VIERDE VERTELLING.

Cecco van messer Fortarrigo verspeelt te Buonconvento al zijn goed

en het geld van Cecco van messer Angiulieri, zijn meester. Hij

loopt den ander in zijn hemd achterna en zeggend, dat die hem

beroofd heeft, laat hij hem vangen door de boeren, doet diens

kleeren aan en op zijn paard gesprongen, gaat hij er vandoor en

laat den ander in zijn hemd achter.

De woorden van Calandrino tot zijn vrouw werden door het gezelschap met

groot gelach aangehoord. Toen Filostrato zweeg, begon Neifile, naar het

de koningin behaagde: Waardige donna’s. Indien het niet moeilijker was

voor de menschen anderen hun verstand en hun deugd te toonen, dan hun

dwaasheid of hun ondeugd, zouden velen zich te vergeefs inspannen hunne

woorden te beteugelen. En dit heeft de domheid van Calandrino voldoende

bewezen, die volstrekt niet noodig had te genezen van de kwaal, waaraan

zijn simpelheid hem deed gelooven en in het publiek de geheime

genoegens van zijn vrouw mede te deelen. Dit heeft mij een geheel

tegengestelde zaak in het geheugen gebracht namelijk, hoe de

boosaardigheid van den een met schade en schande het verstand van den

ander overtrof.

Niet vele jaren geleden leefden er in Siena twee mannen van al rijpen

leeftijd, beide Cecco genaamd, maar de een van messer Angiulieri en de

ander van messer Fortarrigo. Zij kwamen in karakter overeen en vooral

in één ding, namelijk, dat zij beiden hun vaders haatten, daardoor

werden ze vrienden en zochten elkaar vaak op. Angiulieri was knap en

welgemanierd en hij vond, dat hij slecht kon blijven in Siena van het

pensioen hem door zijn vader verstrekt. Hij vernam, dat er een

kardinaal als pauselijk gezant was gekomen in het markgraafschap Ancona

bij wien hij zeer in den gunst stond, en besloot tot hem te gaan, daar

hij geloofde zoo zijn toestand te verbeteren, Nadat hij zijn vader dit

had doen weten, kwam hij met hem overeen te ontvangen, wat die hem

anders gedurende zes maanden gaf, opdat hij zich kon kleeden, paarden

kon aanschaffen en op weg gaan. Dat hij iemand zocht om hem van dienst

te zijn, werd bekend aan Fortarrigo; deze bad, dat hij hem zou

medenemen als bediende, onderhoorige of wat hij wilde zonder eenig loon

maar alleen onderhoud. Angiulieri antwoordde hem, dat hij hem niet mede

wilde nemen, omdat hij speelde en zich bedronk. Fortarrigo antwoordde

daarop, dat hij zich daarvoor zou wachten en bevestigde dit alles met

vele eeden en voegde er zooveel smeekbeden aan toe, dat Angiulieri

overwonnen zeide, dat hij er vrede mee had.

Op een morgen gingen zij op weg en gebruikten te Buonconvento het

middagmaal. Nadat Angiulieri gegeten had, had hij, daar het zeer warm

was, een bed in de herberg laten opmaken en na zich te hebben ontkleed

geholpen door Fortarrigo, ging hij slapen na hem gezegd te hebben hem

om negen uur te wekken. Terwijl Angiulieri sliep, ging Fortarrigo in de

taveerne; na wat gedronken te hebben, begon hij met eenige lieden te

spelen. In korten tijd verloor hij zijn geld en al de kleeren, die hij

aan had. Begeerig te herwinnen en in zijn hemd ging hij, waar

Angiulieri stevig sliep en haalde zooveel geld, als hij bij zich had,

uit zijn beurs en naar het spel teruggekeerd, verloor hij dit als het

andere. Toen Angiulieri ontwaakte, vroeg hij naar Fortarrigo, die niet

was te vinden. Angiulieri meende, dat hij in een of andere hoek dronken

sliep, gelijk hij vroeger placht te doen. Daarom dacht hij er over hem

te laten schieten, het zadel te laten opleggen en een valies op zijn

rijpaard en nam zich voor te Corsignano een anderen bediende te nemen.

Hij wilde den waard betalen, maar vond zijn geld niet. Hierover

ontstond groot rumoer in het huis van den waard en hij dreigde ze allen

gevankelijk naar Siena te laten brengen. Daar komt Fortarrigo in zijn

hemd aanzetten om de kleeren te stelen, gelijk hij het geld had

ontvreemd. Toen hij Angiulieri zag te paard stijgen, zeide hij: Wat is

dat, Angiulieri? Willen wij al heengaan! Kom, wacht nog even. Er moet

hier iemand komen, die mij op mijn wambuis achtendertig stuivers heeft

geleend. Ik ben er zeker van, dat hij het voor vijf en dertig

teruggeeft, als ik dadelijk betaal. Onderwijl kwam er iemand bij, die

Angiulieri verzekerde, dat Fortarrigo hem zijn geld had ontstolen en

toonde hem de som, die hij bij hem verloor. Hierdoor zeer verstoord

beleedigde Angiulieri Fortarrigo zeer en als hij niet voor meer dan

voor God alleen bang was geweest, zou hij hem leelijk hebben te pakken

genomen en dreigde hem te laten ophangen of hem uit Siena te doen

verbannen en steeg te paard.

