uw liefde ook is, haar meer voor zich
zelf hebben lief gehad dan voor u, wat gij van mij niet behoeft te
vreezen. Alles heb ik u toevertrouwd; stond het er zoo mee, dat het
niet anders kon, dan sou ik ook zoo handelen als de anderen, maar daar
het nog niet zoo ver is, zoo dat ik haar nog tot de uwe kan maken, zal
ik dit ook doen. Wat zou mijn vriendschap u waard zijn, als ik met eere
haar niet de uwe liet worden? Sophronia is mijn verloofde en ik heb
haar zeer lief en wacht met groote vreugde onze bruiloft af. Maar omdat
gij gevoeliger zijt en met meer vuur zulk een dierbaar voorwerp
verlangt dan ik, kunt gij er zeker van zijn, dat zij niet als mijn maar
als uw vrouw in mijn kamer zal komen. Verjaag dus de neerslachtigheid,
roep de verloren gezondheid terug en verheug u, dat van nu af aan uw
verdiensten veel meer liefde waard zijn dan de mijnen.
Toen Titus Gisippos zoo hoorde spreken, deed zooveel als de
bedriegelijke hoop, die hij hem gaf, hem verheugde, de juiste reden hem
zich schamen en hij vond, dat hoe grooter de edelmoedigheid van
Gisippos was, het voor hem ongepaster was daarvan gebruik te maken. Hij
antwoordde klagend aldus: Gisippos, uw grootmoedigheid en ware
vriendschap toont mij klaar genoeg, wat ik moet doen. Zeus verhoede,
dat ik ooit haar, die hij u als de waardigste gaf, aanneem en zoo hij
gezien had, dat zij mij paste, zou niemand moeten gelooven, dat hij u
haar had afgestaan. Maak dus verheugd van zijn keuze gebruik en laat
mij in smart doen verteren, die hij mij—zooveel goeds onwaardig—bereid
heeft. Mijn verdriet zal ik te boven komen en ik zal u dierbaarder zijn
of het zal mij overwinnen en dan ben ik uit mijn lijden.
Gisippos antwoordde: Titus, indien onze vriendschap mij zooveel
vrijheid geeft, dat ik u dwingen kan tot mijn besluit, zal ik er nu ten
volle van gebruik maken. En als gij niet goedschiks gehoorzaamt, zal ik
met geweld, dat men ten goede voor een vriend moet gebruiken, Sophronia
tot de uwe maken. Ik ken de macht der liefde en weet, dat zij vaak de
minnenden tot een ongelukkig einde voerde en ik zie u daar zóó
dichtbij, dat gij niet kunt teruggaan om de smarten te overwinnen, maar
voortgaande u overwonnen zult zien, en ik zou weldra volgen. Want om
zelf te leven is uw leven mij dierbaar. Sophronia wordt dus de uwe;
want gij zoudt niet licht een andere vinden, die u meer zou behagen. Ik
zou niet zoo vrijgevig zijn, als de vrouwen zoo zeldzaam en moeilijk te
vinden waren als vrienden; ik wil haar eerder ruilen, niet
verliezen,—wat ik haar aan u schenkend niet doe,—dan u verliezen.
Als mijn beden iets op u vermogen, verzoek ik u, u van die smart te
bevrijden en troost tegelijk u en mij en bereidt u er op voor met goede
hoop die vreugde te genieten, welke uwe warme liefde van het beminde
voorwerp verlangt.
Daar Titus zich schaamde er in toe te stemmen, dat Sophronia zijn vrouw
werd en nog weigerde, doch de liefde en de bemoedigingen van Gisippos
hem deden weifelen, zeide hij: Kijk, Gisippos, ik weet niet, of ik mijn
genoegen of het uwe zal doen, wanneer ik doe, wat gij mij vraagt. Maar
omdat uw grootmoedigheid zoo is, dat zij mijn schaamte overwint, geef
ik toe, maar wees er zeker van, dat ik het niet zal doen als een man,
die hiermee meent alleen de beminde donna te ontvangen maar zijn leven.
