DERDE VERTELLING.

Mithridanes jaloersch op de edelmoedigheid van Nathan wil hem

dooden en zonder deze te kennen, ontmoet hij dien zelf; onderricht

door dezen over het middel daartoe, ontdekt hij hem in een boschje,

dat die er voor had aangewezen, schaamt zich, als hij hem erkent en

wordt zijn vriend.

Het scheen allen een wonder, dat een geestelijke een zaak grootmoedig

behandelde, maar toen de de donna’s al met praten ophielden, beval de

koning aan Filostrato voort te gaan, die haastig begon: Edele donna’s.

Groot was de mildheid van den koning van Spanje en ook die van den abt

van Cligny, maar het zal U nog wonderlijker voorkomen, dat een

grootmoedig man jegens een ander, die zijn bloed en zijn leven

begeerde, wijs besloot het hem te geven. En hij zou het geschonken

hebben, als de ander het had willen aannemen, hetgeen ik U zal

vertellen.

Het is zeer zeker, (als men geloof kan hechten aan de woorden van

eenige Genueezen en eenige anderen, die in die streken geweest zijn)

dat er vroeger in zekere gedeelten van Cattajo [189] een man leefde van

edel geslacht en onvergelijkelijk rijk, Nathan, die een bezitting had

bij een straatweg, waar noodzakelijk haast iedereen passeerde, die van

het Westen naar den Levant of van het Oosten naar het Westen wilde gaan

en daar hij grootmoedig en mild was en dit wilde toonen, liet hij er,

daar hij over vele kunstenaars kon beschikken, in korten tijd het

schoonste en rijkste paleis bouwen, dat ooit was aanschouwd en liet dit

voorzien van al wat noodig was om edellieden te onthalen. Hij had een

groot en schoon dienstpersoneel, en liet er met welwillendheid en eer

elk, die kwam onthalen. Hij hield die lofwaardige gewoonte zóó vol, dat

niet alleen het Oosten, maar ook heel het Westen hen door de faam

kende. Toen hij al oud was, zonder dat zijn gulheid was verzwakt,

bereikte zijn roem een jongeling Mithridanes uit een land niet ver van

het zijne, die wetend, dat hij niet armer was dan Nathan, zoo jaloersch

was geworden op zijn roem en zijn deugd, dat hij zich voornam die met

grooter vrijgevigheid of te vernietigen of te overschaduwen. Na een

paleis te hebben laten bouwen gelijk aan dat van Nathan begon hij de

buitensporigste mildheid te betuigen aan ieder, die daar kwam en hij

werd in korten tijd beroemd. Terwijl hij eens geheel alleen in den hof

van zijn paleis was, vroeg een vrouwtje door een der poorten

binnengetreden hem een aalmoes en ontving die en door een tweede poort

weer bij hem gekomen, kreeg zij er nog een en zoo vervolgens twaalf

maal maar de dertiende maal sprak Mithridanes; Vrouwtjelief, gij zijt

niet vlug tevreden, maar niettemin gaf hij haar de aalmoes. Het oudje

zeide: O milddadigheid van Nathan, wat zijt gij wonderbaar! Want ik

werd nooit na door de twee en dertig poorten van zijn paleis te zijn

binnengetreden en hem een aalmoes te hebben gevraagd door hem herkend,

zóó dat hij het toonde, en kreeg die altijd en hier ben ik er nog geen

dertien door gegaan of ik word herkend en berispt. Zonder terug te

keeren ging zij heen. Mithridanes, die hoorde, dat de roem van Nathan

den zijne verminderde, zei in woedende gramschap ontbrand: O ongeluk

over mij! Wanneer zal ik de mildheid van Nathan in groote dingen

bereiken, als ik hem zelfs nog niet in de kleinsten kan nabij komen?

Waarlijk, ik vermoei mij tevergeefs, als ik hem niet van de wereld

stuur, wat ik, daar de ouderdom hem niet weg voert, zonder twijfel met

eigen handen zal moeten doen. Zonder zijn plan aan iemand mede te

deelen en met weinig geleide te paard gestegen, kwam hij na drie dagen,

waar Nathan woonde en na aan zijn metgezellen bevolen te hebben te doen

of zij hem niet kenden, zeide hij hun een herberg te zoeken tot nader

order. Hij trof tegen den avond alleen gebleven niet ver weg Nathan

voor het schoone paleis, die zonder pronkkleed eenzaam wandelde. Daar

hij hem niet kende, vroeg hij hem te zeggen, waar Nathan woonde. Nathan

antwoordde blijmoedig: Mijn zoon, niemand in deze streek weet het U

beter te zeggen dan ik en daarom zal ik U, als het U behaagt, er heen

leiden. De jongeling zeide, dat dit hem zeer aangenaam zou zijn, maar

dat hij zoo mogelijk door Nathan noch gezien noch gekend wilde worden.

