Koning Peter, die gehoord heeft van de vurige liefde, die de zieke
Lisa hem toedraagt, maakt haar beter en huwt haar daarna aan een
jong edelman uit, kust haar het voorhoofd en noemt zich sedert voor
altijd haar ridder.
Toen Fiametta aan het einde van haar vertelling gekomen was en de
mannelijke grootmoedigheid van koning Carlo zeer was geroemd, hoewel
een enkele donna, die ghibellijnsch was hem niet wilde prijzen, begon
Pampinea op last des konings aldus: Hooggeachte donna’s. Er is geen
verstandig man, die niet zou spreken als gij over koning Carlo behalve
wie om anderen reden hem kwaad gezind is; maar omdat mij iets invalt
misschien lofwaardiger en gedaan door een van zijn tegenstanders jegens
een onzer Florentijnsche meisjes, behaagt het mij u dit te vertellen.
Tijdens den Siciliaanschen Vesper werden de Franschen verdreven en
leefde er in Palermo als apotheker een onzer Florentijnen: Bernardo
Puccini, een zeer rijk man, die slechts één zeer schoone en al
verloofde dochter van zijn vrouw had. Koning Peter van Aragon, heer van
dit eiland geworden, hield daar met zijn baronnen een wonderbaar feest
en op Catalonische wijze een steekspel. De dochter van Bernardo: Lisa,
zag hem uit een venster, waar zij met andere donna’s zat, en hij beviel
haar zoo, dat zij vurig op hem verliefd werd. Toen het feest geëindigd
was en zij zich in het huis van haar vader bevond, kon zij aan niets
anders denken dan aan deze heerlijke en hooge liefde. En wat haar
hierbij het meest hinderde was: het besef van haar nederigen stand, die
haar geen hoop liet op een heugelijk einde, maar toch hield zij vol den
koning lief te hebben en uit vrees voor meer verdriet, durfde zij het
niet bekennen. De koning merkte het niet, wat haar meer dan men denken
kan, ondragelijk pijnigde. Zoo, doordat haar liefde voortdurend aanwies
en er zwaarmoedigheid bij kwam, werd zij ziek en zij kwijnde weg als
sneeuw voor de zon. Haar ouders deden hun best haar met versterkingen
en doktoren en medicijnen te helpen, maar niets baatte, omdat zij niet
langer wou leven. Het kwam haar in de gedachte, als het op passende
wijze kon, haar liefde en haar voornemen, eer zij stierf, aan den
koning mede te deelen en daarom verzocht zij haar vader Minuccio
d’Arezzo bij haar te brengen. Minuccio werd destijds voor een
uitstekend zanger en fluitspeler gehouden en was zeer gezien bij koning
Peter. Bernardo dacht, dat Lisa hem wat wilde hooren spelen en zingen;
daarom liet hij hem zeggen dadelijk bij haar te komen en toen hij als
aardig mensch haar met liefdewoorden gesterkt had, begon hij op zijn
viool zacht een sonate te spelen en zong daarna eenige liederen; dezen
waren voor het meisje vuur en vlam, terwijl hij haar geloofde te
troosten.
Hierna wilde het meisje aan hem alleen iets zeggen en zij sprak:
Minuccio, ik zal u een geheim toevertrouwen, dat gij alleen moogt
mededeelen, wien ik u aanwijs om mij zooveel mogelijk te helpen. Ik
zag, Minuccio, toen koning Peter zijn groot kroningsfeest gaf, hem bij
het steekspel en werd daardoor zóó getroffen, dat dit mij in den
toestand bracht, waarin gij mij ziet. Daar ik weet, hoe slecht mijn
liefde een koning past en ik die niet kan verjagen maar wel verminderen
en die voor mij zeer zwaar te dragen is, heb ik om minder smart
verkozen te sterven. Ik zou ongetroost sterven, als hij het niet eerst
zou weten en daar ik niet weet aan wien ik het beter kan mededeelen dan
u, draag ik dit aan u op en ik smeek u dat gij mij het niet weigert en
als gij het gedaan zult hebben, laat het mij dan weten, opdat ik
bevrijd van die smarten getroost sterf en na dit schreiend gezegd te
hebben, zweeg zij. Minuccio verwonderde zich over haar trots en wreed
voornemen en berispte haar daarover. Het viel hem in, hoe hij haar met
eere kon dienen en zeide: Lisa, ik verpand u mijn woord, en gij zult er
nooit door bedrogen worden. Ik prijs u, dat gij uw liefde gericht hebt
op zulk een groot koning en bied u mijn hulp aan, waarmee ik hoop zoo
te werk te gaan—wat u moet sterken—dat, voor de derde dag voorbij is,
ik geloof tijdingen te hebben, die u zeer welkom zullen zijn. Om geen
tijd te verliezen, wil ik dadelijk beginnen. Lisa, die hem dit opnieuw
smeekte en beloofde zich goed te houden, wenschte, dat hij ging met
God. Minuccio ging een zekeren Mico van Siena opzoeken, een goed rijmer
van dien tijd en overreedde hem op haar verzoek het volgende lied te
maken:
Liefde, ga en ijl tot mijn Heer,
Spreek hem van de pijnen die ik draag:
En zeg hem, dat ik sterven zal,
Als mijn begeerte door vrees blijft verborgen.
Amor, ik smeek u met gevouwen handen,
Dat gij gaat, waar mijn Heer verblijft,
Zeg, dat ik vaak hem begeer en bemin,
Zoo zoet verliefd is mijn harte:
En door het vuur, dat mij geheel ontvlamt,
Vrees ik te sterven en toch weet ik niet het uur,
Dat ik vrij zal zijn van zoo wreede smart,
Die ik verduur in verlangen naar hem
In vrees en in schaamte.
Ach! Om Gods wil, doe het hem weten.
Sinds ik, Amor, op hem werd verliefd,
Hebt gij niet zooveel moed als vrees gegeven,
Zoodat ik geen enkele maal
Hem mijn hartewensch kon openbaren,
Die mij zoo in spanning houdt.
Het is wreed zoo te sterven.
Misschien dat het hem zou behagen,
Als hij wist, hoeveel pijn ik gevoel
En als gij mij den moed hadt gegeven
Om mij het hem te doen weten.
Daar dit, Amor, u niet behaagde,
Mij die beslistheid te geven,
Dat mijn Heer mijn hart kent,
Hetzij door een boodschap of door een teeken,
Vraag ik u de genade, mijn zoete heer,
Dat gij tot hem gaat en hem te herinneren,
Den dag, toen ik hem zag met schild en lans
Met andere ridders in strijd,
Toen ik hem bleef aanschouwen.
Zoo verliefd, dat mijn hart er van vergaat.
Minuccio toonzette die woorden dadelijk op een zachte en klagende
wijze, gelijk de stof dit eischte in die dagen; later ging hij naar het
hof, terwijl koning Peter nog aan tafel zat en hem verzoeken liet wat
op zijn viool te spelen. Hij deed dit zoo, dat allen in de koninklijke
zaal buiten zich zelf waren, en zij stonden allen zwijgend en gespannen
te luisteren, de koning nog meer dan de anderen. Toen Minuccio zijn
zang had geëindigd, vroeg de koning, hoe het kwam, dat hij die niet
vroeger had gehoord. Mijn heer, antwoordde Minuccio de woorden en de
muziek zijn nog geen drie dagen geleden gemaakt. Toen de koning vroeg
door wien, antwoordde hij: Ik zou het niet durven openbaren dan aan u
alleen. De koning hiernaar verlangend liet hem, toen de tafel was
opgeheven, in zijn kamer komen, waar Minuccio hem alles vertelde.
Hierover was de koning zeer verheugd, prees het meisje zeer en zeide,
dat hij zich over zulk een waardige jonkvrouw wilde ontfermen en dat
hij daarom namens hem naar haar toe ging en zeggen zou, dat hij haar
stellig dien dag tegen den vesper zou bezoeken.
Minuccio verheugd zulk een aangename tijding aan het meisje te brengen,
ging onverwijld weg met zijn viool en vertelde háár alleen alles en
zong daarna het lied met zijn vioolspel. Het meisje was hierover zoo
verheugd, dat er dadelijk teekens van herstel verschenen en met
verlangen zonder dat iemand in huis het wist, wachtte zij. De koning,
die een zeer vrijgevig en goed man was, had er meermalen aan gedacht en
daar hij het meisje en haar schoonheid zeer goed kende, kreeg hij nog
meer medelijden en op het uur van den vesper te paard gestegen, deed
hij of hij voor zijn genoegen uitreed en kwam aan het huis van den
apotheker. Daar liet hij een zeer schoonen tuin voor zich openen,
waarin hij afsteeg en na eenigen tijd Bernardo vroeg, hoe zijn dochter
het maakte en of die al gehuwd was. Bernardo antwoordde: Heer, zij is
nog niet gehuwd, maar zij was en is integendeel zeer ziek: het is waar,
dat zij sinds vanmiddag verbazend hersteld is. De koning begreep wel,
wat die verbetering beteekende en zeide: Het zou waarlijk jammer zijn,
als zulk een mooi schepsel zoo spoedig van de wereld zou verdwijnen;
wij zullen haar gaan bezoeken. Met slechts twee metgezellen en Bernardo
begaf hij zich naar haar kamer en toen naderde hij het bed, waarop het
meisje half opgerezen hem met verlangen verwachtte en sprak haar bij de
hand nemend: Madonna, wat beteekent dat? Gij zijt jong en moest anderen
troosten en laat u door het kwaad overwinnen. Wij verzoeken u, dat het
u zal behagen uit liefde tot ons spoedig beter te worden. Toen het
meisje zich de hand voelde drukken door hem, dien zij boven alles lief
had en zij zich eenigszins schaamde, verheugde zij zich zoo, of zij in
het Paradijs was en antwoordde: Mijn heer, de oorzaak van die ziekte
is, dat ik mijn te zwakke krachten te zware lasten wilde doen dragen,
