VIJFDE VERTELLING.

Calandrino wordt op een jong meisje verliefd. Bruno maakt voor hem

een schriftelijken talisman, waardoor zij hem volgt, als hij haar

daarmee aanraakt. Wanneer hij door zijn vrouw wordt betrapt, geeft

het een grooten en ernstig en twist.

Toen het korte verhaal van Neifile geëindigd was, zonder dat het

gezelschap er te veel om gelachen of over gesproken had, keerde de

koningin zich naar Fiammetta en beval haar te volgen, welke zeer

welgemoed antwoordde, dat zij gaarne wilde en aldus begon: Allerliefste

donna’s. Gelijk ik meen, dat gij weet, zijn er dingen, die te meer

behagen, naarmate men er meer van spreekt, mits men den tijd en de

plaats, die dezen eischen, behoorlijk weet te kiezen, wanneer men ervan

wil spreken. En daarom als ik beschouw, waarom wij hier zijn (want wij

zijn hier om genoegen en goede tijdpasseering te hebben en voor niets

anders) geloof ik, dat al wat vreugde en vermaak kan verschaffen, hier

de vereischte plaats en tijd vindt. En hoewel er al duizende malen over

gerept werd, is het niet noodig over iets anders te praten om zich te

vermaken. Er is al dikwijls over de daden van Calandrino gesproken en

indien ik er aan denk, gelijk voor kort Filostrato zeide, dat die allen

vermakelijk zijn, durf ik u er nog wel een novelle van vertellen, die

ik om van de waarheid af te wijken wel had kunnen samenstellen onder

andere namen. Maar omdat dit het genoegen bij de hoorders zeer

vermindert, zal ik u dit daarom in den echten vorm verhalen.

Niccolo Cornacchini was onze medeburger, een rijk man, en had onder

anderen een schoone bezitting in Camerata, waar hij een voornaam en

fraai kasteel liet bouwen en overeen kwam met Bruno en Buffalmacco het

geheel te beschilderen. Dezen, omdat het werk groot was, namen Nello en

Calandrino mee en begonnen te arbeiden. Elke kamer was voorzien van een

bed en van andere benoodigdheden en een oude meid bleef huisbewaarster,

omdat er geen ander dienstpersoneel was. Een zoon van genoemden

Niccolo, die Filippo heette, een ongehuwd jonkman, bracht er soms voor

zijn plezier een vrouw heen, hield die er een of twee dagen en stuurde

haar dan weg. Eens bracht hij er een mee, die Niccolosa heette, welke

een treurig sujet, Mangione genaamd, in een huis te Camaldoli

onderhield en uithuurde. Zij was mooi en goed gekleed en voor een vrouw

van haar soort welgemanierd en aardig in den omgang. Toen zij eens op

een middag uit de kamer was gegaan in een witten rok met de haren om

het hoofd gerold en zich aan een put op de binnenplaats van het kasteel

de handen en het gezicht waschte, kwam Calandrino daar water halen en

groette haar vriendelijk. Zij keek hem aan meer, omdat hij haar een

rare kerel scheen dan door een ander verlangen. Calandrino zag haar aan

en daar zij hem mooi leek, zocht hij voorwendsels en ging met het water

niet naar de metgezellen terug; maar omdat hij haar niet kende, durfde

hij haar niets te zeggen. Zij, die dit gewaar werd, keek hem soms aan

om hem voor den mal te houden en slaakte een paar zuchten. Daardoor

ontvlamde Calandrino dadelijk en ging niet van de binnenplaats weg,

voor zij door Filippo in de kamer werd geroepen.

Calandrino deed niets dan zuchten, wat Bruno bemerkte, omdat hij hem

dikwijls op de handen keek en groot vermaak schepte in diens doen en

laten en zeide: Wat duivel, mankeert jou, kameraad? Je doet niets dan

zuchten. Hierop sprak Calandrino: Vriend, als ik iemand had, die mij

zou helpen, zou ik het goed maken. Hoe? zeide Bruno. Calandrino hernam:

Gij moet het aan niemand zeggen, er is hier een jong meisje schooner

dan een fee, welke zoo verliefd op mij is, dat het u een bijzonder

geval zou schijnen. Ik merkte het pas, toen ik water ging halen. Wee

mij! hernam Bruno, pas op, dat het niet de vrouw is van Filippo.

