TIENDE VERTELLING.

Een Siciliaansche ontneemt op listige wijze aan een koopman geld,

wat hij naar Palermo meegebracht heeft. Hij doet of hij terugkeert

met nog meer koopwaren dan de eerste maal en na van haar geld te

hebben geleend, laat hij haar water en henneppluis tot pand.

Hoe het verhaal van de koningin de donna’s had doen lachen, behoeft men

niet te vragen. Er was er geen een bij wie niet van het uitgelaten

lachen de tranen wel twaalf keer in de oogen kwamen. Maar toen het uit

was, sprak Dioneo, aan wien nu de beurt was: Genadige donna’s. Het is

duidelijk, dat de goede streken des te aardiger zijn, naarmate zij door

fijner bedrog de bedriegers zelf misleiden. En daarom, hoewel gij allen

zeer schoone dingen hebt verteld, ben ik van plan u er een te verhalen,

dat u des te meer moet bevallen dan degenen, die al verhaald zijn,

omdat dit geleverd werd aan een vrouw, die beter meesteres was in het

misleiden van anderen dan de reeds besproken personen.

Het was gewoonte—en het is het misschien nog—in alle handelssteden met

een haven, dat alle kooplieden, die met koopwaar aankomen, na ze te

laten lossen, ze in een loods laten brengen die in vele plaatsen

tolhuis heet, gehouden door de gemeente of door den heer er van. En

daar geven zij hen, die er voor aangesteld zijn, een schriftelijke

opgaaf van al hun koopwaar en den prijs er van en door dezen wordt aan

den koopman een magazijn geschonken, waarin hij zijn goederen plaatst

en dit afsluit. De tolbeambten schrijven dan in het tolboek op rekening

van den koopman al zijn artikelen en laten hem invoerrecht betalen

alnaar het gedeelte, dat hij er uithaalt. Uit dit tolboek vragen de

makelaars dikwijls inlichtingen naar de hoedanigheid en de hoeveelheid

der aanwezige waren en ook wie de kooplieden zijn, waarmede zij

onderhandelen.

Dit gebruik bestond ook in Palermo, waar vele schoone vrouwen zijn maar

vijandinnen van eerlijkheid; dezen worden gehouden voor voorname en

eerbare dames. Maar daar zij er op uit zijn de mannen niet te plukken

maar te villen, als ze een koopman zien, vragen zij ook uit het

tolboek, wat hij heeft en hoeveel hij kan betalen en daarna beproeven

zij met hun bekoorlijke manieren en heele zoete woorden die kooplieden

te bevangen. Zoo hebben zij er al veel verstrikt door hun een groot

deel van hun koopwaren te ontrooven en er zijn er geweest, die er de

koopwaar en het schip en vleesch en been hebben achtergelaten, zoo lief

heeft de barbierster het scheermes weten te hanteeren. Nu, nog niet

lang geleden, kwam daar gezonden door zijn patroons, een onzer jonge

florentijnen Nicolo da Cignano genaamd, hoewel hij Salabaetto heette,

met zooveel linnen overgebleven van de jaarmarkt van Salerno, dat het

wel vijfhonderd goudguldens waard kon zijn. Nadat hij daarvan de

factuur had gegeven aan de tolbeambten, deed hij dit in hun magazijn en

zonder veel haast te maken voor den verkoop ging hij voor zijn

ontspanning de stad rond. En daar hij blank en blond en heel aardig was

en recht van lijf en leden, bespeurde zulk een barbierster, die zich

Madonna Jancofiore [178] noemde, iets van zijn doen en laten. Toen hij

dit gewaar werd en dacht, dat ze een groote dame was, meende hij, dat

hij door zijn knap uiterlijk beviel en nam hij zich voor die

liefdesgeschiedenis in stilte door te zetten en zonder iemand er over

te spreken wandelde hij langs haar huis heen en weer. Zij begon, nadat

zij hem met lonken had ontvlamd, te doen of zij door hem verteerd werd

en zond hem in ’t geheim een harer vrouwen, die uitstekend de kunst der

koppelarij verstond. Deze met de tranen in de oogen zeide hem na veel

praatjes, dat hij met zijn schoonheid en bekoorlijkheid de donna zoo

had veroverd, dat zij dag noch nacht rust had en daarom, als het hem

zou behagen, verlangde zij boven alles hem in een badhuis in ’t geheim

te vinden en na een ring uit haar beurs gehaald te hebben gaf zij hem

dien. Salabaetto, die dit hoorde, was de gelukkigste man van de wereld;

