ZESDE VERTELLING.

De oude koning Carlo, de Zegevierende, wordt op een jong meisje

verliefd; beschaamd over zijn dwaze gedachte huwt hij haar en haar

zuster eervol uit.

Wie zou de verschillende redeneeringen der donna’s kunnen navertellen

over wie de grootste edelmoedigheid toonde: Gilberto of Ansaldo of de

toovenaar tegenover het gedrag van madonna Dianora? Na dezen beval de

koning naar Fiammetta ziende, dat zij een einde aan het redetwisten zou

maken en zij begon zonder verwijl aldus:

Schitterende donna’s. Altijd was ik van meening, dat men in een

gezelschap als het uwe alles zóó breedvoerig moet verklaren, dat er

geen aanleiding voor anderen meer kan zijn om over te twisten. Dit past

beter op de hoogeschool dan voor ons, die ternauwernood geschikt zijn

voor het spinnewiel en den weefstoel. En daarom zal ik, die misschien

een zaak met tweeledige opvatting in het hoofd had en u door het

verhaalde in twist zie, die laten varen en u er een vertellen, niet van

een man van weinig beteekenis, maar van een waardig koning, die zeer

ridderlijk te werk ging. Ieder van u heeft dikwijls gehoord van koning

Karel den Oude of ook den Eerste door zijn prachtigen tocht en zijn

roemrijke overwinning behaald op koning Manfred, waardoor de

Ghibellijnen uit Florence werden verjaagd en de Guelfen er

terugkeerden. Daardoor wilde een ridder, messer Neri degli Uberti

[190], met al zijn bedienden en veel geld gevlucht uit de stad, nergens

anders terugkomen dan onder de bescherming van koning Karel. Om op een

eenzame plaats te leven en zijn dagen in rust te eindigen ging hij naar

Castello da Mare di Distabia.

Op een voetboogs-pijlschot afstand van de stad te midden der olijven en

notenboomen en kastanjes, waarvan de streek vol is, kocht hij een

landgoed, waarop hij een schoon en gemakkelijk huis liet zetten en

daarnaast een aardigen tuin aanleggen, te midden van welke hij naar ons

gebruik een fraaien en helderen vijver liet graven en vulde die met

veel visschen. Hij gaf om niets anders dan om zijn tuin zoo mooi

mogelijk te maken. Eerst in den heetsten tijd begaf koning Karel om wat

uit te rusten zich naar Castello da Mar. Hij wilde dien schoonen tuin

zien. Nadat hij vernomen had van wie deze was, dacht hij, daar de

ridder tot de hem vijandige partij behoorde, dat hij hem op een

vriendelijker manier moest behandelen en liet hem melden, dat hij met

vier metgezellen den volgenden avond in stilte bij hem in den tuin

wilde komen eten. Dit was messer Neri zeer aangenaam en hij regelde

alles om den koning zoo goed hij kon te ontvangen.

Toen die den heelen tuin en het huis van messer Neri gezien en geprezen

had, zette de koning zich aan een der tafels, die aan den vijverkant

geplaatst waren, na zich te hebben gewasschen en beval aan graaf Guido

di Monforte, een van de metgezellen, naast hem plaats te nemen en

messer Neri eveneens en aan de overige drie, die mee waren gekomen,

dienst te doen, gelijk Neri het had vastgesteld. Er kwamen uitgezochte

spijzen en zeer fijne en kostbare wijnen en de bediening was

lofwaardig. Terwijl hij opgewekt avondmaalde en zich verheugde over de

eenzame plaats, kwamen in den tuin twee jonge meisjes, waarvan de eene

misschien vijftien jaar was, met losse haren blond als gouddraad en

daarover een kleinen, lichten krans van maagdenpalm gewonden, wier

oogen die van engelen schenen. Zij hadden de huid bedekt met een kleed

van zeer fijn en sneeuwwit linnen, aan den gordel het nauwst en dat van

daar omlaag, breed als een voorhangsel, tot op de voeten viel. Zij, die

voorop ging, droeg op haar schouders een paar vischnetten, die zij met

de linkerhand vasthield en in de rechter een langen stok. De tweede had

op den linkerschouder een oventje en onder den linkerarm een bundel

hout, in de hand een drievoet en in de andere hand een potje olie en

een aangestoken fakkeltje. De koning verwonderde zich bij dien aanblik

en wachtte gespannen af, wat dat beteekende. De meisjes traden eerbaar

en beschaamd vooruit en maakten voor den koning een buiging. Zij, die

de kachel droeg, plaatste die op den grond en toen het overige, nam den

stok van haar gezellin en beide traden in den vijver, waarvan het water

hun tot de borst steeg. Een der bedienden van Neri stak haastig het

vuur aan en na de kachel op den drievoet te hebben geplaatst en er de

olie op te hebben gegoten begon hij af te wachten, dat de meisjes hem

visch zouden toewerpen.

