Twee jongelieden slapen bij een waard, waarvan de een bij de
dochter gaat liggen en de vrouw van deze per ongeluk bij den ander
in bed komt. Hij, die met de dochter is, gaat daarna naast den
vader in bed en vertelt hem alles in de meening dit aan zijn
metgezel toe te vertrouwen. Zij maken te zamen kabaal. De vrouw,
die het gewaar wordt, gaat in het bed bij haar dochter en dan maakt
zij met een paar woorden alles weer goed.
Calandrino, die meermalen het gezelschap had doen lachen, deed het ook
ditmaal weer. Toen daarna de donna’s over zijn daden zwegen, gelastte
de koningin, dat Panfilo zou voortgaan, die sprak: Lofwaardige donna’s.
De naam van Niccolosa, door Calandrino bemind, heeft mij de
geschiedenis van een andere Niccolosa in het geheugen geroepen, welke
ik wil vertellen, omdat gij in deze zult zien, dat een plotselinge
inval van een goede vrouw een groot schandaal voorkwam.
In de vlakte van de Mugnone was niet lang geleden een goed man, die
voor hun geld aan reizigers te eten en te drinken gaf en daar hij arm
was en een klein huis bezat, herbergde hij soms uit grooten nood niet
iedereen maar wel bekenden. Deze had een zeer schoone vrouw, van wien
hij twee kinderen had. De een was een schoon en lief jong meisje van
vijftien of zestien jaar, die nog geen man had; de ander was een kleine
knaap, nog geen jaar oud, dien de moeder zelf zoogde. Tot het jonge
meisje had een knappe, aardige en adellijke jonkman van onze stad de
oogen opgeslagen, die dikwijls door de straat kwam en haar vurig
beminde. En zij, die er zich veel op beroemde door zulk een jonkman
bemind te worden en die haar best deed hem door opvallende
vriendelijkheden te boeien, werd ook op hem verliefd en meermalen zou
door den wil van beide partijen die liefde gevolg hebben gehad, als
Pinuccio (zoo heette de jonkman) niet de schande van het meisje en de
zijne had willen ontwijken. Maar toch daar hun hartstocht van dag tot
dag vermeerderde, kwam de begeerte bij Pinuccio op om toch met haar
samen te zijn en het kwam hem in de gedachte een middel te vinden bij
den vader zijn intrek te nemen, meenende, daar hij den bouw van haar
huis wist, dat, indien hij dit deed, hij er toe kon komen met haar
samen te zijn, zonder dat iemand het merkte. Hij bracht het zonder
verwijl ten uitvoer. Met een vertrouwden metgezel, Adriano, die bekend
was met deze liefde, nam hij twee huurpaarden en plaatste daarop twee
valiezen vol stroo en zij gingen ’s avonds uit Florence. Na een omweg
te hebben gemaakt kwamen zij, toen het al nacht was, op de vlakte van
de Mugnone, en vandaar, alsof zij uit Romagna terugkeerden, gingen zij
naar het huis en klopten bij den goeden man aan. Deze was gastvrij en
opende haastig de deur. Pinuccio sprak tot hem: Gij moet ons dezen
nacht herbergen; wij geloofden Florence te bereiken maar konden dit
niet, zoodat wij op dit uur hier zijn gekomen. Hierop antwoordde de
waard: Pinnaccio, gij weet wel, hoe moeilijk ik een man kan herbergen,
maar omdat het geen tijd meer is elders heen te gaan, zal ik u naar
mijn vermogen huisvesten.
De jongelieden stalden hun paarden, traden de herberg binnen, haalden
hun avondeten voor den dag en aten met den waard te samen. De waard had
niets dan een klein kamertje en had daarin, zoo goed hij kon, de kleine
bedden gezet en daardoor was er weinig ruimte gebleven, daar twee
bedden aan een zijde van de kamer geplaatst waren en zoo kon men niet
anders dan moeilijk er tusschen door gaan. De waard liet het minst
slechte der drie bedden voor de beide metgezellen gereed maken en liet
hen ter ruste gaan. Toen zij na eenigen tijd veinsden te slapen, liet
de waard in een van de twee bedden de dochter liggen en hij ging zelf
in het andere met zijn vrouw, die naast het bed de wieg plaatste,
waarin haar zoontje lag. Toen Pinuccio alles gezien had en meende, dat
zij alle sliepen, stond hij op en begaf zich naar het bed, waarin het
door hem beminde meisje lag en ging naast haar liggen. Hij werd door
haar hoewel zij het angstig deed, blijde ontvangen en bleef en genoot,
zooals zij verlangden. Terwijl Pinuccio bij het meisje was, liet een
kat iets vallen, wat de vrouw des huizes, die wakker was geworden,
merkte. Daarom vreezend dat er iets was, stond zij in het donker op en
ging daarheen, waar zij het geluid had gehoord. Adriano moest toevallig
opstaan voor een natuurlijke behoefte. Hij voelde de wieg en daar hij
er niet langs kon zonder die op te heffen, nam hij die op en zette die
naast het bed, waar hij zelf sliep. Toen hij voldaan had aan datgene,
waarvoor hij was opgestaan, ging hij zonder zich om de wieg te
bekommeren in bed. De donna, die gezocht had en bevond, dat er niet
was, wat zij vreesde, dacht er aan een licht aan te steken, maar na
tegen de kat gescholden te hebben keerde zij in het kamertje terug en
op den tast ging zij recht op het bed af, waarin haar man sliep. Maar
daar zij de wieg niet vond, zeide zij tot zich zelve: Wee mij,
ongelukkige, zie wat ik deed! Ik ging recht in het bed van mijn gasten.