Fortarrigo deed of Angiulieri dit niet hem maar tot een ander had

gezegd en sprak: Angiulieri, laten wij die woorden voor een beter

oogenblik bewaren, die niets waard zijn. Laat ons daaraan denken. Wij

zullen het voor vijf en dertig stuivers terug hebben door het contant

te betalen, terwijl, als wij tot morgen wachten, het niet minder dan

acht en dertig zal komen, gelijk hij mij vroeg en doe mij toch

genoegen, daar ik ze op zijn aanraden heb ingezet. Zeg, waarom zouden

wij die stuivers niet uitwinnen? Toen Angiulieri hem zoo hoorde

spreken, werd hij wanhopig en het meest, omdat hij zich beloerd zag

door de lieden om hem heen, die niet schenen te gelooven, dat

Fortarrigo het geld van Angiulieri had verspeeld, maar dat Angiulieri

daar nog schuld aan had en hij sprak tot hem: Wat heb ik met uw wambuis

te maken. Laten ze jou maar ophangen, die niet alleen het mijne geroofd

en verspeeld hebt, maar bovendien mijn reis hebt belemmerd en nog den

gek met mij scheert. Fortarrigo hield echter vol, alsof hij dit niet

tot hem zeide en sprak: Zeg, waarom wilt gij mij die drie stuivers niet

laten winnen? Gelooft gij, dat ik u niet nog kan dienen met geld? Kom,

doe het, als gij nog wat om mij geeft. Waarom hebt gij zoo’n haast? Wij

zullen van avond nog wel te Torrenieri aankomen. Doe het, trek de beurs

open, weet, dat ik in heel Siena zou kunnen zoeken en er geen zou

vinden, dat mij zoo goed stond als dit. En te moeten zeggen, dat ik hem

dit voor acht en dertig stuivers moet laten! Het is wel veertig waard

of nog meer, zoodat ge mij zoo op twee manieren schaadt. Angiulieri

zeer wrevelig, dat hij door hem bestolen werd en hem zoo hoorde

spreken, sloeg zonder hem te antwoorden, den weg in naar Torrenieri.

Daarop begon Fortarrigo, die op een listige gedachte kwam, in zijn hemd

hem na te loopen en na hem wel twee mijlen gevolgd te hebben en steeds

om het wambuis vragend, ging Angiulieri er hard van door om zich het

gezanik uit de ooren te houden. Toen werden er door Fortarrigo boeren

in een veld nabij den straatweg gezien voor Angiulieri uit. Hij begon

hard te schreeuwen: Houdt hem! Houdt hem! waarop de een met zijn

houweel en de ander met zijn spade voor Angiulieri verschenen, in de

meening, dat degeen, die in zijn hemd liep te schreeuwen, beroofd was

en pakten hem beet. Het hielp weinig of hij hun zeide, hoe de zaak

stond. Toen Fortarrigo daar aankwam, zeide hij met een kwaad gezicht:

Ik weet niet, waarom ik je niet vermoord, gemeene dief. En tot de

dorpelingen gewend, sprak hij: Ziet gij, heeren, hoe hij mij in de

herberg heeft achtergelaten na eerst alles van mij te hebben verspeeld.

Ik kan wel zeggen, dat ik door God en door u zooveel zal terugwinnen,

dat ik u er altijd dankbaar voor zal zijn. Angiulieri vertelde het

anders, maar er werd niet naar geluisterd. Fortarrigo wierp met behulp

der dorpelingen het paard op den grond en na hem te hebben beroofd,

deed hij zijn kleeren aan en te paard gestegen, liet hij Angiulieri in

zijn hemd en blootsvoets achter, ging naar Siena en vertelde overal,

dat hij het paard en de kleeren van Angiulieri had gewonnen.

Angiulieri, die rijk naar den kardinaal in het markgraafschap hoopte te

gaan, kwam arm en in zijn hemd te Buonconvento terug en durfde uit

schaamte zich niet dadelijk naar Siena begeven, maar toen hem kleeren

geleend waren, ging hij op den knol, dien Fortarrigo bereed, naar zijn

verwanten te Corsignano, waar hij bleef tot zijn vader hem opnieuw

hielp. Zoo bedierf de boosheid van Fortarrigo het goede voornemen van

Angiulieri, terwijl hij toch ter plaatse en op tijd hem niet ongestraft

liet loopen.

De Decamerone van Boccaccio · 第 95 / 116 题