van welke gij mij, dank zij u, spoedig genezen zult zien. Alleen de
koning verstond de bedekte taal van de jonkvrouw en hij achtte er haar
steeds meer om. In stilte vervloekte hij het lot, dat haar tot de
dochter had gemaakt van zulk een man en nadat hij eenigen tijd bij haar
gebleven was en haar had getroost, ging hij weg. Deze menschlievendheid
van den koning werd zeer geprezen en als een groote eer beschouwd voor
den apotheker en zijn dochter en door de beste hoop gesteund was zij in
weinige dagen genezen en schooner dan ooit. Maar toen zij hersteld was
en de koning met de koningin had behandeld, welk loon hij haar voor die
liefde moest geven, steeg hij eens te paard met velen van zijn
baronnen, begaf zich naar het huis van den apotheker en in den tuin
gegaan, liet hij dien roepen en zijn dochter. Ook de koningin kwam er
met vele donna’s en zij ontvingen het meisje wonder goed. Nadat de
koning wat met de koningin gesproken had, riep hij Lisa en zei:
Meisjelief, de liefde, die gij mij hebt toegedragen, heeft u groote
achting bij ons verschaft en wij willen, dat gij uit liefde voor ons
tevreden zult zijn. Wij schenken u de eer, dat gij, als gij huwt, nemen
zult, dien wij u geven, altijd wel te verstaan, dat wij ons uw ridder
noemen, zonder meer liefde van u te verlangen dan een enkelen kus. Het
meisje, dat van schaamte geheel rood was geworden, stelde den koning
tevreden en sprak met gedempte stem: Mijn heer, ik ben er zeker van,
dat, indien men wist, dat ik verliefd op u was, de meeste menschen mij
gek zouden verklaren, maar God, die alleen in de harten der
stervelingen leest, weet, dat ik op het uur, dat gij voor het eerst mij
bekoorde, besefte, dat gij de koning waart en ik de dochter van den
apotheker Bernardo en dat het mij kwalijk paste naar zulk een hoogen
rang den brand van mijn ziel te richten. Gij weet veel beter dan ik,
dat niemand naar verplichte keus verliefd wordt, maar naar begeerte en
welbehagen; tegen die wet verzetten zich mijn krachten en niet meer
kunnend, beminde ik u, bemin ik u en zal ik u altijd beminnen. Het is
waar, dat ik, sinds ik door liefde tot u bevangen werd, besloot van uw
wil steeds den mijne te maken. Daarom zal ik niet slechts gaarne tot
man nemen en lief hebben, dien het u behaagt mij te geven naar mijn eer
en volgens mijn stand, maar indien gij zoudt zeggen, dat ik in de hel
moest leven, zou het mij aangenaam zijn. U tot ridder te hebben, u die
koning zijt, gij weet, hoeveel dit mij waard is, en daarom spreek ik
daar niet meer over. En de kus, die gij vraagt van mijn liefde, zal u
met toestemming van mevrouw de koningin gegeven worden. Voor zulk een
goedheid als de uwe en die van mevrouw de koningin geve God u genade en
loon, want ik kan het niet.
Haar antwoord behaagde de koningin zeer en zij scheen haar even
verstandig, als de koning gezegd had. De koning ontbood een jonkman,
een arm ridder, Perdicone, en na hun ringen aan de vingers geplaatst te
hebben huwde hij hem, die zich niet verzette, met Lisa. De koning en de
koningin gaven hun behalve vele en dure juweelen, Ceffalu, en
Calatabellotto (een kleine stad niet ver van de haven Sciacca), twee
zeer goede en vruchtbare landgoederen en hij sprak: Dezen geven wij u
als bruidschat; wat wij verder voor u zullen doen, zult gij later zien.
En toen zei hij tot het meisje: Thans willen wij die vrucht van uw
liefde hebben, die ons verschuldigd is; hij kuste haar het voorhoofd.
Perdicone en de ouders van Lisa en zij zelf zeer gelukkig, maakten een
blijde bruiloft.
Naar hetgeen velen bevestigen, hield de koning de belofte aan het
meisje gedaan, omdat hij zich, zoolang hij leefde, haar ridder noemde
en nooit ging strijden, zonder dat hij de baanderol droeg, die hem door
het meisje was gezonden. Aldus handelend worden de harten der
onderdanen gewonnen, men geeft zich gelegenheid aldus goed te handelen
en verwerft zich eeuwigen roem. Maar weinigen hebben daarheen thans den
boog des geestes gespannen, daar de meeste heeren wreed en despotiek
zijn geworden.