Calandrino ging voort: Dat geloof ik, omdat hij haar riep en zij naar

hem toeging, maar wat wil dat zeggen? Ik zou in die dingen Christus

bedriegen en niet slechts Filippo. Ik zal u de waarheid zeggen, vriend,

zij bevalt mij onuitsprekelijk. Toen sprak Bruno: Vriend, ik zal je wel

vertellen, wie zij is en als zij de vrouw is van Filippo, zal ik uw

zaken in twee woorden in orde krijgen, omdat zij met mij zeer bevriend

is. Maar hoe zullen wij maken, dat Buffalmacco het niet weet? Ik zal

haar nooit kunnen spreken, zonder dat hij er bij is. Calandrino

hervatte: Ik bekommer mij niet om Buffalmacco, maar laat ons op Nello

passen, want hij is een verwant van mijn vrouw Tessa en zou voor ons

alles bederven. Bruno sprak: Goed zoo. Bruno wist heel goed, wie zij

was en bovendien had Filippo het hem verteld. Daarom, toen Calandrino

een oogenblik het werk had verlaten en naar haar was gaan zien,

vertelde Bruno alles aan Nello en aan Buffalmacco en zij regelden, wat

zij hem om zijn verliefdheid zouden leveren. Toen hij terugkeerde,

zeide Bruno zachtjes: Hebt gij haar gezien? Calandrino antwoordde: Wee

mij, ja, zij doet mij sterven. Bruno hervatte: Ik wil gaan kijken om te

zien of zij de bedoelde is en laat mij dan maar gaan. Daarop ging Bruno

in den hof en vond daar Filippo en haar en vertelde hun, wat Calandrino

gezegd had, en regelde ook met hen, wat zij moesten doen en zeggen om

pret te hebben.

En tot Calandrino teruggekeerd sprak hij: Zij is het en wij moeten dit

zeer slim aanleggen, omdat, als Filippo het merkt, al het water van den

Arno het niet kan afwasschen. Maar wat wilt gij, dat ik haar van uw

kant zeg, als ik haar toevallig spreek? Calandrino antwoordde: Wel gij

moet haar voor alles zeggen, dat ik haar van mij duizendmaal zwanger

wensch en ik haar dienaar ben! Bruno zeide: Ja, laat mij maar gaan.

Toen het uur van het avondmaal kwam en zij het werk hadden neergelegd,

naar de binnenplaats afdaalden en Filippo en Niccolosa daar waren,

bleven zij daar eenigen tijd. Daar begon Calandrino Niccolosa te

beschouwen en haar zoo verstaanbare lonken toe te werpen, dat een

blinde het moest merken. Zij van haar kant deed alles, wat zij moest om

hem goed te ontvlammen en volgens de voorlichting, die zij van Bruno

had gehad, nam zij de beste gelegenheid waar, terwijl Filippo met

Buffalmacco en de anderen deden of zij praatten en er niets van

merkten. Maar toch na eenigen tijd gingen zij heen tot grooten spijt

van Calandrino en terwijl ze zich naar Florence begaven, zeide Bruno

tot Calandrino: Ik zeg u, dat gij haar smelt als het ijs voor de zon,

bij het Lichaam van Christus; als gij uw guitaar hier haalt en een

beetje met haar uw liefdeliederen zingt, zult gij haar door de ramen

doen springen. Calandrino zeide: Zou je denken, dat ik die moet halen?

Ja, antwoordde Bruno. Hierop sprak Calandrino: Gij geloofde mij heden

niet, toen ik het u zeide: Zeker, vriend, ik weet beter dan ieder ander

man dat te doen, wat ik wil. Wie zou anders dan ik zoo spoedig zulk een

donna verliefd hebben kunnen maken? Werkelijk, dat hadden die soort

jongelieden, die alles rondbazuinen, niet kunnen gedaan krijgen, die

den geheelen dag overal heen gaan en in duizend jaar nog niets winnen.

Nu, ik wil, dat gij mij een weinig met mijn ribeba (mandoline) zult

zien; gij zult mooi spelen hooren. Weet wel, dat ik niet zoo oud ben,

als ik schijn; zij heeft dat wel gemerkt. Maar ik zal het haar doen

merken, wanneer ik haar aan den scheepshaak sla; bij het ware Lichaam

van God, ik zal haar voorspelen, dat zij mij naloopt als een gekkin

haar kind. O zeide Bruno, gij zult haar besnuffelen als de zwijnen en

het schijnt mij al, dat ik u haar rooden mond zie bijten met uw tanden

als guitaarhoutjes [187] en haar wangen, die twee rozen schijnen en

haar heelemaal opeten.

Calandrino, welke deze woorden hoorde, scheen er al mee bezig te zijn

en liep zoo vroolijk te zingen en te dansen, dat hij uit zijn vel leek

te springen. Toen hij den volgenden dag de ribeba haalde, zong hij tot

groot vermaak van het heele gezelschap met haar verscheidene liederen.

