Bruno en Buffalmacco stelen van Calandrino een zwijn. Zij geven hem
hoop het weer te vinden met gemberpillen en witten wijn en geven
hem er twee van, als die voor de honden in aloë gekonfijt en het
schijnt hem, dat hij het zelf heeft geroofd. Zij laten hem er voor
betalen, indien hij niet wil, dat zij het aan zijn vrouw zeggen.
De novelle van Filostrato, waarover zeer werd gelachen, was nog niet
uit of de koningin beval aan Filomene, dat zij zou volgen, die aldus
begon: Genadige donna’s. Daar Filostrato door den naam Maso er toe werd
aangetrokken de geschiedenis te vertellen, die gij hebt gehoord, zoo
ben ik er toe geneigd door die van Calandrino en zijn metgezellen U een
andere van hen te vertellen, die, naar ik geloof, U zal behagen.
Het is niet noodig, dat ik U zeg, wie Calandrino, Bruno en Buffalmacco
waren, omdat gij daarvan genoeg hebt gehoord en daarom zeg ik alleen,
dat Calandrino een klein buiten had niet ver van Florence, dat hij van
zijn vrouw als bruidschat ontvangen had. Onder de inkomsten, die hij
daaruit trok, kreeg hij elk jaar een varken. Het was zijn gewoonte in
December met zijn vrouw daar heen te gaan en het varken te slachten en
in te zouten.
Calandrino ging eens, toen zijn vrouw alleen was, alleen het zwijn
slachten. Toen Bruno en Buffalmacco wisten, dat zijn vrouw niet mee
ging, begaven zij zich naar een priester, een zeer goed vriend van hem,
een buurman van Calandrino om een dag of wat bij hem door te brengen.
Calandrino had den morgen, toen zij aankwamen, het varken gedood. Toen
hij ze bij den pastoor zag, riep hij ze en sprak: Wees welkom en ziet,
hoe goed ik het huishouden kan waarnemen. Na ze in huis te hebben
geleid, toonde hij hun het varken. Zij zagen, dat het zeer mooi was en
hoorden van hem, dat hij het voor zijn huishouden wilde inzouten. Bruno
sprak: Wel, wat zijt gij dom! Verkoop het en laat ons van het geld
plezier hebben en zeg aan Uw vrouw, dat men het gestolen heeft.
Calandrino antwoordde: Neen, dat gelooft ze niet en ze zou mij het huis
uitjagen; dat doe ik nooit. Zij praatten genoeg, maar het hielp niets.
Calandrino noodigde hen gulweg tot het avondmaal uit; zij gingen
evenwel weg. Bruno zeide tot Buffalmacco: Willen wij vannacht dat
varken van hem stelen? Buffalmacco antwoordde: Och, hoe zullen wij dat
kunnen? Bruno sprak: Hoe, dat weet ik wel, als hij hier maar niet
weggaat. Buffalmacco zeide: Laten wij het dan doen? En later zullen we
er met den pastoor plezier van hebben. De pastoor zeide, dat het hem
zeer beviel. Toen sprak Bruno: Men moet hier een weinig listig te werk
gaan; gij weet, Buffalmacco, hoe gierig Calandrino is en hoe hij gaarne
drinkt, als een ander betaalt. Laat hem naar een taveerne brengen en
daar zal de pastoor doen, of hij alles betaalt om ons en hem eer te
bewijzen. Hij zal zich dronken drinken en dan zullen wij onze kans
waarnemen, omdat hij alleen thuis is. Zoo gezegd, zoo gedaan.
Calandrino, die zag, dat de priester betaalde, begon duchtig te drinken
en hoewel hij er niet veel van noodig had, nam hij er toch een goede
lading van in en daar het al laat was, toen hij de taveerne verliet,
trad hij binnen zonder te eten, geloofde de deur gesloten te hebben,
liet die open en ging naar bed.
Buffalmacco en Bruno gingen met den priester avondmalen en daarna namen
zij zekere gereedschappen mede om heimelijk in het huis van Calandrino
binnen te dringen, waar Bruno het had aangewezen. Toen zij de deur open
vonden, haakten zij het varken af, droegen dit naar het huis van den
pastoor, en gingen slapen. Calandrino, dien de wijn uit het hoofd was
gegaan, stond ’s ochtends op en toen hij beneden was, keek hij, zag het
varken niet en de deur open. Daarom vroeg hij aan iedereen of ze het
varken gezien hadden en toen hij het niet vond, schreeuwde hij: Wee
mij, ongelukkige! Bruno en Buffalmacco stonden op en gingen naar
Calandrino om te hooren, wat hij van het varken zou zeggen. Zoodra hij
hen zag, zeide hij klagend: Wee mij, mijn vrienden, het varken is mij
ontroofd. Bruno sprak zachtjes: Het is een wonder, dat gij één keer
wijs zijt geweest. Wee mij, riep Calandrino, want wat ik zeg, is waar.
