ZEVENDE VERTELLING.

Een student bemint een weduwe, welke op een ander verliefd, hem een

geheelen winternacht in de sneeuw laat wachten. Hij laat haar door

zijn toeleg daarna in het midden van Juli naakt op een toren

blijven, blootgesteld aan de muggen en de paardenvliegen en aan de

zon. [156]

De donna’s moesten erg lachen om dat ongeluk van Calandrino en zij

zouden dit nog meer hebben gedaan, als het hen niet gespeten had, dat

hem bovendien nog de kapoenen werden afgenomen. Bij het einde gelastte

de koningin Pampinea te vertellen en zij begon aldus: Zeer geliefde

donna’s. Het gebeurt heel dikwijls, dat list met list wordt overwonnen

en daarom is het niet verstandig zich er in te verheugen anderen te

misleiden. Wij hebben bij vele geschiedenissen over de uitgehaalde

streken gelachen, maar nooit werd daarin gesproken van wraakoefening.

Nu ben ik van plan met medelijden te spreken over een rechtvaardige

boete, waarin een onzer burgeressen een grap haast met den dood moest

betalen, daar deze zelf misleid werd en de list zich tegen haar keerde.

Dat te hooren zal voor u van groot nut zijn, omdat gij u wel zult

hoeden anderen te misleiden en voorzichtigheid te betrachten.

Kort geleden leefde er in Florence een jonge vrouw, schoon van lichaam

en trotsch van ziel, van zeer edele geboorte, bekoorlijk en begiftigd

met de goederen der fortuin, Elena genaamd. Zij bleef als weduwe achter

en wilde niet hertrouwen, daar zij op een schoonen en naar haar keus

aardigen jonkman verliefd was. Van elke zorg bevrijd verheugde zij zich

met behulp van haar meid, waarin zij veel vertrouwen stelde,

verscheidene malen met hem. Intusschen keerde een edele jonkman,

Rinieri, uit onze stad, die lang te Parijs had gestudeerd, vandaar

terug, niet om zijn wetenschap voor geld weer te verkoopen, gelijk

velen doen, maar om de reden en de oorzaak der dingen te doorgronden,

wat een edelman ten zeerste past. Hij leefde als burger en zeer geëerd

om zijn adel en om zijn geleerdheid. Maar zooals dikwijls plaats heeft,

dat zij, die de meeste kennis hebben, zich het lichtst door de liefde

laten verdwazen, geschiedde dit met Rinieri. Toen hij tot ontspanning

naar een feest was gegaan, verscheen daar Elena voor zijn oogen, in het

zwart gekleed, gelijk onze weduwen loopen, naar zijn oordeel zoo schoon

en bekoorlijk, als hij er nog nooit een scheen gezien te hebben en hij

meende, dat hij zich gelukkig mocht noemen, aan wien God de gunst

schonk haar naakt in de armen te sluiten. Hij zag haar dikwijls aan en

daar hij wist, dat groote en dure dingen niet zonder moeite te

verkrijgen zijn, besloot hij alles aan te wenden om haar te behagen,

opdat hij daardoor haar liefde zou veroveren en ten volle genieten. De

jeugdige donna, die de oogen niet steeds naar de hel hield gericht

[157] maar die, zich hooger achtend dan zij was, ze gekunsteld deed

rondstaren, merkte spoedig genoeg op, wie in haar behagen schepte. Toen

zij Rinieri gewaar werd, sprak zij lachend in zichzelf:

Ik ben hier heden niet vergeefs gekomen, want als ik mij niet vergis,

zal ik een haantje bij den snavel hebben genomen. Zij begon hem te

begluren en deed haar best hem te toonen, dat zij op hem gesteld was.

Want zij dacht, dat hoe meer zij hem inpakte en behagen in hem toonde,

hoe meer haar schoonheid op prijs zou worden gesteld. De geleerde

student, die de wijsgeerige gedachten terzijde had gesteld, richtte

zijn gansche ziel tot haar meenend, dat hij haar bekoorde. Hij wist er

verschillende redenen voor te vinden haar huis voorbij te gaan. De

donna door de al genoemde oorzaak was er zoodoende zeer trotsch op en

liet blijken, dat zij hem gaarne zag. De student vond aldus een middel

zich met haar dienstmeid te verstaan, openbaarde haar zijn liefde en

bad haar, dat zij zoo zou te werk gaan, dat hij de gunst der donna zou

verwerven. De meid beloofde dit, vertelde het haar donna, die haar met

het grootste gelach aanhoorde en zeide: Ziet, waar die zijn verstand

ging verliezen, dat hij van Parijs heeft meegebracht! Laten wij hem

geven, wat hij zoekt en gij moet hem zeggen, dat ik hem veel meer bemin

dan hij mij, maar dat het mij past mijn eerbaarheid te bewaren, zoodat

ik niet als de andere donna’s met ontbloot gelaat kan loopen en hij

zal, als hij zoo wijs is, als hij zegt, mij zeer op prijs stellen. O

die ongelukkige! Zij wist niet goed, mijn donna’s, hoe gevaarlijk het

is zich met de studenten in verbinding te stellen.

De meid vond hem, en zeide, wat de donna haar had gelast. De student

richtte verheugd warmer smeekbeden tot haar en schreef brieven, zond

geschenken en dat alles werd goed ontvangen, maar hij kreeg slechts een

vaag antwoord en zoo hield zij hem langen tijd aan het lijntje. Toen

zij ten slotte alles aan haar minnaar had bekend, die er een weinig

boos en jaloersch over was, zond de donna om te toonen, dat zijn

wantrouwen ongegrond was, haar meid naar den student, die het haar zeer

lastig maakte en berichtte uit haar naam, dat zij nooit gelegenheid had

gehad zijn verlangen te bevredigen, sinds hij haar van zijn liefde had

verzekerd, maar dat hij den volgenden avond—het was Kerstfeest—als het

donker was, op haar binnenplaats zou komen en dat zij dan, zoo gauw zij

kon, naar hem toe zou komen. De student meer dan welgemoed ging op den

vastgestelden tijd naar het huis van de donna en werd door de meid op

de binnenplaats gelaten; zij sloot die en hij wachtte de donna af. De

donna had dien avond haar minnaar laten komen om aangenaam met hem te

vertoeven, vertelde hem, wat zij van plan was te doen en voegde er bij:

