Docter Simon, door Bruno en Buffalmacco bij nacht op een plaats
gebracht om deel uit te maken van een gezelschap, dat naar den
heksen-sabbat gaat, wordt door Buffalmacco in een kuil met vuil
geworpen en achtergelaten.
Toen de donna’s wat hadden geschertst over de gemeenschap van de
vrouwen vastgesteld tusschen de twee Sieneezen, begon de koningin, die
alleen nog vertellen moest, om Dioneo geen onrecht te doen: Verliefde
donna’s. Spinelloccio betaalde heel goed dien streek van Zeppa. Daarom
schijnt het mij, dat men niet scherp moet misprijzen, gelijk Pampinea
kort te voren wilde aantoonen, wie spot met dengeen, die de misleiding
zoekt of die zich deze op den hals haalt. Ik wil u van iemand
vertellen, die er zich aan bloot stelde en meen, dat de daders niet te
laken maar te loven waren. Degeen, wien dit geschiedde, was een dokter,
die geheel bedekt met bont [159] van Bologna naar Florence ging en toch
een ezel was.
Gelijk wij het iederen dag zien, komen onze medeburgers van Bologna
terug als rechter, dokter en notaris met lange en breede scharlaken
gewaden met bonten randen en andere onderscheidingen. Welke gevolgen
dit heeft, zien wij elken dag. Voor kort kwam tot ons zekere maëstro
Simone da Villa terug, rijker aan erfgoederen dan aan wetenschap,
gekleed in scharlaken en met een kap tot over de schouders, dokter in
de medicijnen, gelijk hij zelf zeide, gevestigd in de Via del Cocomero
(Komkommer-Straat). Deze pas teruggekeerde dokter had onder zijn
opmerkelijke gewoonten, die: aan wie zich bij hem bevond, den naam te
vragen van iedereen, die door de straat ging en alsof hij naar de
houding der menschen zijn medicijnen moest samenstellen, lette hij op
allen en onthield ze. Onder hen, die hem bijzonder aantrokken, waren
twee schilders, van welke heden reeds tweemaal gesproken is, Bruno en
Buffalmacco, zijn buren. Het scheen hem, dat zij onbezorgder en
vroolijker leefden dan wie ook, en hij vroeg vele menschen naar hun
beroep.
Daar hij van iedereen hoorde, dat zij arme schilders waren, meende hij,
dat het niet mogelijk was, dat zij van hun armoede zoo vroolijk konden
leven, maar hij vermoedde, dat zij slimme kerels waren, die op
onbekende wijze van anderen profiteerden en daarom wilde hij met beide
of met een van hen zich bevriend maken. Hij kwam in kennis met Bruno.
Bruno, die spoedig zag, dat die dokter een ezel was, begon zich te
vermaken met zijn dwaasheden en de medicus van zijn kant had in hem
wonderbaar genoegen. Nadat hij hem dikwijls tot ontbijten had
uitgenoodigd, geloofde hij familiaar met hem te kunnen spreken en
zeide, dat het hem verwonderde, dat zij zoo vroolijk leefden en hij
verzocht het hem te leeren. Die vraag scheen Bruno één van de vele
dwaasheden van den medicus. Hij lachte en antwoordde in overeenstemming
met zijn domheid: Maëstro, alléén aan u wil ik zeggen, hoe wij dit
doen, omdat gij een vriend zijt en omdat ik weet, dat gij het niet aan
anderen zult zeggen. Mijn metgezel en ik leven zoo vroolijk en zoo goed
als het schijnt en nog beter. Noch van onze kunst, nog van eenige
rente, kunnen wij het water betalen, waarmee wij werken. Ik hoop niet,
dat gij denkt, dat wij het stelen, maar wij gaan op avontuur uit en zoo
krijgen wij alles.