hij nam den ring aan en na die aan de oogen te hebben gebracht en

gekust, deed hij zich dien aan den vinger en antwoordde aan de vrouw,

dat, indien madonna Jancofiore hem lief had, zij een goeden ruil had

gedaan, omdat hij haar meer dan zijn leven beminde en dat hij gereed

was te gaan, waar het haar aangenaam was en ten allen tijde. Toen de

boodschapster aldus met dat antwoord naar haar donna was gegaan, zeide

zij in welk badhuis hij den volgenden dag na den vesper moest wachten.

Deze, zonder er over te spreken, begaf zich er op het hem bevolen uur

heen en bevond, dat een badkamer door de donna besteld was. Het duurde

niet lang, dat er twee slaven [179] kwamen, de een beladen met een mooi

en groot matras van katoen, de ander met een groote mand vol van

allerlei dingen. Die matras werd uitgestrekt in een kamer van het

badhuis op een rustbed, waarop men een paar lichte lakens met zijden

randen legde en daarna een deken van zeer witte Cyprische katoen met

twee wonderbaar bewerkte oorkussens. En nadat hij zich ontkleed had en

in het bad was gegaan, waschten en wreven zij hem uitstekend. Het

duurde niet lang of daarna kwam de donna met twee andere slaven in het

bad. Toen zij alleen was, betuigde zij aan Salabaetto groote vreugde en

na lange zuchten en hem verscheidene malen omhelsd te hebben, sprak

zij: Geen ander dan gij had mij hiertoe kunnen voeren; gij hebt mij het

vuur aan het wapen gezet, hond van een Toscaner. Hierop, gelijk het

haar behaagde, gingen beide naakt in het bad met hen twee slaven.

Zonder hem door een ander te laten aanraken waschte zij hem met muscus-

en kruidnagelzeep en daarna liet zij zich wasschen en wrijven door de

slaven. Toen dit gedaan was, brachten de slaven twee zeer witte en

lichte lakens, waaruit zulk een sterke reuk van rozen kwam, dat het

werkelijk rozen schenen en met het eene omwikkelden zij Salabaetto en

met het andere de donna en na ze op den hals te hebben genomen droegen

zij die beide te bed. En daar, nadat zij een oogenblik waren blijven

uitdampen, werden de lakens door de slaven weggetrokken en bleven zij

naakt liggen. Daarna haalde men uit de mand flacons van prachtig

zilver, de een gevuld met rozenwater, de ander met sinaasappelbloesem,

deze met jasmijnbloesem en gene met oranjebloesem-essence en

besproeiden hen met al die parfumerie en nadat zij schotels hadden

gebracht met meelspijzen en ook kostbare wijnen, versterkten zij zich.

Salabaetto waande zich in het paradijs en had haar duizend keer

aanschouwd, die zeer schoon leek en ieder uur, dat die slaven bleven,

voor hij zich in haar armen kon werpen, scheen hem honderd jaar. Toen

die eindelijk op bevel der donna na een aangestoken toorts in de kamer

[180] te hebben gelaten heengingen, omhelsden zij elkander en tot zeer

groot genoegen van Salabaetto, wien het scheen dat zij door liefde tot

hem werd verscheurd, bleven zij zoo een groot uur samen. Toen scheen

het de donna tijd de slaven te laten komen; zij werden aangekleed na

nogmaals gedronken en gegeten te hebben. Nadat het gezicht en de handen

met die reukwaters gewasschen waren en zij vertrekken wilden, zeide de

donna tot Salabaetto: Wanneer het u aangenaam is, zou het voor mij een

groote gunst wezen, als gij vanavond in mijn huis kwaamt. Salabaetto,

die door haar schoonheid en haar gekunstelde bekoring bevangen was,

geloofde vast naar ziel en lichaam bemind te worden en antwoordde:

Madonna, elk genoegen voor u is mij ten hoogste aangenaam en daarom

zoowel van avond als altijd wil ik doen, wat u zal behagen. De donna

naar huis teruggekeerd liet haar kamer goed versieren met

kostbaarheden. Een prachtig avondmaal werd gereed gemaakt en zoo

verwachtte zij Salabaetto. Deze ging, toen het donker was op weg, en na

blijmoedig te zijn ontvangen, at hij met groote vreugde. Toen zij in de

kamer binnen waren getreden, rook hij een wonderbare geur van aloë-hout

en zag hij een bed zeer rijk met cyprische vogeltjes op de zuilen [181]

en vele schoone gewaden op mantelstokken. Al die dingen te samen deden

hem denken, dat zij een groote donna moest zijn, en hoewel hij het

tegenovergestelde had hooren mompelen, wilde hij het voor niets ter

wereld gelooven en als hij had nagedacht, dat zij op die wijze iemand

kon misleiden, had hij toch nooit kunnen gelooven, dat het hèm kon

overkomen. Hij sliep dien nacht met haar met het grootste genoegen,

steeds meer ontvlamd. Toen de morgen aanbrak, gaf zij hem een schoonen

en aardigen gordel van zilver en een fraaie beurs en sprak: Mijn lieve

Salabaetto, ik beveel mij bij u aan; mijn persoon is tot uw

beschikking, al wat ik bezit en wat tot uw dienst kan zijn. Nadat

Salabaetto haar blijde had omhelsd, ging hij haar huis uit en kwam

daar, waar zich de andere kooplieden gewoonlijk ophielden.

Hij bezocht de donna zeer dikwijls zonder dat het hem iets kostte en

daar hij telkens meer ontbrandde, kwam hij er toe zijn lakens contant

te verkoopen met een goede winst, wat de donna van anderen vernam. Toen

Salabaetto op een avond bij haar gekomen was, begon zij met hem te

stoeien, te omhelzen en te kussen en deed zich zoo verliefd voor, of

zij van liefde zou sterven. Bovendien wilde zij hem twee zeer mooie

zilveren bekers geven, welke Salabaetto niet wilde aannemen. Hij had er

reeds een gehad, die wel dertig goudguldens waard was, en zij wilde van

hem niets aannemen, dat een gros waarde had. Nadat zij hem goed had in

vuur gezet, riep zij een van haar slavinnen, ging de kamer uit en bleef

een poosje weg; daarna kwam zij schreiend binnen, wierp zich met het

gelaat op bed en begon zoo bitter te klagen, als ooit een vrouw het

deed. Salabaetto verwonderde zich, hief haar in zijn armen en begon met

haar te treuren en zeide: Kom, hartedief, wat hebt gij plotseling? Wat

is de reden van die smart? Toen de donna zich genoeg had laten bidden,

sprak zij: Wee mij, mijn goede heer! Ik ben ten einde raad; zooeven

ontving ik een brief uit Messina, waarin mijn broeder mij schrijft, dat

ik, al moest ik alles verkoopen en verpanden, hem zonder uitstel over

acht dagen, duizend goudguldens stuur en zoo niet, dat hem dan het

hoofd zal afgeslagen worden. Wat moet ik doen om die som op tijd te

hebben? Had ik veertien dagen tijd, dan kon ik wel een middel vinden ze

mij te verschaffen, en ik zou enkele van mijne bezittingen verkoopen,

maar nu zou ik liever dood willen zijn; en zij toonde zich geheel

wanhopend. Salabaetto, wien de liefdevlammen een deel van het noodig

besef hadden ontroofd, geloofde, dat dit echte tranen en ware woorden

waren en zeide: Madonna, ik zou u wel met vijfhonderd goudguldens

kunnen helpen, als gij ze mij in veertien dagen kunt teruggeven.

Gelukkig voor u, dat ik gisteren mijn lakens verkocht, anders had ik u

geen stuiver kunnen leenen. Wee mij, sprak de donna, hebt gij dan nog

geldgebrek gehad? O, waarom hebt gij mij dat niet gezegd? Al had ik

geen duizend florijnen, dan kon ik er u nog wel honderd en zelfs twee

honderd schenken. Gij hebt mij den moed ontnomen om den dienst aan te

nemen, dien gij mij aanbiedt. Salabaetto door die woorden nog meer

bevangen, zeide: Madonna, daarom wil ik niet, dat gij mij laat varen,

want als ik ze noodig had gehad, zou ik ze gevraagd hebben. O mijn

Salabaetto, sprak de donna, wel weet ik, dat Uwe liefde waar en

volkomen is, nu gij zonder af te wachten, dat ik u iets vraag,

edelmoedig aan mij denkt. Zeker, ik had niet noodig om geheel de uwe te

zijn, maar ik zal het nog meer wezen en nooit vergeten, dat ik u het

hoofd van mijn broeder schuldig ben. Maar God weet, dat ik ongaarne dit

geld aanneem, daar gij een koopman zijt en de kooplieden moeten met hun

geld zaken doen maar de nood dwingt mij en ik vertrouw er op het u

spoedig te kunnen teruggeven, daarom zal ik het geld aannemen en als ik

geen sneller middel weet mijn goed verpanden. Schreiend wierp zij zich

bij die woorden aan Salabaetto’s borst. Hij troostte haar en na den

nacht bij haar te hebben doorgebracht om zich haar dienaar te toonen,

bracht hij haar zonder verzoek af te wachten vijfhonderd goudguldens,

welke zij met een lachend hart en weenende oogen aannam en Salabaetto

was met haar belofte tevreden. De donna liet de datums verspringen.

Salabaetto, die vroeger naar de donna ging, wanneer hij wilde, begon nu

in het geval te komen, dat hij van de zeven keer een keer binnen kwam

en de liefkoozingen niet meer ontving. Toen er twee maanden verstreken

waren, waarop hij het geld moest terug krijgen, ontving hij, toen hij

er om vroeg, woorden in betaling. Salabaetto, die de list van de

slechte vrouw gewaar werd, beklaagde zich over zijn dwaasheid, daar hij

voelde, dat hij er niets van kon zeggen, omdat hij er geen geschrift of

getuigenis van had. Hij schaamde zich bij iemand te klagen, omdat men

hem van te voren had gewaarschuwd en was bevreesd voor den spot, die

hij wegens zijn domheid verwachtte. Daar hij van zijn patroons

verscheidene brieven had, waarin men hem opdroeg geld te wisselen en

het te zenden, en hij het niet doen kon, besloot hij, opdat zijn

domheid niet ontdekt zou worden, te vertrekken. Hij ging scheep en kwam

niet te Pisa, gelijk hij moest, maar te Napels.

Er bevond zich te Napels in dien tijd onze vriend Pietro dello

Canigiano, de schatbewaarder van mevrouw de keizerin van

Constantinopel, een man van groot verstand, een vriend van Salabaetto.

Salabaetto beklaagde zich op een goeden dag en verhaalde zijn treurig

avontuur en vroeg hem hulp en raad om zijn brood te kunnen verdienen,

daar hij plan had nooit meer naar Florence terug te keeren. Canigiano,

die het zeer treurig vond, zeide: Gij hebt verkeerd en slecht

gehandeld, uw meester slecht gehoorzaamd en te veel geld in vermaak

verteerd, maar wij moeten alles zien te herstellen. Hij bedacht als

vernuftig man, wat er gedaan moest worden en zeide het tot Salabaetto.

Deze besloot dien raad te volgen en daar hij wat geld had en Canigiano

hem wat leende, kocht hij verscheidene goed dicht gebonden en

samengepakte balen en twintig olievaten, liet ze vullen en opladen en

keerde terug naar Palermo. Hij gaf de factuur aan de tolbeambten en

nadat hij alles op zijn rekening had laten schrijven, deed hij dit in

de loods en zeide, dat hij er niet aan wilde raken voor de andere waar,

die hij verwachtte, was aangekomen. Jancofiore, die hoorde, dat, wat

hij nu had meegebracht, wel tweeduizend goudguldens waard was, en

hetgeen hij wachtte, misschien wel drieduizend goudguldens, vond, dat

ze hem weinig had ontroofd en nam zich voor hem de vijfhonderd terug te

geven om het grootste deel van de vijfduizend te krijgen. Zij liet hem

roepen. Salabaetto, nu slim geworden, ging. Zij deed of ze niets wist

van wat hij had meegebracht, ontving hem met wonder veel vreugde en

zeide: Als gij boos zijt geworden, omdat ik u uw geld niet ter

rechtertijd heb teruggegeven ... Salabaetto begon te lachen en zeide:

Madonna, waarlijk het heeft mij een weinig mishaagd, want ik had mij

het hart uit het lijf getrokken om het u te geven; hoor, hoe kwaad ik

op u geworden ben. De liefde, die ik u toedraag, is zoodanig, dat ik

het grootste deel mijner bezittingen heb verkocht en hier zooveel

koopwaar heb aangebracht, dat die meer dan tweeduizend goudguldens

waard is en ik verwacht er van den Levant, die wel drieduizend waard

zijn. Ik heb plan in deze stad een magazijn op te richten om altijd bij

u te kunnen zijn, want ik meen het met uw liefde beter te maken dan

eenig ander minnaar. Hierop sprak de donna: Kijk, Salabaetto, wat u

behaagt, bevalt mij zeer, daar ik u meer dan mijn leven lief heb; ik

ben verheugd, dat gij met dit doel zijt teruggekeerd en ik hoop een

gelukkigen tijd met u door te brengen. Ook moet ik mij nog

verontschuldigen over de keeren, die gij hier gekomen zijt voor uw

vertrek er niet zoo vroolijk zijt ontvangen als gewoonlijk en ook,

omdat ik u uw geld niet op tijd terug gaf. Gij moet weten, dat ik toen

zeer treurig en in de grootste droefenis was en wie in dien toestand

is, hoe hij ook lief heeft, kan geen prettig gezicht trekken, noch de

aandacht aan hem schenken, zooals hij zou willen. Ook is het voor een

vrouw zeer moeilijk duizend goudguldens te krijgen. Men vertelt ons den

ganschen dag leugens en daardoor moeten wij ook anderen voorliegen. Er

kome geen ander kwaad van, dat ik u uw geld niet terug gaf. Kort na uw

vertrek had ik alles, en zou het u zeker gestuurd hebben, als ik wist,

waar het heen moest, maar ik heb het voor u bewaard. En nadat zij een

beurs had laten komen, stelde zij hem die ter hand en zeide: Tel of er

vijfhonderd zijn. Salabaetto was nog nooit zoo blijde geweest en na

bevonden te hebben, dat er vijfhonderd waren, stak hij ze bij zich en

zeide: Madonna, ik weet, dat gij de waarheid zegt en gij hebt goed

gehandeld. En ik zeg u hierom en om de liefde, die ik u toedraag, dat

gij mij nooit een som zoudt kunnen vragen, die ik u niet zou willen

geven, als gij dien noodig hadt. En na de liefde in woorden te hebben

hernieuwd, begon Salabaetto haar ijverig te bezoeken en haar alle

mogelijke genoegens te doen en de grootste eer en de meest mogelijke

liefde te bewijzen. Maar Salabaetto, die door bedrog haar bedrog wilde

straffen, had haar ten avondmaal gevraagd en ging met haar slapen en

deed zoo treurig of hij zou sterven. Jancofiore omhelsde hem en vroeg

hem, waarom hij zoo droefgeestig was. Na veel bidden zeide hij: Ik ben

verloren, omdat het schip, waarop de koopwaar was, die ik verwachtte,

door zeeroovers van Monaco genomen is en gebrandschat voor tienduizend

goudguldens, waarvan ik er duizend moet betalen. Ik heb er geen stuiver

van, omdat ik de vijfhonderd, die gij mij teruggaaft, dadelijk naar