Nu kunt gij zien, hoe groot de liefde is, die ik hem toedraag, op wien

gij dwaas jaloersch zijt geworden. De minnaar hoorde die woorden met

groot genoegen aan verlangend te zien door daden, wat de donna hem met

woorden te verstaan gaf. Het had juist dien dag sterk gesneeuwd en

alles was blank, zoodat de student nog pas kort op de binnenplaats zich

kouder begon te gevoelen dan hem lief was maar in afwachting, dat hij

zich zou herstellen, hield hij dit geduldig uit. De donna sprak na

eenigen tijd tot haar minnaar: Laat ons in de kamer gaan om uit een

venster te zien, wat hij doet op wien gij zoo jaloersch geworden zijt

en wat hij aan de dienstmeid zal antwoorden. Beide gingen dus naar een

klein venster en toeziende zonder zelf gezien te worden, hoorden zij de

meid uit een ander tot den student spreken en zeggen: Rinieri, mevrouw

is de bedroefdste donna van de wereld; vanavond is een van haar

broeders gekomen en heeft druk met haar gesproken; daarna wilde hij met

haar avondmalen en is nog niet weggegaan. Maar ik geloof, dat hij

spoedig zal heengaan. Zij kan natuurlijk niet komen; zij zal het zoo

vlug zij kan doen en zij bidt, dat het U niet hindert te blijven

wachten. De student, die geloofde, dat dit waar was, antwoordde: Gij

moet aan mijn donna zeggen, dat zij zich over mij niet bezorgd maakt,

voordat zij op haar gemak bij mij kan komen, maar dat zij dit zoo

spoedig doet, als zij kan. De meid begaf zich naar binnen en ging

slapen.

Toen sprak de donna tot haar minnaar: Welnu, wat zegt ge? Gelooft gij,

dat, ik als ik wilde, wat gij vreest, zou dulden, dat hij daar beneden

bleef om te bevriezen? Na die woorden ging zij met haar minnaar, die al

ten deele tevreden was, naar bed. Zij vierden samen feest, smaakten

genoegen, lachten om den ongelukkigen student en maakten er grappen op.

De student, die door den binnenhof op en neer ging, maakte bewegingen

om zich te verwarmen, maar had niets om te gaan zitten of om zich te

beveiligen tegen den ijzel en vervloekte het lang vertoeven van den

broeder en bij elk geluid, dat hij hoorde, geloofde hij, dat het de

donna was, die hem zou opendoen; maar hij hoopte tevergeefs. Zij, die

zich tot op de helft van den nacht met haar minnaar had verheugd, zeide

tot hem: Hoe lijkt het je, mijn ziel, met onzen student? Wat schijnt U

grooter zijn verstand of de liefde, die ik U toedraag? Zal de koude,

die ik hem heb doen lijden, U dat uit het hart doen gaan, wat er door

mijn woorden eergisteren in is gekomen! De minnaar antwoordde:

Hartedief, ja, ik erken nu, hoe gij mijn schat zijt, mijn rust, mijn

vreugde en al mijn hoop, gelijk ik de Uwe ben. En de donna sprak: Kus

mij duizendmaal om te zien of gij de waarheid zegt. De minnaar omhelsde

haar daarna innig en kuste haar geen duizend, maar wel honderdduizend

keer. En toen zij zoo eenigen tijd gesproken hadden, zeide de donna:

Kom, laat ons een weinig opstaan en laat ons gaan kijken of het vuur al

wat gebluscht is, waarvan mijn nieuwe minnaar schreef, dat hij den

ganschen dag brandde. En opgestaan gingen zij naar het venster en keken

op de binnenplaats, waar zij den student met korte passen, terwijl zijn

tanden klapperden, door de sneeuw zagen loopen, wat bij hem door te

veel koude veroorzaakt werd, en zoo voortdurend en snel, dat zij nog

nooit iets dergelijks gezien hadden. Toen sprak de donna: Wat zegt gij

nu, mijn zoete hoop? Schijnt het U, dat ik de mannen kan laten dansen

zonder trompet of doedelzak. De minnaar sprak hierop lachend: Ja, mijn

heerlijk genoegen. De donna hernam: Ik wil, dat wij beneden naar de

deur gaan, gij zult U stil houden, ik zal met hem spreken en wij zullen

hooren, wat hij zeggen zal en wij zullen misschien niet minder pleizier

hebben dan straks door hem te zien. Zij maakte de kamer zachtjes open,

daalde af tot de deur en daar zonder die te openen riep de donna hem

met gedempte stem door een gat, dat zij er was. De student, die roepen

hoorde, prees God en geloofde al te licht binnen te mogen komen en deur

genaderd sprak hij: Hier ben ik, madonna; bij God, doe open, want ik

sterf van koude. De donna sprak: O ja, ik weet, dat gij een koukleum

zijt en de koude is ook zeer groot, omdat er wat sneeuw is gevallen. Ik

weet ook, dat dit veel erger gebeurt te Parijs. Ik kan U nog niet open

doen, omdat die verwenschte broeder van mij, die gisteravond hier bij

mij kwam, nog niet vertrekt, maar hij zal spoedig gaan en dan zal ik U

dadelijk open doen. Ik ben pas met groote moeite hem ontvlucht om U te

bemoedigen, dat het wachten U niet zal hinderen. De student sprak: Och

madonna, ik bid U bij God, dat gij mij open zult doen, opdat ik gedekt

kan staan; er is sinds kort hier de dichtste sneeuw van de wereld

gevallen en ik zal op U wachten, tot het U aangenaam zal zijn. De donna

zeide: Wee mij, mijn zoetelief, ik kan niet, want die deur maakt zoo’n

leven, als zij opengaat, dat gij allicht bemerkt zult worden door mijn

broeder, als ik U open doe. Maar ik zal hem zeggen, dat hij weg gaat,

opdat ik daarna kan terugkeeren om U te openen. De student hernam: Ga

dan vlug, en ik smeek U een goed vuur aan te leggen, opdat ik, als ik

binnen zal komen, mij kan verwarmen, daar ik zoo koud ben geworden, dat

ik mij zelf ternauwernood gevoel. De donna sprak: Dat kan niet zoo

wezen; als het waar is, wat gij mij meermalen hebt geschreven, dat gij

geheel van liefde brandt. Maar ik ga nu weg, wacht en houdt goeden

moed. De minnaar, die dit alles hoorde en het grootste genoegen had,

ging met haar weer naar bed, maar zij sliepen weinig dien nacht;

daarentegen brachten zij dien geheel door met hun genoegen en in het

bespotten van den student. De ongelukkige student (die wel een ooievaar

geleek, zoo klapperde hij met de tanden) bemerkte, dat hij voor den gek

was gehouden en beproefde verschillende malen of hij de deur kon

openen, maar toen hij geen middel zag en als een leeuw in de kooi

rondliep, vervloekte hij de ruwheid van het weer, de boosaardigheid van

de donna, de lengte van den nacht en zijn onnoozelheid er bij en zeer

verwoed op haar veranderde de langdurige en vurige liefde, die hij haar

had toegedragen in wreeden en bitteren haat en bedacht hij zich te

kunnen wreken, wat hij nu evenveel meer verlangde, als hij de donna

eerst had begeerd.