De dokter geloofde het, verwonderde zich zeer en onmiddellijk kreeg hij
het brandendste verlangen te weten, wat dat op avontuur uitgaan was en
met groote volharding drong hij aan het hem te zeggen en verzekerde,
dat hij er nooit over zou spreken. O wee, maëstro, zei Bruno, wat
vraagt ge mij? Dat is een te groot geheim en zou de oorzaak zijn van
mijn ondergang en mijn verbanning uit de wereld. Het zou mij zelf in
den muil van den Lucifer van San Gallo [160] brengen, als anderen het
weten. Maar zoo groot is de vriendschap, die ik voor uw eigenaardige
ezelachtigheid van Legnaja gevoel en het vertrouwen, dat ik in u heb,
dat ik het u niet kan weigeren, en daarom zal ik het u vertellen op
voorwaarde, dat gij mij zweert bij het kruis van Montesone, dat gij het
nooit aan iemand zult zeggen. De maëstro beloofde dit.
Welnu dan, doktertje, sprak Bruno, nog niet lang geleden bevond zich in
onze stad een groot meester in de toovenarij, die Michele Scotto
heette, omdat hij van Schotland kwam en wien door vele edellieden, van
welke er nog maar weinige leven, groote eer werd bewezen. Toen hij van
hier vertrok, liet hij op hun aandrang twee goed onderrichte leerlingen
achter, aan wien hij gelastte tot elken dienst voor die ridders bereid
te zijn. Aldus dienden zij hen welwillend bij zekere
liefdesgeschiedenissen en meer dergelijke zaakjes. Toen de stad en de
zeden hun bevielen, bleven zij en sloten een groote en nauwe
vriendschap met enkele lieden en letten er alleen op, of hun gewoonte
met de hunnen overeen stemden. Om die vrienden te behagen vormden zij
een gezelschap van misschien vijfentwintig personen, die elkaar
minstens tweemaal in de maand op een afgesproken plaats ontmoetten; dan
zeide elk zijn verlangen en zij voldeden hieraan met spoed. Met die
twee zijn Buffalmacco en ik bijzonder bevriend en wij zijn in dit
gezelschap. En als wij samen kwamen, was het een wonder de tapijten te
zien, in de zaal, waar wij aten, de koninklijke tafels, het aantal
edelen en schoone bedienden, zoowel mannen als vrouwen, de spoelvaten,
de lampetkannen, de flesschen, de bekers en ander vaatwerk van goud en
zilver, waaruit wij aten en dronken en behalve dat de vele en
verschillende spijzen. Het is niet mogelijk op te sommen hoedanig en
hoeveel heerlijke tonen en klanken van tallooze instrumenten en zangen
vol melodie er gehoord worden, noch hoeveel was men bij die gastmalen
brandt, noch hoeveel meelspijzen er gegeten worden en hoe kostbaar de
wijnen zijn, die men er drinkt. En gij moet niet gelooven, mijn braaf
pompoenen-hoofd, dat wij daar blijven in dit gewaad; er is er daar
geen, die er minder uitziet dan een keizer.
Maar boven alle genoegens zijn er schoone vrouwen, welke er dadelijk
van alle deelen der wereld samen komen. Gij zoudt daar de heerscheresse
der Barbaniechi zien, de koningin der Basken, de vrouw van den Sultan,
de keizerin van Osbeck, de Ciancianfera van Nornieca, de Semistante van
Berlinzone en de Scalpedra van Narsia. Maar waarom zou ik ze u
opsommen? Alle koninginnen van de wereld zijn er, ik beweer tot zelfs
de Schinchimurra van den priester Johannes [161], die, naar ik weet,
van achteren horens draagt; zie het verder eenmaal zelf. Nadat men goed
gedronken en gegeten heeft en een of twee dansen uitgevoerd, gaat elke
dame met haar minnaar in haar kamer. De kamers schijnen een paradijs en
zijn even welriekend als de bakken met kruiden in uw winkel [162],
wanneer gij den komijn laat stampen. Er zijn bedden, die u schooner
zouden schijnen dan dat van den doge van Venetië. Hoe de weefsters
spinnen om het weefsel sterk te maken, laat ik alleen aan Uw
verbeelding over, maar onder hen, die er het best aan toe zijn naar
mijn meening, behooren Buffalmacco en ik, omdat Buffalmacco er meestal
voor zich de koningin van Frankrijk laat komen en ik voor mij die van