Vertel dit maar, sprak Bruno, en schreeuw het zoo hard, dat het
schijnt, dat het zoo is gebeurd. Calandrino klaagde toen nog harder en
zeide: Bij het Lichaam van God, ik zeg de waarheid, en Bruno hernam:
Zeg dat maar en indien gij het zoo wilt vertellen, schreeuw dan hard en
doe denken, dat het waar is. Calandrino sprak: Gij zult mij aan den
duivel overleveren. Gij gelooft mij toch niet; ik zal opgeknoopt
worden, als het niet geroofd is. Toen sprak Bruno; Kijk, hoe is dat
mogelijk! Ik zag het nog gisteren. Meent gij mij te kunnen wijs maken,
dat het gestolen is? Calandrino sprak: Het is, zooals ik u zeg. Hè,
hernam Bruno, hoe kan dat zijn! Zeker, zeide Calandrino, zoo is het, en
ik weet niet, hoe ik naar huis zal komen. Mijn vrouw zal mij niet
gelooven en als zij het toch doet, zal ik het heele jaar geen vrede
meer met haar hebben. Toen sprak Bruno: God beware mij, het is leelijk
genoeg, maar gij weet, Calandrino: ik raadde u gisteren aan aldus te
spreken en ik zou niet willen, dat gij tegelijkertijd uw vrouw en ons
voor den mal houdt. Calandrino begon te schreeuwen: Wel, waarom maakt
gij mij wanhopig en doet mij God en de heiligen en al, wat er is,
lasteren. Ik zeg u, dat het varken vannacht van mij gestolen is.
Toen sprak Buffalmacco: Als het toch zoo is, moeten wij een middel zien
te vinden om het terug te hebben. En welk middel, sprak Calandrino, is
er dan? Buffalmacco hernam: Er is zeker niemand uit Indië gekomen om
het varken van u te stelen; het moet dus een van uw buren geweest zijn
en als gij die bijeenroept, zal ik de brood- en kaas-proef nemen en wij
zullen dadelijk zien, wie het gestolen heeft. Ja, sprak Bruno, gij zult
wel de proef kunnen doen, want een uit den omtrek moet het gestolen
hebben, maar men zal het gewaar worden en niet hier komen. Hoe moeten
wij dan doen? sprak Buffalmacco. Bruno antwoordde: We moeten ze
uitnoodigen en goeden, witten wijn met gemberpillen te drinken geven.
Ze zullen er dan niet aan denken en aldus zullen wij de gemberpillen
kunnnen zegenen zoo goed als het brood en de kaas. Buffalmacco zeide:
Dat is goed en gij, Calandrino, wat zegt gij er van? Wat zullen wij
doen? Calandrino sprak: Ik bid U er om bij de liefde tot God. Want als
ik wist, wie het gestolen heeft, zou ik al half getroost zijn. Goed,
hernam Bruno, ik ben bereid daarvoor naar Florence te gaan, indien gij
mij geld geeft. Calandrino had misschien veertig stuivers, welke hij
hem gaf. Bruno, die naar een intiemen vriend te Florence ging, kocht
een pond flinke gemberpillen en liet er twee van het soort voor honden
maken, die hij in deeg van aloë liet doen. Hij liet ze vervolgens in
suiker rollen evenals de anderen en om ze niet te verwarren gaf hij ze
een merk. Hij kocht een flesch goeden witten wijn, keerde in het dorp
naar Calandrino terug en zeide: Gij moet morgen degenen bij U te
drinken vragen, tegen wien gij argwaan hebt; het lijkt dan een feest;
iedereen zal gaarne komen en ik zal vannacht met Buffalmacco de
bezwering over de pillen uitspreken en uit vriendschap voor U zal ik
zelf alles uitvoeren. Calandrino deed dit.