De nacht na een zoodanig en lang verblijf spoedde ten einde en de

dageraad begon op te komen. Daarom ging de dienstmeid op bevel van de

donna naar beneden, opende die half en medelijden met hem voorgevend,

sprak zij: Dat hij, die gisteravond gekomen is, een ongeluk krijgt. Hij

heeft ons den geheelen nacht in wanorde gebracht en U doen bevriezen.

Maar weet gij wat? Draag het in vrede, want wat deze nacht niet heeft

kunnen wezen, zal een andere keer gebeuren, daar het niet kon

geschieden, wat zoo aangenaam is voor mevrouw. De verwoede student, die

als verstandig man wist, dat bedreigingen slechts wapenen voor den

bedreigde zouden zijn, verkropte, wat de onbeteugelde wil wenschte uit

te storten en met zachte stem zonder zich kwaad te toonen, zeide hij:

Ik heb werkelijk den ergsten nacht van mijn leven doorgebracht, maar ik

heb wel gezien, dat de donna er geen schuld aan heeft, omdat zij uit

medelijden naar beneden kwam om zich te verontschuldigen en mij te

troosten en gelijk gij zegt, wat deze nacht niet gebeurd is, komt een

andere keer; beveel mij haar aan en ga met God.

Zoo goed als geheel verstijfd, ging hij, zoo gauw hij kon, naar huis;

daar, vermoeid en stervend van slaap, wierp hij zich te bed om te

rusten, en hij stond op of hij zijn armen en zijn beenen verloren had.

Daarom zond hij om een dokter, vertelde hem van de koude, die hij

doorleden had en liet hem voor zijn gezondheid zorgen. De dokter, die

sterke en snel werkende middelen gebruikt had, kon hem ternauwernood na

korten tijd de spieren genezen en maken, dat die zich zouden ontspannen

en als hij geen jongeling geweest was en er geen warmte gevolgd was,

zou hij veel te lijden gehad hebben. Maar toen hij weer sterk en flink

was, verborg hij zijn haat en toonde zich meer dan ooit op zijn weduwe

verliefd. Nu gaf de fortuin na een zeker verloop van tijd den student

een gelegenheid om zijn verlangen te voldoen, omdat de jongeling, die

door de weduwe bemind werd, (en die niet meer lette op de liefde, die

zij hem toedroeg) op een andere donna verliefd werd en daar hij noch

veel noch weinig wilde zeggen, noch in iets haar aangenaam wilde zijn,

verging zij in tranen en in bitterheid. Maar haar meid, die zeer veel

medelijden met haar had en geen middel vond om haar donna te troosten

over de smart, die zij wegens den verloren minnaar voelde, zag den

student op zijn gewone wijze door de straat gaan, kwam op een dwaze

gedachte namelijk, dat de minnaar van haar donna door zwarte kunst haar

opnieuw als vroeger zou liefhebben en dat de student hierin een groot

meester was en zij vertelde haar dit. De donna dom, zonder te denken,

dat, als de student de zwarte kunst had gekend, hij die voor zich

gebruikt zou hebben, richtte haar geest naar die woorden en zeide haar

meid, dat zij van hem zou te weten komen of hij dat wilde doen en

beloofde stellig, dat zij om de verdienste daarvan voor haar zou doen,

wat haar mocht behagen. De meid deed de boodschap goed en met ijver, en

toen de student dit hoorde, zeide hij verheugd in zich zelf: God, wees

geloofd; de tijd is gekomen, dat ik met Uw hulp de booze vrouw zal doen

boeten voor de beleediging mij aangedaan. En tot de meid zeide hij:

Zeg, aan mijn donna, dat, zoo haar minnaar in Indië was, ik die spoedig

zou doen komen en genade laten vragen voor wat hij tegen haar mocht

gedaan hebben, maar wat het middel betreft, dat zal ik haar zeggen,

wanneer en waar het haar zal behagen.

De meid bracht het antwoord over en regelde het zoo, dat zij samen

kwamen in Santa Lucia del Prato. Toen de donna met de student alleen

was en zij samen spraken, herinnerde zij zich niet, dat zij hem haast

vermoord had, vertelde hem alles, wat zij verlangde en smeekte hem om

haar geluk. De student sprak tot haar: Madonna, het is waar, dat onder

de dingen, die ik te Parijs leerde, de zwarte kunst behoort, die ik

grondig ken, maar omdat die Gode zeer ongevallig is, heb ik gezworen

die nooit voor mij noch voor anderen aan te wenden. Het is waar, dat

mijn liefde voor u zoo sterk is, dat ik u niets kan weigeren en als ik

naar het huis van den duivel moet gaan, ben ik om u bereid dit te doen.

Maar ik herinner u er aan, dat dit een gevaarlijker zaak is dan gij

denkt, wanneer een vrouw een man of een man een vrouw, haar of hem er

weer toe brengt hem of haar lief te hebben zonder wederliefde en dat de

ander zeker van zich zelf moet zijn, daar het bij nacht moet gebeuren

en op eenzame plaatsen, waartoe ik niet weet of gij wel bereid zijt.

Hierop antwoordde de donna meer verliefd dan verstandig: Amor prikkelt

mij zoo, dat ik alles zou doen om hem terug te hebben, die mij ten

onrechte verliet, maar in ieder geval zeg mij, welken moed ik moet

hebben.

