Cecco van messer Fortarrigo verspeelt te Buonconvento al zijn goed
en het geld van Cecco van messer Angiulieri, zijn meester. Hij
loopt den ander in zijn hemd achterna en zeggend, dat die hem
beroofd heeft, laat hij hem vangen door de boeren, doet diens
kleeren aan en op zijn paard gesprongen, gaat hij er vandoor en
laat den ander in zijn hemd achter.
De woorden van Calandrino tot zijn vrouw werden door het gezelschap met
groot gelach aangehoord. Toen Filostrato zweeg, begon Neifile, naar het
de koningin behaagde: Waardige donna’s. Indien het niet moeilijker was
voor de menschen anderen hun verstand en hun deugd te toonen, dan hun
dwaasheid of hun ondeugd, zouden velen zich te vergeefs inspannen hunne
woorden te beteugelen. En dit heeft de domheid van Calandrino voldoende
bewezen, die volstrekt niet noodig had te genezen van de kwaal, waaraan
zijn simpelheid hem deed gelooven en in het publiek de geheime
genoegens van zijn vrouw mede te deelen. Dit heeft mij een geheel
tegengestelde zaak in het geheugen gebracht namelijk, hoe de
boosaardigheid van den een met schade en schande het verstand van den
ander overtrof.
Niet vele jaren geleden leefden er in Siena twee mannen van al rijpen
leeftijd, beide Cecco genaamd, maar de een van messer Angiulieri en de
ander van messer Fortarrigo. Zij kwamen in karakter overeen en vooral
in één ding, namelijk, dat zij beiden hun vaders haatten, daardoor
werden ze vrienden en zochten elkaar vaak op. Angiulieri was knap en
welgemanierd en hij vond, dat hij slecht kon blijven in Siena van het
pensioen hem door zijn vader verstrekt. Hij vernam, dat er een
kardinaal als pauselijk gezant was gekomen in het markgraafschap Ancona
bij wien hij zeer in den gunst stond, en besloot tot hem te gaan, daar
hij geloofde zoo zijn toestand te verbeteren, Nadat hij zijn vader dit
had doen weten, kwam hij met hem overeen te ontvangen, wat die hem
anders gedurende zes maanden gaf, opdat hij zich kon kleeden, paarden
kon aanschaffen en op weg gaan. Dat hij iemand zocht om hem van dienst
te zijn, werd bekend aan Fortarrigo; deze bad, dat hij hem zou
medenemen als bediende, onderhoorige of wat hij wilde zonder eenig loon
maar alleen onderhoud. Angiulieri antwoordde hem, dat hij hem niet mede
wilde nemen, omdat hij speelde en zich bedronk. Fortarrigo antwoordde
daarop, dat hij zich daarvoor zou wachten en bevestigde dit alles met
vele eeden en voegde er zooveel smeekbeden aan toe, dat Angiulieri
overwonnen zeide, dat hij er vrede mee had.
Op een morgen gingen zij op weg en gebruikten te Buonconvento het
middagmaal. Nadat Angiulieri gegeten had, had hij, daar het zeer warm
was, een bed in de herberg laten opmaken en na zich te hebben ontkleed
geholpen door Fortarrigo, ging hij slapen na hem gezegd te hebben hem
om negen uur te wekken. Terwijl Angiulieri sliep, ging Fortarrigo in de
taveerne; na wat gedronken te hebben, begon hij met eenige lieden te
spelen. In korten tijd verloor hij zijn geld en al de kleeren, die hij
aan had. Begeerig te herwinnen en in zijn hemd ging hij, waar
Angiulieri stevig sliep en haalde zooveel geld, als hij bij zich had,
uit zijn beurs en naar het spel teruggekeerd, verloor hij dit als het
andere. Toen Angiulieri ontwaakte, vroeg hij naar Fortarrigo, die niet
was te vinden. Angiulieri meende, dat hij in een of andere hoek dronken
sliep, gelijk hij vroeger placht te doen. Daarom dacht hij er over hem
te laten schieten, het zadel te laten opleggen en een valies op zijn
rijpaard en nam zich voor te Corsignano een anderen bediende te nemen.
Hij wilde den waard betalen, maar vond zijn geld niet. Hierover
ontstond groot rumoer in het huis van den waard en hij dreigde ze allen
gevankelijk naar Siena te laten brengen. Daar komt Fortarrigo in zijn
hemd aanzetten om de kleeren te stelen, gelijk hij het geld had
ontvreemd. Toen hij Angiulieri zag te paard stijgen, zeide hij: Wat is
dat, Angiulieri? Willen wij al heengaan! Kom, wacht nog even. Er moet
hier iemand komen, die mij op mijn wambuis achtendertig stuivers heeft
geleend. Ik ben er zeker van, dat hij het voor vijf en dertig
teruggeeft, als ik dadelijk betaal. Onderwijl kwam er iemand bij, die
Angiulieri verzekerde, dat Fortarrigo hem zijn geld had ontstolen en
toonde hem de som, die hij bij hem verloor. Hierdoor zeer verstoord
beleedigde Angiulieri Fortarrigo zeer en als hij niet voor meer dan
voor God alleen bang was geweest, zou hij hem leelijk hebben te pakken
genomen en dreigde hem te laten ophangen of hem uit Siena te doen
verbannen en steeg te paard.