Na de wieg te hebben gevonden ging zij in dat bed, waar die nu naast
stond en legde zich naast Adriano neer. Adriano, die nog niet was
ingeslapen, ontving haar goed en vriendelijk en deed zonder verder te
spreken meer dan eens zijn plicht tot genoegen van de donna.
Pinuccio vreesde, dat de slaap hem zou overvallen na het genoegen, dat
hij had gesmaakt. Hij stond naast haar op en keerde naar zijn bed
terug. Daar gekomen en de wieg vindend, dacht hij, dat dit het bed van
den waard was. Een weinig verder gaande, legde hij zich naast den
waard, die door de komst van Pinuccio ontwaakte. Pinuccio, die waande,
dat hij aan de zijde van Adriano lag, zeide: Ik zeg u, dat er niets
heerlijker was dan Niccolosa; ik heb er het grootste genoegen van
gehad, dat ooit een man met een vrouw kende en ik zeg u, dat ik meer
dan zes mijlen heb afgelegd, voordat ik ben heengegaan. De waard, die
de praatjes hoorde en wien dit niet erg beviel, zeide eerst tot zich
zelf: Wat duivel, doet die hier? Daarna, meer geprikkeld dan
voorzichtig, zeide hij: Pinuccio, gij hebt een groote laagheid gedaan
en ik begrijp niet, waarom gij mij dat doet. Maar bij het Lichaam van
God, ik zal het je betalen. Pinuccio, die niet zeer slim was en zijn
dwaling niet bemerkte, beproefde zich niet te herstellen, maar zeide:
Zeg, hoe zal ik het u vergoeden? Wat kunt gij mij doen? De vrouw van
den waard sprak tot Adriano: Wee mij! Hoor de gasten, waarover hebben
die samen woorden? Adriano sprak lachend: Laat gaan, dat God hun een
slecht jaar geve; zij dronken gisteravond te veel. De donna, wien het
scheen, dat zij haar man hoorde knorren, bemerkte opeens, waar zij was
en met wien. Daarom als slimme vrouw, zonder een woord spreken, stond
zij dadelijk op en na de wieg van haar zoontje te hebben opgenomen,
droeg zij die met overleg naast het bed, waar hun dochter sliep en ging
naast deze liggen. Daarna doende of zij ontwaakt was, vroeg zij hem,
wat hij met Pinuccio sprak. De echtgenoot antwoordde: Hoort gij niet,
dat hij vertelt, wat hij vannacht bij Niccolosa gedaan heeft? De donna
sprak: Hij liegt als een ketter. Hij heeft niet bij Niccolosa geslapen,
want ik legde mij naast haar en vanaf dat oogenblik heb ik niet
geslapen en als gij het gelooft, zijt gij een beest. Gij drinkt ’s
avonds zooveel, dat gij ’s nachts droomend hier of daar heengaat, en
het schijnt u dan, dat gij wonderen doet. Het is jammer, dat gij den
hals niet breekt, maar wat doet Pinuccio daar? Waarom is hij niet in
zijn bed? Van den anderen kant zeide Adriano, die zag, dat de donna
slim haar schande en die van haar dochter verborg: Pinuccio, ik heb het
je honderd keer gezegd niet buitenshuis te gaan, want het gebrek van u
in den droom op te staan en verzinsels als waar te vertellen, zullen u
nog eens leelijk ongeluk bezorgen. Kom hier terug, dat God u een
slechten nacht geve. De waard, die dit hoorde begon al te licht te
gelooven, dat Pinuccio gedroomd had. Daarom hem bij den schouder
vattend, en heen en weer schuddend riep hij: Pinuccio, sta op; ga terug
naar uw bed. Pinuccio, die vernomen had, wat er gezegd was, begon als
iemand, die droomde in andere fantasiën te vervallen, waarom de waard
ten zeerste lachte. Toen hij zich hoe langer hoe meer voelde schudden,
deed hij of hij ontwaakte en Adriano roepend, zeide hij: Is het al dag,
dat gij mij roept? Adriano sprak: Ja, kom hierheen. Deze nog altijd
veinzend zeer slaperig te zijn, stond op en ging te bed met Adriano.
Toen het dag werd en hij was opgestaan, ging de waard met hem spotten.
Zoo pratende maakten de beide jongelingen hun paarden gereed, en
laadden hun valiezen op; na met den waard te hebben gedronken en te
zijn opgestegen kwamen zij te Florence, Tevreden over de wijze, waarop
de zaak had plaats gehad, over het gevolg en na opnieuw maatregelen te
hebben genomen, kwam Pinuccio weer met Niccolosa te samen, die haar
moeder had verzekerd, dat hij bepaald had gedroomd. Daarom zeide de
donna, zich de omhelzingen van Adriano herinnerend, dat zij alleen had
gewaakt.