EERSTE VERTELLING.

Madonna Francesca, bemind door een zekeren Rinuccio en een zekeren

Alessandro en die geen van beide lieft heeft, bevrijdt zich handig

van hen door den een als doode in een graftombe te stoppen en dezen

door den ander er uit te laten halen, zoodat geen van beide het

gestelde doel bereiken.

Madonna, het is mij zeer aangenaam, daar het u behaagt, dat ik de

eerste moet zijn, die in dit open en vrije veld, waar Uwe

Doorluchtigheid ons de gelegenheid geeft, mag beginnen met verhalen en

zoo ik het goed zal doen, twijfel ik er niet aan, dat zij, die later

komen het beter zullen volbrengen. In onze vertellingen, o genadige

donna’s, is dikwijls genoeg aangetoond, hoe groot de kracht der liefde

is. Toch geloof ik niet, dat er alles van gezegd is noch, dat men er

alles van weet te zeggen, al zou men er een jaar over spreken. En omdat

de liefde niet alleen de minnenden aan verschillende doodsgevaren bloot

stelt, maar ze zelfs in de verblijven der dooden voert, trekt het mij

aan u een geschiedenis te vertellen, waaruit gij niet alleen de macht

der liefde, maar ook de slimheid van een waardige donna zult leeren

kennen, en wat zij aanwendde om zich er twee van den hals te schuiven,

die haar tegen haar verlangen lief hadden.

In de stad Pistoja leefde vroeger een zeer schoone weduwe, welke twee

van onze Florentijnen, die er in ballingschap woonden, ten zeerste

beminnen, Rinuccio Palermini en Alessandro Chiarmontesi genaamd, zonder

dat zij iets van elkaar wisten. Elk van hen ging zoo voorzichtig

mogelijk te werk om haar liefde te verwerven. En daar deze edelvrouw,

die madonna Francesca de’ Lazzari heette, zeer dikwijls met

boodschappen en smeekbeden van beide werd lastig gevallen en

onverstandig er meermalen naar had geluisterd en er zich wijselijk aan

wilde onttrekken, kwam bij haar een gedachte op om zich van hun

vervolging te bevrijden. Zij wilde hun een dienst vragen, welke zij

dacht, dat geen van beide haar zou doen, hoewel het mogelijk was, opdat

zij, als ze het niet deden, een ware of schijnbare reden had hun

verzoeken niet meer aan te hooren.

In Pistoja was iemand gestorven, die, hoe hoog zijn edele voorvaderen

ook stonden aangeschreven, bekend was als de gemeenste kerel, die daar

en overal had bestaan; hij was zoo mismaakt en van zulk een ongewoon

uiterlijk, dat wie hem niet zou gekend hebben en hem zag, bang geworden

zou zijn. Hij werd begraven in de graftombe bij de kerk der

Minderbroeders. Dat zou een goede hulp voor haar plan zijn. Daarom

zeide zij tot haar dienstmaagd: Gij kent den hinder en den angst, die

ik den ganschen dag ondervind door die twee Florentijners, Rinuccio en

Alessandro. Ik ben niet van zins hen met mijn liefde ter wille te zijn

en om ze kwijt te raken, heb ik mij voorgenomen ze op de proef te

stellen door een feit, waarvan ik zeker ben, dat zij het niet willen

doen; zoo zal deze vervolging tegen mij ophouden. Luister: Gij weet,

dat heden op het kerkhof der Minderbroeders Scannadio, (zoo heette die

gemeene vent,) begraven werd, voor welken niet als doode maar als

levende, de dapperste mannen bang waren. Gij zult eerst in ’t geheim

naar Alessandro gaan en hem aldus toespreken: Madonna Francesca laat u

weten, dat thans de tijd gekomen is, dat gij haar liefde kunt

verkrijgen, die gij zoo hebt verlangd. Om een reden, dien gij later

zult weten, moet een van haar verwanten het lijk van Scannadio bij haar

thuis brengen, die van morgen begraven werd. Die dit moet doen is zeer

bang voor hem als doode en wil niet; daarom verzoekt zij u bij wijze

van grooten dienst van avond naar Scannadio’s tombe te gaan, dat gij

zijn kleeren zult aantrekken en er blijven, of gij deze waart, totdat

men zal komen en zonder dat gij iets zeggen of u verroeren zult, u er

uit zult laten halen en naar haar huis laten brengen. Zij zal u dan

ontvangen en met u blijven en gij zult, naar het u behaagt, kunnen

vertrekken om het overige aan haar over te laten. En indien hij zegt

dit te willen doen, is het goed; mocht hij niet willen, zeg hem dan

namens mij, dat hij niet meer verschijnen moet, waar ik ben en dat hij,

als zijn leven hem lief is, mij geen berichten of boodschappen stuurt.

Daarna zult gij naar Rinuccio Palermini gaan en gij zult hem aldus

toespreken: Madonna Francesca zegt, dat zij bereid is uw elk genoegen

te doen, mits gij haar een grooten dienst doet, en dat is, dat gij

vannacht naar de tombe gaat, waaronder van morgen Scannadio begraven is

en hem zonder dat gij iets zegt er heimelijk uit haalt en bij haar

thuis brengt. Dan zult gij zien, waarom zij dit wil en gij zult met

haar uw genoegen hebben. Wilt gij het niet doen, dan bericht zij u haar

nooit meer boodschappen te zenden.

De meid ging naar beide toe en vertelde aan elk, wat haar was

opgedragen. Zij antwoordden beiden, dat zij voor haar niet in een graf

maar in de hel zouden gaan, wanneer het haar zou behagen. De meid gaf

het antwoord aan de donna, die wilde zien of zij gek genoeg zouden zijn

het te doen. Toen de nacht gevallen was en het uur van den eersten

slaap begonnen, kleedde Alessandro zich in een wambuis, ging het huis

uit om in plaats van Scannadio in het graf te gaan liggen, maar terwijl

hij er heenging, bekroop hem groote angst en hij begon tot zich zelf te

zeggen: Zie, ben ik niet een groote ezel? Waar ga ik heen? Hoe weet ik,

dat de verwanten van die donna, die misschien bemerkt hebben, dat ik

haar bemin, haar dit niet laten doen om mij in dat graf te vermoorden.

Indien dat zou gebeuren, zou ik er alleen de schade van hebben; of kan

het zijn, dat misschien een vijand mij dit heeft op den hals geschoven,

die haar wellicht lief heeft? En daarna zeide hij: Maar laat ons

onderstellen, dat daar niets van waar is en dat haar verwanten mij naar

haar huis brengen, dan geloof ik, dat zij niet de bedoeling hebben het

lichaam van Scannadio weg te nemen om het voor het laatst te omhelzen

of dit haar te laten doen maar het in stukken te hakken, omdat hij hun

op eenigerlei wijze beleedigd heeft. Zij zegt mij, dat ik niet moet

spreken van wat ik gewaar word. Maar als zij mij de oogen uitstaken, de

tanden uittrokken, mij de handen afkapten of een spelletje van dit

soort speelden, waar zou ik dan aan toe zijn? Hoe zal ik stil kunnen

blijven? En indien ik spreek, zouden zij mij herkennen en kwaad doen of

als zij mij geen kwaad doen, zal ik nog niets hebben, want zij zullen

mij niet bij de donna laten. En de donna zal zeggen, dat ik haar gebod

heb overtreden en nooit iets doen, wat mij zal behagen. Bij die woorden

was hij haast naar huis gegaan, maar toch dreef de groote liefde hem

voort met tegenstrijdige beweringen en met zooveel kracht, dat die naar

het graf leidden. Nadat hij Scannadio had uitgekleed, zich zelf

herkleed had en de tombe over zich had gesloten en op diens plaats was

gaan liggen, begon hij na te denken wie deze geweest was en de dingen,

die bij nacht plaats hadden niet alleen in de graven der dooden maar

ook elders en al zijn haren rezen overeind en het scheen hem, dat

opeens Scannadio zich recht op verhief en hem zou worgen. Maar

versterkt door hevige liefde overwon hij die en andere gedachten en

bleef liggen, of hij dood was en wachtte af.