In korten tijd begon hij zoo naar haar te verlangen, dat hij bijna

bijna niet meer werkte, maar duizend keer per dag naar het raam, de

deur en op de binnenplaats liep om haar te zien. Zij ging handig

volgens de voorschriften van Bruno te werk en gaf hem zeer dikwijls

aanleiding. Bruno zelf gaf hem antwoord op zijn boodschappen en voor

haar deed hij het ook menigmaal. Wanneer zij niet op het kasteel was,

wat meestentijds gebeurde, zond zij hem brieven, waarin zij hem groote

hoop gaf voor zijn verlangens en verklaarde, dat zij bij haar ouders

was, waar hij haar toen niet kon vinden.

Op die manier hadden Bruno en Buffalmacca het grootste plezier en

lieten zich, alsof het door zijn donna gevraagd werd, nu eens een

ivoren kam en dan weer een beurs of een mesje en meer zulke

snuisterijen schenken en gaven hem in ruil daarvoor valsche juweelen,

waar Calandrino zeer blij mee was. Bovendien haalden zij er bij hem

goede gastmalen en andere voordeelen uit, daar zij op zijn belangen

letten. Nadat zij hem wel twee maanden op die wijze hadden bezig

gehouden zonder er iets voor te hebben gedaan en Calandrino zag, dat

het werk ten einde liep en meende, dat, als hij niet tot een resultaat

kwam, zijn liefde zou eindigen, voor zijn taak was afgeloopen, begon

hij Bruno aan te zetten. Daarom zeide Bruno tot Calandrino, toen het

meisje eens was teruggekomen en hij eerst met Filippo en haar had

afgesproken, wat er gedaan moest worden: Kijk, vriend, die donna heeft

mij wel duizend maal beloofd te zullen doen, wat gij wilt en ten slotte

doet zij niets en het schijnt mij, dat zij u bij den neus leidt en

daarom zullen wij er haar toe nopen, of zij wil of niet. Calandrino

antwoordde: Ja, om Gods wil, laten wij dit gauw doen. Bruno hernam: Zou

Hij u dan moed geven haar met een schriftelijken talisman aan te raken,

dien ik u zal geven? Calandrino ging voort: Goed. Dan, zei Bruno, laat

mij dan een perkament brengen uit vel van een ongeboren kalf en een

levende vleermuis en drie korrels wierook en een heilige kaars en laat

mij gaan.

Calandrino bracht den ganschen avond door met zijn jachtwerktuigen om

een vleermuis te vangen en toen hij er eindelijk een had, bracht hij

die met de andere benoodigdheden naar Bruno. Deze, die zich in een

kamer had begeven, schreef op dat perkament een paar dwaasheden van hem

met wat tooverletters, bracht ze hem en zeide: Calandrino, gij moet

haar met dit geschrift aanraken; zij zal u dadelijk volgen en doen wat

gij wilt. En om kort te gaan, als Filippo heden ergens heen gaat,

spreek haar toe, raak haar aan en ga in de schuur hiernaast, die de

beste plaats is, omdat er nooit iemand komt. Gij zult zien, dat zij u

zal volgen. Wanneer zij er is, weet gij wel, wat gij te doen hebt.

Calandrino was zeer gelukkig en na het formulier te hebben opgenomen,

zeide hij: Kameraad, laat mij gaan. Nello, voor welken Calandrino zich

in acht nam, vermaakte zich hiermee ook en ging er mee voort hem voor

den mal te houden en daarom gelijk Bruno hem gelast had, ging hij naar

Florence naar de vrouw van Calandrino en zeide haar: Tessa, gij weet

hoeveel slagen Calandrino u gaf zonder reden op den dag, dat hij met de

steenen uit den Mugnone thuis kwam en daarom wensch ik, dat gij dit

wreekt en als gij het niet doet, zult gij mij niet meer tot familie

hebben noch tot vriend. Hij is daar ginds verliefd geworden op een

donna en zij is zóó gemeen, dat zij zich dikwijls genoeg met hem

opsluit. Niet lang geleden hadden zij een afspraak. Daarom wil ik, dat

gij er heengaat en hem betrappen zult en kastijden. Toen de donna dit

hoorde, scheen haar dit geen grapje, maar zij zeide: Wee mij, beruchte

dief, doe jij mij dat? Bij het kruis van God, dat zal zoo niet

gebeuren.