Engeland, welke twee de schoonste vrouwen van de wereld zijn en we
hebben zoo weten te handelen, dat zij aan niets anders denken dan aan
ons. Daarom begrijpt gij wel, dat wij vroolijker dan andere menschen
leven en handelen bij het denkbeeld, dat wij de liefde bezitten van
twee zulke koninginnen; buiten dat: als wij een- of tweeduizend
florijnen van ze wenschen, dan hebben wij die niet. [163] En dat noemen
wij in de volkstaal op strooptocht uitgaan; omdat wij als zeeroovers
elkeen plunderen, maar wij verschillen daarin van hen, dat zij ze nooit
teruggeven maar wij, als we er ons van bediend hebben. Nu hebt gij,
mijn goede maëstro, gehoord, wat wij op strooptocht gaan noemen, maar
gij kunt zien, hoe geheim gij dit moet houden. De dokter, wiens
wetenschap zich waarschijnlijk niet verder uitstrekte dan het genezen
van kinderen van het hoofdzeer, schonk zooveel geloof aan de woorden
van Bruno, als men het voor welke begeerenswaardige zaak ook zou kunnen
wenschen. Hij antwoordde Bruno, dat hij het waarlijk geen wonder vond,
dat zij vroolijk waren, en met groote moeite bedwong hij zich hem te
vragen hem dadelijk op te nemen, opdat hij na hem nog beter te hebben
onthaald, hem die verlangens met meer vertrouwen kon mededeelen. Hij
zette dus den omgang met hem voort, liet hem ’s avonds en ’s morgens
bij zich eten, betuigde hem buitengewone vrienschap en die was zoo
groot, dat de maëstro niet zonder Bruno kon leven. Opdat Bruno niet
ondankbaar zou schijnen, schilderde hij in des dokters salon de Vasten
en een Lam Gods aan den ingang en boven de deur van de straat een
waterpot, opdat zij, die zijn raad noodig hadden, hem van zijn
collega’s konden onderscheiden en in een kleine galerij had hij voor
hem den Veldslag der Ratten en Katten geschilderd, welke den dokter al
te mooi scheen. Hij zeide dikwijls tot den maëstro, als hij niet met
hem avondmaalde: Ik was vannacht op de vergadering en daar ik een
beetje moe was van de koningin van Engeland, liet ik mij Gumedra komen
van den Khan van Tartarije. De dokter vroeg: Wat beteekent Gumedra? Ik
begrijp die namen niet best, dokter, sprak Bruno, ik verwonder mij
niet, want ik heb wel hooren zeggen, dat Porco grasso [164] en
Vannacena er nooit van spreken. De dokter hernam: Gij meent Hippocras
en Avicenna. Bruno ging voort: Bij God, ik weet het niet, ik versta uw
namen even slecht als gij de mijnen, maar Gumedra in die taal van den
grooten Khan beteekent in de onze: keizerin. O zij zou u een schoon
vrouwtje schijnen en zou u de medicijnen en de recepten en elke
pleister doen vergeten. Zoo sprak hij voort om hem te ontvlammen en
toen de dokter hem op een avond goed onthaald had en het licht voor
Bruno vasthield, die aan den veldslag der ratten en katten bezig was,
besloot hij hem zijn gemoed te openen en sprak tot hem: Bruno, gelijk
God weet, heb ik voor u alles over en ik zou als gij mij zegt naar
Peretola [165] te gaan, dat doen. En daarom zult gij u niet
verwonderen, indien ik u vriendschappelijk en in vertrouwen iets
verzoek. Nog niet lang geleden hebt gij mij van de gewoonten van uw
vroolijk gezelschap gesproken, waarnaar ik zoo verlangend ben geworden,
dat ik nooit iets anders meer heb begeerd. En kunt gij mij uitlachen,
indien ik er niet de mooiste dienstmeid laat komen, die gij in langen
tijd gezien hebt, welke ik echter het vorige jaar te Cacavincigli [166]
aanschouwde? Ik heb haar bij Christus’ Lichaam tien groote bologneezen
aangeboden, als zij naar mij luisteren wilde, maar zij heeft niet
gewild. Daarom bid ik u mij te leeren, wat ik doen moet om in dat
gezelschap te komen; waarlijk gij zult in mij een goed en trouw
metgezel hebben, die u eer zal aandoen. Gij hebt gezien, dat ik een
knap man ben en hoe sterk mijn beenen zijn; ik heb een gelaat zoo
frisch als een roos en bovendien ben ik dokter in de medicijnen en gij
hebt er, meen ik, in uw gezelschap geen een zoo, Ik weet tal van