De een zocht op de plaatsen, waar zij wist, dat de visschen zich

verscholen en de ander hield het net gereed tot groot genoegen van den

koning, die met aandacht toezag, en zij vingen er in korten tijd vele.

Zij wierpen ze toe aan den knecht, die ze levend op den oven legde en

daarna vingen zij er van de schoonsten, die zij op tafel den koning,

graaf Guido en hun vader toewierpen. Die sprongen op tafel, waarin de

koning wonder veel genoegen had en terwijl hij er op zijn beurt van

ving, wierp hij ze hoffelijk naar hen terug en zoo schertsten zij

eenigen tijd, tot de knecht de zijnen gebakken had en die eer als een

toespijs dan als een duur of keurig gerecht, gelijk messer Neri beval,

den koning werden voorgezet. De meisjes, die de gebakken visch zagen en

genoeg gevischt hadden, kwamen uit den vijver het witte en lichte kleed

geheel klevend aan hun huid, zoodat niets van den fijnen vorm van hun

lichaam verborgen bleef en nadat zij de voorwerpen weer hadden

opgenomen, gingen zij beschaamd langs den koning naar huis terug. De

koning, de graaf en de anderen hadden die meisjes heel mooi en

welgemaakt, aardig en welgemanierd gevonden, maar bovenal hadden ze aan

den koning behaagd. Hij had zoo aandachtig elk deel van hun lichaam

beschouwd, toen zij uit het water kwamen, dat hij, als men hem geprikt

zou hebben, het niet gevoeld had. Steeds meer aan hen denkende voelde

hij in het hart een brandende begeerte groeien ze te bezitten en dat

hij verliefd zou worden, als hij zich niet in acht nam. Hij wist zelf

niet, wie van de twee hem het meest beviel. Na eenig nadenken wendde

hij zich tot Neri en vroeg hem, wie de twee jonge dames waren, die

antwoordde: Mijnheer, dat zijn mijn dochters, beide op denzelfden dag

geboren, waarvan de eene Ginevra, de Schoone, en de andere Isotta, de

Blonde, heet. De koning prees ze zeer en spoorde hem aan ze uit te

huwen, waarover Neri, omdat hij dit niet kon, zich verontschuldigde. Er

bleef niets meer dan het fruit op te disschen en de twee meisjes kwamen

in twee rokken van zeer fraai taf met twee zeer groote zilveren

schotels in de hand vol verschillende vruchten en zetten dien voor den

koning op tafel. Daarna gingen zij wat achteruit en begonnen een lied

te zingen, dat aldus aanving:

Hoever gij, Amor, mij hebt gebracht,

Lang kan men daar niet van verhalen ....

met zooveel zachtheid en zoo lief, dat het den koning, die met genoegen

toekeek en luisterde, scheen, dat alle engelenkoren daar waren

neergedaald. Vervolgens knielden zij en vroegen eerbiedig verlof aan

den koning, die, hoewel hun vertrek hem hinderde, het hun toch

schijnbaar welwillend gaf. Het maal eindigde, de koning steeg met zijn

metgezellen te paard, ze lieten messer Neri achter, spraken over een en

ander en keerden naar de koninklijke woning terug. Hier hield de vorst

zijn genegenheid verborgen, maar kon, welke ernstige zaak ook voorviel,

de schoonheid en bekoorlijkheid van de schoone Ginevra niet vergeten,

waarvan hij ook de zuster liefhad, die op haar geleek en hij raakte zoo

vast aan den lijmstok der liefde, dat hij aan niets anders kon denken.