De student, die kwaad gezind was, sprak: Madonna, ik moet een beeld van

tin van hem hebben om hem te heroveren; wanneer ik u dit terugzend,

moet gij, als de maan zeer afneemt, naakt in een beek van stroomend

water gaan in den tijd van den eersten slaap en geheel alleen en zeven

maal moet gij dit met u baden en daarna naakt moet gij op een boom

klimmen of op een onbewoond huis en naar het noorden gewend moet gij

zekere woorden uitspreken, die ik u geschreven zal geven. Zoodra gij

die gezegd hebt, zullen twee der schoonste jonge dames tot u komen. Zij

zullen u groeten en bekoorlijk vragen, wat gij wilt. Aan hen zult gij

al uw wenschen mededeelen en pas er voor op, dat gij niet den eenen in

plaats van den anderen naam noemt. Zoodra gij die gezegd hebt, zullen

zij heengaan en gij zult neerdalen naar de plaats, waar gij uw kleeren

hebt gelaten, u aankleeden en naar huis terug keeren. En voorzeker, het

zal niet de helft van den volgenden nacht worden of uw minnaar zal

klagend hier komen om genade en dan zal hij u nooit om een andere vrouw

verlaten. De donna, die hem vertrouwde, scheen haar minnaar al opnieuw

in de armen te hebben en zei al half gelukkig: Ik twijfel er niet aan,

of ik zal alles goed volbrengen en ik ben er geheel toe bereid, want ik

heb een buiten boven den Val d’Arno, dat dicht genoeg bij den oever van

de rivier is en het is juist Juli, wat voor het baden aangenaam zal

zijn. En ik herinner mij, dat daar niet ver vandaan een eenzame toren

is, waar soms de herders langs de treden van kastanjehout op een terras

komen om naar hun verdwaalde beesten uit te zien, een zeer eenzame

plek; daar zal ik opklimmen en hoop te doen, wat gij mij hebt bevolen.

De student, die het buiten en den toren kende en blij was zeker van

haar voornemen te zijn, sprak: Madonna, ik was nooit in dien omtrek, en

ik ken daarom noch het buiten noch den toren, maar als dat is, gelijk

gij zegt, kan het niet beter. Als het tijd is zal ik u het beeld en de

tooverspreuk zenden en ik zal u goed hebben gediend, zoodat gij aan mij

zult denken en uw belofte aan mij zult houden. De donna zeide, dat zij

dit zonder twijfel zou doen en nadat zij van hem afscheid had genomen,

ging zij naar huis terug. De student verheugd, dat, wat hij overlegd

had, zou slagen, maakte een beeld en schreef een verzinsel van

tooverwoorden als bezwering, zond die aan de donna en liet haar

berichten, dat zij den volgenden nacht zonder verwijl zou doen, wat hij

gezegd had. Daarna ging hij met een van zijn bedienden naar het huis

van een zijner vrienden, dat dicht bij den toren was om zijn plan ten

uitvoer te brengen. Ook de donna begaf zich met haar meid naar haar

buiten en toen de nacht was gekomen en zij deed of ze naar bed ging,

zond zij de meid ter ruste en in het uur van den eersten slaap, stil

uit het huis gegaan, begaf zij zich in de buurt van den toren naar den

oever van de Arno. Nadat zij goed had rond gekeken, niemand zag of

hoorde, ontkleedde zij zich, legde haar goed onder een struik, baadde

zich zevenmaal met het beeld en daarop naakt, met het beeld in de hand,

ging zij naar den toren. De student, die bij het aanbreken van den

nacht met zijn knecht tusschen wilgen en andere boomen bij den toren

verborgen was en alles zag, had toch medelijden, toen zij geheel naakt

voorbij ging en haar aanschouwde, die met de blankheid van haar lichaam

de duisternis van den nacht overwon en toen hij naderbij de borst en de

onderdeelen van haar gestalte gewaar werd en zoo schoon vond en

bedacht, wat daar mee zou gebeuren. Van den anderen kant overviel hem

opeens de prikkeling van het vleesch, die hem deed oprijzen en hem

dreef uit zijn schuilhoek te gaan, haar te nemen, zijn begeerte te

bevredigen en hij was bijna door zijn gevoelens overwonnen. Maar toen

hij zich herinnerde wie hij was en de ontvangen beleediging en waarvoor

en door wie, ontvlamde zijn toorn weer, verjoeg hij het medelijden en

de vleeschelijke begeerte en liet haar gaan. De donna, die op den toren

was geklommen en zich naar het noorden had gekeerd, sprak de opgegeven

woorden uit. De student klom kort daarop heimelijk in den toren, nam

zachtjes den ladder weg, waarmee de donna op het terras was gekomen en

wachtte. De donna begon nu de twee jonge meisjes af te wachten en bleef

zoo lang, (zonder dat de koelte van den nacht haar langer scheen) tot

ze de dageraad zag aanbreken. Bedroefd, omdat niet gebeurd was, wat de

student haar had gezegd, sprak zij tot zich zelf: Ik vrees, dat die mij

een nacht heeft willen bezorgen als ik aan hem, maar als hij dit heeft

gewild, heeft hij zich slecht weten te wreken, want die duurt slechts

het derde van den zijne, terwijl de koelte van een ander soort was. En

opdat de dag haar daar niet zou vinden, wilde zij van den toren

afdalen, maar vond er den ladder niet. Toen, alsof de wereld haar onder

de voeten was weggerukt, viel zij bewusteloos op het terras van den

toren neer. Nadat haar krachten terugkeerden, begon zij ellendig te

weenen en te klagen en nu zij begreep, dat dit de toeleg van den

student was geweest, herinnerde zij zich een ander beleedigd te hebben

en hem daarna te veel te hebben vertrouwd, dien zij zeker als haar

vijand had moeten beschouwen en zoo bleef zij daar langen tijd. Toen

rondziende of er een weg was om af te dalen, dien zij niet vond, begon

zij opnieuw te klagen en zeide tot zichzelf: O ongelukkige, wat zullen

Uw broeders, en familie en buren en alle Florentijnen zeggen, wanneer

men weet, dat gij hier naakt gevonden zijt? Uw eerbaarheid, tot hiertoe

standvastig, zal men kennen als valsch en als gij hiervoor

leugenachtige verontschuldigingen wilt zoeken, die er toch niet zijn,

zal de vervloekte student U niet laten liegen. Ach ongelukkige, die gij

zijt, die op hetzelfde oogenblik den vergeefs beminden jonkman en Uw

eer hebt verloren. Zij werd zoo bedroefd, dat zij zich van den toren

wou werpen. Maar daar de zon al op was, naderde zij dicht een der

randen van den muur van den toren en keek of daar niet een herdersknaap

met zijn kudde naderde, dien zij naar haar meid kon sturen. Maar de

student, die aan den voet van een struik wat had geslapen, stond op,

zag haar en zij hem. De student sprak tot haar: Goeden dag, mevrouw.

Zijn de jonge dames nog gekomen? De donna begon opnieuw zeer te klagen

en smeekte hem, dat hij in den toren kwam, opdat zij hem kon spreken.