Mogen de Goden maken, dat ik u met eer en rijkdom kan toonen, hoe
aangenaam mij dit is, dat gij jegens mij barmhartiger handelt dan ik
zelf.
Toen sprak Gisippos: Titus, wij moeten dezen weg inslaan: gelijk gij
weet, is na den langen omgang van onze ouders, Sophronia mijn verloofde
geworden en daarom als ik nu zeg, dat ik haar niet tot vrouw zou
willen, zouden er groote twisten uit voortkomen. Als ik haar daardoor
de uwe zag worden, zou ik daar niet om geven, maar ik vrees, als ik
haar zoo laat gaan, dat haar ouders haar niet dadelijk aan een ander
zouden geven en zeker niet aan u en zoo zoudt gij die verloren hebben,
die ik niet zal hebben gewonnen. En daarom zal ik doorzetten, wat ik
begonnen ben en als de mijne haar naar huis voeren en de bruiloft
vieren. Daarna zult gij in ’t geheim met haar als uw vrouw slapen. Dan
zullen wij op het goede oogenblik de zaak bekend maken, wat, als het
hun bevallen zal, zal lukken; zoo niet, dan zal het toch gebeurd zijn
en moeten zij er in berusten. Die raad beviel aan Titus en na een groot
feest bij nacht lieten de vrouwen de pasgehuwde in het bed van haar man
achter.
De kamer van Titus was naast die van Gisippos en men kon van de eene in
de andere komen. Toen elk licht was uitgedaan en Gisippos stil naar
Titus gegaan was, zeide hij, dat die met zijn donna zou slapen. Toen
Titus dit zag, werd hij door schaamte overwonnen en weigerde, maar
Gisippos, die zoowel met daden als met woorden tot alles bereid was,
bracht hem er toe na een lang verzet. Toen hij in het bed lag, nam hij
het meisje en haar liefkoozend vroeg hij haar heimelijk of zij zijn
vrouw wilde zijn. Deze meenend, dat het Gisippos was, zeide van ja,
waarop hij haar een schoonen en rijken ring aan den vinger stekend
zeide: En ik wil uw echtgenoot zijn. Nadat aldus het huwelijk gesloten
was, had hij een lang liefdegenot met haar, zonder dat zij het
bemerkte, dat Titus naast haar lag. Toen het aldus met dit huwelijk
stond, stierf Publius, Titus’ vader, waardoor hem geschreven werd
dadelijk naar Rome terug te keeren om zijn zaken waar te nemen en
daarom besloot hij met Gisippos en Sophronia er heen te gaan. Hij kon
dit niet doen zonder haar te toonen, hoe het met de zaak gesteld was.
Zij riepen haar eens in een kamer en verklaarden haar alles en Titus
verklaarde haar, wat er had plaats gehad. Zij zag verontwaardigd den
een na den ander aan, weende en beklaagde zich over het bedrog van
Gisippos en voor zij er verder een woord over sprak, ging zij naar haar
vaders huis en vertelde haar ouders het bedrog van Gisippos. Dit was
voor den vader van Sophronia zeer grievend en ook de oorzaak van
grooten twist tusschen beider ouders. Ook Gisippos was kwaad met de
families en ieder verklaarde hem niet alleen een berisping maar een
zware kastijding waard. Maar hij beweerde een eerbare daad te hebben
verricht en dat de ouders van Sophronia hem er dankbaar voor moesten
zijn, daar hij haar beter dan aan zich zelf had uitgehuwd. Titus wist
alles en verduurde het met groote ergernis. Daar hij het karakter van
de Grieken kende, die veel rumoer maken, zoolang men draalt met hun te
antwoorden, maar die dan nederig en kruiperig worden, meende hij, dat
het niet goed was zonder antwoord hun praatjes te verdragen. Daar hij
een romeinsch hart had en een atheenschen geest, liet hij onder een
handig voorwendsel de ouders van Gisippos en Sophronia in een tempel
komen en alleen door Gisippos vergezeld, sprak hij aldus tot de
aanwezigen:
Vele wijsgeeren gelooven, dat wat door de stervelingen gebeurt de
beschikking en de voorzienigheid der onsterfelijke Goden is en daarom
meenen zij, dat wat gebeurt of gebeuren zal, noodzakelijk is, hoewel er
anderen zijn, die alleen die noodzakelijkheid aannemen, voor wat
gebeurd is. Als men die verschillende meeningen met eenige aandacht
beschouwt, zal men duidelijk zien, dat het afgeven op een zaak, die
niet meer te keeren is, niets anders is dan zich wijzer te willen
toonen dan de Goden, van welken wij moeten gelooven, dat zij met
eeuwige rede en zonder eenige dwaling over ons en onze zaken beschikken
en heerschen. Dus kunt gij licht begrijpen, welk een dwaze en domme
aanmatiging het is hun werken te laken en ook hoedanige en welke
ketenen zij verdienen, die zich hierin door hun vermetelheid laten
meesleepen. Tot dezen behoort gij allen, indien het waar is, wat gij
steeds zegt, omdat Sophronia mijn vrouw is geworden, terwijl gij haar
aan Gisippos hadt gegeven niet in aanmerking nemend, dat in der
eeuwigheid beschikt was, dat zij niet de zijne maar de mijne moest
worden, wat gij nu pas weet. Maar omdat het spreken over de geheime
voorzienigheid en bedoeling der goden voor velen moeilijk te begrijpen
is, zal ik maar aannemen, dat zij zich om ons lot niet bekommeren en
behaagt het mij tot de overwegingen der menschen af te dalen. Hiervan
sprekend zal ik twee dingen moeten doen zeer tegen mijn gewoonten: het
eerste mijzelf te prijzen, het tweede: anderen een weinig te laken of
te verlagen. Maar omdat ik zoowel in het een als in het ander niet van
de waarheid wil afwijken en de tegenwoordige aanleiding dit eischt, zal
ik het toch doen. Uw klachten, meer door woede dan door redeneering
ontstaan, en het voortdurend gemompel en rumoer schandvlekken, kwellen
en schaden Gisippos, omdat hij mij die vrouw tot echtgenoote gaf, welke
gij aan hem hadt willen geven, waarvoor ik vind, dat hij zeer te
prijzen is, en wel hierom: ten eerste, omdat hij het uit vriendschap
moest doen, ten tweede, omdat hij wijzer heeft gehandeld dan gij. Ik
wil nu niet uiteenzetten, wat de heilige wetten van de vriendschap
eischen, maar zal tevreden zijn u te herinneren, dat de band der
vriendschap veel meer bindt dan die des bloeds, omdat wij vrienden
hebben naar keuze en verwanten, naar het toeval ze ons geeft. Als
Gisippos daarom mijn leven meer lief heeft dan uw welgezindheid, omdat
ik zijn vriend ben, moet dat volstrekt niet verbazen. Maar laat ons tot
de tweede reden komen, waarin ik u met nog meer nadruk moet aantoonen,
dat hij wijzer is geweest dan gij zijt, hoewel gij niets van de
voorzienigheid der Goden schijnt te weten en nog minder den invloed
kent van de vriendschap. Ik zeg, dat uw verstand, uw raad en uw overleg
Sophronia hadden gegeven aan Gisippos, een jonkman en wijsgeer; die van
Gisippos gaven haar aan een jonkman en wijsgeer. Uw raad gaf haar een
Athener en die van Gisippos aan een Romein, de uwe aan een rijken
jongeling, die van Gisippos aan een zeer rijken, de uwe aan een
jonkman, die haar niet alleen niet liefhad, maar haar nauwelijks kende,
die van Gisippos aan een jonkman, die boven alle geluk en zijn eigen
leven haar lief had. Opdat dit waar blijkt en daar dit meer te prijzen
is dan wat gij hebt gedaan, beschouw daartoe punt voor punt. Dat ik
jonkman en wijsgeer ben als Gisippos: mijn gelaat en mijn studies,
zonder langer te praten, kunnen het bewijzen. Zijn en mijn leeftijd
zijn dezelfden en met gelijken tred voortgaande studeerden wij. Het is
waar, dat hij Athener is en ik Romein. Indien men over den roem van
onze stad zou twisten, zal ik zeggen, dat ik van een vrije stad ben en
hij van een schatplichtige; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben:
heerscheresse der gansche aarde en hij van eene aan de mijne
gehoorzaam; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben zeer beroemd door
zijn wapenfeiten, zijn macht en zijn scholen, terwijl de zijne slechts
op zijn scholen kan roemen. Behalve dat, hoewel gij mij hier ziet als
een nederig leerling, ben ik niet geboren uit de heffe van het
Romeinsche volk; mijn huizen en de openbare plaatsen van Rome zijn vol
antieke beelden van mijn voorvaderen en men zou de romeinsche annalen
op het romeinsche Capitool vol vinden van veel triumfen behaald door de
Quintiië. De glorie van onzen naam is niet door ouderdom vervallen maar
schittert er thans te meer door. Ik zwijg uit schaamte over mijn
rijkdommen, als ik er acht op geef, dat de eerlijke armoede het oude en
overgroote erfdeel was der edele burgers van Rome. Indien deze meening
door het plebs geminacht en de rijkdom geprezen wordt, bezit ik dien
niet als begeerig man maar als bemind door de fortuin. Ik weet wel, dat
het u aangenaam was en moet zijn Gisippos tot verwant te hebben, maar
ik moet u te Rome om geenerlei reden minder dierbaar zijn, als ik in
aanmerking neem, dat gij daar in mij een zeer goed gastheer zult
hebben, nuttig en zorgzaam en een machtig beschermer zoowel in openbare
als in bijzondere aangelegenheden. Wie dan, die zijn begeerte ter zijde
stelt en met reden beschouwt, zal uw besluiten meer prijzen dan dat van
Gisippos? Zeker niemand. Sophronia is dus goed gehuwd met Titus
Quintius Fulvius, een edel, oud en rijk burger van Rome en vriend van
Gisippos; daarom, zoo gij er over treurt of klaagt, doet gij niet, wat
gij doen moet, en weet gij niet, wat gij doet. Er zijn er misschien
eenige, die zullen zeggen, dat zij er niet over klagen, dat Sophronia
de vrouw is van Titus, maar te treuren over de wijze, waarop zij het
geworden is, in ’t geheim, steels, zonder dat een vriend of verwant er
iets van wist. En dat is geen wonder, noch iets nieuws.
Ik laat gaarne hen terzijde, die tegen den wil van hun vaders mannen
hebben genomen en die hun minnaars ontvlucht zijn en die eerst
vriendinnen, daarna vrouwen geweest zijn en die eerst hun huwelijk
hebben doen kennen door hun zwangerschap en hun bevalling en daarna
door hun mond en het noodzakelijk hebben gemaakt. Dat alles is niet
gebeurd met Sophronia, maar zij is vrijwillig, verstandig en eerlijk
door Gisippos aan Titus geschonken. Anderen ook zullen zeggen, dat het
niet paste, dat hij haar aan deze uithuwde. Dit zijn dwaze en
vrouwelijke klachten en uit weinig verstand voortgekomen. Is het dan
iets nieuws, dat de fortuin thans verschillende wegen gebruikt en
nieuwe middelen om de zaken tot bepaalde gevolgen te voeren? Wat heb ik
er mee te maken of een schoenmaker eerder dan een wijsgeer met zijn
oordeel over mijn zaken tot een goed einde beschikt heeft, in ’t geheim
of openlijk? Ik moet slechts oppassen, als de schoenmaker niet
verstandig is, dat hij het niet weer doet en hem voor de gedane zaak
bedanken. Als Gisippos Sophronia goed gehuwd heeft, is het klagen over
de wijze van te werk gaan een overtollige dwaasheid. Indien gij niet op
zijn verstand vertrouwt, pas dan op, dat hij niet weer zal trouwen en
bedank hem er voor. Gij moet ook weten, dat ik niet zocht noch door
list, noch door valschheid eenige smet te werpen op de eer en de waarde
van uw bloed in de persoon van Sophronia en al heb ik haar in het
geheim tot vrouw genomen, kwam ik niet als een dief deze haar
maagdelijkheid ontnemen, noch wilde ik haar als een vijand oneerbaar
bezitten en verwantschap met u weigeren. Maar hevig ontvlamd door haar
begeerenswaardige schoonheid en haar deugd wist ik, dat, als ik haar op
de wijze, die gij wilde, gevraagd had, ik haar, die zeer door u bemind
wordt, uit vrees, dat ik haar naar Rome had geleid, niet had gekregen.
Ik gebruikte dus een geheim middel en ik heb Gisippos doen toestemmen
in mijn naam. Daarna, hoezeer ik haar vurig beminde, zocht ik niet als
minnaar maar als man haar omhelzingen, omdat ik haar niet naderde,
gelijk zij zelf kan getuigen, voor ik haar met den ring had getrouwd en
met de vraag of zij mij tot man wilde, waarop zij toestemde. Indien het
haar schijnt, dat zij bedrogen is, ben ik niet te berispen, maar zij,
die mij niet vroeg, wie ik was. Dit is dus het groote kwaad, de groote
zonde begaan door Gisippos als vriend en van mij als minnaar, dat
Sophronia in stilte de vrouw van Titus Quintius is geworden; daarom
verscheurt, dreigt en beleedigt gij hem. En wat zoudt gij doen, als hij
haar aan een bedelaar, een landlooper, een slaaf had gegeven? Welke
ketenen, welke kerkers, welke kruisen zouden dan voldoende zijn? Maar
laten wij dit nu ter zijde: mijn vader stierf onverwachts en ik moet
naar Rome terugkeeren. Omdat ik Sophronia wilde meenemen, heb ik u
bekend, wat ik anders misschien u nog had verborgen. Dit zult gij, als
gij verstandig zijt, met blijmoedigheid dragen, omdat ik, als ik u had
willen bedriegen of beleedigen, haar als misleide had achtergelaten.
Maar Zeus verhoede, dat in een romeinsche ziel ooit zulk een laagheid
kan huizen. Sophronia is dus met goedvinden der Goden, door de kracht
der menschelijke wetten, het lofwaardig verstand van mijn Gisippos en
mijn liefdelist de mijne, wat gij, die u toevallig wijzer waant dan de
Goden en de andere menschen, in mij op twee manieren veroordeelt.
De eene is, dat gij Sophronia hier houdt, waartoe gij niet meer recht
hebt dan ik wil toestaan; de andere: dat gij Gisippos als vijand
behandelt, dien gij naar recht verplicht zijt. Ik wil u thans niet
uiteenzetten, hoe dwaas gij daarmee handelt maar als vriend u raden,
dat gij uw toorn laat varen en al uw haat en dat Sophronia mij wordt
teruggegeven, opdat ik blijmoedig als uw bloedverwant vertrek en leef.
Wees er zeker van, dat, of het gebeurde u behaagt of niet, indien gij
anders hadt willen te werk gaan, ik Gisippos daaraan zou onttrekken en
als ik te Rome kom, zal ik zeker haar terug hebben, die met recht de
mijne is, en wat de verontwaardigde ziel van een Romein vermag, als die
u steeds vijandig blijft, zal ik u—hoop ik—doen ondervinden. Toen Titus
zoo gesproken had, stond hij met verstoord gezicht op, nam Gisippos bij
de hand en toonde, dat het hem weinig kon schelen, hoevelen er ook in
den tempel waren en ging het hoofd schuddend tot bedreiging er uit.
