Talano van Molese droomt, dat een wolf de keel en het gelaat van
zijn vrouw geheel verscheurt; hij zegt, dat zij op moet passen, zij
doet het niet waarop het gebeurt.
Toen de geschiedenis van Pamfilo geëindigd was en de slimheid van de
donna door allen was geprezen, zeide de koningin tot Pamfilo, dat zij
de hare moest aanvangen, die aldus begon: Bekoorlijke donna’s. Vroeger
is er reeds gesproken over de gebleken juistheid van droomen, waarover
velen spotten. Hoewel er over gesproken is, zal ik niet nalaten er u
een te vertellen, die zeer kort is, welke nog niet lang geleden een
mijner buurvrouwen overkwam, omdat zij een droom, die haar man had,
niet wilde gelooven.
Ik weet niet of gij hier Talano di Molese kent, een zeer eerbaar man.
Deze had een meisje, Margarita genaamd, schoon boven alle anderen tot
vrouw, maar meer dan elk was zij grillig, onaangenaam en zoo kregel,
dat zij nooit iets naar het oordeel van anderen wilde doen, en hoe
moeilijk dit ook voor Talano was te verduren, duldde hij dit, omdat het
zoo moest. Op een nacht, toen Talano met zijn Margarita op een zijner
landgoederen sliep, zag hij in een droom zijn vrouw door een zeer
schoon bosch gaan, dat zij niet ver van hun huis hadden. Er kwam aan
een kant een groote en wreede wolf te voorschijn, die snel haar naar de
keel vloog en haar op den grond trok. Zij schreeuwde om hulp en
trachtte zich aan hem te onttrekken. Toen zij uit zijn muil kwam, was
haar gansche keel en gelaat verminkt. Toen hij den volgenden morgen
opstond, zeide hij tot de vrouw: Vrouw, hoewel uw kregel karakter mij
nooit heeft veroorloofd een goeden dag met u door te brengen, zou ik
toch treurig zijn, wanneer u kwaad overkwam en daarom, indien gij naar
mijn raad wilt luisteren, ga heden niet uit huis. Toen zij hem vroeg
waarom, vertelde hij zijn droom. De donna, die het hoofd schudde,
zeide: Wie u kwaad wil, droomt kwaad van u. Gij bekommert u zeer om
mij, maar gij droomt van mij, wat gij wenscht en daarom zal ik er
steeds voor oppassen u het genoegen te geven met dit of ander onheil.
Daarop hernam Talano: Ik wist wel, dat gij zoo zoudt spreken, want wie
iemand met hoofdzeer kamt, krijgt er geen dank voor, maar ik voor mij
zeg u, dat om uw bestwil en nogmaals raad ik het u aan, dat gij vandaag
thuis blijft of tenminste niet in ons bosch te gaan.
De donna sprak: Goed, ik zal het doen. En toen zeide zij in zich zelf:
Hebt gij gezien hoe hij boosaardig gelooft mij bang te maken, als ik
vandaag naar het bosch ga? Hij heeft daar zeker een slechte vrouw
ontboden en wil niet, dat ik hem er vind. O, hij zou goed blinden
kunnen misleiden en ik zou wel dwaas zijn, als ik het geloofde. Maar
hij zal het niet gedaan krijgen. Ik ga toch kijken, al moest ik er den
ganschen dag waken om te zien welken koop hij heden wil sluiten.
Toen de man aan den eenen kant het huis verliet, ging zij er aan den
anderen kant uit en heimelijk ging zij dadelijk naar het dichtste
gedeelte van het bosch, verborg zich en bleef opletten.
Terwijl zij wachtte zonder aan den wolf te denken, komt daar zoo’n
groot en vreeselijk dier vlak bij haar uit dicht struikgewas en zij kon
ternauwernood: God, help mij! roepen, toen de wolf haar al naar de keel
was gevlogen. Na haar stevig te hebben beetgepakt droeg hij haar weg,
of zij een lammetje was. Zij kon zich niet verweren noch schreeuwen,
zoo was haar keel toegeklemd en terwijl de wolf haar droeg, had die
haar zeker geworgd, als niet een paar herders hem door hun kreten
hadden gedwongen haar los te laten. Ellendig en ontdaan werd zij door
de herders herkend en naar huis gedragen en na langdurige zorg door de
doktoren genezen. Haar keel en een deel van haar gelaat waren zoo
verminkt, dat zij steeds misvormd bleef en leelijk. Daarna schaamde zij
zich te verschijnen, waar zij vroeger gezien was en beklaagde zich
dikwijls over haar nukkigheid en onwil, hoewel het haar niets zou
gekost hebben geloof te hechten aan den droom van haar man.