Donno Ganni betoovert op aandringen van zijn peet Pietro de vrouw
van deze, zoodat ze in een merrie verandert. Wanneer hij er een
staart aan wil hechten, verstoort peet Pietro, omdat hij er geen
staart bij wil hebben, de geheele betoovering.
De novelle door de koningin verhaald, deed de donna’s een weinig
mompelen en de jongelieden lachen, maar toen zij ophielden begon Dioneo
aldus te spreken: Lieve donna’s. Tusschen witte duiven schijnt een
zwarte raaf schooner dan een vlekkelooze zwaan. Evenzoo vermeerdert te
midden van vele wijzen een minder verstandige de glans en de schoonheid
van hun verstand, hun genoegen en vermaak. Aldus moet ik, daar gij
allen zeer bescheiden en gematigd zijt, te meer waard zijn, ik, die
integendeel weinig geest heb en Uw deugd meer doen schitteren door mijn
minderwaardigheid. Bijgevolg moet ik grooter vrijheid hebben om mij te
toonen, gelijk ik ben. Ik moet met meer geduld door U worden
aangehoord, wat niet zou moeten gebeuren, indien ik wijzer was. Ik zal
U een niet al te lange historie vertellen, waaruit gij kunt begrijpen,
hoezeer zij moeten oppassen, die iets door tooverkracht willen gedaan
krijgen en hoe een kleine fout alles bederft.
Het vorige jaar was er te Barletta een priester, donno Gianni van
Barolo, die slechts een arme parochie had om van te leven en daarom op
een merrie hier en daar op de jaarmarkten in Apulië zaken deed. Aldus
reizend sloot hij intieme vriendschap met zekeren Pietro van Tresanti,
die hetzelfde vak met een ezel uitoefende en tot teeken van genegenheid
noemde hij hem op de Apulische manier peet Pietro; zoo vaak hij in
Barletta aankwam, leidde hij hem altijd naar zijn kerk, hield hem daar
bij zich in huis en ontving hem zoo goed als hij kon. Peet Pietro, die
zeer arm was en een huisje had in Tresanti, ternauwernood groot genoeg
voor hem, zijn dochter, zijn schoone vrouw en zijn ezel, ontving donno
Gianni, zoo dikwijls die in Tresanti was, in zijn woning uit
erkentelijkheid voor het onthaal bij dezen in Barletta genoten. Maar
peet Pietro had niets anders tot logies dan een klein bed, waarin hij
met zijn vrouw sliep, en kon hem niet huisvesten, gelijk hij wilde,
maar hij legde hem te slapen op een weinig stroo in een kleinen stal,
waar het paard van den heer Gianni naast zijn ezel stond. De donna
wist, hoe de priester haar man te Barletto ontving en had meermalen,
wanneer de priester bij hen kwam, willen gaan slapen bij een buurvrouw,
Zita Carapresa van Giudice Leo, opdat de priester bij haar echtgenoot
in het bed zou slapen, maar hij wilde het nooit. Eens sprak hij tot
haar: Petemoeder Gemmata, stel U over mij gerust, want als het mij
bevalt, verander ik dit paard in een mooi jong meisje en slaap daarmee.
Wanneer ik het wil, wordt zij weer merrie en daarom wil ik er niet van
scheiden. De jonge vrouw verwonderde zich, geloofde hem, vertelde dit
aan haar man en voegde er bij: indien hij zoo Uw vriend is, waarom laat
gij U dan die tooverij niet leeren, want dan kunt gij van mij een paard
maken en zaken doen met den ezel en de merrie en wij zullen het dubbele
winnen. Wanneer wij naar huis zullen terugkeeren, kunt gij mij dan niet
weer de vrouw maken, die ik ben? Peet Pietro, die zeer onnoozel was,
vereenigde zich met dien raad en verzocht donno Gianni hem dit te
leeren. Donno Gianni deed zijn best hem die dwaasheid uit het hoofd te
praten, maar daar hij dit niet kon, zeide: Kijk, omdat gij het toch
wilt, zullen wij morgen opstaan, voor het dag is en ik zal U dit
toonen. Het moeielijkste is er de staart aan te hechten. Peet Pietro en
petemoeder Gemmata sliepen ’s nachts nauwelijks; met zooveel verlangen
wachtten zij. Zij stonden kort voor den dageraad op en riepen donno
Gianni, die in zijn hemd in de kamer van peet Pietro kwam en zeide: Ik
weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor U. Gij moet
nakomen, wat ik U zal zeggen. Zij zeiden, dat zij zouden doen, wat hij
zou gelasten.
