VIERDE VERTELLING.

De provoost van Fiesole bemint een weduwe, die hem niet bemint. Hij

gelooft met haar te slapen, doch doet dit met haar dienstmaagd en

de broeders van de donna doen hem betrappen door den bisschop.

Toen Elisa aan het eind van haar novelle gekomen was en tot groot

genoegen van het gezelschap had verteld, keerde de koningin zich naar

Emilia en gaf haar aldus te kennen, dat zij na Elisa zou vertellen;

deze begon: Waardige donna’s. Hoe de priesters, de broeders en alle

geestelijken de heerschers over onze geesten zijn, is in vele novellen

aangetoond, maar daar men er nooit zooveel van kan vertellen, of er

blijft nog meer over, zal ik u een verhaal doen van een provoost, die

ondanks alles wilde, dat een edelvrouw hem genoegen zou doen, doch,

daar zij zeer slim was, hem behandelde, gelijk hij het verdiende.

Gelijk ieder uwer weet, was Fiesole, welks heuvel wij van hier zien

kunnen, een zeer oude en groote stad; hoewel thans geheel vervallen,

heeft zij toch nog een bisschop. In de buurt van de hoofdkerk bewoonde

een edelvrouw, weduwe, monna Piccarda, een landgoed met een niet te

groot huis, waar zij het grootste deel van het jaar vertoefde met haar

twee broeders, welopgevoede en hoffelijke jongelieden. De provoost van

de kerk werd, terwijl zij gewoon was daarheen te gaan en zij nog zeer

jong, schoon en bekoorlijk was, op haar verliefd, zoodat hij zich niet

bedwingen kon. Na eenigen tijd was hij zoo ontvlamd, dat hij haar dit

mededeelde, smeekte met zijn liefde vrede te hebben en hem ook te

beminnen. Deze provoost was al oud, maar van zeer jeugdigen

temperament, vermetel, trotsch, had een hoog idee van zich zelf en

manieren en gewoonten vol aanstellerij. Hij was zoo vervelend en

hinderlijk, dat niemand hem welgezind was en als iemand een hekel aan

hem had, was het die donna, want niet alleen dat zij hem niet mocht

lijden, maar zij haatte hem meer dan kiespijn. Daarom zeide de slimme

vrouw:

Messire, dat gij mij lief hebt, is mij zeer aangenaam en ik moet en zal

u liefhebben, maar bij uw liefde en de mijne mag nooit iets oneerbaars

voorkomen. Gij zijt mijn geestelijke vader en priester en reeds den

ouderdom nabij, hetgeen u eerbaar en kuisch moet maken en ook ik ben

geen kind, dien zulke verliefdheden passen. Ik ben weduwe en gij weet,

hoe zeer men eerbaarheid van weduwen vereischt en neem mij dus niet

kwalijk, dat ik u nooit zal lief hebben op de wijze, waarop u dit

vraagt. De provoost, die van haar niets anders kon gedaan krijgen,

toonde zich bij den eersten tegenslag noch verwonderd, noch overwonnen,

maar hield zijn dwaze indringerigheid vol, viel haar vaak lastig met

brieven en boodschappen en deed dit zelfs, als hij haar in de kerk zag

komen. Zij vond deze vervolging te hinderlijk en te ergerlijk, en zij

besloot hem zijn verdiende loon te geven maar niets te doen, voor zij

er met haar broeders over had gesproken. Na hen gezegd te hebben, wat

de provoost in het schild voerde, en ook wat zij van plan was te doen

en na daarin van hen volkomen verlof te hebben gekregen, ging zij een

paar dagen later naar de kerk. De provoost zag haar, ging toen dadelijk

naar haar toe en en begon op een familiare manier met haar te spreken.

Toen de donna hem zag aankomen en hem aankeek, zette zij een verheugd

gezicht en na hem ter zijde te hebben getrokken en nadat hij haar veel

had gezegd op zijn gebruikelijke wijze, sprak de donna na een diepen

zucht: Messere, ik heb dikwijls gehoord, dat er geen kasteel bestaat

zoo sterk, dat niet, als het elken dag bestormd wordt, eens wordt

genomen, wat ik wel zie, dat mij gebeurd is. Gij hebt zoo om mij

gedraaid met zoete woorden en hoffelijkheden, dat gij mij mijn

voornemen hebt doen verbreken en dat ik bereid ben, zoo u dit behaagt,

de uwe te willen zijn. De provoost zeide verheugd: Madonna, dank en om

u de waarheid te zeggen, heb ik mij zeer verbaasd, dat gij zoo

terughoudend waart, daar mij dit nog nooit was overkomen. Integendeel

heb ik enkele malen gezegd: Als de vrouwen van zilver waren, zouden zij

geen oortje waard zijn als munt, omdat er geen een aan den hamer

weerstand biedt. Maar laten wij dit nu terzijde stellen: Wanneer kunnen

wij samen zijn! Mijn lieve heer, wanneer het ons behaagt; ik heb geen

echtgenoot, aan wien ik rekenschap moet geven. Maar waar zullen wij

samen zijn? De provoost hernam: Niet in uw huis? De donna antwoordde:

Messere, gij weet, dat ik twee broeders heb, die nacht en dag

thuiskomen met hun vrienden en mijn woning is niet te groot; daarom kan

dat daar niet gebeuren of gij moet u houden als een stomme en in het

donker geen gerucht maken evenals de blinden. Als gij dit wilt doen,

zal het gaan, omdat zij niet in mijn kamer doordringen, maar de hunne

is zoo dicht bij de mijne, dat niet het minste woordje kan gezegd

worden. De provoost zeide toen: Madonna, dat is goed voor een of twee

nachten, maar dan zullen wij elders meer op ons gemak zijn. De donna

sprak: Messere, dat staat toch aan u, maar één ding bid ik u, dat dit

geheim blijft. Daarop ging de provoost voort: Madonna, twijfel daar

niet aan en indien het kan, zorg dan, dat wij vanavond te zamen zijn.