schoone zaken, mooie liederen en hij begon een lied te zingen. Bruno
lachte, dat hij bijna stikte, maar hield zich goed. Toen het lied uit
was, vroeg de maëstro: Hoe vindt gij dit? Bruno sprak: Zeker de
guitaren van turksch koren [167], hoe kunstig ook bespeeld, moeten het
tegen u verliezen. De dokter hernam: Zoudt gij het ooit geloofd hebben,
als gij mij niet hadt gehoord? Neen, nooit, sprak Bruno. De maëstro
ging voort: Ik ken er nog meer, maar laten wij die ter zijde. Mijn
vader was edelman, hoewel hij buiten woonde en ik ben door mijn moeder
afkomstig van Vallecchio en gelijk gij weet, heb ik de schoonste boeken
en de schoonste gewaden onder de medici van Florence. Bij het geloof in
God; ik heb een kleed, dat alles bij elkaar gerekend bijna honderd lire
in bagattini [168] kostte, meer dan tien jaar geleden. Daarom bid ik u
mij spoedig er bij te brengen en bij het geloof in God, als gij mij dit
doet, kunt gij ziek worden, maar nooit zal ik u een halfje rekenen.
Bruno sprak: Maëstro, maak daar wat meer licht en wees niet ongeduldig,
tot ik de staarten van die ratten heb afgemaakt en dan zal ik u
antwoorden. Toen de staarten voltooid waren en Bruno deed of hij hem
zeer hinderde, zeide hij: Waarde dokter, gij kunt groote dingen voor
mij doen, maar hoe gering dit ook is in betrekking tot de grootte van
uw geest, is het voor mij toch zeer groot, en ik weet niemand, voor
wien ik dit zou doen behalve voor u. Ik houd zooveel van u als dit
past, ook door uw woorden, welke vol zijn van zooveel verstand, dat zij
de begijntjes uit hun schoenen zouden halen, zoo goed als zij mij van
mijn voornemen afbrengen en hoe meer ik met u omga, hoe wijzer gij mij
voorkomt. En dit zeg ik u ook nog, dat, als ik u niet zoo welgezind
was, ik dit zou zijn, omdat ik zie, dat gij verlangt naar een zoo
schoone zaak. Maar ik moet u zeggen: dat ik hierin niet zooveel macht
heb, als gij meent en daarom kan ik voor u niet doen, wat noodig is,
maar, als gij mij belooft bij uw groote, kwade trouw het geheim te
houden, zal ik u een middel geven om het gedaan te krijgen en het
schijnt mij zeker, daar gij zulke schoone boeken en andere zaken hebt,
dat het zal gebeuren. De dokter sprak: Spreek zonder vrees; ik zie, dat
gij mij niet goed kent en nog niet goed weet, hoe goed ik kan zwijgen.
Toen messer Guasparruolo van Saliceto rechter was van den schout van
Forlimpopoli, waren er weinig dingen, die hij deed, die hij mij niet
gelastte te vertellen. En wilt gij zien, dat ik de waarheid spreek? Ik
was de eerste man, aan wien hij vertelde, dat hij Bergamina zou
trouwen; ziet gij het nu? Nu, sprak Bruno, als die zich aan u
toevertrouwde, kan ik het ook. Het middel is dit: Wij hebben altijd aan
het hoofd van ons gezelschap een kapitein met twee raadslieden, die om
de zes maanden aftreden en de eerste van de volgende maand zal
Buffalmacco kapitein worden en ik raadsman. Wie kapitein is, kan veel
doen om binnen te leiden, wien hij wenscht. Maak u dus bevriend met
Buffalmacco en ontvang hem goed. Hij is een man, die terstond met uw
wijsheid ingenomen zal zijn en wanneer gij hem met de vele dingen, die
gij bezit een weinig bevriend hebt gemaakt, kunt gij het hem vragen;
hij zal U niet weigeren. Ik heb hem al over u gesproken en hij is u ten
zeerste genegen en wanneer gij zoo hebt gehandeld, laat mij dan met hem
gaan. Toen sprak de dokter: Uwe redeneering bevalt mij zeer en als hij
een man is, die graag met de geleerden omgaat en met mij slechts een
weinig spreekt, zal ik wel zorgen, dat hij mij steeds zal opzoeken,
omdat ik wel zooveel verstand heb, dat ik er een heele stad van zou
kunnen voorzien en zeer wijs zou blijven. Toen dit was afgesproken,
vertelde Bruno alles aan Buffalmacco. Het scheen aan Buffalmacco, dat
het nog wel duizend jaar zou duren, eer men kon doen, wat die maëstro
Scipa [169] wilde.