Donno Gianni gaf aan peet Pietro een kaars en zeide: Let wel op, wat ik
doe en onthoud goed, hoe ik spreek en pas op, als gij er op gesteld
zijt, niet alles te bederven, dat gij, bij wat gij ook hoort of ziet,
geen enkel woord spreekt. En bidt God, dat de staart er goed wordt
aangehecht. Peet Pietro nam de kaars aan en zeide, dat hij alles zou
doen. Daarop liet donno Gianni petemoeder Gemmata uitkleeden, zoo naakt
als ze geboren was, en liet haar de handen en de voeten op den grond
zetten gelijk de paarden en onderrichtte haar ook, dat zij bij al, wat
er zou gebeuren, niets zou zeggen. Hij begon haar de handen, het
gezicht en het hoofd aan te raken en sprak: Dit zij de schoone kop van
het paard en na haar de haren te hebben beroerd, zeide hij: Dat zullen
de schoone manen van het paard zijn. Daarna de armen aanrakend, zeide
hij: Dit zullen de mooie pooten en de hoeven van de merrie zijn. Daarna
betastte hij haar de borst en daar hij die hard en rond vond, voelde
hij ontwaken, wat niet genoemd kan worden en zeide: En dit zij de
schoone borst van het paard. En zoo deed hij met de ruggegraat en de
buik, met de achterste, met de dijen en met de beenen.
Ten slotte, toen er niets meer te tooveren was dan de staart, zeide hij
geen weerstand meer biedend aan zijn hartstocht: En dit wordt de mooie
staart van de merrie. Peet Pietro, die aandachtig tot nu toe bij alles
had toegezien en die ook dit zag en wien dit niet goed scheen, sprak: O
donno Gianni, ik wil er geen staart bij, ik wil er geen staart bij!
Maar de vruchtbare stamper, waardoor alle planten wortel schieten, was
er al, toen donno Gianni zeide: O wee, peet Pietro, wat hebt gij
gedaan! Zei ik U niet, dat gij geen woord zou spreken bij al wat gij
ziet? Maar gij hebt met praten alles bedorven en er is geen middel meer
het over te doen. Peet Pietro zeide: Goed, dien staart wil ik er niet
aan. Waarom hebt gij niet tegen mij gezegd: doet gij dit? en bovendien
hebt gij dien er te laag aan gehangen. Donno Gianni sprak: Waarom hebt
gij dien er niet eerst even goed aan kunnen hechten als ik? De vrouw,
die deze woorden hoorde, stond op en zeide te goeder trouw tot haar
man: Ezel, die je bent, waarom heb je Uw zaken en de mijnen bedorven?
Welke merrie hebt gij ooit zonder staart gezien? Als God mij helpt: gij
zijt arm, maar het zou jammer wezen, als gij niet nog veel armer zoudt
worden. Daar er dus geen middel meer was om van de vrouw een merrie te
maken, kleedde zij zich treurig en neerslachtig weer aan en peet Pietro
legde er zich weer op toe met een ezel, gelijk hij gewoon was, zijn oud
beroep uit te oefenen ging met donno Gianni te samen naar de jaarmarkt
van Bitonto en vroeg hem nooit meer zulk een dienst.
Hoe zeer men om die geschiedenis lachte, beter door de donna’s begrepen
dan Dioneo wilde, kan ieder denken, die er nog om zal lachen. Maar toen
de verhalen geëindigd waren en de zon al begon te verkoelen, stond de
koningin op, die het einde van haar heerschappij gekomen zag. Na zich
den krans van het hoofd te hebben genomen, zette zij dien Pamfilo op
het hoofd, die daarvoor alleen nog overbleef en glimlachend sprak zij:
Mijn heer, een groote last valt U ten deel, die nu de laatste zijt om
deze te vervullen, waarvoor God U de genade verleene gelijk aan mij om
U koning te doen zijn. Pamfilo, die met blijdschap de hulde ontving,
antwoordde: Uw deugd en die mijner andere onderdanen zal maken, dat ik
eveneens te prijzen zal zijn. Na volgens de gewoonte van zijn
voorgangers met den hofmeester over de noodige zaken te hebben
beschikt, keerde hij zich tot de wachtende donna’s en zeide: Verliefde
donna’s. De bescheidenheid van Emilia, die heden onze koningin is
geweest, gaf U tot ontspanning vrije keuze te spreken over, wat U het
meest zou behagen. Daar gij nu uitgerust zijt, acht ik het goed tot de
gebruikelijke wetten terug te keeren en daarom wil ik, dat iedereen
morgen spreken zal van hen, die door mildheid of grootmoedigheid iets
hebben verricht om liefde of om andere dingen. Als gij dit vertelt, zal
het Uw zielen zeker tot welgezind en verdienstelijk handelen stemmen.
Want ons leven, dat in ons sterfelijk lichaam niet anders dan kort kan
zijn, vereeuwigt zich door den roem. Iedereen, die niet gelijk de
dieren slechts den buik dient, moet dit verlangen en ook met allen
ijver dit doen. Het thema beviel aan het vroolijk gezelschap, dat met
verlof van den nieuwen koning opstond en zich aan de gewone genoegens
overgaf, elk naar zijn verlangen en zoo deden zij tot het avondmaal.
Toen zij daar verheugd weer waren samengekomen en alle met ijver en
orde waren bediend, stonden zij op voor hun gebruikelijke dansen en
voor misschien duizend liederen, die aardiger van woorden dan
meesterlijk van klank waren.
Hierna beval de koning aan Neifile, dat zij er een zou zingen.
Deze met klare en blijde stem begon bekoorlijk en zonder verwijl aldus:
Ik ben heel jong en gaarne
Verheug ik mij en ik zing in het nieuwe seizoen.
Dank zij de liefde en de zoete gedachten.
Ik ga door de groene weiden en aanschouw
De witte en gele en roode bloemen,
De rozen op de struiken en de blanke leliën,
En allen ga ik vergelijken
Met het gelaat van hem, die mij beminde,
En mij nam en mij altijd zal houden als haar,
Die geen andere gedachten heeft dan zijn genoegens.
Wanneer ik er van dezen een vind,
Die, naar ’t mij schijnt, hem wel gelijkt
Pluk ik die, kus ik die en spreek ik tot deze
En, gelijk ik weet, openbaar ik die
Geheel mijn ziel en al wat zij begeert;
Dan met de anderen maak ik daarvan een krans
Gewonden door mijn blonde en lichte haren.
En hetzelfde genot, dat de bloem van nature
Schenkt aan de oogen, dit zelfde geeft het mij,
Alsof ik de persoon zelf zag,
Die mij met zijn zoete liefde heeft ontvlamd;
Dat wat zijn zoete geur mij geeft,
Zou ik niet met woorden kunnen uitdrukken,
Maar mijn zuchten zijn er de oprechte getuigen van.
Zij verlaten nooit mijn gemoed
Als van de andere donna’s, bitter noch zwaar,
Maar zij ontsnappen dit warm en zacht
En gaan tot mijn liefde’s aanschijn,
Die, als hij ze voelt, om mij te behagen
Zijn ziel naar mij beweegt en tot mij ijlt,
Als ik op het punt sta te zeggen: O kom, dat ik niet wanhoop!
Het lied van Neifile werd zoowel door de koning als door de donna’s
zeer geprezen en daar de nacht al ver was gevorderd, beval de koning
toen, dat elk zou gaan rusten.