Twee jongelieden vragen raad aan Salomo, de een: hoe hij bemind kan
worden, de ander: hoe hij zijn weerspannige vrouw kan verbeteren.
Aan den een antwoordt hij lief te hebben, aan den ander naar de
Ganzenbrug te gaan.
Er bleef voor niemand te vertellen over dan de koningin, want zij wilde
het voorrecht voor Dioneo behouden, en zij begon, toen de donna’s
genoeg hadden gelachen om den ongelukkigen Biondello, vroolijk aldus:
Beminnelijke donna’s. Als men met een goeden geest de orde der dingen
beschouwt, zal men gemakkelijk zien, hoe de meerderheid der vrouwen
door de natuur en de gewoonten en de wetten onderworpen is aan de
mannen en dat zij zich moeten regelen en gedragen naar hun besluiten.
En om rust, troost en vrede te hebben met een man moet zij nederig,
geduldig en gehoorzaam zijn en zeker eerbaar wezen, wat de hoogste
schat is van elke verstandige vrouw. En wanneer de wetten, die het
algemeen belang op het oog hebben, het ons niet leerden, de gewoonten
en de gebruiken, wier krachten groot en eerbiedwaardig zijn, zou de
natuur het ons duidelijk bewijzen; zij schiep ons met fijne en broze
lichamen, met verlegen en schuchtere zielen, maakte onze
lichaamskrachten gering, onze stemmen bekoorlijk en onze bewegingen
bevallig. Dit bewijst duidelijk, dat wij door anderen geregeerd moeten
worden. En wie daaraan behoefte heeft, moet gehoorzaam en eerbiedig
zijn jegens zijn meester. Wie hebben wij anders tot heeren en helpers
dan de mannen? Dus moeten wij ze vereeren en ons onderwerpen. Wie van
dien regel afwijkt, acht ik een ernstige berisping waard en een harde
kastijding. Tot deze beschouwing voert mij, wat Pampinea van de
weerspannige vrouw van Talano verhaalde, aan welke God die kastijding
zond, die haar man haar niet kon geven en daarom acht ik allen een
strenge en harde straf waard, die er van afwijken bekoorlijk,
welwillend en onderworpen te zijn.
Het behaagt mij U een oordeel van Salomo te vertellen als een goed
middel om hen te genezen, die met deze kwaal behept zijn. Geen goede
vrouw behoeft te denken, dat het voor haar is gezegd, hoewel de mannen
dit spreekwoord gebruiken: een goed en een slecht paard heeft de sporen
noodig, een goede en een slechte vrouw den stok. Wie in scherts deze
woorden wilde uitleggen, geeft men licht toe, dat ze waar zijn. Wie ze
ernstig zou willen opvatten, zeg ik, dat ze moet erkennen. Alle vrouwen
zijn van nature bewegelijk en buigzaam en daarom is het noodig, dat men
ze met den stok straft. Wie te veel buiten de termen gaan verdienen er
straf mee en opdat de deugd van de goeden versterkt wordt, moet de stok
ze steunen en bang maken. Maar ik zal nu het preeken ter zijde laten om
te komen tot, wat ik wil zeggen.
Door de geheele oude wereld was de roem van de wonderbaarlijke wijsheid
van Salomo al verbreid en de mildheid, waarmee hij ieder de bewijzen er
van gaf, die dit met zekerheid wilde weten. Velen van verschillende
deelen der aarde kwamen bij hem voor hun moeilijkste en neteligste
zaken om raad en onder anderen vertrok daartoe een zeer rijk en
adellijk jongeling, Melisso uit de stad Lajazzo. Terwijl hij te paard
naar Jeruzalem toog, verliet een ander jonkman Jozef Antiochië langs
denzelfden weg. Gelijk het de gewoonte der reizigers is, knoopte hij
met hem een gesprek aan. Nadat Melisso van Jozef zijn toestand had
vernomen en vanwaar hij was, vroeg hij hem, waar hij heenging en
waarom, en Jozef antwoordde, dat hij naar Salomo ging om hem raad te
vragen over zijn echtgenoote, die meer dan eenige andere vrouw
weerspannig en boosaardig was en die hij noch met gebeden noch met
liefkoozingen noch hoe ook van haar onwil kon afbrengen. Daarna vroeg
hij ook hem, vanwaar hij was en waar hij heenging en waarom, waarop
Melisso antwoordde: Ik ben van Lajazzo en zoo’n ongeluk heb ik ook. Ik
ben een rijk jonkman en ik verteer mijn bezit door mijn medeburgers aan
tafel te noodigen en te ontvangen en het is zonderling te moeten
denken, dat ik toch geen mensch vind, die mij goed wil doen en daarom
ga ik mij raad schaffen om bemind te worden. Aldus reisden zij te samen
en in Jeruzalem gekomen werden zij door een der baronnen [188] van
Salomo voor den koning geleid. Melisso verklaarde zijn toestand. Hem
antwoordde Salomo: Heb lief. En toen dit gezegd was, werd Melisso
dadelijk buiten gebracht en Jozef zeide, waarom hij gekomen was. Hierop
antwoordde Salomo niets anders dan: Ga naar de Ganzenbrug. Na die
woorden werd Jozef eveneens zonder verwijl uit de tegenwoordigheid des