Zij, die daar binnen bleven ten deele verschrikt door zijn laatste
woorden, vonden eenstemmig, dat het beter was Titus tot familielid te
hebben, omdat Gisippos het niet had willen wezen, dan Gisippos als
verwant te hebben verloren en Titus tot vijand te krijgen. Zij gingen
daarom weg, vonden Titus terug en keurden goed, dat Sophronia de zijne
werd, hem tot familie te hebben en Gisippos tot goed vriend. Zij
vierden samen een huiselijk feest, namen afscheid en gaven hem
Sophronia terug. Zij maakte verstandig van den nood een deugd, richtte
de liefde voor Gisippos spoedig naar Titus en ging met hem naar Rome,
waar zij met groote eer werd ontvangen. Gisippos bleef in Athene bij
allen weinig in tel en werd niet lang daarna door zekere
stadskuiperijen met al de zijnen arm en ellendig uit zijn huis te
Athene verjaagd en tot eeuwige ballingschap veroordeeld. Zoo zelfs als
bedelaar ging Gisippos naar Rome om te zien, of Titus zich hem
herinneren zou, en daar hij wist, dat die in den gunst van alle
Romeinen stond, ging hij na gehoord te hebben, waar zijn huizen waren,
daar afwachten tot Titus er kwam, waar hij zich voornam niet te spreken
van zijn ellende maar zijn best deed zich hem te vertoonen, opdat Titus
hem herkennen zou en roepen. Maar toen Titus voorbij ging en Gisippos
geloofde, dat die hem gezien had en vermeden en zich herinnerde, wat
hij voor hem had gedaan, vertrok hij verontwaardigd en wanhopig.
Het was al nacht en hij nuchter, zonder geld, en zonder te weten,
waarheen te gaan, bovenal verlangend te sterven kwam op een zeer
eenzame plaats, waar hij een groote grot zag. Hij ging er in om te
slapen; op den naakten bodem en slecht gekleed, sluimerde hij in,
overwonnen door de langdurige smart. Hierheen kwamen ’s morgens twee
mannen, die op roof waren uitgegaan met hun buit. Er ontstond twist en
de een doodde den ander en ging weg. Gisippos zag dit en vond hierin
een middel tot zelfmoord. Hij bleef zoolang tot de politiemannen, die
het feit al hadden vernomen, er kwamen en Gisippos woedend meenamen. Na
een verhoor bekende hij het te hebben gedaan. Daarom werd door den
praetor Marcus Varro bevolen, dat hij aan het kruis zou sterven, gelijk
toen gewoonte was. Toevallig kwam Titus toen in het praetorium, die den
ongelukkigen veroordeelde zag en de reden van het vonnis hoorde, hem
herkende en zich verbaasde over zijn rampspoed en zijn komst aldaar.
Hij verlangde zeer hem te helpen en zag er niets anders op dan zich
zelf te beschuldigen, drong naar voren en riep: Marcus Varro, roep den
armen man terug, dien gij veroordeeld hebt, want hij is onschuldig. Ik
heb met genoeg schuld de Goden beleedigd door dengeen te vermoorden,
die uw wachters vanmorgen vonden, dat ik ze nu niet met den dood van
een onschuldige wil tarten. Varro verwonderde zich en betreurde het,
dat het geheele praetorium het gehoord had en daar hij zich niet met
eere aan de wetten kon onttrekken, liet hij Gisippos terugkeeren en
sprak tot hem: Hoe waart gij zoo dwaas zonder door de pijnbank te zijn
gedwongen te bekennen, wat gij nooit hebt gedaan en wat u het leven zou
kosten? En nu komt deze man hier en zegt, dat hij het bedreef? Gisippos
zag, dat dit Titus was en begreep wel, dat die het tot zijn redding had
gedaan, dankbaar voor den hem bewezen dienst. Daarom zeide hij
schreiend van aandoening: Varro, ik heb hem werkelijk gedood en het
medelijden van Titus komt te laat om mij te redden. Titus van zijn kant
sprak: Praetor, gelijk gij ziet, dit is een vreemde, die zonder wapens
naast den doode aangetroffen werd en gij kunt zien, hoe zijn ellende
hem reden geeft te willen sterven. Laat hem daarom vrij en straf mij,
die het verdiend heb. Varro verwonderde zich over de standvastigheid
van die twee en vermoedde al hun beider onschuld en toen hij dacht aan
een middel tot vrijspraak, kwam daar een verloopen jonkman, Publius
Ambustus, een bij alle Romeinen bekende dief, die het werkelijk gedaan
had en wist, dat geen van beide schuldig was en hij werd daardoor zoo
bewogen, dat hij voor Varro trad en zeide: Praetor, mijn misdaden
voeren mij er toe dit pijnlijke vraagstuk op te lossen. Jupiter drijft
mij aan om mijn misdaad te openbaren. Weet dan, dat geen van beide
schuldig is. Ik ben werkelijk degeen, die gisteren bij den dageraad
dien man doodde en dezen ongelukkige zag ik daar dóórslapen, terwijl ik
den gemaakten buit deelde met hem, dien ik vermoordde. Het is niet
noodig, dat ik Titus vrijspreek; zijn goede naam is overal bekend
genoeg en ontlast hem voor mij van de straf, die de wetten opleggen.
Reeds had Octavianus dit gehoord en hij liet alle drie bij zich komen.
Hij liet de twee als onschuldig en de derde om hunnentwil vrij. Titus
gaf Gisippos de hand en laakte hem zeer over zijn verlegenheid en zijn
wantrouwen, betuigde hem groote vreugde en leidde hem naar huis, waar
Sophronia met tranen van ontroering hem als een broeder ontving. Nadat
hij wat hersteld was en verkleed en terug gekeerd in de dracht passend
bij zijn deugd en adel, deelde hij met hem eerst elken rijkdom en
bezitting en gaf hem daarna een jonge zuster Fulvia tot vrouw en sprak
vervolgens: Gisippos, gij kunt naar verkiezing altijd bij mij blijven
of met al het geschonkene naar Griekenland terugkeeren. Gisippos
gedwongen aan den eenen kant door de ballingschap en aan den anderen
door de vriendschap voor Titus, besloot Romein te worden. Sinds leefde
hij langen tijd met zijn Fulvia en Titus met zijn Sophronia steeds in
één huis gelukkig en werden zij zoo mogelijk nog meer bevriend. De
vriendschap is dus een zeer heilige zaak en niet alleen bijzondere
eerbied waard, maar eeuwige lof als de zeer wijze moeder van de
grootmoedigheid en de eerbaarheid, als de zuster van de dankbaarheid en
de weldadigheid, en de vijandin van haat en gierigheid, altijd zonder
verzoek bereid voor anderen goed te handelen als voor zich zelf. Haar
goddelijken invloed ziet men thans weinig bij twee menschen door de
ellendige hebzucht en tot schande der stervelingen, die alleen op eigen
belang lettend haar buiten de uiterste einden der aarde tot eeuwige
ballingschap hebben gedoemd. Welke liefde, welke rijkdom, welke
verwantschap dan deze zou de kracht hebben gehad de tranen en de
zuchten van Titus zoo aan Gisippos te doen gevoelen, dat hij daarvoor
zijn schoone en door hem beminde vrouw die van Titus liet worden? Welke
wetten, bedreigingen, vrees hadden de jeugdige armen van Gisippos op
eenzame en donkere plaatsen, in zijn eigen bed kunnen terughouden van
de omhelzingen van het mooie meisje, misschien vaak daartoe
uitnoodigend dan alleen deze? Welke grootheden, waardigheden, voordeden
zouden Gisippos er toe gebracht hebben er niet om te geven zijn ouders
en die van Sophronia te verliezen, onverschillig te zijn voor de
schandelijke praatjes van het gepeupel zich niet te bekommeren om spot
en hoon om den vriend te bevredigen dan alleen deze? En van den anderen
kant: wie zou Titus zonder eenig overleg (daar hij met eere doen kon of
hij niets zag) geheel bereid hebben gemaakt zich zelf den dood aan te
doen om Gisippos van het kruis te halen, wat hij zich zelf oplaadde,
dan deze? Wie zou Titus zonder eenige aarzeling zich hebben doen
beijveren zijn zuster aan Gisippos af te staan, die hij zeer arm en in
de uiterste ellende zag dan deze? Laten de menschen dus maar een
menigte bloedverwanten, veel broeders en kinderen verlangen en met hun
geld hun dienaren vermeerderen en er niet op letten, hoe elk van dezen
bij het minste eigen gevaar meer vrees hebben dan ijver bij groote
onheilen van vader, broeder of heer om die te beschermen, terwijl men
juist het tegengestelde ziet bij een vriend.