Calandrino wordt op een jong meisje verliefd. Bruno maakt voor hem
een schriftelijken talisman, waardoor zij hem volgt, als hij haar
daarmee aanraakt. Wanneer hij door zijn vrouw wordt betrapt, geeft
het een grooten en ernstig en twist.
Toen het korte verhaal van Neifile geëindigd was, zonder dat het
gezelschap er te veel om gelachen of over gesproken had, keerde de
koningin zich naar Fiammetta en beval haar te volgen, welke zeer
welgemoed antwoordde, dat zij gaarne wilde en aldus begon: Allerliefste
donna’s. Gelijk ik meen, dat gij weet, zijn er dingen, die te meer
behagen, naarmate men er meer van spreekt, mits men den tijd en de
plaats, die dezen eischen, behoorlijk weet te kiezen, wanneer men ervan
wil spreken. En daarom als ik beschouw, waarom wij hier zijn (want wij
zijn hier om genoegen en goede tijdpasseering te hebben en voor niets
anders) geloof ik, dat al wat vreugde en vermaak kan verschaffen, hier
de vereischte plaats en tijd vindt. En hoewel er al duizende malen over
gerept werd, is het niet noodig over iets anders te praten om zich te
vermaken. Er is al dikwijls over de daden van Calandrino gesproken en
indien ik er aan denk, gelijk voor kort Filostrato zeide, dat die allen
vermakelijk zijn, durf ik u er nog wel een novelle van vertellen, die
ik om van de waarheid af te wijken wel had kunnen samenstellen onder
andere namen. Maar omdat dit het genoegen bij de hoorders zeer
vermindert, zal ik u dit daarom in den echten vorm verhalen.
Niccolo Cornacchini was onze medeburger, een rijk man, en had onder
anderen een schoone bezitting in Camerata, waar hij een voornaam en
fraai kasteel liet bouwen en overeen kwam met Bruno en Buffalmacco het
geheel te beschilderen. Dezen, omdat het werk groot was, namen Nello en
Calandrino mee en begonnen te arbeiden. Elke kamer was voorzien van een
bed en van andere benoodigdheden en een oude meid bleef huisbewaarster,
omdat er geen ander dienstpersoneel was. Een zoon van genoemden
Niccolo, die Filippo heette, een ongehuwd jonkman, bracht er soms voor
zijn plezier een vrouw heen, hield die er een of twee dagen en stuurde
haar dan weg. Eens bracht hij er een mee, die Niccolosa heette, welke
een treurig sujet, Mangione genaamd, in een huis te Camaldoli
onderhield en uithuurde. Zij was mooi en goed gekleed en voor een vrouw
van haar soort welgemanierd en aardig in den omgang. Toen zij eens op
een middag uit de kamer was gegaan in een witten rok met de haren om
het hoofd gerold en zich aan een put op de binnenplaats van het kasteel
de handen en het gezicht waschte, kwam Calandrino daar water halen en
groette haar vriendelijk. Zij keek hem aan meer, omdat hij haar een
rare kerel scheen dan door een ander verlangen. Calandrino zag haar aan
en daar zij hem mooi leek, zocht hij voorwendsels en ging met het water
niet naar de metgezellen terug; maar omdat hij haar niet kende, durfde
hij haar niets te zeggen. Zij, die dit gewaar werd, keek hem soms aan
om hem voor den mal te houden en slaakte een paar zuchten. Daardoor
ontvlamde Calandrino dadelijk en ging niet van de binnenplaats weg,
voor zij door Filippo in de kamer werd geroepen.
Calandrino deed niets dan zuchten, wat Bruno bemerkte, omdat hij hem
dikwijls op de handen keek en groot vermaak schepte in diens doen en
laten en zeide: Wat duivel, mankeert jou, kameraad? Je doet niets dan
zuchten. Hierop sprak Calandrino: Vriend, als ik iemand had, die mij
zou helpen, zou ik het goed maken. Hoe? zeide Bruno. Calandrino hernam:
Gij moet het aan niemand zeggen, er is hier een jong meisje schooner
dan een fee, welke zoo verliefd op mij is, dat het u een bijzonder
geval zou schijnen. Ik merkte het pas, toen ik water ging halen. Wee
mij! hernam Bruno, pas op, dat het niet de vrouw is van Filippo.