Napels zond om zeilen te koopen. Als ik nu mijn koopwaar verhandel, kan

ik ze ternauwernood, omdat het thans geen tijd is, voor de helft van

den prijs verkoopen en hier ben ik niet genoeg bekend om iemand te

vinden, die mij helpt en daarom weet ik geen raad. Zend ik niet spoedig

het geld, dan zal de koopwaar naar Monaco worden gebracht en ik zal die

nooit terug krijgen. De donna was hierover heel treurig, want het

scheen haar, dat voor haar alles verloren was en denkend aan een

middel, waardoor zij hem moest binden, opdat hij niet naar Monaco zou

gaan, zeide zij: God weet, hoezeer het mij spijt, maar wat helpt het er

zoo over te weeklagen? Als ik het geld had, zou ik het u dadelijk

leenen. Eergisteren leende mij iemand vijfhonderd goudguldens, maar hij

eischte hooge woekerwinst, niet minder dan tegen dertig procent. Als

gij dat wilt, onder goeden borg, ben ik voor u bereid al mijn gewaden

en mij zelf, voor zoover hij wil, te verpanden om u te kunnen dienen.

Salabaetto begreep de reden van dien dienst en bemerkte, dat zij zelf

het geld zou leenen. Hij bedankte en zeide, dat hij het voor de hooge

rente niet zou laten, daar de nood hem dwong en dat hij hem als borg

zijn waren verzekerde, en dat hij die dan zou laten overschrijven op

diens naam, maar dat hij den sleutel der magazijnen wilde bewaren,

zoowel om zijn koopwaar te kunnen toonen als opdat niets zou kunnen

aangeraakt, bedorven of verruild worden. De donna was het daarmee eens.

Toen de dag gekomen was, ontbood zij een makelaar, waarin zij groot

vertrouwen had en zij gaf hem duizend goudguldens, die de makelaar aan

Salabaetto leende, bij de douane op zijn naam liet inschrijven, wat

Salabaetto daar had liggen en hun contracten in orde maakte. Salabaetto

ging, zoo gauw hij kon, scheep met de duizend vijfhonderd goudguldens,

keerde naar Pietro Canigiano terug te Napels en vandaar zond hij alles,

wat hij schuldig was naar Florence aan zijn patroons, en nadat hij

Pietro en alle anderen alles betaald had, vermaakte hij zich vele dagen

met Canigiano over het bedrog jegens de Siciliaansche. Daar hij nu niet

langer koopman wilde zijn, begaf hij zich naar Ferrara. Jancofiore, die

Salabaetto niet in Palermo vond, kreeg argwaan en toen hij na twee

maanden wachten niet kwam, liet zij door den makelaar de magazijnen

ontgrendelen. En nadat zij eerst de vaten onderzocht, naar zij dacht,

vol olie, bevond zij, dat die vol zeewater waren met slechts een buis

vol olie rondom de spon. Na hierop de balen te hebben open gemaakt vond

zij die, behalve twee met lakens, vol hennep-pluis en dat alles was

niet meer dan tweehonderd florijnen waard. Daar Jancofiore zich misleid

zag, beweende zij lang de vijfhonderd teruggegeven goudguldens en de

meer dan duizend geleende en zei meermalen: Wie te doen heeft met een

Toscaan, moet vroeg opstaan. Aldus achtergebleven met de schade en de

schande, zag zij, dat die net zoo slim was als alle anderen.

Daar Dioneo zijn vertelling geëindigd had en Lauretta zag, dat haar

regeerings-termijn verstreken was en na den raad van Pietro Canigiano

geprezen te hebben en de sluwheid van Salabaetto, hief zij den lauwer

omhoog, plaatste dien Emilia op het hoofd en zeide met vrouwelijke

gratie: Madonna, ik weet niet of wij aan u een lieve koningin zullen

hebben, maar zeker een schoone; laten dus uw daden met uw

bekoorlijkheden overeen komen. Daarna keerde zij zich om en ging

zitten. Emilia bloosde een weinig, niet zoozeer omdat zij zich verheven

zag tot koningin als wel, omdat zij zich openlijk geprezen voelde om

wat de vrouwen het meest begeeren en haar gelaat werd als de jonge

rozen bij zonsopgang. Maar nadat zij de oogen had neergeslagen en haar

blos was verdwenen en zij zich met haar hofmeester van de voortdurende

plichten van het gezelschap had gekweten, begon zij aldus te spreken:

Beminnelijke donna’s. Wij zien duidelijk genoeg, dat, wanneer de ossen

een deel van den dag gezwoegd hebben onder het juk gebonden, zij

daarvan ontheven worden en waar het hun behaagt, laat men ze in de

bosschen grazen. En wij zien ook, dat de tuinen beplant met

verschillende boomen niet minder mooi maar veel schooner zijn dan de

wouden, waarin wij alleen eiken vinden. Daarom, nu wij zooveel dagen

onder beperkende wetten gesproken hebben, meen ik, dat het nuttig en

aangenaam zal zijn, dat wij wat rondzwerven en daardoor krachten

herwinnen om weer onder het juk te treden. En opdat elk morgen zal

vertellen, wat hem het aangenaamst, is wil ik u niet beperken, daar de

afwisseling der dingen, waarover men zal spreken niet minder aangenaam

is. Zoo kan, wie na ons aan de regeering komt, ons als sterkeren aan

onze wetten binden. Daarna gaf zij elk volledige vrijheid tot aan het

uur van het avondmaal. Iedereen prees de koningin als verstandig en na

opgestaan te zijn gaf deze aan het eene, gene aan het andere genoegen

zich over: de dames met kransen te vlechten en zich te verlustigen, de

jongelieden met te spelen en te zingen en zoo brachten zij den tijd tot

het etensuur door. Toen aten zij rondom de fontein met genoegen en na

het maal vermaakten zij zich op de gewone wijze met zingen en dansen.

Ten slotte beval de koningin om het voorbeeld van haar voorgangsters te

volgen, hoewel er al vele liederen vrijwillig door velen waren

opgezegd, dat Pamfilo er een zou zingen. Deze begon vrijmoedig aldus:

Zoo groot, o Amor, is het goede,

Dat ik door u gevoel, en de blijdschap en de vreugde,

Dat ik gelukkig ben in uw vuur te branden.

De overvloedige vreugde, die ik draag in het hart,

Die van dit verheven en dierbaar welbehagen komt,

Waartoe gij mij hebt gebracht,

En dat er niet in besloten kan blijven, ontsnapt daaraan

En op mijn verhelderd gezicht

Toont het mijn gelukkigen toestand;

Want, daar ik verliefd ben,

Is het mij op een zoo hooge en aanzienlijke plaats

Zoet, dat ik in vuur sta.

Ik kan niet zoo goed met mijn zang betuigen,

Noch met de hand schrijven

O Amor, het heil, dat ik gevoel.

En zoo ik het wist, zou ik het moeten verbergen:

Want indien het bespeurd werd,

Zou het in een marteling veranderen.

Maar ik ben zoo voldaan,

Dat alle taal weinig en zwak zou zijn,

Voor ik er iets van zou hebben onthuld.

Wie zou kunnen denken, dat mijn armen

Haar ooit zouden bereiken,

Waar ik haar omhelsd heb,

En dat ooit mijn gelaat haar zou naderen,

Waar ik tot haar kwam,

Door gratie en door geluk?

Men zou nooit geloofd hebben

Aan mijn zaligheid. Daarom ben ik geheel in vuur.

Terwijl ik verberg, wat mij verblijdt en verheugt.

Het lied van Panfilo was ten einde en hoewel allen er hun meening over

hadden gezegd, was er geen, die niet met alle aandacht op de woorden

had gelet en zijn best deed te raden, wat hij bij het zingen verborgen

hield. En wat men zich ook verbeeldde, toch kwam niemand tot de

waarheid. Maar toen de koningin zag, dat het lied van Panfilo geëindigd

was en de jonge dames en heeren wilde uitrusten, beval zij, dat ieder

zou gaan slapen.

De Decamerone van Boccaccio · 第 90 / 116 题