De student was daartoe beleefd genoeg. De donna, die zich plat op den

buik had gelegd, stak alleen het hoofd over den rand van den uitgang en

sprak weenend: Rinieri, indien ik U een slechten nacht heb bezorgd,

hebt gij U wel op mij gewroken, omdat ik, hoewel het Juli is, dezen

nacht, daar ik geheel naakt was, meende te bevriezen. Buitendien heb ik

zoo gehuild over Uw bedrog en mijn dwaasheid, dat het een wonder is,

hoe mijn oogen mij nog in het hoofd zijn gebleven. En daarom bid ik U

niet om mij, die gij niet kunt liefhebben, maar om U zelve als edelman,

dat dit U voldoende is als wraak over de beleediging, die ik U heb

aangedaan. Laat mij mijn kleeren brengen, opdat ik hier afkom en

ontneem mij niet, wat gij mij later niet kunt teruggeven, namelijk mijn

eer. En als ik U er van heb beroofd dien nacht met mij samen te zijn,

zal ik, wanneer gij wilt, U er velen voor dien eenen teruggeven. Laat

het U als een waardig man genoeg wezen U te hebben gewroken en het mij

te hebben doen gevoelen; oefen Uw kracht niet uit jegens een vrouw,

want het is geen eer voor een adelaar een duif te hebben overwonnen;

daarom bij de liefde van God en bij Uw eer, heb medelijden met mij.

De student, die met wreede ziel zich de ontvangen beleediging

herinnerde en haar zag schreien en smeeken, had tegelijk vreugde en

verdriet; vreugde over de wraak, die hij meer dan iets anders had

verlangd en verdriet, daar de barmhartigheid hem bewoog medelijden met

haar te hebben. Maar toch, daar deze niet de wreedheid van zijn

begeerte kon overwinnen, antwoordde hij: Madonna Elena, indien mijn

smeekbeden (welke ik weliswaar niet kon baden in tranen noch honingzoet

kon maken als gij thans de Uwen) mij hadden doen bereiken in den nacht,

dat ik in Uw hof vol sneeuw stierf van koude, dat ik alleen een weinig

onder dak kwam, zou het mij nu licht vallen de Uwen in te willigen.

Maar indien gij thans meer om Uw eer geeft dan vroeger en als het U zoo

pijnlijk is daarboven naakt te blijven, richt dan die beden tot hem, in

wiens armen gij geen vrees hadt gedurende den nacht, welke gij U

herinnert, naakt te zijn gebleven, terwijl gij wist, dat ik

klappertandend op Uw binnenplaats heen en en weer liep en in de sneeuw

stampvoette en laat u door hem helpen, laat door hem uw kleeren halen,

laat door hem den ladder aanbrengen om af te dalen, tracht hem

barmhartigheid in te boezemen met uw eer, dien gij niet geaarzeld hebt

zoowel thans als duizend andere keeren in gevaar te stellen. Waarom

roept gij hem niet om u te hulp te komen? Gij zijt de zijne en wie zal

hij beschermen of helpen, als hij u niet behoedt of van dienst is? Roep

hem, gekkin, die gij zijt, en bewijs, dat de liefde, die gij hem

toedraagt, en dat uw slimheid en de zijne u van mijn onnoozelheid

kunnen bevrijden naar aanleiding van welke, toen gij u met hem

verheugde, gij gevraagd hebt, wat hem grooter scheen: mijn dwaasheid of

de liefde, die gij hem hebt toegedragen. Gij kunt thans niet welwillend

zijn voor wat ik niet verlang, noch het weigeren, als ik het verlangen

zou. Behoudt de nachten voor uw minnaar, als gij hier levend vandaan

mocht komen. Uw nachten behooren aan hem: ik heb van één te veel en het

is mij voldoende ééns te zijn bespot. En bovendien, gij gebruikt al uw

slimheid met praten om mijn welwillendheid te verkrijgen door te vleien

en gij noemt mij een ridder en heimelijk poogt gij mij te leiden, opdat

ik als edelmoedig man zal ophouden u te straffen voor uw boosheid. Maar

uw vleierijen zullen thans mijn geestesoogen niet verduisteren gelijk

uw oneerlijke beloften vroeger het deden. Ik ken mijzelf; ik heb nooit

zooveel daarvan geleerd, toen ik in Parijs was als gij mij in één

enkelen nacht er van hebt doen ervaren. Maar ondersteld, dat ik toch

edelmoedig zou zijn, zijt gij niet van degenen op wie edelmoedigheid

invloed kan hebben. Het einde van de straf bij wilde dieren gelijk gij

er een zijt en evenzoo van de wraak moet de dood zijn, waar bij

menschen genoeg is, wat gij wilt. Daarom, hoewel ik geen adelaar ben,

en gij geen duif, daar ik u ken als een vergiftige slang, wil ik als

een zeer oude vijand u vervolgen met al mijn haat en al mijn kracht,

met al datgene, wat ik u doe en wat men niet zoozeer wraak kan noemen,

maar veeleer kastijding, in zooverre, dat de wraak de beleediging zou

moeten overtreffen, wat hier niet zal gebeuren. Daarom als ik mij zou

willen wreken, wanneer ik er aan denk, aan welk uiterste gij mij hebt

blootgesteld, zou uw leven mij niet voldoende zijn, indien ik het u zou

ontnemen noch honderd anderen aan het uwe gelijk, omdat ik een gemeen

en verdorven en slecht vrouwspersoon zou dooden. En wat duivel—indien

het beetje schoonheid van uw gelaat binnen weinig jaren door rimpels

verdwenen zal zijn, zijt gij meer dan een of andere jammerlijke

dienstmeid, die haast een edelman had doen sterven, wiens leven op één

dag van meer nut kan zijn dan honderdduizend van uw soort het kunnen

wezen, zoolang als de wereld zal bestaan. Ik zal u leeren door de

smart, die gij hebt te verduren, wat het is mannen te bespotten, die

een gevoel in hun hart hebben, en om studenten voor den gek te houden

en ik zal u de gelegenheid geven niet meer tot zulk een dwaasheid te

vervallen, indien gij er nu aan ontkomt.

Maar als gij zulk een groot verlangen hebt om af te dalen, waarom werpt

gij u dan niet op de aarde? Dan zult gij tegelijk met Gods hulp uw hals

brekend uit de kwelling raken, waarin gij zijt en mij tevreden stellen.

Thans wil ik u niets meer zeggen; ik heb u naar boven laten klimmen,

ziet gij thans maar naar beneden te komen, gelijk gij het spotten

verstond. Terwijl de student dit zeide, schreide de ongelukkige donna

voortdurend en de tijd verstreek met het stijgen van de zon. Maar toen

hij zweeg, zeide zij: Zie, man zonder hart, als die vervloekte nacht

zoo smartelijk voor je was en mijn misstap u zoo groot schijnt, dat

noch mijn jeugdige schoonheid, noch mijn bittere tranen, noch mijn

nederige smeekbeden uw medelijden opwekken, laat u dan tenminste

bewegen en uw strenge hardheid verminderen daardoor alleen, dat ik mij

u opnieuw heb toevertrouwd en u elk geheim heb geopenbaard, waarmee ik

u de gelegenheid heb gegeven mij mijn zonde te doen beseffen, want had

ik dat niet gedaan, dan hadt gij geen middel kunnen vinden u te wreken.

