TIENDE VERTELLING.

Donno Ganni betoovert op aandringen van zijn peet Pietro de vrouw

van deze, zoodat ze in een merrie verandert. Wanneer hij er een

staart aan wil hechten, verstoort peet Pietro, omdat hij er geen

staart bij wil hebben, de geheele betoovering.

De novelle door de koningin verhaald, deed de donna’s een weinig

mompelen en de jongelieden lachen, maar toen zij ophielden begon Dioneo

aldus te spreken: Lieve donna’s. Tusschen witte duiven schijnt een

zwarte raaf schooner dan een vlekkelooze zwaan. Evenzoo vermeerdert te

midden van vele wijzen een minder verstandige de glans en de schoonheid

van hun verstand, hun genoegen en vermaak. Aldus moet ik, daar gij

allen zeer bescheiden en gematigd zijt, te meer waard zijn, ik, die

integendeel weinig geest heb en Uw deugd meer doen schitteren door mijn

minderwaardigheid. Bijgevolg moet ik grooter vrijheid hebben om mij te

toonen, gelijk ik ben. Ik moet met meer geduld door U worden

aangehoord, wat niet zou moeten gebeuren, indien ik wijzer was. Ik zal

U een niet al te lange historie vertellen, waaruit gij kunt begrijpen,

hoezeer zij moeten oppassen, die iets door tooverkracht willen gedaan

krijgen en hoe een kleine fout alles bederft.

Het vorige jaar was er te Barletta een priester, donno Gianni van

Barolo, die slechts een arme parochie had om van te leven en daarom op

een merrie hier en daar op de jaarmarkten in Apulië zaken deed. Aldus

reizend sloot hij intieme vriendschap met zekeren Pietro van Tresanti,

die hetzelfde vak met een ezel uitoefende en tot teeken van genegenheid

noemde hij hem op de Apulische manier peet Pietro; zoo vaak hij in

Barletta aankwam, leidde hij hem altijd naar zijn kerk, hield hem daar

bij zich in huis en ontving hem zoo goed als hij kon. Peet Pietro, die

zeer arm was en een huisje had in Tresanti, ternauwernood groot genoeg

voor hem, zijn dochter, zijn schoone vrouw en zijn ezel, ontving donno

Gianni, zoo dikwijls die in Tresanti was, in zijn woning uit

erkentelijkheid voor het onthaal bij dezen in Barletta genoten. Maar

peet Pietro had niets anders tot logies dan een klein bed, waarin hij

met zijn vrouw sliep, en kon hem niet huisvesten, gelijk hij wilde,

maar hij legde hem te slapen op een weinig stroo in een kleinen stal,

waar het paard van den heer Gianni naast zijn ezel stond. De donna

wist, hoe de priester haar man te Barletto ontving en had meermalen,

wanneer de priester bij hen kwam, willen gaan slapen bij een buurvrouw,

Zita Carapresa van Giudice Leo, opdat de priester bij haar echtgenoot

in het bed zou slapen, maar hij wilde het nooit. Eens sprak hij tot

haar: Petemoeder Gemmata, stel U over mij gerust, want als het mij

bevalt, verander ik dit paard in een mooi jong meisje en slaap daarmee.

Wanneer ik het wil, wordt zij weer merrie en daarom wil ik er niet van

scheiden. De jonge vrouw verwonderde zich, geloofde hem, vertelde dit

aan haar man en voegde er bij: indien hij zoo Uw vriend is, waarom laat

gij U dan die tooverij niet leeren, want dan kunt gij van mij een paard

maken en zaken doen met den ezel en de merrie en wij zullen het dubbele

winnen. Wanneer wij naar huis zullen terugkeeren, kunt gij mij dan niet

weer de vrouw maken, die ik ben? Peet Pietro, die zeer onnoozel was,

vereenigde zich met dien raad en verzocht donno Gianni hem dit te

leeren. Donno Gianni deed zijn best hem die dwaasheid uit het hoofd te

praten, maar daar hij dit niet kon, zeide: Kijk, omdat gij het toch

wilt, zullen wij morgen opstaan, voor het dag is en ik zal U dit

toonen. Het moeielijkste is er de staart aan te hechten. Peet Pietro en

petemoeder Gemmata sliepen ’s nachts nauwelijks; met zooveel verlangen

wachtten zij. Zij stonden kort voor den dageraad op en riepen donno

Gianni, die in zijn hemd in de kamer van peet Pietro kwam en zeide: Ik

weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor U. Gij moet

nakomen, wat ik U zal zeggen. Zij zeiden, dat zij zouden doen, wat hij

zou gelasten.