Fortarrigo deed of Angiulieri dit niet hem maar tot een ander had
gezegd en sprak: Angiulieri, laten wij die woorden voor een beter
oogenblik bewaren, die niets waard zijn. Laat ons daaraan denken. Wij
zullen het voor vijf en dertig stuivers terug hebben door het contant
te betalen, terwijl, als wij tot morgen wachten, het niet minder dan
acht en dertig zal komen, gelijk hij mij vroeg en doe mij toch
genoegen, daar ik ze op zijn aanraden heb ingezet. Zeg, waarom zouden
wij die stuivers niet uitwinnen? Toen Angiulieri hem zoo hoorde
spreken, werd hij wanhopig en het meest, omdat hij zich beloerd zag
door de lieden om hem heen, die niet schenen te gelooven, dat
Fortarrigo het geld van Angiulieri had verspeeld, maar dat Angiulieri
daar nog schuld aan had en hij sprak tot hem: Wat heb ik met uw wambuis
te maken. Laten ze jou maar ophangen, die niet alleen het mijne geroofd
en verspeeld hebt, maar bovendien mijn reis hebt belemmerd en nog den
gek met mij scheert. Fortarrigo hield echter vol, alsof hij dit niet
tot hem zeide en sprak: Zeg, waarom wilt gij mij die drie stuivers niet
laten winnen? Gelooft gij, dat ik u niet nog kan dienen met geld? Kom,
doe het, als gij nog wat om mij geeft. Waarom hebt gij zoo’n haast? Wij
zullen van avond nog wel te Torrenieri aankomen. Doe het, trek de beurs
open, weet, dat ik in heel Siena zou kunnen zoeken en er geen zou
vinden, dat mij zoo goed stond als dit. En te moeten zeggen, dat ik hem
dit voor acht en dertig stuivers moet laten! Het is wel veertig waard
of nog meer, zoodat ge mij zoo op twee manieren schaadt. Angiulieri
zeer wrevelig, dat hij door hem bestolen werd en hem zoo hoorde
spreken, sloeg zonder hem te antwoorden, den weg in naar Torrenieri.
Daarop begon Fortarrigo, die op een listige gedachte kwam, in zijn hemd
hem na te loopen en na hem wel twee mijlen gevolgd te hebben en steeds
om het wambuis vragend, ging Angiulieri er hard van door om zich het
gezanik uit de ooren te houden. Toen werden er door Fortarrigo boeren
in een veld nabij den straatweg gezien voor Angiulieri uit. Hij begon
hard te schreeuwen: Houdt hem! Houdt hem! waarop de een met zijn
houweel en de ander met zijn spade voor Angiulieri verschenen, in de
meening, dat degeen, die in zijn hemd liep te schreeuwen, beroofd was
en pakten hem beet. Het hielp weinig of hij hun zeide, hoe de zaak
stond. Toen Fortarrigo daar aankwam, zeide hij met een kwaad gezicht:
Ik weet niet, waarom ik je niet vermoord, gemeene dief. En tot de
dorpelingen gewend, sprak hij: Ziet gij, heeren, hoe hij mij in de
herberg heeft achtergelaten na eerst alles van mij te hebben verspeeld.
Ik kan wel zeggen, dat ik door God en door u zooveel zal terugwinnen,
dat ik u er altijd dankbaar voor zal zijn. Angiulieri vertelde het
anders, maar er werd niet naar geluisterd. Fortarrigo wierp met behulp
der dorpelingen het paard op den grond en na hem te hebben beroofd,
deed hij zijn kleeren aan en te paard gestegen, liet hij Angiulieri in
zijn hemd en blootsvoets achter, ging naar Siena en vertelde overal,
dat hij het paard en de kleeren van Angiulieri had gewonnen.
Angiulieri, die rijk naar den kardinaal in het markgraafschap hoopte te
gaan, kwam arm en in zijn hemd te Buonconvento terug en durfde uit
schaamte zich niet dadelijk naar Siena begeven, maar toen hem kleeren
geleend waren, ging hij op den knol, dien Fortarrigo bereed, naar zijn
verwanten te Corsignano, waar hij bleef tot zijn vader hem opnieuw
hielp. Zoo bedierf de boosheid van Fortarrigo het goede voornemen van
Angiulieri, terwijl hij toch ter plaatse en op tijd hem niet ongestraft
liet loopen.