Nathan sprak toen: Dit zal ik doen, omdat U dat wilt. Toen Mithridanes

was afgestegen, ging hij met Nathan in aangenaam gesprek naar diens

prachtig paleis. Hier liet Nathan door een van zijn bedienden het paard

van den jonkman vasthouden en fluisterde hem in, dat hij haastig aan

allen in het paleis zou mededeelen, dat niemand aan den jongeling zou

zeggen, dat hij zelf Nathan was. Hij liet Mithridanes in een zeer

schoone kamer, waar niemand hem zag uitgezonderd zij, wien zijn

bediening was opgedragen, liet hem prachtig onthalen, en hield hem zelf

gezelschap. Terwijl Mithridanes bij hem bleef, vroeg hij hem toch,

hoewel hij hem vaderlijk eerbiedigde, wie hij was. Nathan antwoordde:

Ik ben een geringe dienaar van Nathan: ik ben van af mijn jeugd met hem

oud geworden en hij gebruikte mij nooit voor iets anders dan voor wat

gij ziet, zoodat, hoewel ieder ander hem zeer prijst, ik het slechts

weinig kan doen. Deze woorden gaven aan Mithridanes hoop met meer

overleg en sluwheid zijn verraderlijk plan uit te voeren. Nathan vroeg

hem zeer beleefd, wie hij was en wat hem daarheen voerde en bood hem

zijn raad en zijn hulp aan, waarin hij dit kon.

Mithridanes wachtte een oogenblik en besluitend zich hem toe te

vertrouwen, vroeg hij met een lange omhaal zijn woord en daarna raad en

hulp, zei, wie hij was en waarom hij kwam. Nathan was waarlijk hierbij

geheel onthutst maar zonder te lang te dralen antwoordde hij met een

gerust hart en een onbewogen gelaat: Mithridanes, Uw vader was een edel

mensch, van welken gij niet moogt ontaarden, nu gij zulk een trotsch

besluit genomen hebt jegens allen grootmoedig te zijn en ik prijs U

zeer om Uw afgunst op de deugd van Nathan. Als er meer zoo waren, zou

de wereld die nu zeer ellendig is, spoedig goed worden. Uw voorstel zal

geheim blijven, maar ik kan er eer nuttigen raad dan groote hulp voor

verleenen, en wel deze: Gij kunt van hier misschien op een halve mijl

afstand een boschje zien, waarin Nathan elken morgen geheel alleen voor

ontspanning een lange wandeling doet; daar is hij gemakkelijk te

treffen. Ga, indien gij hem doodt, opdat gij zonder hindernis naar huis

terugkeert, niet denzelfden weg terug, maar dien gij links uit het

bosch ziet komen, omdat deze een weinig meer ongebaand dichter bij Uw

huis is en veiliger. Daarna liet Mithridanes in ’t geheim aan zijn

metgezellen weten, waar zij hem den volgenden dag moesten wachten.

Nathan ging onveranderlijk in zijn gevoelens volgens den raad, dien hij

had gegeven, naar het boschje om te sterven. Mithridanes nam zijn boog

en zijn degen,—want andere wapens had hij niet,—ging er te paard heen

en zag Nathan van verre alleen wandelen. Voor hij hem aanviel, wilde

hij hem zien en spreken, liep op hem toe, greep hem bij den doek op het

hoofd en zeide: Grijsaard, gij zijt des doods! Nathan antwoordde er

niets op als: Dan heb ik dien verdiend. Mithridanes, die hem aan stem

en gelaat herkende, als degene, die hem welwillend had ontvangen en

trouw had geraden, liet opeens zijn woede varen en zijn toorn

veranderde in schaamte. Daarop steeg hij af na den degen te hebben

weggeworpen, viel klagend Nathan te voet en zeide: Nu ken ik Uw

gastvrijheid, dierbare vader, nu ik zie hoe, gij hier gekomen zijt om

mij Uw leven te geven, wat ik zonder rede toonde te begeeren. Maar God,

die meer nauwgezet is op mijn plicht dan ik, heeft op het ware

oogenblik mijn oogen geopend, die gesloten waren door ellendigen nijd.