konings geleid en vond Melisso terug en zeide hem, welk antwoord hij
kreeg. Toen zij de bedoeling noch het voordeel er van konden begrijpen,
gingen zij, of ze misleid waren, terug. Nadat zij eenige dagen
voortgetrokken waren, kwamen zij bij een rivier, waarover een schoone
brug spande en daar er een groote karavaan van muilezels en paarden met
lasten overging, moesten zij wachten. Toen haast alles voorbij was,
werd een muildier opeens schichtig en het wilde niet voort. De drijver
nam een knuppel en sloeg het hevig. Maar de muilezel liep rechts, links
en terug, doch wilde volstrekt niet vooruit. De verwoede drijver gaf
hem overal nog duchtiger slagen, maar het gaf niets. Melisso en Jozef
zeiden meermalen tot den drijver: Zeg, stommeling, wat doe je? Wilt gij
hem dooden? Waarom doet gij Uw best niet hem vriendelijk en zachtjes te
leiden! Hij zal dan eerder gaan dan door hem te ranselen. De drijver
antwoordde: Gij kent Uw paarden en ik mijn muildier; laat mij dus met
hem gaan. En hierna begon hij hem opnieuw te ranselen en gaf hem
zooveel slaag, dat de ezel vooruit ging en de drijver dien bleek te
kennen. Toen de jongelieden wilden vertrekken, vroeg Jozef aan een man,
die aan den ingang van de brug zat, hoe of die plaats heette. De man
antwoordde: Messere, zij heet de Ganzenbrug. Toen Jozef dit gehoord
had, herinnerde hij zich de woorden van Salomo en sprak tot Melisso: Nu
ik zeg U, kameraad, dat de raad mij door Salomo gegeven goed en waar
kan zijn, omdat ik nu duidelijk inzie, dat ik mijn vrouw niet genoeg
sloeg. Deze muilezeldrijver heeft mij getoond wat ik doen moet. Toen
zij na eenige dagen te Antiochië waren aangekomen, hield Jozef Melisso
eenigen tijd bij zich om uit te rusten en hij werd zeer koeltjes door
de vrouw ontvangen. Jozef zeide haar het avondmaal gereed te maken,
gelijk Melisso zou vaststellen. Toen Melisso zag, dat dit Jozef beviel,
gaf hij dit met weinig woorden te kennen. De donna, als naar gewoonte,
deed het niet, gelijk Melisso het aangaf, maar bijna geheel
tegenovergesteld. Toen Jozef dit zag, zeide hij woedend: Was het U niet
gezegd, hoe gij het avondmaal moest gereed maken? De donna, die zich
trots omkeerde, sprak: Wat wil dat zeggen? Zeg, waarom eet gij niets
als gij wilt avondmalen? Het is mij wel zoo gezegd, maar het beviel mij
niet het zoo te doen. Als het U bevalt, des te beter; zoo niet, laat
het staan. Melisso verwonderde zich over het antwoord van de donna en
laakte haar zeer. Jozef sprak: Vrouw, gij zijt nog steeds dezelfde,
maar geloof me, dat ik je zal veranderen. Tot Melisso gekeerd, sprak
hij: Vriend, spoedig zullen wij den raad van Salomo beproeven; laat het
U niet hinderen en houdt niet voor een spel, wat ik zal doen; denk aan
het antwoord van den drijver. Melisso sprak hierop: Ik ben in Uw huis
en zal U daarin niet lastig vallen. Jozef, die een gladden stok had
gevonden van een jongen eikentak, begaf zich in de kamer, waar de donna
brommend heen was gegaan. Hij nam haar bij de haren, wierp haar op den
grond en begon hard te slaan. De donna schreeuwde en dreigde, maar
jozef hield niet op en zij begon geheel gebroken om genade te vragen,
opdat hij haar niet zou vermoorden en zeide, dat zij nooit iets meer
tegen zijn zin zou doen. Jozef hield niet op, maar sloeg integendeel
nog met meer woede dan eens op de zijden, op de heupen, op de schouders
en ranselde, totdat hij moede was. Geen been en geen deel van haar rug
bleef ongedeerd.
Daarna ging hij naar Melisso en sprak: Morgen zullen wij zien welk
gevolg de raad van het Ga naar den Ganzenbrug gehad heeft. Na eenigen
tijd gerust te hebben en zich de handen te hebben gewasschen,
avondmaalde hij met Melisso en toen het tijd was, gingen zij slapen. De
boosaardige vrouw stond met groote moeite op en wierp zich te bed; ’s
ochtends zeer vroeg opgestaan, liet zij Jozef vragen, wat zij zou klaar
maken. Hij, die om deze vraag met Melisso lachte, gaf dit op en daarop
vonden zij op den bepaalden tijd teruggekeerd alles en in de opgegeven
orde gereed. Toen prezen zij den vernomen raad ten zeerste. Na eenige
dagen vertrok Melisso en teruggekeerd, vertelde hij aan een wijs man,
wat hij van Salomo had gehoord. Deze sprak tot hem: Ik kan U geen
waarder noch beter raad geven. Gij weet, dat gij niemand lief hebt en
de eerbewijzen en de diensten, die gij verstrekt, schenkt gij niet uit
naastenliefde maar uit praalzucht. Heb dus lief, gelijk Salomo zeide,
en men zal U lief hebben. Aldus werd de weerspannige vrouw gekastijd en
de jongeling werd bemind.