De dokter, die boven alles verlangde op een strooptocht uit te gaan,
had geen rust, voor hij bevriend werd met Buffalmacco, wat hem licht
gelukte. Hij begon de schoonste avondmalen en ontbijten te geven en ook
aan Bruno en dezen deden zich te goed als die heeren [170], welke de
beste wijnen verzwelgend, de vette kapoenen en meer, zich aan hem
vastklampten en zonder zich te laten bidden. Maar toch, toen het tijd
scheen aan den dokter, richtte hij zijn vraag tot Buffalmacco, gelijk
hij dit tot Bruno had gedaan. Buffalmacco toonde zich daarover zeer
vertoornd en maakte Bruno groote verwijten: Ik zweer bij den verheven
God van Pasignano [171], dat weinig mij weerhoudt, je niet zóó op het
hoofd te slaan, dat de neus je op de hielen valt, verrader, die gij
zijt, want geen ander dan gij heeft die dingen aan den dokter verteld.
Maar de dokter verontschuldigde hem en zeide en zwoer, dat hij het van
anderen kant had geweten en na vele van zijn wijze woorden deed hij hem
toch bedaren. Buffalmacco tot den dokter gewend, zeide: Waarde maëstro,
het schijnt wel, dat gij uit Bologna een gesloten mond hebt
medegebracht en bovendien, dat gij het a. b. c. niet op een appel hebt
geleerd, gelijk vele dwazen het willen doen, maar goed op een meloen
[172], die zóó lang is, en als ik mij niet bedrieg, zijt gij op een
Zondag gedoopt [173]. En daar Bruno gezegd heeft, dat gij daar in de
medicijnen hebt gestudeerd, schijnt het mij, dat dit is geweest om de
menschen in te pakken beter dan ik het ooit van iemand hoorde door uw
verstand en uw gesprekken. De medicus, die hem in de rede viel, zeide
tot Bruno: Wat is het goed om te gaan met geleerden! Wie zou zoo
spoedig elke bijzonderheid van mijn geest hebben begrepen als deze
waardige man? Gij hebt niet zoo spoedig gezien, wat ik waard was, als
hij, maar zeg hem tenminste, wat ik u zeide, toen gij mij vertelde, dat
Buffalmacco gaarne met geleerde mannen omging; schijnt het u, dat ik
het goed gedaan heb? Beter, hernam Bruno. Toen zei de dokter tot
Buffalmacco: Gij zoudt iets anders gezegd hebben, als gij mij te
Bologna hadt gezien, waar groot noch klein was, dokter noch student,
die mij niet mocht lijden, zoo wist ik allen te behagen door mijn
redeneeren en mijn verstand. En ik zal u nog er bij vertellen, dat ik
nooit een woord sprak of ik deed iedereen lachen, zoo beviel ik hun en
toen ik er vandaan ging, klaagden allen om het hardst en allen wilden,
dat ik toch maar gebleven was en het kwam zoo ver, dat zij mij alleen
wilden laten les geven in de medicijnen aan al de studenten, maar ik
wilde niet, daar ik bereid was hierheen te komen om het zeer groote
erfgoed, dat altijd aan mijn familie behoorde.
Toen sprak Bruno tot Buffalmacco: Hoe vindt ge het? Gij hebt het niet
geloofd, toen ik het zeide. Bij de Evangeliën! Er is hier geen dokter,
die zoo’n verstand heeft van ezelspis als deze en zeker zult gij er
geen aan hem gelijk vinden van hier tot aan de poorten van Parijs. Kom,
weiger nu te doen, wat hij wil! De dokter zeide: Bruno zegt de
waarheid, maar ik heb mezelf niet gekend. Gij zijt ook domme lieden als
geen anderen, maar ik wou, dat gij mij onder de doktoren hadt gezien.
