Meester Simone doet op aandringen van Bruno, Buffalmacco en Nello
Calandrino gelooven, dat hij zwanger is. Deze geeft Bruno geld voor
kapoenen en wordt beter zonder te bevallen. [183]
Toen Elisa haar vertelling eindigde en allen God hadden gedankt voor de
blijde bevrijding der jonge non uit de beten harer ijverzuchtige
gezellinnen, beval de koningin Filostrato te volgen, die zonder verdere
orders af te wachten, begon: Zeer schoone donna’s. De ruwe,
marchesaansche rechter, van wien ik gisteren sprak, dwingt mij een
novelle van Calandrino te vertellen. En daar, wat van hem gezegd wordt,
de vreugde zal vermeerderen, hoewel er van hem en zijn metgezellen al
voldoende gesproken is, zal ik u vertellen, wat ik gisteren van plan
was.
Het is vroeger al genoeg aangetoond, wie Calandrino was en de anderen,
van welke ik in deze historie moet spreken. Een tante van Calandrino
stierf en liet tweehonderd lire contant na. Calandrino zeide er een
landgoed voor te willen koopen en met alle makelaaars van Florence
onderhandelde hij of hij tienduizend goudguldens had te verteren, maar
de zaak sprong af, toen men hem den prijs voor het landgoed gevraagd
had. Bruno en Buffalmacco, die het wisten, hadden hem meermalen gezegd,
dat hij het best zou doen zich met hen te vermaken inplaats grond te
koopen, alsof hij kogels [184] moest fabriceeren, maar behalve hiertoe
hadden zij hem er evenmin toe kunnen krijgen hen ten eten te vragen.
Toen zij op een dag zich daarover beklaagden en er een metgezel van hen
bijgekomen was, die Nello heette, een schilder, overlegden zij, om zich
op kosten van Calandrino te goed te doen. Zonder uitstel, na geregeld
te hebben, wat zij te doen hadden, beloerden zij den volgenden morgen,
hoe laat de Calandrino uit huis ging. Nauwelijks was hij de deur
uitgegaan, of Nello ging hem tegemoet en zeide: Goeden dag, Calandrino.
Calandrino antwoordde hem, dat God hem een goeden dag en een goed jaar
zou geven. Hierna hield Nello hem een weinig op en zag hem in het
gelaat. Calandrino sprak tot hem: Waar kijkt gij naar? Nello zeide:
Hebt gij vannacht niets gemerkt? Gij schijnt mij dezelfde man niet
meer. Calandrino twijfelde en zeide: Wee mij! Wee mij! Wat zou ik
hebben? Nello sprak: Dat weet ik niet, maar gij schijnt mij geheel
veranderd; het zal misschien niets zijn en hij liet hem gaan.
Calandrino liep argwanend door en voelde niet het minste. Maar toen
trad Buffalmacco hem tegemoet en na hem gegroet te hebben, vroeg hij
hem, of hij niets voelde.
Calandrino antwoordde: Ik weet het niet, maar toch zeide mij Nello
zooeven, dat ik hem geheel veranderd scheen; zou het mogelijk zijn dat
ik iets mankeer? Buffalmacco zeide: Gij zoudt wel iets kunnen
mankeeren; gij schijnt half dood. Het scheen Calandrino, dat hij de
koorts had. Toen kwam Bruno en het eerste wat hij zei was: Calandrino,
wat ziet gij er uit! Het is, of gij dood zijt! Calandrino, die zoo
hoorde spreken, dacht bepaald, dat hij ziek was en ongerust vroeg hij
hem: Wat te doen? Bruno sprak: Ga naar huis en te bed, laat u goed
toedekken en uw water naar onzen vriend, maëstro Simone, brengen. Hij
zal u dadelijk zeggen, wat er gebeuren moet en als er iets te doen is,
willen wij dat op ons nemen. En terwijl Nello zich bij hen voegde,
gingen zij met Calandrino naar zijn huis en toen hij geheel onthutst in
de kamer kwam, zeide hij tot de vrouw: Kom en dek mij goed toe, want ik
voel mij erg ziek. Toen hij te bed ging, zond hij een kleine dienstbode
met zijn water naar dokter Simone, die een winkel hield op de Oude
Markt onder het uithangbord van de Meloen. En Bruno zeide tot zijn
metgezellen: Blijft gij met hem hier; ik wil vernemen, wat de medicus
zal zeggen en als het noodig zal zijn, hem hier brengen. Calandrino
sprak toen: Ga, mijn vriend, en zie hoe het er mee staat, want ik weet
niet, wat ik gevoel. Bruno, die naar meester Simone ging, kwam er voor
de kleine meid, die het water droeg en had hem weldra op de hoogte
gebracht. Toen de kleine meid binnentrad en de dokter de urine gezien
had, zeide hij: Ga heen en zeg aan Calandrino, dat hij zich goed warm
houdt en dat ik dadelijk bij hem kom. Het meisje bracht dit over en het
duurde niet lang of de dokter en Bruno kwamen. Nadat de medicus naast
hem was gaan zitten, voelde hij hem de pols en sprak in het bijzijn van
de vrouw: Kijk Calandrino, om als vriend tot u te spreken hebt gij geen
ander kwaad dan dat gij zwanger zijt. Toen Calandrino dit hoorde, begon
hij smartelijk te schreien en te zeggen: Wee mij! Tessa, wat hebt gij
mij gedaan, dat gij niet anders dan boven woudt liggen? Ik heb het je
wel gezegd. De eerbare donna, die dit hoorde, werd heelemaal rood van
schaamte en met gebogen voorhoofd zonder een woord te spreken ging zij
de kamer uit.