Toen hij een heel gezelschap van florentijnsche jongelieden en van
boerenarbeiders had verzameld, ging hij den volgenden morgen voor de
kerk bij den olm staan, en kwamen Bruno en Buffalmacco daar met een
schotel pillen en met den wijn en na ze in een kring geplaatst te
hebben, zeide Brano: Heeren, ik moet U de reden zeggen, waarom gij hier
zijt, opdat, als er iets onaangenaams voorvalt, gij U niet zult
beklagen. Aan Calandrino werd gisteren een mooi varken ontstolen en men
weet niet, wie het heeft gedaan en daar een van ons het moet hebben
weggenomen, geeft hij om dien te ontdekken U deze pillen en dezen wijn.
Wie het varken stal, zal de pil niet opeten, maar die zal hem bitterder
smaken dan venijn. Hij zal haar uitspuwen en opdat die schande hem in
tegenwoordigheid van zoovelen zal aangedaan worden, is het daarom
misschien beter, dat diegene het boetvaardig aan den pastoor zegt. Elk
van hen zeide, dat hij gaarne de pil wou slikken; daarom, nadat Bruno
Calandrino tusschen hen geplaatst had en hij bij een der uiteinden van
den kring aanving, gaf hij er ieder een. Toen hij tegenover Calandrino
stond, nam hij een der hondenpillen en gaf hem die. Calandrino deed die
snel in zijn mond en begon te kauwen, maar zoodra zijn tong de aloë
proefde, die de bitterheid niet kon verdragen, spuwde hij die uit. Zij
keken elkaar aan om te zien, wie de zijne zou uitspuwen en daar Bruno
nog niet klaar was met het uitdeelen en deed of hij er niet op lette,
hoorde hij achter zich zeggen: He, Calandrino wat is dat? Hij keerde
zich snel om, zag, dat Calandrino de zijne had uitgespuwd en zeide:
Wacht, misschien deed een andere reden hem die uitspuwen; neem een
andere en nadat hij de tweede genomen had, stopte hij hem die in den
mond en gaf de tweede rond, die hij nog had.
Zoo de eerste aan Calandrino bitter leek, scheen de tweede nog
bitterder, maar toch schaamde hij zich die uit te spuwen. Hij hield
haar kauwend in den mond hoewel met tranen in de oogen, daar het hem
zeer pijnlijk scheen. Eindelijk kon hij het niet meer uithouden, en
spuwde die ook uit. Buffalmacco liet het aan het gezelschap en Bruno
drinken; dezen, die dit met de anderen te samen merkten, zeiden, dat
Calandrino het zeker zelf had gestolen en er waren er onder, die hem
dit hevig verweten. Maar toen Bruno en Buffalmacco met Calandrino waren
achter gebleven, zeiden zij tot hem: Wij waren er wel zeker van, dat
gij het zelf hebt gedaan en dat gij ons hebt willen wijs maken, dat het
u ontstolen was om geen rondje te geven van het geld, dat gij daaruit
geslagen hebt. Calandrino, die de bitterheid van de aloë nog niet had
uitgespuwd, begon te zweren, dat hij het niet had gedaan. Buffalmacco
zeide: Maar wat hebt gij er voor gehad, grappenmaker, te goeder trouw?
Hebt gij er zes florijnen aan verdiend? Calandrino, die dit hoorde,
begon te wanhopen. Hierop sprak Bruno: Hoor, Calandrino, in het
gezelschap was er iemand, die zeide, dat gij hier een jonge vrouw tot
uw beschikking hield en haar alles geeft en dat hij vast geloofde, dat
gij dien het varken gestuurd hebt; gij kunt anderen goed misleiden. Gij
hebt ons eens naar de Mugnone gebracht om zwarte steenen te verzamelen
en toen gij ons op de galei hebt gezet zonder scheepsbeschuit, zijt gij
er vandaan gegaan. Met uwe eeden gelooft gij op een andere manier ons
wijs te maken, dat het varken, hetwelk gij hebt weggeschonken of
verkocht hebt, u is ontstolen. Wij kennen nu uw grappen en gij zult ze
ons niet meer leveren en daarom, om u de waarheid te zeggen, hebben wij
die proefneming gedaan, daar wij wenschen, dat gij ons twee paar kippen
geeft of wij vertellen alles aan monna Tessa. Calandrino, die zag, dat
het niet werd geloofd en genoeg leed had, wilde niet den naijver van
zijn vrouw op den koop toe hebben en gaf hun twee paar kippen. Toen zij
het varken hadden gezouten, droegen zij het naar Florence en lieten
Calandrino met de schade en misleid achter.