Toen hernam Buffalmacco: Waarlijk, dokter, gij weet het veel beter dan
ik het ooit had geloofd, en u toesprekend gelijk men spreekt tot
geleerden als gij, zeg ik u beschaamd, dat ik mijn best zal doen, dat
gij zonder twijfel in ons gezelschap zult komen. De gastmalen
vermeerderden na die belofte; zij deden hem rondrijden op de geit van
de grootste dwaasheden en zij beloofden hem tot vrouw de gravin van
Civillari [174] te geven, die het schoonste ding was, wat men in al de
bestekamers van het menschelijk geslacht kon vinden. De medicus vroeg,
wie die gravin was; hierop zeide Buffalmacco: Mijn zaai-komkommer, zij
is een maar al te groote dame en er zijn weinig huizen in de wereld,
waarin zij geen grondgebied heeft en geen anderen dan de Minderbroeders
bewijzen haar eer met trompetgeschal. Ik zeg u, dat, wanneer zij
rondgaat, zij zich dan goed doet gewaar worden, maar meestal thuis
blijft; toch is zij niet lang geleden langs Uw deur gegaan op een
nacht, dat zij aan den Arno haar voeten ging wasschen en een weinig
lucht ging scheppen. Het meest woont zij in Laterina. Vaak gaan daarom
wachters van haar rond en allen als bewijs van haar macht dragen een
riet en een lood [175]. Men ziet vele van haar baronnen als Tamagnino
aan de poort, dan Meta, Manico di Scopa, Squacchera en anderen, die,
geloof ik, uw vrienden zijn, maar gij herinnert u die niet. In de
bekoorlijke armen van die groote dame willen wij u voeren, als ons plan
niet faalt. De dokter, die te Bologna geboren en getogen [176] was,
begreep hun uitdrukkingen niet en was met de donna tevreden.
Toen de dag was gekomen, waarna men in den volgenden nacht hem zou
ontvangen, had de dokter ze beide aan het ontbijt. Toen ze gegeten
hadden, vroeg hij ze, op welke wijze hij in dat gezelschap kon komen.
Buffalmacco zeide hem: Zie, maëstro, gij moet moed bezitten, want
anders zoudt gij geweigerd kunnen worden en ons zeer groote schade
doen. Waarin gij zeer moedig behoort te zijn, zult gij vernemen. Wij
moeten zorgen van avond in den tijd van den eersten slaap u op een der
opgehoogde graven te vinden, welke voor kort gemaakt zijn rondom Santa
Maria Novella, met een uwer schoonste gewaden aan, opdat gij de eerste
maal voornaam verschijnt en ook omdat—naar wat ons gezegd is ... maar
toen waren wij er niet—gij edelman zijt en de gravin van plan is u
gedoopt ridder te maken op haar kosten [177]. Daar zult gij wachten,
tot hij u komt halen, dien wij zenden. En nadat gij van alles
onderricht zijt, zal er een zwart en gehorend beest tot u komen, niet
zeer groot en dat om u heen zal gaan op het plein met groot geblaas en
groote sprongen om u bang te maken, maar daarna, wanneer het zal zien,
dat gij niet verschrikt, zal het u zachtjes naderen. Wanneer het bij u
zal zijn, zult gij op zijn rug klimmen en zult gij zonder vrees afdalen
van den grafsteen zonder God of de heiligen aan te roepen. Dan zult gij
de handen op de borst leggen zonder het dier aan te raken en het zal u
naar ons toe brengen. Maar, indien gij u God of de heiligen aanbeveelt
of bang zijt, waarschuw ik u, dat het u wel zou kunnen afwerpen op een
plaats, waar het zou stinken en daarom waant gij u te moedig, ga er dan
niet heen, want gij zoudt u zelf nadeel doen zonder voordeel voor ons.