Donno Gianni gaf aan peet Pietro een kaars en zeide: Let wel op, wat ik

doe en onthoud goed, hoe ik spreek en pas op, als gij er op gesteld

zijt, niet alles te bederven, dat gij, bij wat gij ook hoort of ziet,

geen enkel woord spreekt. En bidt God, dat de staart er goed wordt

aangehecht. Peet Pietro nam de kaars aan en zeide, dat hij alles zou

doen. Daarop liet donno Gianni petemoeder Gemmata uitkleeden, zoo naakt

als ze geboren was, en liet haar de handen en de voeten op den grond

zetten gelijk de paarden en onderrichtte haar ook, dat zij bij al, wat

er zou gebeuren, niets zou zeggen. Hij begon haar de handen, het

gezicht en het hoofd aan te raken en sprak: Dit zij de schoone kop van

het paard en na haar de haren te hebben beroerd, zeide hij: Dat zullen

de schoone manen van het paard zijn. Daarna de armen aanrakend, zeide

hij: Dit zullen de mooie pooten en de hoeven van de merrie zijn. Daarna

betastte hij haar de borst en daar hij die hard en rond vond, voelde

hij ontwaken, wat niet genoemd kan worden en zeide: En dit zij de

schoone borst van het paard. En zoo deed hij met de ruggegraat en de

buik, met de achterste, met de dijen en met de beenen.

Ten slotte, toen er niets meer te tooveren was dan de staart, zeide hij

geen weerstand meer biedend aan zijn hartstocht: En dit wordt de mooie

staart van de merrie. Peet Pietro, die aandachtig tot nu toe bij alles

had toegezien en die ook dit zag en wien dit niet goed scheen, sprak: O

donno Gianni, ik wil er geen staart bij, ik wil er geen staart bij!

Maar de vruchtbare stamper, waardoor alle planten wortel schieten, was

er al, toen donno Gianni zeide: O wee, peet Pietro, wat hebt gij

gedaan! Zei ik U niet, dat gij geen woord zou spreken bij al wat gij

ziet? Maar gij hebt met praten alles bedorven en er is geen middel meer

het over te doen. Peet Pietro zeide: Goed, dien staart wil ik er niet

aan. Waarom hebt gij niet tegen mij gezegd: doet gij dit? en bovendien

hebt gij dien er te laag aan gehangen. Donno Gianni sprak: Waarom hebt

gij dien er niet eerst even goed aan kunnen hechten als ik? De vrouw,

die deze woorden hoorde, stond op en zeide te goeder trouw tot haar

man: Ezel, die je bent, waarom heb je Uw zaken en de mijnen bedorven?

Welke merrie hebt gij ooit zonder staart gezien? Als God mij helpt: gij

zijt arm, maar het zou jammer wezen, als gij niet nog veel armer zoudt

worden. Daar er dus geen middel meer was om van de vrouw een merrie te

maken, kleedde zij zich treurig en neerslachtig weer aan en peet Pietro

legde er zich weer op toe met een ezel, gelijk hij gewoon was, zijn oud

beroep uit te oefenen ging met donno Gianni te samen naar de jaarmarkt

van Bitonto en vroeg hem nooit meer zulk een dienst.