Hij greep andere voorwendsels aan om met messer Neri een innige

vriendschap te sluiten en bezocht zeer vaak in den tuin de schoone

Ginevra. Reeds kon hij het niet meer uithouden en was hij op de

gedachte gekomen, daar hij er niets anders op zag om niet één maar

beide meisjes te schaken, toen hij zoowel zijn liefde als zijn plan

bekende aan graaf Guido, die, omdat hij een waardig man was, hem zeide:

Mijn heer, ik verwonder mij er zeer over, wat gij mij zegt en meer dan

wie ook, daar het mij voorkomt, dat ik uw gewoonten van af uw jeugd tot

heden toe beter gekend heb dan ieder ander. Omdat gij in uw jeugd,

waarin de liefde lichter u in haar banden moest boeien, nooit zulk een

hartstocht gekend hebt, vind ik het haast een wonder, dat gij, de

ouderdom al nabij, lief hebt. En als het mij paste u er over te laken,

weet ik wel, wat ik u zou zeggen, als ik in aanmerking neem, dat gij in

een pas veroverd rijk het harnas nog aan hebt bij een onbekend volk vol

bedrog en verraad, en terwijl gij geheel belast zijt met zeer groote

zorgen en gewichtige zaken en met nog geen tijd om te gaan zitten,

ruimte hebt gegeven aan zulk een bedriegelijke liefde.

Dit is geen daad van een groot koning, maar van een kleinmoedig

jonkman. Behalve dat, zegt gij, wat erger is, dat gij hebt overlegd de

twee meisjes aan den armen ridder te ontrooven, die u in zijn huis

boven zijn middelen heeft ontvangen en om u nog meer te eeren ze u

haast naakt heeft getoond, op die wijze betuigend, hoeveel vertrouwen

hij in u heeft en dat hij in u bepaald een koning ziet en geen

roofzuchtige wolf. Is het u dan zoo spoedig ontgaan, dat de

geweldenarijen van Manfred jegens de vrouwen u den toegang tot dit rijk

hebben ontsloten? Welk verraad, als het ooit werd gepleegd, zou meer

een eeuwige straf waard zijn dan hem zijn eer te ontnemen en zijn hoop

en zijn troost? Wat zou men dan van u zeggen? Gij denkt misschien, dat

het een genoegzame verontschuldiging is: Ik deed dit, omdat hij een

ghibellijn is. Is dit nu de rechtvaardigheid des konings, dat zij, die

bij hem hun toevlucht zoeken, wie ze ook zijn, zoo worden behandeld? Ik

herinner u, o koning, dat het een zeer groote glorie is Manfred te

hebben overwonnen, maar nog grooter zich zelf te overwinnen. Overwint

gij, die anderen moet verbeteren, daarom u zelf en bedwing dien lust en

bezoedel niet met zulk een vlek, wat gij met eere hebt veroverd.

Deze woorden troffen de ziel des konings bitter en bedroefden hem te

meer, naarmate hij beter haar waarheid besefte. Hij antwoordde na

eenige heete zuchten: Graaf, ik vind zeker, dat ieder ander vijand, hoe

sterk ook, gemakkelijker en sneller te overwinnen is voor een goed

geoefend krijgsman dan zijn eigen hartstocht, maar hoe groot het

verdriet ook is en de vereischte kracht, uw woorden hebben mij zoo

aangespoord, dat ik, voor te veel dagen verstrijken, u door mijn daden

zal toonen, dat ik als anderen ook mij zelf kan vermeesteren. Kort

daarop, toen de koning naar Napels was teruggekeerd, zoowel om zich

zelf te beletten iets slechts te doen als om den ridder te beloonen

voor de genoten gastvrijheid, stelde hij vast, hoe hard het ook voor

hem was een ander tot den bezitter te maken van wat hij het meest voor

zich zelf verlangde: de twee meisjes uit te huwen en niet als de

dochter van messer Neri maar als van hem zelf. Met goedvinden van dezen

schonk hij een prachtige bruidschat, gaf de schoone Ginevra aan messer

Maffeo van Palizzi en de blonde Isotta aan messer Guiglielmo della

Magna, beide edele ridders en groote baronnen. Na ze hun te hebben

toegevoerd, begaf hij zich met onnoemelijke smart naar Apulië en met

voortdurende vermoeienissen vernietigde hij, zoo goed hij kon, zijn

wreede begeerte, opdat hij na de liefdeboeien te hebben verbroken, voor

de rest van zijn leven van zulk een hartstocht vrij bleef.

Er zullen er misschien zijn, die zeggen, dat het niet veel is voor een

koning om twee meisjes uit te huwen en dat wil ik toegeven, maar ik zou

zeggen, dat het een groot, een zeer groot ding is, wanneer een verliefd

vorst dit doet met haar, die hij lief heeft zonder van haar liefde

blad, bloem of vrucht te hebben geroofd. Zoo handelde dus de

grootmoedige koning en beloonde den edelen ridder op nobele wijze,

eerde de beminde meisjes loffelijk en overwon met kracht zich zelve.

De Decamerone van Boccaccio · 第 108 / 116 题