DERDE VERTELLING.

Calandrino, Bruno en Buffalmacco [149] dalen in de vallei der

Mugnone [150] af om den Heliotroop [151] te zoeken. Calandrino

meent dien gevonden te hebben en gaat met steenen beladen naar

huis. Zijn vrouw scheldt hem uit en hij, toornig geworden, slaat

haar en vertelt aan zijn metgezellen, wat zij beter weten dan hij.

Toen de geschiedenis van Panfilo geëindigd was, lachten de donna’s,

evenzeer als zij het nog doen. De koningin droeg Elisa op, dat die zou

volgen, welke lachend begon: Bekoorlijke donna’s. Ik zal mijn best doen

u een kleine vertelling te verhalen even waar als aardig en die u

evenzoo kan doen lachen als Panfilo door de zijne.

In onze stad, die altijd van verschillende gewoonten en van zonderlinge

lieden vol is geweest, leefde niet lang geleden een schilder,

Calandrino, een onnoozel en vreemd man, die meestentijds met twee

andere schilders omging: Bruno en Buffalmacco, een paar vroolijke

lieden, uitgeslapen en slim, die met Calandrino omgingen, omdat zij van

zijn onnoozelheid vaak groot plezier hadden. Gelijktijdig leefde er in

Florence een jonkman van wonderbare beminnelijkheid, snaaksch en

voorkomend, Maso del Saggio; deze hoorde van de onnoozelheid van

Calandrino en wilde zich genoegen verschaffen door hem een poets te

bakken of iets zonderlings te doen gelooven. Daar hij hem toevallig in

de kerk van San Giovanni vond en hem aandachtig zag kijken naar de

schilderijen en het houtsnijwerk van het sacraments-huisje, dat boven

het altaar van die kerk staat en dat er niet lang geleden geplaatst

werd, dacht hij, dat het nu tijd was voor zijn plan en na een metgezel

te hebben ingelicht, wat hij doen wilde, naderden zij Calandrino, die

alleen zat, en deden of zij hem niet zagen. Zij begonnen met elkaar te

spreken over de kracht van verschillende steenen, van welke Maso zoo

stellig sprak of hij een groot juwelier was. Calandrino leende aan deze

praatjes het oor. Hij stond kort daarna op en merkte, dat het geen

geheim was en voegde zich bij hen, wat Maso zeer beviel. Deze zette

zijn gesprek voort en Calandrino vroeg, waar die krachtdadige steenen

gevonden werden. Maso antwoordde, dat men de meesten vond in

Berlinzone, een stad der Basken in een streek, die Bengodi heette, waar

men de wijnstokken met saucijzen opbond en men een gans voor geld

krijgt en het mandje er van voor niets op den koop toe en daar was een

berg geheel van geraspte parmezaansche kaas, waarop menschen staan, die

niets anders deden dan maccaroni en reepjes deeg bakken in kippensaus

en ze dan naar beneden werpen en die er het meest van nam, had er ook

het meest van. Daar dichtbij liep een kleine beek van den besten witten

wijn, die men ooit drinkt, zonder dat er ooit een druppel water in

kwam. O, zeide Calandrino, dat is een goed land, maar zeg mij, wat doet

men met de kapoenen, die zij braden? Maso antwoordde: De Basken eten

die allen op. Toen sprak Calandrino: Waart gij daar ooit? Hierop

antwoordde Maso: Ik ben er meer dan duizend maal geweest. Toen

antwoordde Calandrino: En hoeveel mijlen is het ver? Maso hernam: Het

is meer dan zooveel mijlen loopen, als een heele nacht door zingen

duurt. Calandrino voegde er bij: Dat moet dan verder zijn dan de

Abruzzen. Jawel, zeide Maso, het is iets verder.

De onnoozele Calandrino, die Maso deze woorden hoorde zeggen met een

uitgestreken gezicht, had er vertrouwen in, hield het voor een feit en

zeide: Het is voor mij te ver weg, maar als het dichter bij was, zou ik

er eens met U willen heengaan alleen om die maccaroni er te zien

afvallen en mij een roes te drinken. Maar vertel mij, opdat God U

zegene, vindt men in die streken geen van die steenen van groote

kracht? Hierop antwoordde Maso: Ja, men vindt er twee soorten steenen;

de eenen zijn de steenen van Settignano en van Montisci [152], door

welke, wanneer er molensteenen van gemaakt worden, het meel wordt

bereid en daarom zegt men in die landen, dat van God de genadebewijzen

komen en van Montisci de molensteenen, maar er zijn er daar zooveel,

dat zij bij ons even weinig waard zijn als bij hun de smaragden, want

daarvan zijn er grooter bergen dan de Morello, die te middernacht

schitteren. En weet, dat, wie de molensteenen zou laten polijsten en in

ringen zou laten zetten, vóór zij doorboord worden, en ze naar den

Sultan brengt, er voor zou krijgen, wat hij verlangde.

