DERDE VERTELLING.

Meester Simone doet op aandringen van Bruno, Buffalmacco en Nello

Calandrino gelooven, dat hij zwanger is. Deze geeft Bruno geld voor

kapoenen en wordt beter zonder te bevallen. [183]

Toen Elisa haar vertelling eindigde en allen God hadden gedankt voor de

blijde bevrijding der jonge non uit de beten harer ijverzuchtige

gezellinnen, beval de koningin Filostrato te volgen, die zonder verdere

orders af te wachten, begon: Zeer schoone donna’s. De ruwe,

marchesaansche rechter, van wien ik gisteren sprak, dwingt mij een

novelle van Calandrino te vertellen. En daar, wat van hem gezegd wordt,

de vreugde zal vermeerderen, hoewel er van hem en zijn metgezellen al

voldoende gesproken is, zal ik u vertellen, wat ik gisteren van plan

was.

Het is vroeger al genoeg aangetoond, wie Calandrino was en de anderen,

van welke ik in deze historie moet spreken. Een tante van Calandrino

stierf en liet tweehonderd lire contant na. Calandrino zeide er een

landgoed voor te willen koopen en met alle makelaaars van Florence

onderhandelde hij of hij tienduizend goudguldens had te verteren, maar

de zaak sprong af, toen men hem den prijs voor het landgoed gevraagd

had. Bruno en Buffalmacco, die het wisten, hadden hem meermalen gezegd,

dat hij het best zou doen zich met hen te vermaken inplaats grond te

koopen, alsof hij kogels [184] moest fabriceeren, maar behalve hiertoe

hadden zij hem er evenmin toe kunnen krijgen hen ten eten te vragen.

Toen zij op een dag zich daarover beklaagden en er een metgezel van hen

bijgekomen was, die Nello heette, een schilder, overlegden zij, om zich

op kosten van Calandrino te goed te doen. Zonder uitstel, na geregeld

te hebben, wat zij te doen hadden, beloerden zij den volgenden morgen,

hoe laat de Calandrino uit huis ging. Nauwelijks was hij de deur

uitgegaan, of Nello ging hem tegemoet en zeide: Goeden dag, Calandrino.

Calandrino antwoordde hem, dat God hem een goeden dag en een goed jaar

zou geven. Hierna hield Nello hem een weinig op en zag hem in het

gelaat. Calandrino sprak tot hem: Waar kijkt gij naar? Nello zeide:

Hebt gij vannacht niets gemerkt? Gij schijnt mij dezelfde man niet

meer. Calandrino twijfelde en zeide: Wee mij! Wee mij! Wat zou ik

hebben? Nello sprak: Dat weet ik niet, maar gij schijnt mij geheel

veranderd; het zal misschien niets zijn en hij liet hem gaan.

Calandrino liep argwanend door en voelde niet het minste. Maar toen

trad Buffalmacco hem tegemoet en na hem gegroet te hebben, vroeg hij

hem, of hij niets voelde.