Hoe zeer men om die geschiedenis lachte, beter door de donna’s begrepen

dan Dioneo wilde, kan ieder denken, die er nog om zal lachen. Maar toen

de verhalen geëindigd waren en de zon al begon te verkoelen, stond de

koningin op, die het einde van haar heerschappij gekomen zag. Na zich

den krans van het hoofd te hebben genomen, zette zij dien Pamfilo op

het hoofd, die daarvoor alleen nog overbleef en glimlachend sprak zij:

Mijn heer, een groote last valt U ten deel, die nu de laatste zijt om

deze te vervullen, waarvoor God U de genade verleene gelijk aan mij om

U koning te doen zijn. Pamfilo, die met blijdschap de hulde ontving,

antwoordde: Uw deugd en die mijner andere onderdanen zal maken, dat ik

eveneens te prijzen zal zijn. Na volgens de gewoonte van zijn

voorgangers met den hofmeester over de noodige zaken te hebben

beschikt, keerde hij zich tot de wachtende donna’s en zeide: Verliefde

donna’s. De bescheidenheid van Emilia, die heden onze koningin is

geweest, gaf U tot ontspanning vrije keuze te spreken over, wat U het

meest zou behagen. Daar gij nu uitgerust zijt, acht ik het goed tot de

gebruikelijke wetten terug te keeren en daarom wil ik, dat iedereen

morgen spreken zal van hen, die door mildheid of grootmoedigheid iets

hebben verricht om liefde of om andere dingen. Als gij dit vertelt, zal

het Uw zielen zeker tot welgezind en verdienstelijk handelen stemmen.

Want ons leven, dat in ons sterfelijk lichaam niet anders dan kort kan

zijn, vereeuwigt zich door den roem. Iedereen, die niet gelijk de

dieren slechts den buik dient, moet dit verlangen en ook met allen

ijver dit doen. Het thema beviel aan het vroolijk gezelschap, dat met

verlof van den nieuwen koning opstond en zich aan de gewone genoegens

overgaf, elk naar zijn verlangen en zoo deden zij tot het avondmaal.

Toen zij daar verheugd weer waren samengekomen en alle met ijver en

orde waren bediend, stonden zij op voor hun gebruikelijke dansen en

voor misschien duizend liederen, die aardiger van woorden dan

meesterlijk van klank waren.

Hierna beval de koning aan Neifile, dat zij er een zou zingen.

Deze met klare en blijde stem begon bekoorlijk en zonder verwijl aldus:

Ik ben heel jong en gaarne

Verheug ik mij en ik zing in het nieuwe seizoen.

Dank zij de liefde en de zoete gedachten.

Ik ga door de groene weiden en aanschouw

De witte en gele en roode bloemen,

De rozen op de struiken en de blanke leliën,

En allen ga ik vergelijken

Met het gelaat van hem, die mij beminde,

En mij nam en mij altijd zal houden als haar,

Die geen andere gedachten heeft dan zijn genoegens.

Wanneer ik er van dezen een vind,

Die, naar ’t mij schijnt, hem wel gelijkt

Pluk ik die, kus ik die en spreek ik tot deze

En, gelijk ik weet, openbaar ik die

Geheel mijn ziel en al wat zij begeert;

Dan met de anderen maak ik daarvan een krans

Gewonden door mijn blonde en lichte haren.

En hetzelfde genot, dat de bloem van nature

Schenkt aan de oogen, dit zelfde geeft het mij,

Alsof ik de persoon zelf zag,

Die mij met zijn zoete liefde heeft ontvlamd;

Dat wat zijn zoete geur mij geeft,

Zou ik niet met woorden kunnen uitdrukken,

Maar mijn zuchten zijn er de oprechte getuigen van.

Zij verlaten nooit mijn gemoed

Als van de andere donna’s, bitter noch zwaar,

Maar zij ontsnappen dit warm en zacht

En gaan tot mijn liefde’s aanschijn,

Die, als hij ze voelt, om mij te behagen

Zijn ziel naar mij beweegt en tot mij ijlt,

Als ik op het punt sta te zeggen: O kom, dat ik niet wanhoop!

Het lied van Neifile werd zoowel door de koning als door de donna’s

zeer geprezen en daar de nacht al ver was gevorderd, beval de koning

toen, dat elk zou gaan rusten.

De Decamerone van Boccaccio · 第 101 / 116 题