Messer Gentil de’ Carisendi haalt teruggekeerd van Modena een donna
door hem bemind, die voor dood is begraven, uit het graf, welke
hersteld een zoon baart en messer Gentile geeft haar en den zoon
terug aan Niccoluccio Caccianimico, haar echtgenoot.
Het scheen allen een wonder, dat iemand zoo vrijgevig was met zijn
eigen bloed en zij erkenden, dat Nathan werkelijk den koning van Spanje
en den abt van Cligny overtrof. Toen er over een en ander genoeg gezegd
was, beduidde de koning Lauretta, dat zij zou spreken, die opgewekt
begon:
Jonge donna’s. De verhalen waren prachtig en het schijnt mij, dat er
niets voor ons overblijft te vertellen, zoo grootsch waren die. Alleen
liefdesgeschiedenissen geven nog voor elk onderwerp de overvloedigste
stof tot spreken. En zoowel hierdoor en omdat onze leeftijd ons daartoe
hoofdzakelijk leidt, behaagt het mij U de grootmoedigheid van een
minnaar vertellen, welke wel beschouwd U niet minder zal schijnen dan
een der verhaalde feiten, indien het waar is, dat men de schatten
geeft, dat men de vijandigheden vergeet en dat men het leven, de eer en
den roem, die veel meer waard zijn in duizende gevaren brengt om het
beminde voorwerp te bezitten.
Er leefde dan in Bologna, die zeer edele stad van Lombardije, een
ridder zeer gezien om zijn deugd en den adel van zijn bloed, Gentil
Carisendo, een jonkman, die verliefd werd op een edelvrouw, madonna
Catalina (Catharina), de echtgenoote van een zekeren Niccoluccio
Caccianimico. Omdat zijn liefde door haar slecht werd beantwoord,
vertrok hij, tot baljuw van Modena benoemd, wanhopig. In dien tijd,
terwijl Niccoluccio te Bologna was en de donna op een harer bezittingen
misschien drie mijlen van de stad, waar zij voor haar zwangerschap
heenging, werd zij door zulk een ernstige ongesteldheid getroffen, dat
zij door elken dokter voor dood werd gehouden. Daar haar naaste
verwanten uit haar eigen mond hadden vernomen dat het kind nog niet
rijp kon zijn, begroeven zij haar met veel geklaag in een tombe van een
kerk daar in de buurt zonder zich verder ongerust te maken. Dit werd
dadelijk door een vriend bericht aan messer Gentil, die, hoewel hij
zeer weinig van haar welwillendheid had genoten, er zeer bedroefd over
was en dacht: Zie, mevrouw Catalina, gij zijt dood; zoolang gij leefde,
heb ik nooit één blik van U gehad, daarom nu gij U niet meer kunt
verzetten, moet ik een kus van U hebben. ’s Nachts gaf hij zijn
bevelen, opdat zijn vertrek geheim bleef, steeg met een bediende te
paard en zonder oponthoud bereikte hij de tombe, opende die, waarin hij
binnenging, legde zich naast haar zijn gelaat bij het hare en kuste het
meermalen met vele tranen. Daar wij de wenschen der mannen nooit
bevredigd zien, maar die steeds vermeerderen en in het bijzonder die
der minnaars en hij besloten had er niet langer te blijven, zeide hij:
Wel, waarom zou ik haar niet even de borst aanraken? Ik mag die nooit
meer beroeren en raakte die nooit aan. Door dit verlangen overwonnen
legde hij de hand op haar boezem en toen hij die daar eenigen tijd
gehouden had, scheen het hem, dat haar hart nog sloeg. Toen hij alle
vrees van zich verjaagd had, bevond hij, dat zij zeker niet dood was,
hoe gering en zwak hij haar leven ook achtte; daarom trok hij haar zoo
zacht hij kon met behulp van zijn bediende uit de tombe en na haar voor
zich op het paard te hebben gelegd, bracht hij haar heimelijk in zijn
huis in Bologna. Daar was zijn moeder, een waardige en wijze vrouw,
die, nadat zij van haar zoon alles vernam, door medelijden bewogen
langzaam met groote hitte en een bad het verzwakte leven terug riep.