Toen antwoordde de dokter: Gij kent mij nog niet; gij zijt misschien
bevreesd, omdat ik handschoenen en lange gewaden draag. Indien gij
wist, welke nachten ik vroeger in Bologna heb doorgemaakt, wanneer ik
soms met mijn metgezellen naar de vrouwen ging, dan zoudt gij u er over
verwonderen. Eens op een nacht, dat er een niet met ons mee wou
gaan—het was ook een ongelukkige, en erger: niet hooger dan de
elleboog—gaf ik die eerst verscheidene stompen daarna, toen ik haar met
geweld beetpakte, geloofde ik haar een pijlschot ver te dragen en toen
kreeg ik haar toch mee. Op een andere keer herinner ik mij, dat ik
niemand bij mij had dan een mijner knechts en kort na het Ave Maria
ging ik langs het kerkhof der Minderbroeders, waar men denzelfden dag
een vrouw had begraven en toch was ik heelemaal niet bang. Hebt daarom
geen wantrouwen, want ik ben te moedig en vermetel. En om u eer aan te
doen, zal ik mijn scharlaken rok aantrekken, waarmee ik tot dokter werd
gepromoveerd. Ik wil zien of het gezelschap niet blij is, wanneer het
mij aanschouwt en of ik niet spoedig kapitein zal worden. Gij zult eens
kijken, hoe de zaak gaat, wanneer ik er ben, want voor de gravin mij
gezien heeft, is zij al zóó verliefd op mij, dat zij mij tot gedoopt
ridder wil slaan. Misschien zal de ridderschap mij slecht staan en ik
die niet goed weten door te voeren of toch wel! Laat mij maar gaan.
Buffalmacco zei: Gij spreekt maar al te goed, maar pas op, dat gij, den
streek uithaalt niet te komen of dat gij er niet wordt gevonden, als
wij u laten halen. Ik zeg u dit, omdat het koud is en gij heeren
medici, er zeer bang voor zijt. Het behage niet aan God, zei de dokter,
ik behoor niet tot die koukleumen. Wanneer ik ’s nachts dikwijls opsta
voor zekere lichaamsbehoefte, doe ik niets anders over mijn wambuis dan
mijn pels; daarom zal ik flink wezen. Toen zij dus vertrokken waren,
vond de maëstro, zoodra de nacht aanbrak, een uitvlucht tegenover zijn
vrouw en na in het geheim zijn beste gewaad te hebben aangetrokken,
ging hij naar een der genoemde graven en op een steen, die zeer koud
was, wachtte hij het beest af. Buffalmacco, die groot en forsch van
gestalte was, schafte zich een masker aan, waarvan men zich pleegde te
bedienen bij bepaalde spelen, die thans niet meer plaats hebben en deed
zich een zwarte huid binnenste buiten om, zoodat hij op een beer
geleek, als zijn gelaat niet dat van een duivel geweest was en met
horens. Zoo toegetakeld ging hij naar het nieuwe plein van Santa Maria
Novella. Toen hij bemerkte, dat mijnheer de dokter er was, begon hij
hoog te springen en vreeselijk spektakel te maken, te blazen, te huilen
en te knarsetanden of hij dol was geworden. Toen de dokter dit gewaar
werd, gingen al de haren op zijn lichaam overeind staan en hij begon
over het gansche lijf te beven, zoodat hij wel een bange vrouw leek en
hij was toen liever thuis geweest. Maar omdat hij er eenmaal heen was
gegaan, spande hij zich in zich rustig te houden, zoo beheerschte hem
het verlangen die wondere dingen te zien. Maar terwijl Buffalmacco zich
zoo aanstelde, bedaarde hij, en kwam die bij het graf, waarop de
maëstro stond. De dokter, die van angst sidderde, aarzelde om op het
beest te klimmen. Ten slotte bevreesd, dat het hem kwaad zou doen, als
hij er niet op sprong, verjoeg hij met den tweeden angst den eerste,
daalde van den grafsteen af en sprak zachtjes: Dat God mij helpe,
sprong er op en na er zich goed op te hebben gezet en altijd nog
bevend, kruiste hij de handen om recht op te blijven. Toen begon
Buffalmacco zich zachtjes te richten naar Santa Maria della Scala en
droeg hem als op vier pooten tot aan het klooster der nonnen van
Ripoli. Er waren toen in die straat kuilen, waarin de boeren de gravin
Civillari haar cijns lieten storten om hun akkers te bemesten. Toen
Buffalmacco daar dichtbij was, naderde hij een der randen, sloeg de
hand om een der beenen van den dokter en na hem zoo van zijn rug te
hebben gerukt, wierp hij hem met het hoofd voorover er in, begon te
knarsetanden, te springen en te duikelen en langs Santa Maria della
Scala naar de Allerheiligen-weide te gaan, waar hij Bruno vond, die,
omdat hij zich niet kon houden van het lachen, gevlucht was. Toen
begonnen zij van verre te beloeren, wat de gemeste dokter zou doen.