En ik verdien te meer straf voor mijn dwaling, naarmate gij meer bereid

waart, mij te dienen. Neem die wraak, welke gij voor mijn zonde eischt.

Nathan hief hem op, omhelsde en kuste hem teeder en sprak: Mijn zoon,

voor uw plan of gij het misdaad of hoe ook noemen wilt, behoeft gij

geen vergeving te vragen, omdat gij het niet uit haat hebt gevolgd maar

om voor braver door te gaan. Leef ongestoord voort en wees er zeker

van, dat er niemand is, die zooveel van U houd als ik, want ik begrijp

den trots van Uw ziel, die er zich aan wijdde niet slechts te

verzamelen, gelijk de ellendigen doen, maar het verzamelde te besteden.

Evenmin behoeft gij U te schamen mij uit roemzucht te dooden noch te

denken, dat ik mij er over verwonder. De beroemdste keizers en de

grootste koningen hebben niet anders dan door moorden niet één man,

zooals gij het wilde, maar oneindig veel menschen gedood, de landen

plat gebrand en de steden vernield om hun rijken te vergrooten en

bijgevolg hun roem. Als gij om U meer beroemd te maken mij hebt willen

dooden, hebt gij niets wonderlijks of nieuws gedaan, maar iets zeer

gewoons.

Mithridanes, die zijn boos plan niet verontschuldigde, maar die de

vereerende verontschuldiging van Nathan zeer prees, zeide, dat hij zich

zeer verwonderde over den raad, dien bij hem gaf. Hierop zei Nathan:

Mithridanes, verwonder U niet, omdat ik, sinds ik mijn eigen wil had en

besloot hetzelfde te doen als gij, niemand ooit in mijn huis ontving,

dien ik niet voldeed, wat hij ook vergde. Gij zijt hier gekomen

begeerig naar mijn leven, daarom, opdat gij ook niet onbevredigd zoudt

weggaan, besloot ik het U te schenken. Ik gaf U den raad, dien ik,

geschikt achtte; U mijn leven te geven en U het Uwe niet te doen

verliezen. Gij kunt het nog nemen, daar ik het niet beter weet te

besteden. Ik heb het al tachtig jaar voor mijn genoegens en voor mijn

weldadigheid gebruikt en ik volg den loop der natuur, die mij nog maar

weinig tijd overlaat. Daarom acht ik het veel beter dat te offeren,

gelijk ik steeds mijn schatten gegeven en verteerd heb, dan dit te

bewaren tot het tegen mijn wil mij door de natuur wordt ontnomen. Het

is een klein geschenk honderd jaar te geven; hoeveel minder is het dan

niet de zes of acht te schenken, die ik nog heb te leven? Neem het dus,

als dit U bevalt, bid ik U, omdat ik, terwijl ik hier geleefd heb,

niemand vond, die het heeft begeerd, en ik ook niemand zal vinden, die

het wenscht. En mocht ik nog iemand vinden, dan weet ik, dat hoe langer

ik het houd, hoe minder het waard zal zijn; en omdat het minder waard

wordt, bid ik U het te nemen. Mithridanes zeide beschaamd: God

verhoede, dat ik uw zoo kostbaar leven neem of dat ik er de begeerte

toe krijg als voor kort, wat ik niet met zijn jaren wil verminderen

maar gaarne met de mijne verlengen. Nathan sprak snel: Wel, gij kunt

het verlengen en schenk mij uw leven, die nooit iets van anderen nam.

Goed, zeide Mithridanes. Dan, sprak Nathan, handel, gelijk ik zeg.

Blijf als jongeling in mijn huis en noem U Nathan en ik zal naar het

Uwe gaan en Mithridanes heeten. Toen antwoordde Mithridanes: Indien ik

nu wist te handelen als gij, zou ik het aannemen, maar omdat mijn

handelwijzen den roem van Nathan zouden verminderen en ik niet bij

anderen wil bederven, wat ik bij mezelf niet wist te verkrijgen, zal ik

dit niet aannemen. Bij deze geestige woorden gingen zij naar het paleis

terug, waar Nathan Mithridanes prachtig onthaalde en hem met al zijn

vernuft en wetenschap in zijn grootsch plan versterkte. Mithridanes

ging met zijn gezelschap huiswaarts, nadat Nathan hem wel had doen

ondervinden, dat hij hem nooit in mildheid zou kunnen overtreffen.

De Decamerone van Boccaccio · 第 105 / 116 题