De donna sprak: Dat bevalt mij en na haar te hebben gezegd, hoe en

wanneer hij zou komen, ging hij heen.

Deze donna had een meid, die lang niet jong was, en zij had het

misvormdste gezicht dat men ooit zag; een platten neus, een scheeven

mond, dikke lippen, slechte en groote tanden en zij keek loensch en had

altijd pijn in de oogen en had een groene en gele kleur, zoodat zij den

zomer niet scheen doorgebracht te hebben in Fiesole [153] maar in

Sinigaglia. Behalve dat was zij mank en een weinig scheef aan den

rechterkant. Zij heette Ciuta en omdat zij zulk een misvormd gezicht

had, werd zij door elk man Ciutazza [154] genoemd. Hoewel zij leelijk

was, was zij bovendien snibbig. De donna sprak tot haar: Ciutazza, als

gij mij vanavond een dienst wilt doen, zal ik u een mooi hemd geven.

Toen Ciutazza van een hemd hoorde spreken, antwoordde deze: Madonna

voor een hemd zal ik mij in het vuur werpen en meer nog. Welnu, zeide

de donna, ik wil, dat gij vannacht in mijn bed slaapt met een man en

dat gij hem liefkoost en zóó, dat het niet wordt opgemerkt door mijn

broeders, want gij weet, dat die vlak bij u slapen. Ciutazza zeide:

Desnoods wil ik er wel met zes in plaats van een slapen. Toen de avond

viel, kwam messere de provoost en de twee jongelieden waren in hun

kamer en lieten zich wel hooren; daarom ging de provoost tersluiks en

in het donker in die van de donna naar bed en van den anderen kant

Ciutazza. Mijnheer de provoost, die waande de donna aan zijn zijde te

hebben, nam Ciutazza in zijn armen en begon haar te kussen zonder een

woord te spreken en Ciutazza hem en hij begon zich met haar te

bevredigen na langdurige begeerte.

Toen de donna dit had gedaan, beval zij aan haar broers, dat zij de

rest zouden doen van wat zij hadden afgesproken, die, heimelijk uit de

kamer gegaan, zich naar het plein begaven en de fortuin was hun

gunstiger, dan zij het zelf gewenscht hadden, want daar de warmte groot

was, vroeg de bisschop om met hen naar hun huis te gaan en met hen te

drinken. Zij vertelden hem hun bedoeling, begaven zich met hem op weg

en na met hem op een zeer koele, kleine binnenplaats te zijn gegaan,

waar veel lichten waren aangestoken, dronk hij met groot genoegen van

een hunner goede wijnen. Na gedronken te hebben, zeiden de jongelieden:

Messer, omdat gij ons zulk een gunst hebt bewezen, dat gij u

verwaardigd hebt ons kleine huisje te bezoeken, wenschen wij, dat het u

zal behagen een zaakje te zien, dat wij u zullen toonen. De bisschop

antwoordde: Gaarne. Een van de jongelieden nam een toorts, ging voorop

en de bisschop en de anderen volgden en wendden zich naar de kamer,

waar mijnheer de provoost met Ciutazza lag. Deze had zich gehaast tot

ruiterdienst en had dien al drie maal verricht en daardoor vermoeid en

door de warmte sliep hij met Ciutazza in zijn armen. Toen de

jongelieden in de kamer traden en daarna de bisschop, werd hem de

provoost aangewezen met Ciutazza in dien toestand. Messer de provoost

richtte zich op, zag het licht en de lieden rondom, schaamde zich, werd

bang en stak het hoofd onder de lakens. De bisschop beleedigde hem zeer

en liet zijn hoofd te voorschijn trekken en hem zien, met wie hij

geslapen had. De provoost, die het bedrog ontdekte, werd ook door de

schande de treurigste man ter wereld; na zich op bevel des bisschops

gekleed te hebben, werd hij naar huis gezonden om een groote boete te

doen onder goede bewaking. Later wilde de bisschop weten, hoe het kwam,

dat hij met Ciutazza had geslapen. De jongelieden vertelden hem alles.

Toen de bisschop dit had gehoord, prees hij de donna en ook de

jongelieden, die zonder zich met het bloed van den priester te

bevlekken hem hadden behandeld, zooals hij het verdiende. De bisschop

legde hem veertig dagen kerkerstraf op, maar de liefde en de woede

deden hem die negen en veertig dagen beklagen. Behalve dat kon hij

sinds dien tijd nooit uitgaan zonder door de kinderen te worden bespot

met: Kijk daar heb je hem, die met Ciutazza sliep, wat voor hem zoo

hinderlijk was, dat hij er haast gek van werd. En op die manier raakte

de donna den last van den vervelenden provoost kwijt en verdiende

Ciutazza het hemd en een goeden nacht.

De Decamerone van Boccaccio · 第 84 / 116 题