Mijnheer de medicus, die bemerkte, op wat voor afschuwelijke plaats hij
zich bevond, deed zijn best zich op te heffen om er uit te komen, maar
dan hier dan daar er in terugvallend, werd hij van het hoofd tot de
voeten heelemaal kleverig, bedroefd en kwaadaardig en na er voor een
paar drachmen van geslikt te hebben kwam hij er toch uit en liet er
zijn kap bij in den steek. Hij veegde zich met de handen zoo goed hij
kon en daar hij er niets anders op wist, keerde hij terug naar huis en
klopte zoo lang, tot men hem open deed. Pas was hij zoo stinkend binnen
getreden en had de deur gesloten, of Bruno en Buffalmacco waren daar om
te hooren, hoe de maëstro door zijn vrouw ontvangen werd. Ze hoorden,
hoe de donna hem op de grofste manier uitschold als ooit met een armen
duivel geschied was en zeide: Kijk, wat staat het je mooi! Gij zijt
naar een andere vrouw gegaan en wilde er heel voornaam verschijnen in
uw scharlaken kleed. Was ik niet genoeg voor je? Ik kan heel wat mannen
voldoen, vriendlief en niet alleen jou. Hadden ze je maar verdronken,
waar ze je insmeten. Kijk, dat is me een waardige dokter, die een vrouw
heeft en ’s nachts naar anderen gaat! Onder dezen overvloed van woorden
waschte de dokter zich en hield de donna niet op hem te kwellen tot
middernacht.
Den volgenden morgen kwamen Bruno en Buffalmacco, die zich de huid
beschilderd hadden onder de kleeren met plekken, zooals de stokslagen
die achterlaten, in het huis van den dokter en vonden hem op, en toen
zij binnen waren, roken zij dat alles nog stonk. Toen de medicus ze
zag, zeide hij, dat God hun een goeden dag zou geven. Maar Bruno en
Buffalmacco antwoordden met een vertoornd gelaat: Dat zeggen wij niet
aan u, maar wij bidden God, dat Hij u zooveel slechte jaren geeft, dat
gij er van omkomt als de oneerlijkste en grootste verrader, die er
leeft. Want het is uw schuld niet, terwijl wij ons best deden u eer en
genoegen te bewijzen, dat wij niet als honden zijn vermoord. Door uw
oneerlijkheid hebben wij zooveel slagen gehad, dat een ezel er voor
minder naar Rome zou gaan, en bovendien waren wij aan het gevaar
blootgesteld uit het gezelschap weggejaagd te worden. En als gij ons
niet gelooft, zie dan naar ons vel. Na op een donkerder plaats hun
kleeren te hebben losgemaakt toonden zij hem hun borsten, geheel
beschilderd en bedekten die weer snel. De medicus wilde zich
verontschuldigen door te vertellen, hoe en waar hij in was geworpen.
Buffalmacco sprak tot hem: Ik zou willen, dat gij van de brug over den
Arno af waart gegooid. Waarom hebt gij u God en de heiligen aanbevolen?
Hebben wij u niet gewaarschuwd? De dokter antwoordde: Bij het geloof in
God, ik heb er niet aan gedacht. Hoe, riep Buffalmacco: hebt gij er
niet aan gedacht? Dan hebt gij u niet veel herinnerd, want onze bode
zeide, dat gij beefde als een riet. Gij hebt het ons mooi geleverd,
maar niemand zal ons dat weer doen en wij willen u de eer bewijzen, die
u toekomt. De dokter vroeg vergeving, smeekte bij God, dat ze hem niets
zouden verwijten en met de mooiste woorden poogde hij ze te verzoenen.
En uit vrees, dat zij zijn schande zouden bekend maken, bewees hij hun
van toen af nog meer eer en welwillendheid dan vroeger. Zoo leert men
gezond verstand aan wie het niet opdeed te Bologna.