NEGENDE VERTELLING.

Twee jongelieden vragen raad aan Salomo, de een: hoe hij bemind kan

worden, de ander: hoe hij zijn weerspannige vrouw kan verbeteren.

Aan den een antwoordt hij lief te hebben, aan den ander naar de

Ganzenbrug te gaan.

Er bleef voor niemand te vertellen over dan de koningin, want zij wilde

het voorrecht voor Dioneo behouden, en zij begon, toen de donna’s

genoeg hadden gelachen om den ongelukkigen Biondello, vroolijk aldus:

Beminnelijke donna’s. Als men met een goeden geest de orde der dingen

beschouwt, zal men gemakkelijk zien, hoe de meerderheid der vrouwen

door de natuur en de gewoonten en de wetten onderworpen is aan de

mannen en dat zij zich moeten regelen en gedragen naar hun besluiten.

En om rust, troost en vrede te hebben met een man moet zij nederig,

geduldig en gehoorzaam zijn en zeker eerbaar wezen, wat de hoogste

schat is van elke verstandige vrouw. En wanneer de wetten, die het

algemeen belang op het oog hebben, het ons niet leerden, de gewoonten

en de gebruiken, wier krachten groot en eerbiedwaardig zijn, zou de

natuur het ons duidelijk bewijzen; zij schiep ons met fijne en broze

lichamen, met verlegen en schuchtere zielen, maakte onze

lichaamskrachten gering, onze stemmen bekoorlijk en onze bewegingen

bevallig. Dit bewijst duidelijk, dat wij door anderen geregeerd moeten

worden. En wie daaraan behoefte heeft, moet gehoorzaam en eerbiedig

zijn jegens zijn meester. Wie hebben wij anders tot heeren en helpers

dan de mannen? Dus moeten wij ze vereeren en ons onderwerpen. Wie van

dien regel afwijkt, acht ik een ernstige berisping waard en een harde

kastijding. Tot deze beschouwing voert mij, wat Pampinea van de

weerspannige vrouw van Talano verhaalde, aan welke God die kastijding

zond, die haar man haar niet kon geven en daarom acht ik allen een

strenge en harde straf waard, die er van afwijken bekoorlijk,

welwillend en onderworpen te zijn.

Het behaagt mij U een oordeel van Salomo te vertellen als een goed

middel om hen te genezen, die met deze kwaal behept zijn. Geen goede

vrouw behoeft te denken, dat het voor haar is gezegd, hoewel de mannen

dit spreekwoord gebruiken: een goed en een slecht paard heeft de sporen

noodig, een goede en een slechte vrouw den stok. Wie in scherts deze

woorden wilde uitleggen, geeft men licht toe, dat ze waar zijn. Wie ze

ernstig zou willen opvatten, zeg ik, dat ze moet erkennen. Alle vrouwen

zijn van nature bewegelijk en buigzaam en daarom is het noodig, dat men

ze met den stok straft. Wie te veel buiten de termen gaan verdienen er

straf mee en opdat de deugd van de goeden versterkt wordt, moet de stok

ze steunen en bang maken. Maar ik zal nu het preeken ter zijde laten om

te komen tot, wat ik wil zeggen.