Calandrino riep weeklagend: Wee mij! Ongelukkige, die ik ben! Hoe zal
ik doen? Hoe zal ik van dat kind bevallen? Waar moet het uit komen? Ik
ben verloren door de hartstocht van mijn vrouw; dat God haar zoo
treurig make als ik vroolijk zou willen wezen. O, als ik gezond was,
zou ik zeker opstaan en haar zoo’n pak slaag geven, dat ik haar
heelemaal zou radbraken. Het komt mij toe, want ik had haar niet op mij
moeten laten klimmen. Kom ik er goed af, dan kan zij van verlangen
daarna sterven. Bruno en Buffalmacco en Nello moesten zoo lachen, dat
zij haast stikten, maar zij hielden zich in. Meester Scimmione [185]
echter lachte zoo gul, dat men al zijn tanden had kunnen trekken. Maar
toen Calandrino zich aan den dokter toevertrouwde en hem vroeg raad en
hulp te verschaffen, zeide de dokter tot hem: Calandrino, ik wil niet,
dat gij u kwelt, want—God zij geloofd—hebben wij het feit zoo spoedig
bemerkt, dat ik u met weinig moeite en binnen weinig dagen zal
verlossen, maar het is noodig er wat geld voor uit te geven. Calandrino
sprak: Wee mij, dokter! Om Gods wil! Ik heb hier tweehonderd lire,
waarmee ik een landgoed wou koopen; als die noodig zijn, neem ze, opdat
ik niet hoef te bevallen, want ik weet niet, hoe ik zou moeten doen. Ik
heb de vrouwen zulk een leven hooren maken, als zij moeten bevallen,
hoewel zij er ruimte genoeg voor hebben, dat ik geloof, indien ik
barenswee zou krijgen, eer te sterven dan te bevallen. De arts sprak:
Denk daar niet aan. Ik zal u een goeden, lekkeren, gedistilleerden
drank geven, die in drie morgens alles zal doen verdwijnen en gij zult
gezonder blijven dan een visch. Maar wees voortaan wijs en handel niet
zoo dwaas meer. Wij hebben voor dien drank drie goede en vette kippen
noodig en gij geeft aan elk van uw vrienden vijf lire, voor welke zij
alles koopen en het naar mijn winkel zullen brengen en morgen zal ik u
bij Gods heiligen naam van dien gedistilleerden drank sturen en gij
moet er een goeden, grooten beker per keer van drinken.
Calandrino hoorde dit en sprak: Dokter, ik vertrouw op u; en na vijf
lire te hebben gegeven aan Bruno en geld voor de drie paar kapoenen,
verzocht hij hem zich die moeite te geven tot zijn dienst. De dokter,
na te zijn vertrokken, liet voor hem een weinig chiarea [186] klaar
maken en zond hem die. Nadat Bruno de kippen gekocht had en de verdere
benoodigdheden om te smullen, aten zij die samen op. Calandrino dronk
dien morgen van de chiarea en de medicus met de drie kameraden kwamen
bij hem; na hem den pols te hebben gevoeld, zeide hij: Calandrino gij
zijt zonder twijfel genezen; gij kunt weer naar uw zaken gaan.
Calandrino, die verheugd opstond, ging naar zijn werk en prees overal
de prachtige kuur, die maëstro Simone hem had laten doormaken. Bruno en
Buffalmacco en Nello hadden genoegen met list de gierigheid van
Calandrino te hebben bespot, hoewel mevrouw Tessa, die het gewaar werd,
er met haar man hevig over twistte.