TWEEDE VERTELLING.

Ghino di Tacco neemt den abt van Cligny gevangen, geneest hem van

maagziekte en laat hem daarna vrij. Deze, naar het Hof van Rome

teruggekeerd, verzoent hem met Paus Bonifacius en doet hem tot

Prior der Hospitaal-Ridders benoemen.

Reeds was de grootmoedigheid van koning Alphonso jegens den

Florentijnschen ridder geprezen, toen de koning, aan wien de

geschiedenis zeer had behaagd, Elisa beval te volgen, die haastig aldus

begon: Teedere donna’s. Het kan slechts als een lofwaardige en

grootsche zaak beschouwd worden, dat een koning zich grootmoedig toont

en die gulheid gebruikt jegens iemand, die hem gediend heeft. Maar wat

zullen wij het noemen, als men ons verhaalt, dat een geestelijke een

bewonderenswaardig mildheid heeft toegepast jegens iemand, waar geen

mensch het gelaakt had dien als vijand te behandelen? Zeker niet anders

dan bij den koning een deugd, maar bij den geestelijke een wonder, daar

zij allen gieriger zijn dan de vrouwen en geslagen vijanden van alle

vrijgevigheid. Hoewel iedereen wraak verlangt voor ontvangen

beleedigingen, zoeken de geestelijken, hoezeer zij lijdzaamheid

prediken en ten zeerste de vergiffenis voor beleedigingen, die met veel

meer vuur dan de andere menschen. Dat een priester grootmoedig was,

zult gij duidelijk uit mijn volgende geschiedenis begrijpen.

Ghino di Tacco, een man berucht om zijn wreedheid en zijn rooftochten,

die uit Siena was weggejaagd en een vijand der graven van Santa Fiore,

deed Radicofani opstaan tegen de Roomsche Kerk en terwijl hij daar

woonde, liet hij door zijn volgelingen ieder, die in de omstreken

voorbijging, uitplunderen. Toen nu Bonifacius VIII Paus was, kwam de

abt van Cligny aan zijn Hof, dien men geloofde een der rijkste prelaten

van de wereld te wezen. Daar hij er zijn maag had bedorven, werd hem

door de doktoren aangeraden zich naar de baden van Siena te begeven.

Nadat de Paus hem dit had toegestaan, ging hij zonder zich om de faam

van Ghino te bekommeren met praal van lastdieren, paarden en bedienden

op reis. Ghino di Tacco, die zijn aankomst gewaar werd, spande zijn

valstrikken en zonder zelfs een schildknaap te verliezen sloot hij den

abt met zijn heele personeel op een enge plaats in. Hierop zond hij

naar den abt een der zijnen, den best bespraakten, die hem uit zijn

naam op zeer beminnelijke wijze, vroeg of het hem zou behagen met hem

naar het kasteel van Ghino te gaan. Toen de abt dit hoorde, antwoordde

hij verwoed, dat hij het niet wilde, omdat hij niets met Ghino te maken

had, maar dat hij voortging en zou zien, wie het hem zou beletten.

Hierop sprak de bode op nederigen toon:

Messire, gij zijt op een plaats gekomen, waar wij buiten Gods toorn

niets vreezen en waar de excommunicaties en de banvloeken allen zelf in

den ban zijn gedaan en daarom zou het het best zijn hiermee Ghino een

genoegen te doen. Reeds was bij dit gesprek de gansche plaats door

snorrebaarden omringd, zoodat de abt, die zich gevangen zag met de

zijnen, zeer verontwaardigd met den bode den weg insloeg naar het

kasteel en zijn heele gevolg. Hij werd in een kleine kamer van een zeer

donker en ongeriefelijke verblijf gebracht maar ieder ander werd naar

zijn rang vrij goed in de sterkte gehuisvest en de paarden en de heele

bagage veilig geborgen. Toen begaf Ghino zich naar den abt en zeide:

Messire, Ghino, wiens gast gij zijt, verzoekt U, dat het U behage hem

te zeggen, waar gij heen gaat en waarom. De abt, die verstandig zijn

trots had afgelegd, beduidde hem, waar hij heen ging en waartoe. Ghino

ging daarop weg, en besloot hem zonder bad te genezen en nadat hij

steeds in het kamertje een groot vuur liet branden en het goed liet

onderhouden, kwam hij eerst den volgenden morgen terug en bracht hem in

een blanke doek twee sneden geroosterd brood en een grooten beker

witten wijn van Cornaglia, van denzelfden, dien de abt had en sprak

aldus tot deze: Messer, toen Ghino jonger was, studeerde hij in de

medicijnen en hij beweert, dat er geen beter genezing tegen maagpijn is

dan hij U zal klaar maken, waarvan dit het begin is; neem dit dus en

versterk U. De abt, die meer honger had dan lust om te schertsen, at,

hoewel hij verontwaardiging voorgaf, het brood en dronk den wijn en

sprak uit de hoogte, praatte veel, gaf veel raad en vroeg in het

bijzonder om Ghino te zien. Ghino liet een deel daarvan ijdel maar

waaien, maar op een en ander antwoordde hij zeer beleefd en beweerde,

dat die hem zoo gauw mogelijk zou bezoeken. Toen ging hij heen en kwam

pas den volgenden dag terug met een ander geroosterd brood en anderen,

witten wijn en zoo onderhield hij hem verscheidene dagen, tot hij

merkte, dat de abt droge boonen had gegeten, die hij in ’t geheim mee

had gebracht. Daarom liet hij hem zijnentwege vragen, hoe het met zijn

maag was. De abt antwoordde: Die zou mij in orde schijnen, als ik uit

zijn handen was en verder heb ik in niets trek dan te eten, zoo goed

hebben zijn medicijnen mij genezen.

Ghino, die vervolgens voor hem met zijn eigen bagage en zijn eigen

bedienden een mooie kamer had laten inrichten en een groot gastmaal had

laten maken, waar met vele mannen van het slot het heele personeel van

den abt aanzat, ging den volgenden morgen naar hem toe en sprak tot

hem: Messer, daar gij U zoo wel voelt, is het tijd uit het gasthuis te

vertrekken. Hij leidde hem bij de hand naar zijn gereed gemaakte kamer,

bracht hem bij zijn gevolg en liet een prachtig gastmaal aanrichten. De

abt vermaakte zich met de zijnen en vertelde hun, hoe zijn leven

geweest was, terwijl zij integendeel allen mededeelden, dat zij

wondergoed door Ghino waren ontvangen. Maar op het etensuur werden de

abt en al de anderen behoorlijk van goede spijzen en wijnen voorzien,

zonder dat Ghino zich nog aan den abt deed kennen. Toen de abt eenige

dagen zoo had doorgebracht, liet Ghino in een zaal zijn heele bagage

brengen en op een binnenplaats daaronder al zijn paarden tot den

ellendigsten knol toe, ging naar den abt en vroeg hem, hoe hij het

maakte en of hij zich sterk genoeg geloofde om op te stijgen. Hierop

antwoordde de abt, dat hij flink genoeg was en zijn maag goed genezen

en gaarne uit de handen van Ghino zou raken. Toen leidde Ghino hem in

de zaal, waar zijn bagage was en zijn geheele personeel en naar een

venster, waar hij al zijn paarden kon zien en sprak: Heer abt, gij moet

weten, dat het geen boosheid van ziel geweest is, die Ghino di Tacco er

toe bracht—en die ben ik—straatroover te worden en een vijand van

Rome’s Hof, maar dat hij edelman is en arm uit zijn huis verjaagd en

vele en machtige vijanden heeft en zoo zijn leven en zijn adel moet

verdedigen.

Maar omdat gij mij een waardig heer schijnt en ik U hier de maag heb

genezen, ben ik niet van plan U anders te behandelen dan ik het een

ander zou doen van wien ik, als hij in mijn handen was, dat deel van

het zijne tot het mijne zou maken, dat mij zou behagen, maar ik wensch,

dat gij dit deel van het Uwe tot het mijne maakt, wat gij zelf

verkiest. Hier ligt alles en Uw paarden kunt gij uit dat venster op de

binnenplaats zien. Neem daarom of een deel of alles en blijf of ga van

nu af, gelijk het U bevalt. De abt verbaasd, dat de woorden van een

straatroover zoo edelmoedig waren, onderdrukte dadelijk zijn toorn en

verontwaardiging, en veranderde die daarentegen in welwillendheid, werd

van harte met Ghino bevriend, wilde hem omarmen en zeide: Ik zweer bij

God, dat om de vriendschap te winnen van zulk een man als gij, ik een

veel grooter beleediging zou dulden. Vervloekt zij het noodlot, dat U

tot zulk een afkeurenswaardig beroep dwingt! Daarna liet hij van zijn

vele zaken er zeer weinig en slechts de noodige meenemen en eveneens

van de paarden. Na hem al de anderen te hebben gegeven keerde hij terug

naar Rome. Daar de Paus de gevangenneming van den abt had vernomen en

dit hem zeer verdroot, vroeg hij hem, toen hij hem zag, of de baden hem

goed hadden gedaan. De abt antwoordde lachend: Heilige Vader, ik heb

dichterbij een beter dokter gevonden en hij vertelde hem het middel,

waarover de Paus lachte. Hierop vroeg de abt volgens zijn belofte uit

edelmoedigheid een gunst. De Paus denkend, dat hij wat anders zou

verzoeken, stond hem dit gul toe. Toen sprak de abt: Heilige Vader, wat

ik U wil vragen, is, dat gij genade schenkt aan Ghino di Tacco, mijn

dokter, omdat hij van de waardige mannen, waarvan ik er velen

ontmoette, zeker een van de beste is en welk kwaad hij ook doet, dit

is, meen ik, veel meer een zonde van zijn lot dan van hem zelf.

Verander dus zijn lot en maak dat hij naar zijn rang kan leven en ik

twijfel er dan niet aan, dat het binnen kort U zoo zal voorkomen als

aan mij. De Paus, die groot van ziel was en veel van waardige mannen

hield, wilde dit gaarne doen, mits het was, gelijk de abt meldde. Ghino

kwam zoo onder vrijgeleide ten hove en spoedig hield de Paus hem voor

een waardig man en na zich met hem verzoend te hebben gaf hij hem een

groot prioraat van de Hospitaal-Orde, van welke hij hem Tempelridder

maakte. Dit ambt behield hij, zoolang hij leefde, als vriend en dienaar

der heilige Kerk en van den abt van Cligny.

De Decamerone van Boccaccio · 第 104 / 116 题