Ach, laat die toorn varen en vergeef mij voortaan, ik ben, wanneer gij

mij wilt vergeven, bereid den oneerlijke jonkman geheel te verlaten en

u alleen tot minnaar te hebben en tot heer, hoewel gij mijn schoonheid

hebt gelaakt en zeide, dat die van korten duur was en niet veel waard.

Hoedanig mijn schoonheid ook is, ik weet, dat, als die van andere

vrouwen, indien zij voor u om niets anders waarde heeft, deze toch een

verlangen is en een tijdverdrijf en een genot voor de jeugd en gij zijt

niet oud. En hoewel ik door u wreed ben behandeld, geloof ik niet, dat

gij zulk een smadelijken dood wilt zien mij als een wanhopige hier af

te werpen voor uw oogen, dien ik, als gij geen leugenaar zijt geworden,

vroeger zoo heb bekoord. Ach, heb medelijden met mij om Gods wil. De

zon begint al te heet te worden en gelijk de koelte van den nacht mij

hinderde, begint mij de warmte zeer te kwellen.

Hierop antwoordde de student, die er genoegen in had dit gesprek te

verlengen: Madonna, uw vertrouwen bleef niet in mijn handen om de

liefde, die gij mij hebt toegedragen, maar om dien te herkrijgen, die

gij hadt verloren en daarom verdient het nog grooter straf. En gij

denkt dwaas, dat dit de eenige weg was, die voor mijn wraak open was.

Ik had er duizend anderen en duizend strikken had ik om uw voeten

gespannen, terwijl ik veinsde u lief te hebben, en het kon slechts kort

duren, dat gij er niet in hadt moeten geraken. En gij zoudt door allen

in grooter kwelling en schande zijn dan die u thans te beurt vielen. En

ik heb deze gekozen niet om u te verlichten maar om eerder tevreden te

zijn. En als alle deze mij hadden ontbroken, had mij de veder nog niet

in den steek gelaten, waarmee ik op zoodanige wijze Uw daden zou

beschreven hebben, dat gij ze u herinnert zóó, dat gij duizendmaal per

dag zoudt wenschen niet geboren te zijn. De krachten van de pen zijn

veel grooter dan zij meenen, die het niet uit ervaring weten. Ik zweer

God (en Hij moge begeeren, dat deze wraak, die ik op mij neem, bij het

eind er van verheugen zal en evenzoo als het begin), dat ik zoo over u

zal schrijven, dat gij u niet alleen zult schamen voor anderen, maar

ook voor u zelve en om u zelf niet te zien u de oogen zult willen

uitsteken en verwijt daarom de zee niet aangegroeid te zijn uit een

kleine beek. Dat gij de mijne wordt, daarom bekommer ik mij niet;

behoor slechts aan hem, van wien gij geweest zijt, als gij kunt. Gelijk

ik hem vroeger heb gehaat, ben ik hem nu welgezind om hetgeen hij u

thans heeft gedaan. Gij wordt verliefd op jongelieden, omdat zij wat

meer kleur hebben, wat donkerder baard, omdat zij meer rechtop loopen,

dansen en wapenspelen uitvoeren; maar het is ook hun eigen, die wat

ouder zijn en die weten, wat zij nog hebben te leeren. En bovendien

acht gij hen beter ruiters, omdat zij meer mijlen per dag afleggen dan

rijpere mannen, en ik weet wel, dat zij met meer kracht de rokken

uitschudden, hoewel de ouderen beter de plaatsen weten, waar de vlooien

zitten en het is veel beter het weinige en smakelijke te kiezen dan het

vele en smakelooze en het harddraven breekt en vermoeit, hoe jong men

ook is, terwijl het zacht gaan, hoewel wat later, rustig naar de

herberg voert. Gij bemerkt niet evenals de dieren, hoeveel kwaad er

onder zoo weinig uiterlijke schoonheid verborgen is. De jongelieden

zijn met een niet tevreden, maar verlangen er zooveel zij zien als

hunner waardig; daarom kan hun liefde niet standvastig zijn en gij kunt

er thans een zeer ware getuigenis van geven. Het schijnt hun, dat zij

waard zijn door de donna’s ontzien en geliefkoosd te worden en kennen

geen grooter glorie dan zich te beroemen op degenen, die zij gehad

hebben, welk gebrek er velen beneden de monniken stelt, die het

tenminste niet weer over vertellen. Hoewel gij zegt, dat Uw liefde niet

bekend is dan aan Uw meid en aan mij, weet gij dit slecht en gelooft

het zelf ook niet. In haar straat en in de Uwe spreekt men van niets

anders, maar de meeste keeren is de laatste, wiens ooren dit bereikt,

degene, met wien dit plaats had. De jongelieden berooven U bovendien,

terwijl de anderen U geschenken geven. Gij hebt dus slecht gekozen;

behoor aan hem, aan wien gij U hebt gegeven en laat mij, dien gij

bespot hebt, aan anderen over, want ik heb een veel beter donna dan gij

gevonden, die mij beter kent. En opdat gij naar de andere wereld een

grooter zekerheid van het verlangen van mijn oogen kunt meenemen dan

gij in deze toont te bezitten uit mijn woorden, werp U daarvoor

dadelijk naar beneden en Uw ziel, reeds opgevangen in de armen van den

duivel, zal kunnen gewaar worden of mijn oogen vochtig zullen worden,

indien ik U zie neerstorten. Maar daar gij mij dit genoegen niet zult

aandoen, raad ik U, als de zon U begint te verhitten U te herinneren,

welk een koude ge mij hebt doen lijden; dan zult gij de zon zonder

twijfel matiger gevoelen.

