EERSTE VERTELLING.

Een ridder dient den koning van Spanje. Hij meent daar slecht voor

beloond te zijn. De koning bewijst met zekerheid, dat het zijn

schuld niet is, maar van zijn ongelukkig lot en geeft hem prachtige

geschenken.

Eerbare donna’s. Ik moet het als een groote gunst beschouwen, dat onze

koning mij gekozen heeft om het eerst te spreken over zulk een schoone

zaak als de grootmoedigheid, welke evenals de zon de schoonheid en het

sieraad van den ganschen hemel de klaarheid en het licht is van elke

andere deugd. Hierover zal ik U een kleine geschiedenis vertellen,

mijns inziens zeer aardig, en het zal zeker nuttig zijn zich die te

herinneren. Onder de dappere ridders, die sinds lang in onze stad

waren, was er een, misschien de de beste, messer Ruggieri dè’

Figiovanni, rijk en grootmoedig. De levenswijze en de gewoonten van

Toscane beschouwend en ziende, dat, indien hij er bleef, hij weinig van

zijn moed zou kunnen toonen, verkoos hij daarom eenigen tijd te

vertoeven bij Alphonse, koning van Spanje, daar de faam van diens

dapperheid die van elk ander heer in die tijden overtrof. Voornaam

uitgerust met wapens, paarden en dienaren begaf hij zich naar Spanje en

werd door den koning genadig ontvangen. Messer Ruggierri, die daar

luisterrijk leefde en wonderbaarlijke wapenfeiten verrichtte, deed zich

spoedig als een dapper man kennen. Toen hij er een heelen tijd vertoefd

had en op de handelwijzen des konings lette, meende hij te bemerken,

dat die dan aan deze dan aan gene zoo maar een kasteel, een stad of een

baronie schonk, die het niet waard was. En omdat aan hem, die wist, wat

hij beteekende, niets werd gegeven, meende hij, dat zijn roem er zeer

door verminderde en daarom besloot hij te vertrekken en vroeg aan den

koning verlof. De koning stond hem dit toe en gaf hem een der beste en

schoonste muildieren, wat voor de lange reis, die hij te maken, had

zeer door messer Ruggieri werd op prijs gesteld.

Vervolgens gelastte de koning aan een bescheiden bediende op handige

wijze met messer Ruggieri mede te reizen, zoodat hem dit niet zou

schijnen door den koning te zijn bewerkstelligd. Alles, wat hij zou

zeggen, zou hij goed opvangen en het weten te herhalen en den volgenden

morgen zou hij hem bevelen naar den koning terug te keeren. De bediende

loerde er op, wanneer messer Ruggieri het grondgebied verlaten zou,

kwam op slimme manier in zijn gezelschap en deed hem gelooven, dat hij

naar Italië ging. Terwijl messer Ruggieri den muilezel bereed en hij

over dit en dat sprak, zeide hij, toen het haast drie uur was: Ik

geloof, dat het tijd is onze dieren te laten wateren en nadat zij in

een stal waren gegaan, waterden zij allen behalve de muilezel. Zij

gingen weer voorwaarts; terwijl de stalknecht lette op de woorden van

den ridder, kwamen zij aan een rivier en toen daar hun beesten

gedronken hadden, waterde het muildier daarin. Toen messer Ruggieri dit

zag, zeide hij: Kijk, God make je bedroefd, want jij lijkt, leelijk

beest, op den heer, die jou aan mij gaf.

De bediende onthield die woorden en hoewel hij er veel opving, daar hij

den ganschen dag met hem reisde, hoorde hij hem verder alles zeggen tot

den hoogsten lof des konings. Toen hij den volgenden dag naar Toscane

wilde rijden, meldde de bediende hem het vorstelijk bevel. De koning

hoorde, wat hij van den muilezel gezegd had, liet hem roepen, ontving

hem met blij gelaat en vroeg hem, waarom hij hem met zijn muilezel had

vergeleken of liever den muilezel met hem. Messer Ruggieri zei ronduit:

Mijn heer, omdat gij op hem gelijkt, want gij geeft, wanneer het niet

moet en niet, wanneer het wel moet, evenals het dier waterde, toen het

niet behoorde en niet, toen het wel behoorde. Toen sprak de koning:

Messer Ruggieri, dat ik U niets heb geschonken, terwijl ik het velen

deed, die bij U vergeleken niets zijn, komt niet daarvan, dat ik U niet

erken als dapper en een groot geschenk waardig, maar het is Uw noodlot,

dat hierin gezondigd heeft, daar dit mij niet in de gelegenheid liet en

dat ik U de waarheid zeg, zal ik U duidelijk toonen. Hierop antwoordde

messer Ruggieri: Mijn heer, ik ben niet verstoord, omdat ik geen

geschenk ontvangen heb, maar omdat ik van U in geen enkel opzicht een

getuigenis ontving van mijn waarde. Niettemin houd ik Uw

verontschuldiging voor eerlijk en ben bereid te zien, wat gij mij wilt

toonen, hoewel ik U zonder bewijzen geloof. De koning leidde hem toen

in een groote zaal, waar, gelijk hij het van te voren besloten had,

twee groote, gesloten koffers waren en in veler tegenwoordigheid zeide

hij: Messer Ruggieri in een van die koffers is mijn kroon, de

koninklijke schepter en de rijksappel en vele van mijn schoone gordels,

ketens, ringen en verdere juweelen; de andere is vol aarde. Neem er een

van en welke gij ook kiest, zal de Uwe zijn en gij zult kunnen zien,

wie ondankbaar is geweest jegens Uw dapperheid: ik of het lot. Messer

Ruggierri koos er een, welken de koning beval te openen en men vond,

dat die vol aarde was. Hierop sprak de koning lachend: Gij kunt wel

zien, messer Ruggieri, dat het waar is, wat ik U zeg van het lot, maar

zeker verdient Uw dapperheid, dat ik mij tegen zijn krachten verzet. Ik

weet, dat gij geen lust hebt Spanjaard te worden en daarom wil ik U

hier noch kasteel noch stad geven, maar dien koffer, welken de fortuin

U ontnam, wil ik U ondanks haar schenken, en gij kunt dien naar Uw land

medenemen en U als bewijs van Uw moed bij Uw makkers beroemen op mijn

geschenken. Messer Ruggieri nam dien aan en na die dankbetuigingen te

hebben geschonken, bij zulk een gift passend, keerde hij met dezen

verheugd naar Florence terug.

De Decamerone van Boccaccio · 第 103 / 116 题