Door de geheele oude wereld was de roem van de wonderbaarlijke wijsheid

van Salomo al verbreid en de mildheid, waarmee hij ieder de bewijzen er

van gaf, die dit met zekerheid wilde weten. Velen van verschillende

deelen der aarde kwamen bij hem voor hun moeilijkste en neteligste

zaken om raad en onder anderen vertrok daartoe een zeer rijk en

adellijk jongeling, Melisso uit de stad Lajazzo. Terwijl hij te paard

naar Jeruzalem toog, verliet een ander jonkman Jozef Antiochië langs

denzelfden weg. Gelijk het de gewoonte der reizigers is, knoopte hij

met hem een gesprek aan. Nadat Melisso van Jozef zijn toestand had

vernomen en vanwaar hij was, vroeg hij hem, waar hij heenging en

waarom, en Jozef antwoordde, dat hij naar Salomo ging om hem raad te

vragen over zijn echtgenoote, die meer dan eenige andere vrouw

weerspannig en boosaardig was en die hij noch met gebeden noch met

liefkoozingen noch hoe ook van haar onwil kon afbrengen. Daarna vroeg

hij ook hem, vanwaar hij was en waar hij heenging en waarom, waarop

Melisso antwoordde: Ik ben van Lajazzo en zoo’n ongeluk heb ik ook. Ik

ben een rijk jonkman en ik verteer mijn bezit door mijn medeburgers aan

tafel te noodigen en te ontvangen en het is zonderling te moeten

denken, dat ik toch geen mensch vind, die mij goed wil doen en daarom

ga ik mij raad schaffen om bemind te worden. Aldus reisden zij te samen

en in Jeruzalem gekomen werden zij door een der baronnen [188] van

Salomo voor den koning geleid. Melisso verklaarde zijn toestand. Hem

antwoordde Salomo: Heb lief. En toen dit gezegd was, werd Melisso

dadelijk buiten gebracht en Jozef zeide, waarom hij gekomen was. Hierop

antwoordde Salomo niets anders dan: Ga naar de Ganzenbrug. Na die

woorden werd Jozef eveneens zonder verwijl uit de tegenwoordigheid des

konings geleid en vond Melisso terug en zeide hem, welk antwoord hij

kreeg. Toen zij de bedoeling noch het voordeel er van konden begrijpen,

gingen zij, of ze misleid waren, terug. Nadat zij eenige dagen

voortgetrokken waren, kwamen zij bij een rivier, waarover een schoone

brug spande en daar er een groote karavaan van muilezels en paarden met

lasten overging, moesten zij wachten. Toen haast alles voorbij was,

werd een muildier opeens schichtig en het wilde niet voort. De drijver

nam een knuppel en sloeg het hevig. Maar de muilezel liep rechts, links

en terug, doch wilde volstrekt niet vooruit. De verwoede drijver gaf

hem overal nog duchtiger slagen, maar het gaf niets. Melisso en Jozef

zeiden meermalen tot den drijver: Zeg, stommeling, wat doe je? Wilt gij

hem dooden? Waarom doet gij Uw best niet hem vriendelijk en zachtjes te

leiden! Hij zal dan eerder gaan dan door hem te ranselen. De drijver

antwoordde: Gij kent Uw paarden en ik mijn muildier; laat mij dus met

hem gaan. En hierna begon hij hem opnieuw te ranselen en gaf hem

zooveel slaag, dat de ezel vooruit ging en de drijver dien bleek te

kennen. Toen de jongelieden wilden vertrekken, vroeg Jozef aan een man,

die aan den ingang van de brug zat, hoe of die plaats heette. De man

antwoordde: Messere, zij heet de Ganzenbrug. Toen Jozef dit gehoord

had, herinnerde hij zich de woorden van Salomo en sprak tot Melisso: Nu

ik zeg U, kameraad, dat de raad mij door Salomo gegeven goed en waar

kan zijn, omdat ik nu duidelijk inzie, dat ik mijn vrouw niet genoeg

sloeg. Deze muilezeldrijver heeft mij getoond wat ik doen moet. Toen

zij na eenige dagen te Antiochië waren aangekomen, hield Jozef Melisso

eenigen tijd bij zich om uit te rusten en hij werd zeer koeltjes door

de vrouw ontvangen. Jozef zeide haar het avondmaal gereed te maken,

gelijk Melisso zou vaststellen. Toen Melisso zag, dat dit Jozef beviel,

gaf hij dit met weinig woorden te kennen. De donna, als naar gewoonte,

deed het niet, gelijk Melisso het aangaf, maar bijna geheel

tegenovergesteld. Toen Jozef dit zag, zeide hij woedend: Was het U niet

gezegd, hoe gij het avondmaal moest gereed maken? De donna, die zich

trots omkeerde, sprak: Wat wil dat zeggen? Zeg, waarom eet gij niets

als gij wilt avondmalen? Het is mij wel zoo gezegd, maar het beviel mij

niet het zoo te doen. Als het U bevalt, des te beter; zoo niet, laat

het staan. Melisso verwonderde zich over het antwoord van de donna en

laakte haar zeer. Jozef sprak: Vrouw, gij zijt nog steeds dezelfde,

maar geloof me, dat ik je zal veranderen. Tot Melisso gekeerd, sprak

hij: Vriend, spoedig zullen wij den raad van Salomo beproeven; laat het

U niet hinderen en houdt niet voor een spel, wat ik zal doen; denk aan

het antwoord van den drijver. Melisso sprak hierop: Ik ben in Uw huis

en zal U daarin niet lastig vallen. Jozef, die een gladden stok had

gevonden van een jongen eikentak, begaf zich in de kamer, waar de donna

brommend heen was gegaan. Hij nam haar bij de haren, wierp haar op den

grond en begon hard te slaan. De donna schreeuwde en dreigde, maar

jozef hield niet op en zij begon geheel gebroken om genade te vragen,

opdat hij haar niet zou vermoorden en zeide, dat zij nooit iets meer

tegen zijn zin zou doen. Jozef hield niet op, maar sloeg integendeel

nog met meer woede dan eens op de zijden, op de heupen, op de schouders

en ranselde, totdat hij moede was. Geen been en geen deel van haar rug

bleef ongedeerd.

Daarna ging hij naar Melisso en sprak: Morgen zullen wij zien welk

gevolg de raad van het Ga naar den Ganzenbrug gehad heeft. Na eenigen

tijd gerust te hebben en zich de handen te hebben gewasschen,

avondmaalde hij met Melisso en toen het tijd was, gingen zij slapen. De

boosaardige vrouw stond met groote moeite op en wierp zich te bed; ’s

ochtends zeer vroeg opgestaan, liet zij Jozef vragen, wat zij zou klaar

maken. Hij, die om deze vraag met Melisso lachte, gaf dit op en daarop

vonden zij op den bepaalden tijd teruggekeerd alles en in de opgegeven

orde gereed. Toen prezen zij den vernomen raad ten zeerste. Na eenige

dagen vertrok Melisso en teruggekeerd, vertelde hij aan een wijs man,

wat hij van Salomo had gehoord. Deze sprak tot hem: Ik kan U geen

waarder noch beter raad geven. Gij weet, dat gij niemand lief hebt en

de eerbewijzen en de diensten, die gij verstrekt, schenkt gij niet uit

naastenliefde maar uit praalzucht. Heb dus lief, gelijk Salomo zeide,

en men zal U lief hebben. Aldus werd de weerspannige vrouw gekastijd en

de jongeling werd bemind.

De Decamerone van Boccaccio · 第 100 / 116 题