Na haar mantel te hebben aangedaan en met een vrouw in gezelschap, ging

zij er snel met Nello heen. Toen Bruno haar van verre zag aankomen,

zeide hij tot Filippo: Kijk, onze vriend. Filippo ging naar de plaats,

waar Calandrino en de anderen werkten en sprak: Maestri, ik moet nu

naar Florence gaan, werk hard door. En toen hij uit de kamer was

gegaan, verborg hij zich om te zien, wat Calandrino zou doen.

Calandrino, daar hij geloofde, dat Filippo zich verwijderd had, daalde

dadelijk op de binnenplaats af, waar hij Niccolosa alleen vond en na

haar te zijn genaderd, bewees hij haar wat meer vriendschap dan

gewoonlijk. Daarop raakte Calandrino haar aan met het formulier en

richtte zich zonder meer naar de schuur, waarheen Niccolosa hem volgde.

Toen de deur was gesloten, omarmde zij Calandrino en wierp hem op het

stroo, dat daar op den grond lag, sprong hem als te paard op den rug en

legde hem de handen op de schouders zonder hem haar gelaat te doen

naderen, keek hem aan als met groot verlangen en sprak: O mijn zoete

Calandrino, hart van mijn lijf, mijn ziel, mijn schat, mijn rust,

hoelang heb ik u begeerd! Gij hebt mij met uw bekoring smoorlijk

verliefd gemaakt; gij hebt mij met uw ribeba het hart gestreeld Zou het

mogelijk kunnen zijn, dat ik u krijg? Calandrino, die zich nauwelijks

kon bewegen, zeide: Och, mijn lieve ziel, laat mij u kussen. Niccolosa

sprak: O, gij hebt groote haast, laat mij mijn oogen verzadigen aan uw

zoet gelaat.

Bruno en Buffalmacco waren naar Filippo gegaan en alle drie zagen en

hoorden dit. En reeds wilde Calandrino Niccolosa kussen, toen daar

Nello met monna Tessa aan kwam zetten, die zeide; Ik doe een belofte

aan God, als ze niet samen zijn. Bij de deur van de schuur gekomen

stiet de donna, die woedend was, er met de handen tegen en

binnengetreden zag zij Niccolosa te paard op Calandrino zitten. Deze,

zoodra zij de donna zag, stond op, vluchtte weg en ging daarheen, waar

Filippo was. Monna Tessa vloog met de nagels aan het gelaat naar

Calandrino, die nog niet opgestaan was, krabde hem overal en na hem bij

de haren te hebben gerukt en hem heen en weer te hebben getrokken,

zeide zij: Jou leelijke, gemeene hond. Waarom doe jij me dat? Oude gek,

vervloekt zij het goed, dat ik je heb willen doen. Schijnt het je soms,

dat je thuis niet genoeg hebt te doen, dat je op anderen verliefd

wordt? Een mooie minnaar ben je me! Ken jij je zelf dan niet, stakker?

Ken je je dan niet, dwaas, die je bent? Want als je je geheel zoudt

uitpersen, zou er nog geen vocht genoeg uitkomen om er een saus van te

maken. Bij het geloof in God, het was Tessa niet, die jou zwanger

maakte; dat God haar straffe, wie het ook zij, want zij moet wel niet

veel bijzonders wezen, die verliefd is op zulk een fijn juweel, als jij

bent. Calandrino, die zijn vrouw zag komen, stond verstomd, en had den

moed niet zich eenigzins tegen haar te verdedigen, maar geheel bekrabd,

geplukt en geslagen, raapte hij zijn hoed op, stond op en begon zijn

vrouw nederig te smeeken, dat zij niet zou schreeuwen, als zij niet

wilde, dat hij heelemaal aan stukken zou worden gescheurd, omdat die

vrouw, die bij hem was, van den heer van het kasteel hoorde. De donna

sprak: Best. Dat God hem een treurig jaar geve. Bruno en Buffalmacco,

die met Filippo en Niccolosa over die ontmoeting zich slap hadden

gelachen, deden of ze op het spektakel afgingen en na met veel praatjes

de donna tot rust te hebben gebracht, gaven zij aan Calandrino den raad

naar Florence te gaan en niet meer terug te keeren, opdat Filippo,

indien hij er iets van zou merken, hem geen kwaad zou doen. Zoo keerde

Calandrino treurig en heelemaal geplukt en gekrabd naar Florence terug

en had geen moed meer daarheen terug te komen, dag en nacht gekweld en

gehinderd door de verwijten van zijn vrouw en maakte een einde aan zijn

brandende liefde, nadat hij zijn metgezellen, Niccolosa en Filippo,

veel had laten lachen.

De Decamerone van Boccaccio · 第 96 / 116 题