ZEVENDE VERTELLING.

Talano van Molese droomt, dat een wolf de keel en het gelaat van

zijn vrouw geheel verscheurt; hij zegt, dat zij op moet passen, zij

doet het niet waarop het gebeurt.

Toen de geschiedenis van Pamfilo geëindigd was en de slimheid van de

donna door allen was geprezen, zeide de koningin tot Pamfilo, dat zij

de hare moest aanvangen, die aldus begon: Bekoorlijke donna’s. Vroeger

is er reeds gesproken over de gebleken juistheid van droomen, waarover

velen spotten. Hoewel er over gesproken is, zal ik niet nalaten er u

een te vertellen, die zeer kort is, welke nog niet lang geleden een

mijner buurvrouwen overkwam, omdat zij een droom, die haar man had,

niet wilde gelooven.

Ik weet niet of gij hier Talano di Molese kent, een zeer eerbaar man.

Deze had een meisje, Margarita genaamd, schoon boven alle anderen tot

vrouw, maar meer dan elk was zij grillig, onaangenaam en zoo kregel,

dat zij nooit iets naar het oordeel van anderen wilde doen, en hoe

moeilijk dit ook voor Talano was te verduren, duldde hij dit, omdat het

zoo moest. Op een nacht, toen Talano met zijn Margarita op een zijner

landgoederen sliep, zag hij in een droom zijn vrouw door een zeer

schoon bosch gaan, dat zij niet ver van hun huis hadden. Er kwam aan

een kant een groote en wreede wolf te voorschijn, die snel haar naar de

keel vloog en haar op den grond trok. Zij schreeuwde om hulp en

trachtte zich aan hem te onttrekken. Toen zij uit zijn muil kwam, was

haar gansche keel en gelaat verminkt. Toen hij den volgenden morgen

opstond, zeide hij tot de vrouw: Vrouw, hoewel uw kregel karakter mij

nooit heeft veroorloofd een goeden dag met u door te brengen, zou ik

toch treurig zijn, wanneer u kwaad overkwam en daarom, indien gij naar

mijn raad wilt luisteren, ga heden niet uit huis. Toen zij hem vroeg

waarom, vertelde hij zijn droom. De donna, die het hoofd schudde,

zeide: Wie u kwaad wil, droomt kwaad van u. Gij bekommert u zeer om

mij, maar gij droomt van mij, wat gij wenscht en daarom zal ik er

steeds voor oppassen u het genoegen te geven met dit of ander onheil.

Daarop hernam Talano: Ik wist wel, dat gij zoo zoudt spreken, want wie

iemand met hoofdzeer kamt, krijgt er geen dank voor, maar ik voor mij

zeg u, dat om uw bestwil en nogmaals raad ik het u aan, dat gij vandaag

thuis blijft of tenminste niet in ons bosch te gaan.

De donna sprak: Goed, ik zal het doen. En toen zeide zij in zich zelf:

Hebt gij gezien hoe hij boosaardig gelooft mij bang te maken, als ik

vandaag naar het bosch ga? Hij heeft daar zeker een slechte vrouw

ontboden en wil niet, dat ik hem er vind. O, hij zou goed blinden

kunnen misleiden en ik zou wel dwaas zijn, als ik het geloofde. Maar

hij zal het niet gedaan krijgen. Ik ga toch kijken, al moest ik er den

ganschen dag waken om te zien welken koop hij heden wil sluiten.

Toen de man aan den eenen kant het huis verliet, ging zij er aan den

anderen kant uit en heimelijk ging zij dadelijk naar het dichtste

gedeelte van het bosch, verborg zich en bleef opletten.

Terwijl zij wachtte zonder aan den wolf te denken, komt daar zoo’n

groot en vreeselijk dier vlak bij haar uit dicht struikgewas en zij kon

ternauwernood: God, help mij! roepen, toen de wolf haar al naar de keel

was gevlogen. Na haar stevig te hebben beetgepakt droeg hij haar weg,

of zij een lammetje was. Zij kon zich niet verweren noch schreeuwen,

zoo was haar keel toegeklemd en terwijl de wolf haar droeg, had die

haar zeker geworgd, als niet een paar herders hem door hun kreten

hadden gedwongen haar los te laten. Ellendig en ontdaan werd zij door

de herders herkend en naar huis gedragen en na langdurige zorg door de

doktoren genezen. Haar keel en een deel van haar gelaat waren zoo

verminkt, dat zij steeds misvormd bleef en leelijk. Daarna schaamde zij

zich te verschijnen, waar zij vroeger gezien was en beklaagde zich

dikwijls over haar nukkigheid en onwil, hoewel het haar niets zou

gekost hebben geloof te hechten aan den droom van haar man.

De Decamerone van Boccaccio · 第 98 / 116 题