ACHTSTE VERTELLING.

Biondello drijft den spot met Ciacco door een middagmaal, waarover

Ciacco zich listig wreekt door hem, een schandelijk pak slaag te

geven.

Iedereen in het vroolijk gezelschap zeide, dat, wat Talano gezien had,

in den slaap geen fantasie was geweest, maar een visioen, zóó was het

uitgekomen. Maar toen iedereen zweeg, beval de koningin, dat Lauretta

zou volgen, die sprak: Zeer wijze donna’s. Gelijk zij, die voor mij

hebben gesproken, allen zijn begonnen te praten over een reeds

behandelde zaak, zoo beweegt mij de geduchte wraak gisteren door

Pampinea verteld, welke de student uitoefende, er een te verhalen, die

pijnlijk genoeg was, hoewel niet zoo wreed. En daarom wil ik U het

volgende vertellen.

Er bevond zich te Florence iemand, die door allen Ciacco werd genoemd,

de vraatzuchtigste man, die er ooit bestond. Daar hij de verteringen

niet kon maken, die zijn gulzigheid vereischte en hij toch welgemanierd

was en goed en geestig wist te antwoorden, deed hij zijn best in ’t

geheel geen hoveling te zijn maar een tafelschuimer en bezocht hen, die

rijk waren en die lekker aten. Bij hen ging hij dikwijls middag- en

avondmalen, hoewel hij er nooit toe werd uitgenoodigd. Gelijktijdig

leefde er iemand in Florence, die Biondello heette, klein van stuk,

zeer keurig van kleeding en en schitterender dan een mot met zijn

kapsel op het hoofd, zijn blonde dos, waarvan het eene haar niet langer

was dan het ander, die hetzelfde vak als Ciacco (het zwijn) uitoefende.

Toen hij op een morgen van de vasten zich daarheen had begeven, waar

men de visch verkoopt en er twee zeer groote lampreien kocht voor

messer Vieri de’ Cerchi, werd hij door Ciacco opgemerkt. Hij naderde

Biondello en zeide: Wat beteekent dit? Biondello antwoordde hem: Men

heeft er gisteren drie anderen gestuurd nog veel mooier dan dezen en

een steur naar messer Corso Donati, die, daar zij niet voldoende waren

om een paar edellieden te verzadigen, mij die twee anderen liet koopen.

Zult gij er niet heengaan? Ciacco antwoordde, dat hij er komen zou.

Toen het hem tijd scheen, begaf hij zich naar messer Corso en vond hem

daar met enkelen van zijn buren, die nog niet waren gaan middagmalen.

Hij antwoordde hun, toen deze hem vroeg, wat hij kwam doen: Mijnheer,

ik kom met U en Uw gezelschap middagmalen. Messer Corso antwoordde hem:

Gij zijt welkom en laat ons beginnen. Toen zij aan tafel zaten, aten

zij eerst grauwe erwten en gezouten tonijn en gebakken visch uit den

Arno. Ciacco, die het bedrog van Biondello bemerkt had en in stilte

boos was, nam zich voor het hem te betalen. Kort daarop ontmoette hij

hem, die reeds velen over den grap had doen lachen. Biondello, die hem

zag, ontmoette hem en vroeg hem lachend, hoe de lampreien van messer

Corso gesmaakt hadden, waarop Ciacco antwoordde: Voor acht dagen

verstreken zijn, zult gij het mij nog veel beter weten te vertellen. En

zonder het plan uit te stellen nam hij van Biondello afscheid, kwam met

een slim makelaar den prijs overeen en na dien een glazen flesch te

hebben gegeven, leidde hij hem in de buurt van de galerij der

Cavicciuoli en wees hem daarin een ridder, messer Filippo Argenti, een

groot, krachtig en sterk man, trotscher, driftiger en nukkiger dan wie

ook en zeide tot hem: Gij zult naar dezen toegaan met die flesch in de

hand en hem dit zeggen: Messer Biondello zendt mij tot U om U te

verzoeken zoo goed te zijn die robijnkleur te geven met uw goeden

rooden wijn, omdat hij zich wat met zijn vrienden vermaken wil, maar

pas op, dat Argenti U niet bij de kladden neemt, want hij zou U een

kwaden dag bezorgen en gij zoudt mijn plannen er mee bederven. De

makelaar sprak: Hebt u nog iets anders te zeggen? Ciacco zeide: Neen,

ga maar. En als gij dit zult gezegd hebben, kom dan hier terug bij mij

met de flesch en ik zal U betalen. Toen de makelaar was heengegaan,

deed hij de boodschap aan messer Filippo. Messer Filippo, die weinig

hersens had en meende, dat Biondello, dien hij kende, hem voor den gek

wilde houden, sprak met ontvlamd gelaat: Wat maakt gij robijnrood en

welke vrienden zijn dat? Dat God U en hem een slecht jaar zal geven!

Hij stond op en stak den arm uit om den makelaar beet te pakken, maar

deze nam de vlucht en ging langs een anderen weg naar Ciacco, die alles

had gezien en zeide hem, wat messer Filippo had geantwoord. Ciacco

betaalde tevreden den makelaar en rustte niet, eer hij Biondello had

gevonden, tot wien hij zeide: Zijt gij een dezer dagen niet in de

galerij der Cavicciuoli geweest? Biondello antwoordde: Wel neen, waarom

vraagt gij mij dit? Ciacco zeide: Omdat messer Filippo U laat zoeken;

ik weet niet, wat hij wil. Toen sprak Biondello: Goed, ik zal hem

spreken.

Toen Biondello was weggegaan, ging Ciacco hem achterna om te zien, hoe

dat zou afloopen. Messer Filippo, die den makelaar niet had kunnen

krijgen, verging in zich zelf van toorn en kon uit de woorden van den

makelaar niets anders halen dan, dat Biondello op aandrang van wien dan

ook, hem voor den mal hield. Terwijl hij zoo kwaad was, kwam Biondello

nader; zoodra hij dien zag, ging hij hem tegemoet en gaf hem een

hevigen vuistslag in het gelaat. Wee mij, messer, zeide Biondel, wat is

dat? Messer Filippo nam hem bij de haren, trok hem de kap van hoofd en

na zijn mantel ter aarde hebben geworpen en hem stevig te hebben

geranseld zeide hij: Verrader! Gij zult ondervinden, wat dat: geeft U

hem robijnkleur en die vrienden zijn, die gij zendt om dat te zeggen!

Meent gij, dat ik een kind ben? En hij beukte hem op het gezicht met

ijzeren vuisten, liet hem geen haar meer op zijn hoofd en na hem door

den modder te hebben gesleurd, verscheurde hij al zijn kleeren. Hij

deed dit met zooveel kracht, dat Biondello geen woord kon spreken. Hij

had wel iets gehoord van geeft U hem robijnkleur en van vrienden, maar

hij wist niet, wat dat beteekende. Ten slotte nadat messer Filippo hem

leelijk had geslagen en er veel menschen om heen kwamen, trokken die

hem met de grootste moeite verminkt en verbijsterd uit zijn handen.

Zij zeiden hem, waarom messer Filippo dat had gedaan en laakten hem om

wat hij gezegd had en beweerden, dat messer Filippo geen man was om mee

te spotten.

Biondello verontschuldigde zich klagend en zeide, dat hij messer

Filippo nooit om wijn had gevraagd. Toen hij een beetje hersteld was,

ging hij verslagen naar huis in de meening, dat dit het werk was van

Ciacco. En toen na eenige dagen de schrammen op zijn gezicht verdwenen

waren, ging hij weer uit en vond hij Ciacco, die hem lachend vroeg:

Biondello, hoe lijkt U de wijn van messer Filippo? Biondello

antwoordde: Hadden de lampreien van messer Corso U maar zoo bevallen.

Toen sprak Ciacco: Het hangt voortaan van U af, dat, wanneer gij mij

zoo wilt te eten geven, ik ook U zóó te drinken geef.

Biondello, die wist, dat hij bij Ciacco meer kwaad dan goed kon opdoen,

bad God, dat die hem met vrede zou laten en paste voortaan op hem niet

meer voor den mal te houden.

De Decamerone van Boccaccio · 第 99 / 116 题