De achtste dag der Decamerone eindigt; de negende vangt aan. Onder
het bewind van Emilia vertelt iedereen, wat hem bevalt.
De dageraad, welks glans den nacht doet vlieden, had reeds den
licht-azuren tint van den achtsten [182] hemel in donkerblauw veranderd
en de bloemkens richtten zich al op in de velden, toen Emilia haar
gezellinnen en de jonge lieden deed roepen. Toen zij met langzame
schreden de koningin waren gevolgd, begaven zij zich naar een boschje
niet ver van het verblijf en toen zij daar in waren geloopen, zagen zij
de dieren zooals geiten, herten en anderen beveiligd tegen jagers door
de heerschende pestziekte hen afwachten, zonder vrees, alsof zij
bevriend met hen waren geworden. En de dieren naderend, of zij ze
wilden vangen, vermaakten zij zich door ze te doen rennen en springen.
Maar toen de zon geheel op was, keerden allen terug. Zij waren met
eikenloof bekransd en hadden de handen vol geurige kruiden of bloemen
en wie ze zou ontmoet hebben, had niets anders kunnen zeggen dan: O
dezen zullen niet door den dood overwonnen worden of het zal in vreugde
zijn. Aldus gaande schrede na schrede, zingend en spelend en schertsend
kwamen zij bij hun verblijf en vonden hun bedienden feestelijk gestemd.
Toen zij wat uitgerust hadden, gingen zij niet aan tafel voor zes
liederen, het een al aardiger dan het andere, waren gezongen.
Vervolgens werd het water voor de handen aangereikt en plaatste de
hofmeester ze aan tafel en allen aten vroolijk, gaven zich daarna over
aan dans en fluitspel en op bevel der koningin ging, wie wilde,
uitrusten. Maar toen het uur gekomen was, vereenigden allen zich op de
gewone plaats om te vertellen, waarop de koningin naar Filomena ziende,
zeide, dat zij een aanvang zou maken met de verhalen, welke glimlachend
aldus begon: