De provoost van Fiesole bemint een weduwe, die hem niet bemint. Hij
gelooft met haar te slapen, doch doet dit met haar dienstmaagd en
de broeders van de donna doen hem betrappen door den bisschop.
Toen Elisa aan het eind van haar novelle gekomen was en tot groot
genoegen van het gezelschap had verteld, keerde de koningin zich naar
Emilia en gaf haar aldus te kennen, dat zij na Elisa zou vertellen;
deze begon: Waardige donna’s. Hoe de priesters, de broeders en alle
geestelijken de heerschers over onze geesten zijn, is in vele novellen
aangetoond, maar daar men er nooit zooveel van kan vertellen, of er
blijft nog meer over, zal ik u een verhaal doen van een provoost, die
ondanks alles wilde, dat een edelvrouw hem genoegen zou doen, doch,
daar zij zeer slim was, hem behandelde, gelijk hij het verdiende.
Gelijk ieder uwer weet, was Fiesole, welks heuvel wij van hier zien
kunnen, een zeer oude en groote stad; hoewel thans geheel vervallen,
heeft zij toch nog een bisschop. In de buurt van de hoofdkerk bewoonde
een edelvrouw, weduwe, monna Piccarda, een landgoed met een niet te
groot huis, waar zij het grootste deel van het jaar vertoefde met haar
twee broeders, welopgevoede en hoffelijke jongelieden. De provoost van
de kerk werd, terwijl zij gewoon was daarheen te gaan en zij nog zeer
jong, schoon en bekoorlijk was, op haar verliefd, zoodat hij zich niet
bedwingen kon. Na eenigen tijd was hij zoo ontvlamd, dat hij haar dit
mededeelde, smeekte met zijn liefde vrede te hebben en hem ook te
beminnen. Deze provoost was al oud, maar van zeer jeugdigen
temperament, vermetel, trotsch, had een hoog idee van zich zelf en
manieren en gewoonten vol aanstellerij. Hij was zoo vervelend en
hinderlijk, dat niemand hem welgezind was en als iemand een hekel aan
hem had, was het die donna, want niet alleen dat zij hem niet mocht
lijden, maar zij haatte hem meer dan kiespijn. Daarom zeide de slimme
vrouw:
Messire, dat gij mij lief hebt, is mij zeer aangenaam en ik moet en zal
u liefhebben, maar bij uw liefde en de mijne mag nooit iets oneerbaars
voorkomen. Gij zijt mijn geestelijke vader en priester en reeds den
ouderdom nabij, hetgeen u eerbaar en kuisch moet maken en ook ik ben
geen kind, dien zulke verliefdheden passen. Ik ben weduwe en gij weet,
hoe zeer men eerbaarheid van weduwen vereischt en neem mij dus niet
kwalijk, dat ik u nooit zal lief hebben op de wijze, waarop u dit
vraagt. De provoost, die van haar niets anders kon gedaan krijgen,
toonde zich bij den eersten tegenslag noch verwonderd, noch overwonnen,
maar hield zijn dwaze indringerigheid vol, viel haar vaak lastig met
brieven en boodschappen en deed dit zelfs, als hij haar in de kerk zag
komen. Zij vond deze vervolging te hinderlijk en te ergerlijk, en zij
besloot hem zijn verdiende loon te geven maar niets te doen, voor zij
er met haar broeders over had gesproken. Na hen gezegd te hebben, wat
de provoost in het schild voerde, en ook wat zij van plan was te doen
en na daarin van hen volkomen verlof te hebben gekregen, ging zij een
paar dagen later naar de kerk. De provoost zag haar, ging toen dadelijk
naar haar toe en en begon op een familiare manier met haar te spreken.
Toen de donna hem zag aankomen en hem aankeek, zette zij een verheugd
gezicht en na hem ter zijde te hebben getrokken en nadat hij haar veel
had gezegd op zijn gebruikelijke wijze, sprak de donna na een diepen
zucht: Messere, ik heb dikwijls gehoord, dat er geen kasteel bestaat
zoo sterk, dat niet, als het elken dag bestormd wordt, eens wordt
genomen, wat ik wel zie, dat mij gebeurd is. Gij hebt zoo om mij
gedraaid met zoete woorden en hoffelijkheden, dat gij mij mijn
voornemen hebt doen verbreken en dat ik bereid ben, zoo u dit behaagt,
de uwe te willen zijn. De provoost zeide verheugd: Madonna, dank en om
u de waarheid te zeggen, heb ik mij zeer verbaasd, dat gij zoo
terughoudend waart, daar mij dit nog nooit was overkomen. Integendeel
heb ik enkele malen gezegd: Als de vrouwen van zilver waren, zouden zij
geen oortje waard zijn als munt, omdat er geen een aan den hamer
weerstand biedt. Maar laten wij dit nu terzijde stellen: Wanneer kunnen
wij samen zijn! Mijn lieve heer, wanneer het ons behaagt; ik heb geen
echtgenoot, aan wien ik rekenschap moet geven. Maar waar zullen wij
samen zijn? De provoost hernam: Niet in uw huis? De donna antwoordde:
Messere, gij weet, dat ik twee broeders heb, die nacht en dag
thuiskomen met hun vrienden en mijn woning is niet te groot; daarom kan
dat daar niet gebeuren of gij moet u houden als een stomme en in het
donker geen gerucht maken evenals de blinden. Als gij dit wilt doen,
zal het gaan, omdat zij niet in mijn kamer doordringen, maar de hunne
is zoo dicht bij de mijne, dat niet het minste woordje kan gezegd
worden. De provoost zeide toen: Madonna, dat is goed voor een of twee
nachten, maar dan zullen wij elders meer op ons gemak zijn. De donna
sprak: Messere, dat staat toch aan u, maar één ding bid ik u, dat dit
geheim blijft. Daarop ging de provoost voort: Madonna, twijfel daar
niet aan en indien het kan, zorg dan, dat wij vanavond te zamen zijn.
De donna sprak: Dat bevalt mij en na haar te hebben gezegd, hoe en
wanneer hij zou komen, ging hij heen.
Deze donna had een meid, die lang niet jong was, en zij had het
misvormdste gezicht dat men ooit zag; een platten neus, een scheeven
mond, dikke lippen, slechte en groote tanden en zij keek loensch en had
altijd pijn in de oogen en had een groene en gele kleur, zoodat zij den
zomer niet scheen doorgebracht te hebben in Fiesole [153] maar in
Sinigaglia. Behalve dat was zij mank en een weinig scheef aan den
rechterkant. Zij heette Ciuta en omdat zij zulk een misvormd gezicht
had, werd zij door elk man Ciutazza [154] genoemd. Hoewel zij leelijk
was, was zij bovendien snibbig. De donna sprak tot haar: Ciutazza, als
gij mij vanavond een dienst wilt doen, zal ik u een mooi hemd geven.
Toen Ciutazza van een hemd hoorde spreken, antwoordde deze: Madonna
voor een hemd zal ik mij in het vuur werpen en meer nog. Welnu, zeide
de donna, ik wil, dat gij vannacht in mijn bed slaapt met een man en
dat gij hem liefkoost en zóó, dat het niet wordt opgemerkt door mijn
broeders, want gij weet, dat die vlak bij u slapen. Ciutazza zeide:
Desnoods wil ik er wel met zes in plaats van een slapen. Toen de avond
viel, kwam messere de provoost en de twee jongelieden waren in hun
kamer en lieten zich wel hooren; daarom ging de provoost tersluiks en
in het donker in die van de donna naar bed en van den anderen kant
Ciutazza. Mijnheer de provoost, die waande de donna aan zijn zijde te
hebben, nam Ciutazza in zijn armen en begon haar te kussen zonder een
woord te spreken en Ciutazza hem en hij begon zich met haar te
bevredigen na langdurige begeerte.
Toen de donna dit had gedaan, beval zij aan haar broers, dat zij de
rest zouden doen van wat zij hadden afgesproken, die, heimelijk uit de
kamer gegaan, zich naar het plein begaven en de fortuin was hun
gunstiger, dan zij het zelf gewenscht hadden, want daar de warmte groot
was, vroeg de bisschop om met hen naar hun huis te gaan en met hen te
drinken. Zij vertelden hem hun bedoeling, begaven zich met hem op weg
en na met hem op een zeer koele, kleine binnenplaats te zijn gegaan,
waar veel lichten waren aangestoken, dronk hij met groot genoegen van
een hunner goede wijnen. Na gedronken te hebben, zeiden de jongelieden:
Messer, omdat gij ons zulk een gunst hebt bewezen, dat gij u
verwaardigd hebt ons kleine huisje te bezoeken, wenschen wij, dat het u
zal behagen een zaakje te zien, dat wij u zullen toonen. De bisschop
antwoordde: Gaarne. Een van de jongelieden nam een toorts, ging voorop
en de bisschop en de anderen volgden en wendden zich naar de kamer,
waar mijnheer de provoost met Ciutazza lag. Deze had zich gehaast tot
ruiterdienst en had dien al drie maal verricht en daardoor vermoeid en
door de warmte sliep hij met Ciutazza in zijn armen. Toen de
jongelieden in de kamer traden en daarna de bisschop, werd hem de
provoost aangewezen met Ciutazza in dien toestand. Messer de provoost
richtte zich op, zag het licht en de lieden rondom, schaamde zich, werd
bang en stak het hoofd onder de lakens. De bisschop beleedigde hem zeer
en liet zijn hoofd te voorschijn trekken en hem zien, met wie hij
geslapen had. De provoost, die het bedrog ontdekte, werd ook door de
schande de treurigste man ter wereld; na zich op bevel des bisschops
gekleed te hebben, werd hij naar huis gezonden om een groote boete te
doen onder goede bewaking. Later wilde de bisschop weten, hoe het kwam,
dat hij met Ciutazza had geslapen. De jongelieden vertelden hem alles.
Toen de bisschop dit had gehoord, prees hij de donna en ook de
jongelieden, die zonder zich met het bloed van den priester te
bevlekken hem hadden behandeld, zooals hij het verdiende. De bisschop
legde hem veertig dagen kerkerstraf op, maar de liefde en de woede
deden hem die negen en veertig dagen beklagen. Behalve dat kon hij
sinds dien tijd nooit uitgaan zonder door de kinderen te worden bespot
met: Kijk daar heb je hem, die met Ciutazza sliep, wat voor hem zoo
hinderlijk was, dat hij er haast gek van werd. En op die manier raakte
de donna den last van den vervelenden provoost kwijt en verdiende
Ciutazza het hemd en een goeden nacht.