Calandrino antwoordde: Ik weet het niet, maar toch zeide mij Nello

zooeven, dat ik hem geheel veranderd scheen; zou het mogelijk zijn dat

ik iets mankeer? Buffalmacco zeide: Gij zoudt wel iets kunnen

mankeeren; gij schijnt half dood. Het scheen Calandrino, dat hij de

koorts had. Toen kwam Bruno en het eerste wat hij zei was: Calandrino,

wat ziet gij er uit! Het is, of gij dood zijt! Calandrino, die zoo

hoorde spreken, dacht bepaald, dat hij ziek was en ongerust vroeg hij

hem: Wat te doen? Bruno sprak: Ga naar huis en te bed, laat u goed

toedekken en uw water naar onzen vriend, maëstro Simone, brengen. Hij

zal u dadelijk zeggen, wat er gebeuren moet en als er iets te doen is,

willen wij dat op ons nemen. En terwijl Nello zich bij hen voegde,

gingen zij met Calandrino naar zijn huis en toen hij geheel onthutst in

de kamer kwam, zeide hij tot de vrouw: Kom en dek mij goed toe, want ik

voel mij erg ziek. Toen hij te bed ging, zond hij een kleine dienstbode

met zijn water naar dokter Simone, die een winkel hield op de Oude

Markt onder het uithangbord van de Meloen. En Bruno zeide tot zijn

metgezellen: Blijft gij met hem hier; ik wil vernemen, wat de medicus

zal zeggen en als het noodig zal zijn, hem hier brengen. Calandrino

sprak toen: Ga, mijn vriend, en zie hoe het er mee staat, want ik weet

niet, wat ik gevoel. Bruno, die naar meester Simone ging, kwam er voor

de kleine meid, die het water droeg en had hem weldra op de hoogte

gebracht. Toen de kleine meid binnentrad en de dokter de urine gezien

had, zeide hij: Ga heen en zeg aan Calandrino, dat hij zich goed warm

houdt en dat ik dadelijk bij hem kom. Het meisje bracht dit over en het

duurde niet lang of de dokter en Bruno kwamen. Nadat de medicus naast

hem was gaan zitten, voelde hij hem de pols en sprak in het bijzijn van

de vrouw: Kijk Calandrino, om als vriend tot u te spreken hebt gij geen

ander kwaad dan dat gij zwanger zijt. Toen Calandrino dit hoorde, begon

hij smartelijk te schreien en te zeggen: Wee mij! Tessa, wat hebt gij

mij gedaan, dat gij niet anders dan boven woudt liggen? Ik heb het je

wel gezegd. De eerbare donna, die dit hoorde, werd heelemaal rood van

schaamte en met gebogen voorhoofd zonder een woord te spreken ging zij

de kamer uit.

Calandrino riep weeklagend: Wee mij! Ongelukkige, die ik ben! Hoe zal

ik doen? Hoe zal ik van dat kind bevallen? Waar moet het uit komen? Ik

ben verloren door de hartstocht van mijn vrouw; dat God haar zoo

treurig make als ik vroolijk zou willen wezen. O, als ik gezond was,

zou ik zeker opstaan en haar zoo’n pak slaag geven, dat ik haar

heelemaal zou radbraken. Het komt mij toe, want ik had haar niet op mij

moeten laten klimmen. Kom ik er goed af, dan kan zij van verlangen

daarna sterven. Bruno en Buffalmacco en Nello moesten zoo lachen, dat

zij haast stikten, maar zij hielden zich in. Meester Scimmione [185]

echter lachte zoo gul, dat men al zijn tanden had kunnen trekken. Maar

toen Calandrino zich aan den dokter toevertrouwde en hem vroeg raad en

hulp te verschaffen, zeide de dokter tot hem: Calandrino, ik wil niet,

dat gij u kwelt, want—God zij geloofd—hebben wij het feit zoo spoedig

bemerkt, dat ik u met weinig moeite en binnen weinig dagen zal

verlossen, maar het is noodig er wat geld voor uit te geven. Calandrino

sprak: Wee mij, dokter! Om Gods wil! Ik heb hier tweehonderd lire,

waarmee ik een landgoed wou koopen; als die noodig zijn, neem ze, opdat

ik niet hoef te bevallen, want ik weet niet, hoe ik zou moeten doen. Ik

heb de vrouwen zulk een leven hooren maken, als zij moeten bevallen,

hoewel zij er ruimte genoeg voor hebben, dat ik geloof, indien ik

barenswee zou krijgen, eer te sterven dan te bevallen. De arts sprak:

Denk daar niet aan. Ik zal u een goeden, lekkeren, gedistilleerden

drank geven, die in drie morgens alles zal doen verdwijnen en gij zult

gezonder blijven dan een visch. Maar wees voortaan wijs en handel niet

zoo dwaas meer. Wij hebben voor dien drank drie goede en vette kippen

noodig en gij geeft aan elk van uw vrienden vijf lire, voor welke zij

alles koopen en het naar mijn winkel zullen brengen en morgen zal ik u

bij Gods heiligen naam van dien gedistilleerden drank sturen en gij

moet er een goeden, grooten beker per keer van drinken.

Calandrino hoorde dit en sprak: Dokter, ik vertrouw op u; en na vijf

lire te hebben gegeven aan Bruno en geld voor de drie paar kapoenen,

verzocht hij hem zich die moeite te geven tot zijn dienst. De dokter,

na te zijn vertrokken, liet voor hem een weinig chiarea [186] klaar

maken en zond hem die. Nadat Bruno de kippen gekocht had en de verdere

benoodigdheden om te smullen, aten zij die samen op. Calandrino dronk

dien morgen van de chiarea en de medicus met de drie kameraden kwamen

bij hem; na hem den pols te hebben gevoeld, zeide hij: Calandrino gij

zijt zonder twijfel genezen; gij kunt weer naar uw zaken gaan.

Calandrino, die verheugd opstond, ging naar zijn werk en prees overal

de prachtige kuur, die maëstro Simone hem had laten doormaken. Bruno en

Buffalmacco en Nello hadden genoegen met list de gierigheid van

Calandrino te hebben bespot, hoewel mevrouw Tessa, die het gewaar werd,

er met haar man hevig over twistte.

De Decamerone van Boccaccio · 第 94 / 116 题