Toen zij tot zich zelf kwam, stiet zij een grooten zucht uit en zeide:
Wee mij! Waar ben ik? Waarop de waardige donna antwoordde: Houdt U
goed, je bent op een goede plaats. Tot bezinning gekomen en niet goed
wetend, waar zij was en messer Gentile voor zich ziende, vroeg zij vol
verbazing zijn moeder haar te zeggen, hoe zij daar kwam, waarop messer
Gentil alles vertelde. Zij, hierover bedroefd, bedankte hem, zooveel
zij kon en bad hem bij de liefde, die hij haar vroeger toedroeg en uit
beleefdheid, dat er niets zou gebeuren, wat tegen haar eer en die van
haar man ging en haar, als het dag werd, naar haar eigen huis te laten
terugkeeren. Messer Gentile antwoordde: Madonna. Hoedanig mijn
verlangen ook eertijds was, ik ben thans niet van plan noch voortaan
(daar God mij die genade schonk U uit den dood aan het leven terug te
geven dank zij de liefde, die ik U vroeger toedroeg) U noch hier noch
elders anders dan als geliefde zuster te behandelen maar de dienst,
dien ik U vannacht bewees, verdient een belooning en daarom wil ik, dat
gij mij die schenkt. De donna verklaarde zich hiertoe bereid, mits die
gunst eerbaar was. Messer Gentil sprak toen: Madonna, al Uw verwanten
en alle Bologneezen gelooven stellig, dat gij gestorven zijt. Ik
verlang van U, dat gij hier zult blijven met mijn moeder, tot ik
spoedig van Modena terugkeer. De reden hiervan is, dat ik U in
tegenwoordigheid der beste burgers een duur en feestelijk geschenk wil
geven. De donna, die zich verplicht gevoelde, stemde toe, hoezeer zij
ook verlangde haar familie te verheugen en beloofde het hem op haar
woord. Kort daarna meende zij te moeten bevallen en met zorg geholpen
door de moeder van messer Gentile beviel zij weldra van een schoonen
knaap, wat de vreugde van messer Gentil en van haar zeer verhoogde.
Messer Gentile beval, dat zij van alles werd voorzien, behandeld als
zijn eigen vrouw en keerde in ’t geheim naar Modena terug. Toen daar de
tijd voor zijn baljuwschap om was, keerde hij naar Bologna terug. Den
ochtend, dat hij zou binnen komen, beval hij voor vele edele lieden van
Bologna een groot gastmaal te bereiden, waarbij Niccoluccio
Caccianimico tegenwoordig zou zijn. Toen hij zich bij hen bevond, zag
hij de donna schooner en gezonder terug dan ooit en het zoontje
welvarend, zette met opgeruimdheid zijn gasten aan tafel en liet ze van
allerlei spijzen bedienen. Toen het maal haast geëindigd was, begon
hij, die met de donna alles geregeld had, aldus te spreken: Heeren, ik
herinner mij eens te hebben gehoord, dat er in Perzië een aardig
gebruik bestond namelijk, wanneer iemand zijn vriend ten hoogste wilde
onthalen, hem bij zich uit te noodigen en hem vrouw, vriendin of
dochter te toonen of wat hem het dierbaarst was met het verzoek, dat
ook deze zou zeggen, wat hem het liefst was en ik doe dit nu hier in
Bologna. Gij hebt mijn gastmaal eer aangedaan en wil u op zijn perzisch
ontvangen door u het dierbaarste te toonen, wat ik op de wereld heb.
Maar eer ik dit doe, bid ik u mij te zeggen, wat gij denkt van den
twijfel, dien ik in mij omdraag. Iemand heeft een goed en trouw
dienaar, die ernstig ziek wordt; zonder het einde van den zieke af te
wachten, laat hij hem midden op straat dragen en zorgt niet meer voor
hem; er komt een vreemde en bewogen door medelijden verzorgt hij hem en
met groote kosten wordt hij weer gezond. Nu zou ik willen weten of, als
hij dien in zijn dienst houdt, zijn eerste meester zich terecht kan
beklagen over den tweede, indien die, als hij den dienaar terugvraagt,
dezen niet afstaat. De edellieden kwamen tot één besluit en droegen
Niccoluccio Caccianimico op, omdat hij een goed spreker was, te
antwoorden. Deze prees het perzisch gebruik en meende als de anderen,
dat de eerste meester geen recht meer op zijn dienaar had, omdat hij
hem in dit geval niet alleen had verlaten maar zelfs verstooten en dat
het, voor de diensten door den tweeden bewezen, rechtvaardig was, dat
hij diens knecht werd, en hij, door hem te houden, den eerste geweld
noch beleediging aandeed. Alle aanwezigen zeiden hetzelfde. De ridder
hierover tevreden beweerde, dat hij van een andere meening was en zeide
daarentegen: Het is tijd, dat ik u volgens mijn belofte eer bewijs. Hij
liet door twee knechts de donna halen, die hij rijk had getooid, en
verzocht haar om de edellieden met haar tegenwoordigheid te vereeren.