Calandrino ging voort: Dat geloof ik, omdat hij haar riep en zij naar
hem toeging, maar wat wil dat zeggen? Ik zou in die dingen Christus
bedriegen en niet slechts Filippo. Ik zal u de waarheid zeggen, vriend,
zij bevalt mij onuitsprekelijk. Toen sprak Bruno: Vriend, ik zal je wel
vertellen, wie zij is en als zij de vrouw is van Filippo, zal ik uw
zaken in twee woorden in orde krijgen, omdat zij met mij zeer bevriend
is. Maar hoe zullen wij maken, dat Buffalmacco het niet weet? Ik zal
haar nooit kunnen spreken, zonder dat hij er bij is. Calandrino
hervatte: Ik bekommer mij niet om Buffalmacco, maar laat ons op Nello
passen, want hij is een verwant van mijn vrouw Tessa en zou voor ons
alles bederven. Bruno sprak: Goed zoo. Bruno wist heel goed, wie zij
was en bovendien had Filippo het hem verteld. Daarom, toen Calandrino
een oogenblik het werk had verlaten en naar haar was gaan zien,
vertelde Bruno alles aan Nello en aan Buffalmacco en zij regelden, wat
zij hem om zijn verliefdheid zouden leveren. Toen hij terugkeerde,
zeide Bruno zachtjes: Hebt gij haar gezien? Calandrino antwoordde: Wee
mij, ja, zij doet mij sterven. Bruno hervatte: Ik wil gaan kijken om te
zien of zij de bedoelde is en laat mij dan maar gaan. Daarop ging Bruno
in den hof en vond daar Filippo en haar en vertelde hun, wat Calandrino
gezegd had, en regelde ook met hen, wat zij moesten doen en zeggen om
pret te hebben.
En tot Calandrino teruggekeerd sprak hij: Zij is het en wij moeten dit
zeer slim aanleggen, omdat, als Filippo het merkt, al het water van den
Arno het niet kan afwasschen. Maar wat wilt gij, dat ik haar van uw
kant zeg, als ik haar toevallig spreek? Calandrino antwoordde: Wel gij
moet haar voor alles zeggen, dat ik haar van mij duizendmaal zwanger
wensch en ik haar dienaar ben! Bruno zeide: Ja, laat mij maar gaan.
Toen het uur van het avondmaal kwam en zij het werk hadden neergelegd,
naar de binnenplaats afdaalden en Filippo en Niccolosa daar waren,
bleven zij daar eenigen tijd. Daar begon Calandrino Niccolosa te
beschouwen en haar zoo verstaanbare lonken toe te werpen, dat een
blinde het moest merken. Zij van haar kant deed alles, wat zij moest om
hem goed te ontvlammen en volgens de voorlichting, die zij van Bruno
had gehad, nam zij de beste gelegenheid waar, terwijl Filippo met
Buffalmacco en de anderen deden of zij praatten en er niets van
merkten. Maar toch na eenigen tijd gingen zij heen tot grooten spijt
van Calandrino en terwijl ze zich naar Florence begaven, zeide Bruno
tot Calandrino: Ik zeg u, dat gij haar smelt als het ijs voor de zon,
bij het Lichaam van Christus; als gij uw guitaar hier haalt en een
beetje met haar uw liefdeliederen zingt, zult gij haar door de ramen
doen springen. Calandrino zeide: Zou je denken, dat ik die moet halen?
Ja, antwoordde Bruno. Hierop sprak Calandrino: Gij geloofde mij heden
niet, toen ik het u zeide: Zeker, vriend, ik weet beter dan ieder ander
man dat te doen, wat ik wil. Wie zou anders dan ik zoo spoedig zulk een
donna verliefd hebben kunnen maken? Werkelijk, dat hadden die soort
jongelieden, die alles rondbazuinen, niet kunnen gedaan krijgen, die
den geheelen dag overal heen gaan en in duizend jaar nog niets winnen.
Nu, ik wil, dat gij mij een weinig met mijn ribeba (mandoline) zult
zien; gij zult mooi spelen hooren. Weet wel, dat ik niet zoo oud ben,
als ik schijn; zij heeft dat wel gemerkt. Maar ik zal het haar doen
merken, wanneer ik haar aan den scheepshaak sla; bij het ware Lichaam
van God, ik zal haar voorspelen, dat zij mij naloopt als een gekkin
haar kind. O zeide Bruno, gij zult haar besnuffelen als de zwijnen en
het schijnt mij al, dat ik u haar rooden mond zie bijten met uw tanden
als guitaarhoutjes [187] en haar wangen, die twee rozen schijnen en
haar heelemaal opeten.
Calandrino, welke deze woorden hoorde, scheen er al mee bezig te zijn
en liep zoo vroolijk te zingen en te dansen, dat hij uit zijn vel leek
te springen. Toen hij den volgenden dag de ribeba haalde, zong hij tot
groot vermaak van het heele gezelschap met haar verscheidene liederen.
