Een abdis staat in groote haast en in het donker op om een harer
nonnen met haar minnaar te betrappen. Daar zij zelf met een
priester slaapt en gelooft haar sluierkap op het hoofd te hebben
gezet, plaatst zij er de broek op van den priester. Als de betrapte
non dat ziet en het haar doet bemerken, bevrijdt zij zich van straf
en blijft daardoor bij haar minnaar.
Filomena zweeg en allen prezen de handigheid van de donna, terwijl
daarentegen niet de liefde maar de vermetele aanmatiging der minnaars
niet voor liefde maar voor dwaasheid werd gehouden, toen de koningin
vol gratie tot Elisa zeide: Zeer geliefde donna’s. Madonna Francesca
wist zich, gelijk gezegd is, zeer slim van haar last te bevrijden, maar
een jonge non, welke de fortuin hielp, verloste zich zelf uit een
dreigend gevaar door haar scherts. Gelijk gij weet, zijn er genoeg
menschen, die zeer dwaas zijn en zich van anderen de meerderen en de
kastijders maken; zooals gij door mijn novelle begrijpen zult, worden
die door het toeval soms zelf terecht gebrandmerkt en dat gebeurde met
de abdis, onder welks gezag de non stond, waarover ik zal spreken.
In Lombardië was een klooster, zeer beroemd om zijn heiligheid en zijn
vroomheid, waarin, onder meerdere nonnen, een jong meisje was van edel
bloed en begaafd met wonderbare schoonheid, welke Isabetta heette en
die op een dag, toen zij een harer verwanten door de tralies naderde om
te spreken, op een knap jonkman, die daarbij stond, verliefd werd. En
deze, die zag, dat zij zeer schoon was, en uit haar oogen haar
verlangen had begrepen, werd evenzoo op haar verliefd en niet zonder
groote smart van beide verduurden zij dien hartstocht langen tijd
zonder gevolg. Ten slotte: daar elk begeerig was, vond hij een weg om
in het geheim naar zijn non te gaan, waardoor zij zeer gelukkig was en
hij haar verscheidene keeren tot groot genoegen van beiden bezocht.
Eens op een nacht zag een der schoone donna’s hem van Isabetta
vertrekken zonder dat zij het merkte, wat zij aan anderen over
vertelde. Zij wilden haar eerst bij de abdis beschuldigen, welke
madonna Usimbalda heette, een goede en heilige donna volgens de meening
der dames-nonnen en elk, die haar kende; daarop wilden zij, opdat geen
ontkenning kon plaats hebben, hem met het jonge meisje door de abdis
laten betrappen. Zij verdeelden in het geheim de nachtwaken en de
wachten om ze te snappen. Daar Isabetta dat niet merkte, liet zij hem
op een nacht komen, wat ook zij wisten, die daarop loerden. Dezen, toen
het al laat in den nacht was, verdeelden zich in tweeën; een deel begaf
zich op wacht bij de deur der cel van Isabella en een ander liep naar
de kamer der abdis. Zij klopten aan de deur en zeiden tot haar, die al
antwoord gaf: Mevrouw, sta gauw op, want wij hebben ontdekt, dat
Isabella een jonkman in de cel heeft. De abdis was dien nacht samen met
een priester, die zij dikwijls in een koffer liet komen. Toen zij dit
hoorde en vreesde, dat de nonnen misschien door al te veel haast of
door moedwil de deur zouden open stooten, stond zij haastig op en
kleedde zich, zoo goed als het kon, in den donker. Terwijl zij geloofde
zekere gevouwen sluiers aan te vatten, welke zij om het hoofd dragen en
die zij het psalmboek noemen, kwam haar de broek van den priester in
handen en zij had zooveel haast, dat zij zonder het te merken in plaats
van het psalmboek zich die om het hoofd deed en naar buiten ging en na
snel de deur achter zich te hebben toegetrokken sprak zij: Waar is die
van God vermaledijde? En met de anderen, die van zulk een ijverzucht en
nieuwsgierigheid brandden om Isabella op heeterdaad te zien betrappen,
dat zij niet bemerkten wat de abdis om het hoofd droeg, ging deze naar
de deur van de cel en wierp die, geholpen door een andere non tegen den
vloer en toen zij binnen waren getreden, vonden zij op het bed de twee
minnenden in elkaars armen. Door zulk een verrassing onthutst en niet
wetend wat te doen, hielden zij zich stil. Het meisje werd dadelijk
door de andere nonnen beetgepakt en op bevel van de abdis naar de
kapittel-zaal gebracht. De jonkman, die was achtergebleven, had zijn
kleeren weer aangedaan. Hij wachtte af, welk einde die zaak zou hebben
met de bedoeling een kwaad spelletje te spelen, als men aan de jonge
nieuwelinge iets zou doen en haar met zich mede te voeren. De abdis,
die in het kapittel den hoofdzetel innam, begon in tegenwoordigheid van
al de nonnen, die allen de schuldige aankeken, haar den grootsten smaad
toe te voegen, daar zij de heiligheid, de eerbaarheid en den goeden
naam van het klooster met haar schandelijke en laakbare daden had
bevlekt. Bij de beleediging voegde zij de ernstigste bedreigingen. Het
meisje beschaamd en verlegen als schuldige wist niet wat te antwoorden,
maar zwijgend boezemde zij de anderen medelijden in.
Daar de abdis met verwijten voortging, hief het meisje het hoofd op en
zag, wat die op haar hoofd had en de banden, die er links en rechts
afhingen, waarop zij alles begrijpend, rustig sprak: Madonna, als God u
helpt, maak dan uw kap in orde en zeg mij dan, wat gij wilt. De abdis,
die haar niet begreep, zeide: Wat kap, slechte meid? Of hebt gij den
moed om gekheid te maken? Schijnt het je soms, dat gij hier nog
schertsen moogt? Toen sprak het meisje andermaal: Madonna, ik bid u,
dat gij uw kap los knoopt en zeg dan aan mij, wat gij wilt. Daarop
richtten verscheidene nonnen het oog naar de kap van de abdis en daar
zij er de handen aan legde, bemerkte zij, waarom Isabella dat zeide.
Toen de abdis zich aldus betrapt zag, veranderde zij van toon en kwam
tot het besluit, dat het onmogelijk was zich tegen de prikkelingen van
het vleesch te verweren en daarom zeide zij, dat elk heimelijk, gelijk
het tot dien dag gebeurd was, de kans moest waarnemen. Nadat het meisje
was vrijgelaten, ging zij weer met haar priester naar bed en Isabella
met haar minnaar, welken zij vaak ten spijt van hen, die jaloersch op
haar waren, liet komen. De anderen, die zonder minnaar waren, zochten
zoo goed zij konden in het geheim hun heil.