VIJFDE VERTELLING.

Drie jongelieden trekken een Marcezaansch rechter te Florence,

terwijl hij zitting houdt, zijn broek uit.

Emilia had haar vertelling geëindigd, terwijl de weduwe door allen

geprezen was, toen de koningin naar Filostrato ziende, sprak: Aan u is

thans de beurt om te verhalen. Hierop antwoordde hij haastig, dat hij

gereed was en begon: Verrukkelijke donna’s. De jongeling, waarvan Elisa

u zooeven gesproken heeft, namelijk Maso del Saggio, herinnert mij aan

een novelle van hem en eenige van zijn kameraden, welke, hoewel er

uitdrukkingen in voorkomen, die u zullen doen blozen, niettemin zooveel

stof tot lachen geeft, dat ik u die toch zal mededeelen.

Gelijk gij allen kunt gehoord hebben, komen in onze stad zeer dikwijls

Marcezaansche schouten [155], die gewoonlijk menschen met weinig gevoel

zijn en die zulk een bekrompen en ellendig leven leiden, dat het niets

anders schijnt dan één schraperij en door hun armoe en hun ingeboren

gierigheid, brengen zij rechters en notarissen mede, die menschen

schijnen eer achter de ploeg vandaan gehaald of uit een touwslagerij

dan uit de scholen der magistratuur. Toen een van hen als baljuw bij

ons gekomen was, bracht hij een rechter mee, Niccola van San Lepidio,

die naar het uiterlijk eerder een ketellapper scheen en die alleen

aangesteld was om misdadige zaken te onderzoeken. En daar er dikwijls

burgers kwamen, die niets in het gerechtshof te maken hadden, zocht

Maso del Saggio daar op een morgen naar een vriend en keek naar den

zetel van messer Niccola. Deze scheen hem een vreemde vogel en hij nam

hem van het hoofd tot de voeten op. En terwijl hij hem zag met een

zwart geworden baret van bont en een ganzenpen in den gordel en de toga

langer dan het sleepend gewaad daaronder, aanschouwde hij onder andere

vreemde dingen iets opmerkelijks en dat was een broek zoo wijd, dat het

achterstuk tot op de helft van zijn beenen viel, als hij zat, terwijl

de kleeren van voren van nauwheid open stonden. Zonder hem langer te

beturen en niet verder zoekend, ging hij iemand anders opsporen en vond

twee van zijn vrienden, Ribi en Matteuzzo, jongelieden even snaaksch

als Maso en zeide tot hen: Als gij mij welgezind zijt, ga dan met mij

mee naar het gerechtshof, waar ik jullie de gekste kerel van de wereld

zal laten zien. Hij ging met hen daarheen en toonde hun dien rechter en

zijn broek.

Zij begonnen er om te lachen, zoover ze die zien konden; na dichter bij

de banken te zijn gekomen, waar mijnheer de rechter zetelde, zagen zij,

dat zij er licht onder konden kruipen en bovendien, dat de planken,

waarop deze de voeten zette, zoo gebroken waren, dat men er met gemak

hand en arm door kon steken. Toen sprak Maso tot zijn kameraden: Laten

wij hem zijn broek heelemaal uittrekken, want dat gaat best. Ieder van

de gezellen had opgelet, hoe het mogelijk was. Den volgenden morgen

kwamen zij terug en daar het gerechtshof vol menschen was, ging

Matteuzo, wien niemand gewaar werd, onder de bank en begaf zich juist

onder de plaats, waar de rechter de voeten zette. Maso, die den rechter

aan den eenen kant genaderd was, nam hem bij een slip van zijn toga en

Ribi, die van den anderen kant kwam, deed het zelfde en Maso sprak:

Edelachtbare, o edelachtbare, ik bid u bij God, dat gij, eer die

spitsboef, die daar aan uw zijde staat, weggaat, mij door hem een paar

schoenen doet terug geven, welke hij van mij gestolen heeft en toch

zegt hij van niet, en ik zag nog geen maand geleden, dat hij ze opnieuw

liet zoolen. Ribi van den anderen kant schreeuwde hard: Edelachtbare,

geloof hem niet, want hij is een bedrieger en omdat hij weet, dat ik

hier gekomen ben om een valies op te eischen, dat hij van mij heeft

weggenomen, is hij hier gekomen en praat van de schoenen, die ik pas

sinds eergisteren in huis heb. En als gij mij niet gelooft, zal ik tot

getuigenis brengen la Trecca, die naast mij woont en la Grassa, de

dikke pensverkoopster en iemand, die het vuil ophaalt van Santa Maria

tot Verzaja, die ze zag, toen hij van het dorp terugkeerde. Maar van

zijn kant liet Ribi hem niet uitspreken, maar schreeuwde ook en ging

nog meer te keer. Terwijl de rechter rechtop stond om beter te hooren,

nam Matteuzo de kans waar, stak de hand door een scheur van de planken

en trok zeer hardhandig het achterstuk van de broek van den rechter

omlaag. Onmiddellijk viel de broek neer, daar de rechter mager en

zonder heupen was. Hij voelde iets, maar wist niet wat het was en wilde

de broek optrekken, zich weer bedekken en gaan zitten, doch Maso hield

hem aan den eenen en Ribi aan den anderen kant vast en zij riepen luid:

Messere, gij beleedigt mij door mij niet aan te willen hooren en weg te

willen gaan. Zulke kleinigheden behandelt men niet schriftelijk in onze

gemeente.

En bij die woorden hielden zij hem zóó bij zijn slippen vast, dat

allen, die in het gerechtshof waren, zagen, dat hem de broek

afgetrokken was. Maar Matteuzo na hem eenigen tijd te hebben

vastgehouden liet hem los, kwam naar buiten en ging heen zonder te zijn

opgemerkt. Ribi, die meende, dat hij genoeg gepleit had, zeide: Bij

God, ik ga hulp zoeken bij den burgemeester. En Maso, die de toga

losliet, zeide: Neen, ik zal hier nog dikwijls terug komen, als gij het

niet zoo druk hebt; en zij gingen zoo gauw als zij konden weg. Mijnheer

de rechter, die zijn broek had opgetrokken in tegenwoordigheid van

iedereen, bemerkte nu, alsof hij pas wakker werd, de grap en vroeg,

waar die twee heengegaan waren, die gevraagd hadden naar de schoenen en

het valies, maar daar men ze niet terugvond, zwoer hij bij de darmen

van God zelf, dat hij wilde weten of het te Florence gewoonte was aan

rechters de broek uit te trekken, wanneer zij zetelden in het gestoelte

der justitie. De schout, die dit hoorde, maakte veel kabaal, maar toen

zijn vrienden hem hadden uiteengezet, dat dit alleen was geschied om

hem aan te toonen, dat de Florentijners wisten, dat hij dwazen had

gebracht, omdat hij die goedkooper kon krijgen, waar hij behoord had

rechters te brengen, vond hij het beter te zwijgen en ditmaal had die

zaak daarom geen verder gevolg.

De Decamerone van Boccaccio · 第 85 / 116 题