Te middernacht ging Rinuccio het huis uit om te doen, wat hem door zijn

donna was opgedragen en terwijl hij voortliep, kwam hij op

verschillende gedachten over allerlei mogelijkheden: bijvoorbeeld, dat

hij in de handen van de justitie zou vallen en dat hij als toovenaar

zou verbrand worden of kwaad met Scannadio’s verwanten en meer wat hem

weerhield. Maar van voornemen veranderend zeide hij: Zal ik neen zeggen

op het eerste, waarom die edelvrouw mij vraagt, die ik zoo bemin,

wanneer ik haar gunst moet winnen? Al moest ik er voor sterven, zou ik

toch doen, wat ik heb beloofd. Hij kwam bij het graf en opende het

zachtjes. Toen Alessandro bemerkte, dat het geopend werd, hield hij

zich toch stil, hoewel hij zeer bang was. Rinuccio, die er in gegaan

was en geloofde het lichaam van Scannadio aan te vatten, nam Alessandro

bij de voeten en trok hem er uit, nam hem op de schouders en ging naar

het huis van de donna; op niets anders lettend stootte hij dikwijls

tegen een of andere plank langs den weg. De nacht was zoo donker, dat

hij niet kon onderscheiden, waar hij heen ging. Toen Rinuccio aan den

drempel van de deur was der edelvrouw, die aan de vensters met haar

meid wachtte om te zien of hij Alessandro meebracht en zich er al op

voorbereid had ze beide weg te sturen, kwamen de knechten van den

schout, die in die straat zich hadden opgesteld en in stilte op den

loer stonden om een bandiet te overvallen. Zij hoorden het gedruisch,

dat Rinuccio met de voeten maakte, en haalden opeens een licht te

voorschijn om te zien, waar ze heen moesten gaan en riepen met

opgeheven schilden en lansen: Wie is daar? Daar Rinuccio wist, wat dat

was en geen tijd had voor lang overleg, liet hij Allessandro vallen en

vluchtte, zoover zijn beenen hem dragen konden. Alessandro, die snel

was opgestaan, ging in de kleeren van den doode in andere richting aan

den haal. De donna had door het licht, dat de knechten omhoog hielden,

Rinuccio duidelijk gezien met Alessandro op den rug in het gewaad van

Scannadio en verwonderde zich zeer over den grooten moed van beide,

maar met al haar verbazing lachtte zij, toen zij Alessandro ter aarde

zag werpen en vluchten. Hierover zeer vroolijk loofde zij God, dat Hij

haar van dezen had bevrijd. Zij ging naar binnen en was het met haar

meid eens, dat zonder twijfel beide haar zeer moesten liefhebben.

Rinuccio, die zijn ongeluk vervloekte, ging niet naar huis, maar toen

de dienaren van den schout uit die straat waren heengegaan, keerde hij

terug, en begon hem op den tast zoeken om zijn plicht te vervullen,

maar daar hij meende, dat de gerechtsdienaars hem vandaar moesten

hebben opgenomen, ging hij toen treurig naar huis. Alessandro, in

twijfel en zonder te weten, wie hem had gedragen en bedroefd over dit

ongeval ging eveneens naar huis. Den volgenden morgen, toen de tombe

van Scannadio open werd gevonden en men hem er niet in zag, omdat

Alessandro hem in de diepte daarvan had gerold, sprak heel Pistoja

daarover op allerlei manieren en meenden de dwazen, dat hij door

duivels was weggevoerd. Niettemin vroeg elk der beide minnaars, die aan

de donna hadden verteld, wat er gebeurd was en zich zoo

verontschuldigden, dat haar bevel niet geheel nagekomen was, haar gunst

en haar liefde. Maar daar zij deed of zij hun niet geloofde, maakte zij

zich van hen vrij met het antwoord: nooit iets voor hen te willen doen,

omdat zij niet hadden gedaan, wat zij had gevraagd.

De Decamerone van Boccaccio · 第 92 / 116 题