In korten tijd begon hij zoo naar haar te verlangen, dat hij bijna
bijna niet meer werkte, maar duizend keer per dag naar het raam, de
deur en op de binnenplaats liep om haar te zien. Zij ging handig
volgens de voorschriften van Bruno te werk en gaf hem zeer dikwijls
aanleiding. Bruno zelf gaf hem antwoord op zijn boodschappen en voor
haar deed hij het ook menigmaal. Wanneer zij niet op het kasteel was,
wat meestentijds gebeurde, zond zij hem brieven, waarin zij hem groote
hoop gaf voor zijn verlangens en verklaarde, dat zij bij haar ouders
was, waar hij haar toen niet kon vinden.
Op die manier hadden Bruno en Buffalmacca het grootste plezier en
lieten zich, alsof het door zijn donna gevraagd werd, nu eens een
ivoren kam en dan weer een beurs of een mesje en meer zulke
snuisterijen schenken en gaven hem in ruil daarvoor valsche juweelen,
waar Calandrino zeer blij mee was. Bovendien haalden zij er bij hem
goede gastmalen en andere voordeelen uit, daar zij op zijn belangen
letten. Nadat zij hem wel twee maanden op die wijze hadden bezig
gehouden zonder er iets voor te hebben gedaan en Calandrino zag, dat
het werk ten einde liep en meende, dat, als hij niet tot een resultaat
kwam, zijn liefde zou eindigen, voor zijn taak was afgeloopen, begon
hij Bruno aan te zetten. Daarom zeide Bruno tot Calandrino, toen het
meisje eens was teruggekomen en hij eerst met Filippo en haar had
afgesproken, wat er gedaan moest worden: Kijk, vriend, die donna heeft
mij wel duizend maal beloofd te zullen doen, wat gij wilt en ten slotte
doet zij niets en het schijnt mij, dat zij u bij den neus leidt en
daarom zullen wij er haar toe nopen, of zij wil of niet. Calandrino
antwoordde: Ja, om Gods wil, laten wij dit gauw doen. Bruno hernam: Zou
Hij u dan moed geven haar met een schriftelijken talisman aan te raken,
dien ik u zal geven? Calandrino ging voort: Goed. Dan, zei Bruno, laat
mij dan een perkament brengen uit vel van een ongeboren kalf en een
levende vleermuis en drie korrels wierook en een heilige kaars en laat
mij gaan.
Calandrino bracht den ganschen avond door met zijn jachtwerktuigen om
een vleermuis te vangen en toen hij er eindelijk een had, bracht hij
die met de andere benoodigdheden naar Bruno. Deze, die zich in een
kamer had begeven, schreef op dat perkament een paar dwaasheden van hem
met wat tooverletters, bracht ze hem en zeide: Calandrino, gij moet
haar met dit geschrift aanraken; zij zal u dadelijk volgen en doen wat
gij wilt. En om kort te gaan, als Filippo heden ergens heen gaat,
spreek haar toe, raak haar aan en ga in de schuur hiernaast, die de
beste plaats is, omdat er nooit iemand komt. Gij zult zien, dat zij u
zal volgen. Wanneer zij er is, weet gij wel, wat gij te doen hebt.
Calandrino was zeer gelukkig en na het formulier te hebben opgenomen,
zeide hij: Kameraad, laat mij gaan. Nello, voor welken Calandrino zich
in acht nam, vermaakte zich hiermee ook en ging er mee voort hem voor
den mal te houden en daarom gelijk Bruno hem gelast had, ging hij naar
Florence naar de vrouw van Calandrino en zeide haar: Tessa, gij weet
hoeveel slagen Calandrino u gaf zonder reden op den dag, dat hij met de
steenen uit den Mugnone thuis kwam en daarom wensch ik, dat gij dit
wreekt en als gij het niet doet, zult gij mij niet meer tot familie
hebben noch tot vriend. Hij is daar ginds verliefd geworden op een
donna en zij is zóó gemeen, dat zij zich dikwijls genoeg met hem
opsluit. Niet lang geleden hadden zij een afspraak. Daarom wil ik, dat
gij er heengaat en hem betrappen zult en kastijden. Toen de donna dit
hoorde, scheen haar dit geen grapje, maar zij zeide: Wee mij, beruchte
dief, doe jij mij dat? Bij het kruis van God, dat zal zoo niet
gebeuren.
Na haar mantel te hebben aangedaan en met een vrouw in gezelschap, ging
zij er snel met Nello heen. Toen Bruno haar van verre zag aankomen,
zeide hij tot Filippo: Kijk, onze vriend. Filippo ging naar de plaats,
waar Calandrino en de anderen werkten en sprak: Maestri, ik moet nu
naar Florence gaan, werk hard door. En toen hij uit de kamer was
gegaan, verborg hij zich om te zien, wat Calandrino zou doen.
Calandrino, daar hij geloofde, dat Filippo zich verwijderd had, daalde
dadelijk op de binnenplaats af, waar hij Niccolosa alleen vond en na
haar te zijn genaderd, bewees hij haar wat meer vriendschap dan
gewoonlijk. Daarop raakte Calandrino haar aan met het formulier en
richtte zich zonder meer naar de schuur, waarheen Niccolosa hem volgde.
Toen de deur was gesloten, omarmde zij Calandrino en wierp hem op het
stroo, dat daar op den grond lag, sprong hem als te paard op den rug en
legde hem de handen op de schouders zonder hem haar gelaat te doen
naderen, keek hem aan als met groot verlangen en sprak: O mijn zoete
Calandrino, hart van mijn lijf, mijn ziel, mijn schat, mijn rust,
hoelang heb ik u begeerd! Gij hebt mij met uw bekoring smoorlijk
verliefd gemaakt; gij hebt mij met uw ribeba het hart gestreeld Zou het
mogelijk kunnen zijn, dat ik u krijg? Calandrino, die zich nauwelijks
kon bewegen, zeide: Och, mijn lieve ziel, laat mij u kussen. Niccolosa
sprak: O, gij hebt groote haast, laat mij mijn oogen verzadigen aan uw
zoet gelaat.
Bruno en Buffalmacco waren naar Filippo gegaan en alle drie zagen en
hoorden dit. En reeds wilde Calandrino Niccolosa kussen, toen daar
Nello met monna Tessa aan kwam zetten, die zeide; Ik doe een belofte
aan God, als ze niet samen zijn. Bij de deur van de schuur gekomen
stiet de donna, die woedend was, er met de handen tegen en
binnengetreden zag zij Niccolosa te paard op Calandrino zitten. Deze,
zoodra zij de donna zag, stond op, vluchtte weg en ging daarheen, waar
Filippo was. Monna Tessa vloog met de nagels aan het gelaat naar
Calandrino, die nog niet opgestaan was, krabde hem overal en na hem bij
de haren te hebben gerukt en hem heen en weer te hebben getrokken,
zeide zij: Jou leelijke, gemeene hond. Waarom doe jij me dat? Oude gek,
vervloekt zij het goed, dat ik je heb willen doen. Schijnt het je soms,
dat je thuis niet genoeg hebt te doen, dat je op anderen verliefd
wordt? Een mooie minnaar ben je me! Ken jij je zelf dan niet, stakker?
Ken je je dan niet, dwaas, die je bent? Want als je je geheel zoudt
uitpersen, zou er nog geen vocht genoeg uitkomen om er een saus van te
maken. Bij het geloof in God, het was Tessa niet, die jou zwanger
maakte; dat God haar straffe, wie het ook zij, want zij moet wel niet
veel bijzonders wezen, die verliefd is op zulk een fijn juweel, als jij
bent. Calandrino, die zijn vrouw zag komen, stond verstomd, en had den
moed niet zich eenigzins tegen haar te verdedigen, maar geheel bekrabd,
geplukt en geslagen, raapte hij zijn hoed op, stond op en begon zijn
vrouw nederig te smeeken, dat zij niet zou schreeuwen, als zij niet
wilde, dat hij heelemaal aan stukken zou worden gescheurd, omdat die
vrouw, die bij hem was, van den heer van het kasteel hoorde. De donna
sprak: Best. Dat God hem een treurig jaar geve. Bruno en Buffalmacco,
die met Filippo en Niccolosa over die ontmoeting zich slap hadden
gelachen, deden of ze op het spektakel afgingen en na met veel praatjes
de donna tot rust te hebben gebracht, gaven zij aan Calandrino den raad
naar Florence te gaan en niet meer terug te keeren, opdat Filippo,
indien hij er iets van zou merken, hem geen kwaad zou doen. Zoo keerde
Calandrino treurig en heelemaal geplukt en gekrabd naar Florence terug
en had geen moed meer daarheen terug te komen, dag en nacht gekweld en
gehinderd door de verwijten van zijn vrouw en maakte een einde aan zijn
brandende liefde, nadat hij zijn metgezellen, Niccolosa en Filippo,
veel had laten lachen.