Met haar mooi knaapje op den arm kwam zij in de zaal en ging naast een
waardig man zitten. Hij sprak: Heeren, dit is het dierbaarste, wat ik
heb. Ben ik in mijn recht? De edellieden vierden haar zeer en zeiden
den ridder, dat hij haar moest liefhebben. Er waren er verscheidene,
die hem gezegd zouden hebben, wie zij was, als zij haar niet dood
hadden gewaand. Maar vooral Niccoluccio keek haar aan, die, toen de
ridder even heen ging, daar hij brandde om te weten of ze het was, zich
niet houden kon, en haar vroeg of zij uit Bologna was of een vreemde.
De donna, door haar echtgenoot ondervraagd, zweeg om de afspraak te
houden. Een ander vroeg of dit haar zoontje was en gene of zij de vrouw
was van messer Gentile of met hem verwant; hierop antwoordde zij niets.
Maar toen messer Gentile terug kwam, zeide een der gasten: Messire, zij
is schoon, maar zij schijnt mij stom. Is zij dit? Heeren, sprak messer
Gentile, dat zij tot nu toe niet gesproken heeft, is geen klein bewijs
van haar deugdzaamheid. Zeg dan, wie zij is. De ridder sprak: Dat zal
ik gaarne doen, mits gij mij belooft, dat niemand van zijn plaats zal
bewegen, voor ik geëindigd heb en hierna, toen de tafel al was
opgeheven, sprak messer Gentile, die naast de donna ging zitten:
Heeren, deze donna is die eerlijke dienaar, waarover ik U sprak, deze
werd geminacht en als gemeen en nutteloos op de straat geworpen, en
door mij opgenomen. Door mijn zorg heb ik haar uit den dood opgehaald
en God, die lette op mijn barmhartigheid, heeft haar van een
afschrikwekkend lichaam weer schoon doen worden. Maar ik zal U in het
kort verklaren, wat mij is overkomen, Hij vertelde van zijn
verliefdheid af alles uitvoerig tot aller groote verbazing en voegde er
nog aan toe: Als gij dus niet sinds zooeven van gevoelen zijt veranderd
en vooral Niccoluccio, is die donna met recht de mijne en kan niemand
haar met reden van mij weer opeischen. Niemand antwoordde, maar alle
wachtten af. Men weende van ontroering; messer Gentile stond op, nam
den kleinen jongen in zijn armen en de donna bij de hand en sprak tot
Niccoluccio: Sta op, peetvader, ik geef U deze niet als Uw vrouw terug
door Uw familie en haar verwanten verstooten maar als mijn petemoei en
dit knaapje, waarvan ik zeker ben, dat het van u is, dat ik ten doop
hield en Gentile heb genoemd. Ik bid u, dat zij, daar zij drie maanden
in mijn huis is geweest, u niet minder dierbaar zal zijn. Want ik zweer
u bij dien God, die mij op haar verliefd maakte, misschien om haar te
redden, dat zij nooit eerbaarder bij haar ouders of u heeft geleefd dan
bij mijn moeder in mijn huis. Hierbij wendde hij zich naar de donna en
sprak: Madonna, ik ontsla u van elke belofte mij ooit gedaan en geef u
over aan Niccoluccio en hij sloot de donna en het kind in diens armen.
Niccoluccio ontving verlangend zijn donna en haar zoontje en des te
meer verblijd, naarmate hij meer wanhopend was geweest en zoo goed hij
kon, bedankte hij den ridder. Al de anderen weenden van ontroering en
prezen hem zeer en ieder, die het later hoorde. De donna werd met
groote vreugde tehuis ontvangen en zij werd met verbazing langen tijd
door de Bologneezen beschouwd. Messer Gentile leefde steeds als vriend
van Niccoluccio en zijn verwanten en die der donna.
Wat zult gij hier zeggen, welwillende donna’s? Zoudt gij denken, dat
een koning, die zijn schepter en kroon geeft en een abt, die zonder
schade een misdadiger met den Paus verzoende of een oude, die zijn keel
biedt aan het mes van een vijand, vergeleken kunnen worden met de daad
van messer Gentile, die jong en vurig, te recht meenend te bezitten,
wat de dwaasheid van anderen had weggeworpen en wat hij door goed geluk
had gevonden, niet alleen zijn liefde matigde maar ook terug gaf, wat
hij langen tijd begeerd had en zocht te rooven. Zeker schijnt niets van
het verhaalde mij hieraan gelijk.