De troostelooze donna ziende, dat de woorden van den student tot een

hard einde voerden, begon opnieuw te weeklagen en zeide: Zoo gij geen

medelijden hebt, laat dan de liefde U roeren, welke gij draagt voor een

donna verstandiger dan ik, die gij hebt gevonden en door welke gij

bemint wordt en vergeef mij om de liefde tot haar. Geef mij mijn

kleeren terug, opdat ik mij kan aankleeden en laat mij gaan. Toen begon

de student te lachen en ziende, dat het derde uur al voorbij was,

antwoordde hij: Kijk, ik kan nu niet weigeren, omdat gij mij dit om die

donna gevraagd hebt. Wijs mij die en ik zal er heen gaan en U hiervan

doen afklimmen. De donna, die dit geloofde, kreeg een weinig moed en

wees hem de plaats, waar zij de kleeren gelegd had. De student uit den

toren gegaan, gelastte aan zijn knecht, dat hij daar niet vandaan zou

gaan, en dat niemand daar in zou gaan, eer hij was terug gekeerd en bij

die woorden keerde hij naar het huis van zijn vriend terug en ontbeet

daar op zijn gemak en toen ging hij slapen. De donna op den toren,

hoewel door dwaze hoop een weinig bemoedigd, ging heel treurig zitten

en aan dien kant van den muur, waar een weinig schaduw was. Hopend en

wanhopend aan den student en de kleeren en van de eene gedachte op de

andere overspringend, sliep zij in, alsof zij door smart overwonnen was

en of zij in den afgeloopen nacht niet had gerust. De zon, die brandend

was en al tot de middaghoogte gestegen, trof recht haar naakt, teeder,

fijn lichaam en haar hoofd door niets bedekt met zooveel kracht, dat

niet alleen het vel verbrandde maar het langzaam open ging en de hitte

was zoo, dat zij, die in diepen slaap was, gedwongen werd op te staan.

Terwijl zij zich voelde blakeren en zich wat bewoog, scheen het haar

daarbij, dat de geheele verschroeide huid openging en barstte, gelijk

wij dat zien gebeuren met brandend perkament, als men het daarna wil

uitrekken en haar hoofd deed vreeselijk pijn. Het terras van den toren

was zoo gloeiend, dat zij er met de voeten noch met een ander

lichaamsdeel plaats kon vinden, zoodat zij zonder stil te kunnen staan

dan hier dan daar huilend rond liep. En bovendien, daar er in ’t geheel

geen wind was, waren er tal van muggen en vliegen, die zich op de open

huid neerzetten en haar zoo pijnlijk staken, dat elk haar een prik met

een naald scheen te geven, zoodat zij met de handen geen oogenblik rust

had en zich zelf, haar leven, haar minnaar en den student vervloekte.

Door duizend kwellende gedachten beangst en geprikkeld en gekwetst ging

zij op de teenen staan om te zien of zij in den omtrek iemand gewaar

werd, bereid, wat er ook van zou komen, hulp te vragen. Maar ook dit

had het vijandige noodlot haar ontroofd.

De boeren waren allen door de hitte van de velden vertrokken, en er

kwam bij, dat dien dag niemand daar in de buurt was gaan werken, omdat

allen in hun huis aan het dorschen waren. Daarom hoorde zij niets

anders dan den krekel en zag de Arno, die haar het verlangen schenkend

naar zijn water, haar dorst niet leschte maar verergerde en op

verschillende plaatsen zag zij bosschen, schaduwen en huizen, waar zij

verlangde te wezen en die haar allen angst inboezemden. Wat zullen wij

nog meer van de arme donna zeggen? De zon boven haar en de hitte van

den bodem onder haar en de steken van de muggen en de vliegen rondom

hadden haar van alle kanten in zulk een toestand gebracht, dat zij, die

den vorigen nacht met haar blankheid de duisternis scheen te

overwinnen, toen zoo rood was geworden als meekrap en nu bestreept met

bloed, voor wie haar gezien zou hebben, de leelijkste vrouw ter wereld

scheen en aldus niets anders dan den dood verwachtte. Toen de halve

noen al voorbij was, stond de student uit zijn siësta op, dacht aan de

donna en ging naar den toren terug om te kijken, hoe het met haar

gesteld was en zond zijn knecht, die nog nuchter was, weg om te gaan

eten. Toen de donna hem bespeurd had, zwak en angstig van de hevige

kwelling, kwam zij op den rand van den ingang boven, ging zitten en

begon schreiend te zeggen: Rinieri, gij hebt U wel verschrikkelijk

gewroken, want indien ik U op mijn binnenplaats bij nacht deed

bevriezen, hebt gij mij vandaag op dezen toren doen roosteren, zelfs

verbranden en doen sterven van honger en dorst. Daarom bid ik U bij den

eenigen God, dat gij naar boven komt en daar ik den moed niet heb mij

zelf te dooden, schenk mij dien, want ik verlang dien meer dan iets

anders, zoo groot en zoodanig is de marteling, die ik voel. En als gij

mij die gunst niet wilt schenken, geef mij dan tenminste een beker

water, dat ik mij den mond kan verkoelen, waartoe mijn tranen niet

voldoen, zoo is de droogheid en de brand, die mij kwelt. De student

herkende wel haar zwakheid aan haar stem en zag ook ten deele haar

lichaam geheel geroosterd door de zon, zoodat hij door haar nederige

gebeden wat medelijden met haar kreeg, maar toch antwoordde hij:

Slechte vrouw, gij zult door mijn hand niet sterven, maar toch door de

Uwe, als dit Uw wil is en gij zult zooveel water krijgen van mij voor

de verlichting van Uw hitte als gij mij vuur hebt gegeven voor de

verlichting van mijn koude. Een ding doet mij verdriet, dat de ziekte

van mijn koude moest genezen met de hitte van vieze mest, terwijl Uw

verhitting genezen zal met de koude van welriekend rozenwater en

terwijl ik de spieren moest verliezen en het geheele lichaam, zult gij,

verschroeid door die hitte zoo mooi blijven als de slang, die een oude

huid heeft afgelegd.

O ongelukkige, die ik ben! zei de donna, mijn schoonheden gaf God nu

aan hen, die mij kwaad willen doen, maar gij wreeder dan ieder wild

dier, hoe hebt gij kunnen volhouden mij zoo te mishandelen? Ik zou niet

anders te wachten hebben, als ik Uw familie onder de wreedste

martelingen had vermoord. Welke ergere wreedheid zou men hebben

aangewend jegens een verrader, die een heele stad aan een slachting had

overgeleverd? Gij hebt mij in de zon laten roosteren en laten opeten

door de muggen en bovendien hebt gij mij zelfs geen beker water willen

geven; de moordenaars, die ter dood gebracht worden, geeft men dikwijls

wijn te drinken, zoo zij er om vragen. Zie, daar ik merk, dat gij

verhard blijft in Uw bittere wreedheid en mijn lijden U geenszins kan

bewegen, bereid ik mij geduldig voor den dood te ontvangen, opdat God

medelijden hebbe met mijn ziel, dien ik bid, dat Hij met rechtvaardige

oogen Uw werk aanschouwe. En bij die woorden sleepte zij zich met

groote moeite naar het midden van het terras, wanhopend de zoo

brandende hitte te ontkomen en niet eens, maar duizend maal behalve van

haar andere kwellingen, meende zij van dorst te sterven, schreide

onophoudelijk weer en jammerde over haar ongeluk. Maar daar het al

vesper was en de student meende genoeg te hebben gedaan, liet hij haar

kleeren halen en in den mantel van den knecht wikkelen en ging naar het

huis van de rampzalige donna, vond daar de meid mistroostig, treurig en

radeloos aan de deur zitten, en sprak tot haar: Vrouw, wat is er met Uw

donna? De meid antwoordde: Messire, ik weet het niet; ik geloofde haar

vanmorgen in bed te vinden, waar zij gisteravond mij in scheen te zijn

gegaan, maar ik vond haar noch hier, noch elders en ik weet ook niet,

wat er van haar geworden is. Maar gij, messer, weet gij mij er niets

van te zeggen? De student antwoordde daarop: Ik wou, dat ik U had, waar

ik haar heb gehad, opdat gij voor Uw schuld zoo gestraft zoudt wezen,

als ik het haar deed voor de hare. Maar gij zult zeker niet aan mijn

handen ontsnappen, opdat ik U voor Uw werk betaal, zoodat gij nooit

meer met een man zult spotten of gij zult aan mij denken. En toen zei

hij tot den knecht: Geef haar die kleeren en zeg haar, dat zij naar

haar toegaat, als zij wil. De knecht deed gelijk hem bevolen was;

daarom vreesde de meid zeer, die ze had opgenomen en herkend en hoorde,

wat haar gezegd was, dat zij haar hadden gedood en weerhield zich

ternauwernood te schreeuwen. Dadelijk liep zij huilend, daar de student

al vertrokken was, hiermee naar den toren. Bij toeval had dien dag een

pachter van die donna twee varkens verloren en liep ze te zoeken. Kort

na het vertrek van den student kwam hij bij den toren en overal

rondstarend om zijn twee varkens te zien, vernam hij de jammerklacht,

welke de ongelukkige donna uitte. Hij klom naar boven, en zoo hard hij

kon schreeuwde hij: Wie huilt daar? De donna herkende de stem van haar

pachter en na hem bij den naam geroepen te hebben, sprak zij: Zeg, ga

naar mijn dienstmeid en doe wat mogelijk is om haar hier te laten

komen. De boer, die haar kende, antwoordde: Wee mij, mevrouw, maar wie

bracht U daarop? De meid zocht den heelen dag naar U, maar wie zou

hebben gedacht, dat gij hier waart? En na de twee armen van den ladder

te hebben gegrepen begon hij dien op te richten gelijk die staan moest

en die te binden met koorden en dwarsstokken. Intusschen kwam de meid,

die, in den toren gekomen, haar stem niet kon inhouden en met de hand

voor het hoofd begon zij te schreeuwen: Wee mij, mijn goede mevrouw,

waar is U? De donna hoorde haar en zeide zoo luid zij kon: O zusjelief,

ik ben hierboven; huil niet, maar breng mij spoedig mijn kleeren. Toen

de meid haar hoorde spreken, klom zij geheel bemoedigd op den ladder,

dien de boer bijna geheel in orde had gemaakt en door hem geholpen,

kwam zij op het terras en toen zij haar donna zag niet meer met een

menschelijk lichaam maar eer als een verschrompeld blad van den

wijnrank, geheel gebroken, geheel bleek en naakt op den grond liggend,

begon zij met de nagels in het gezicht over haar te schreien of zij

gestorven was. Maar de donna verzocht haar bij God te zwijgen en haar

te helpen bij het aankleeden. En daar zij wist, dat niemand bekend was,

waar zij zich bevond, behalve wie haar de kleeren hadden gebracht en de

boer, die daar tegenwoordig was, bad zij bij God, dat zij er nooit

iemand iets van zouden zeggen. De boer na veel praten, nam de donna,

die niet loopen kon, op zijn nek en bracht haar veilig buiten den

toren. De ongelukkige meid, die achter was gebleven en er minder

voorspoedig af klom, gleed uit, viel van den ladder en brak zich de dij

en door de pijn begon zij te brullen ais een leeuwin. De boer, die de

donna had neergezet op op een weide, ging zien, wat de meid had en vond

haar met gebroken dijbeen, legde haar ook op de weide en plaatste haar

naast de donna. Toen zij zag, dat bij haar andere kwalen dit haar nog

overkwam, dat die het dijbeen had gebroken, door welke zij hoopte

geholpen te worden meer dan door anderen, begon zij bedroefd opnieuw

zoo jammerlijk te weenen, dat niet alleen de boer haar niet kon

troosten maar zelf van zijn kant begon te huilen. Daar de zon al laag

stond, ging hij, opdat de nacht ze daar niet zou overvallen, gelijk het

aan de mistroostige donna behaagde, naar zijn huis en na daar zijn twee

broeders en zijn vrouw te hebben geroepen en met een plank te zijn

teruggekeerd, legden zij de meid daarop en droegen haar naar huis en na

de donna met frisch water te hebben versterkt en met goede woorden, nam

de boer haar op zijn nek en droeg haar in haar kamer. De vrouw van den

boer gaf haar gedrenkt brood te eten en na haar te hebben ontkleed,

bracht zij haar te bed en zij spraken af, dat zij en de meid ’s nachts

naar Florence zouden gebracht worden en zoo geschiedde het. Daar deed

de donna, die een grooten voorraad leugens bij de hand had, haar

broeders en zusters en iedereen gelooven, dat hun dit door

duivelsstreken overkomen was. De doktoren werden geroepen en niet

zonder zeer grooten angst en gevaar voor de donna, wier huid meermalen

kleven bleef aan de lakens, genazen zij haar van een hevige koorts en

van de andere ongelukken en evenzoo het dijbeen van de meid. Hierdoor

behoedde zich de donna, die haar minnaar vergat, voortaan wijselijk

zoowel voor misleiding als voor liefde. De student vernam, dat de meid

het dijbeen gebroken had, wat hem een genoegzame wraak scheen. Dat

geschiedde met de dwaze, jonge dame door haar grappen, die gedacht had

met een geleerde te kunnen spelen als met ieder ander, niet beseffend

dat zij—ik zeg niet allen—maar het meerendeel weten, waar Abraham de

mosterd haalt. En daarom, donna’s, neemt u in acht, om in het bijzonder

geen geleerden te misleiden.

De Decamerone van Boccaccio · 第 87 / 116 题