De andere is een steen, welke wij, juweliers, Heliotroop noemen, van

zeer groote kracht, omdat wie hem bij zich draagt, door niemand gezien

wordt. Toen sprak Calandrino: Dat zijn groote krachten, maar waar vindt

men dien tweede? Hierop antwoordde Maso, dat men die in de Mugnone

vond. Calandrino vroeg: Hoe groot is die steen! En welke kleur heeft

hij? Maso antwoordde: Zij is van verschillende grootte en bijna zwart.

Calandrino, die al die dingen in zich had opgenomen, deed, alsof hij

iets had te verrichten, verliet Maso en besloot die steensoort te gaan

zoeken, maar hij nam zich voor het niet te doen, zonder dat Bruno en

Buffalmacco het wisten, van wien hij bijzonder veel hield. Hij ging ze

zonder verwijl zoeken en besteedde het verdere deel van den morgen om

ze te vinden. Toen het uur van den noen al voorbij was, herinnerde hij

zich, dat zij werkten in het vrouwenklooster van Faënza en hoewel het

zeer warm was, liet hij zijn zaken in den steek, ging naar hen toe en

zeide tot hen: Vrienden, wanneer gij mij gelooft, kunnen wij de rijkste

mannen van Florence worden, daar ik van een betrouwbaar man gehoord

heb, dat er in de Mugnone een steen is, welke dengeen, die deze draagt,

onzichtbaar maakt. Daarom zou het mij goed lijken, dat wij, vóór iemand

anders er heengaat, er ons heen begeven om te zoeken. Wij zullen dien

zeker vinden, daar ik dien ken en als wij dien gevonden hebben, wat

zullen wij dan anders hoeven te doen dan dien in onze beurs te steken

en naar de tafels der wisselagenten te gaan, welke altijd vol zijn van

grossen en florijnen? En dan zullen wij er van nemen, zooveel wij

willen. Niemand zal ons zien en wij zullen ons verrijken zonder den

ganschen dag de muren te moeten bekladden gelijk de slakken doen. Toen

Bruno en Buffalmacco hem hoorden, begonnen zij te glimlachen en deden,

of zij zeer verbaasd waren en prezen den raad van Calandrino, maar

Buffalmacco vroeg, welken naam die steen had. Calandrino, die weinig

hersens had, was de naam ontschoten. Daarom antwoordde hij: Wat hebben

we met dien naam te maken, als wij de kracht er van kennen? Laten wij

hem dadelijk gaan zoeken. Welnu, zeide Bruno, hoe ziet hij er uit?

Calandrino antwoordde: Zij zijn van elken vorm, maar allen zijn haast

zwart. Wij hebben dus op allen te letten, die zwart zijn. Laat ons

daarom geen tijd verliezen. Hierop zeide Bruno tot Buffalmacco gewend:

Hetgeen Calandrino zegt, is goed, maar het is nu het uur niet, daar de

zon hoog is en recht op de Mugnone valt en het net is of de steenen

verkalkt zijn en wit schijnen. Nochtans voor de zon ze gedroogd heeft

zijn ze zwart. En nu zijn er ook vele lieden, daar het heden werkdag

is, naar de Mugnone, die ons daar ziende zouden raden, wat wij gingen

doen; wellicht zou de steen hun in handen komen en wij zouden den draf

door den galop verloren hebben. Dus is het beter morgen te gaan, omdat

men dan beter de kleur kan onderscheiden; ook is het dan feestdag en

niemand zal er zijn. Buffalmacco prees den raad van Bruno en Calandrino

vereenigde zich er mee en zij stelden vast, dat zij den volgenden

zondagmorgen alle drie zouden gaan zoeken. Calandrino verzocht hen

beslist er niemand over te spreken. Toen zij zeiden dit te doen,

vertelde hij hun, wat hij gehoord had van de streek van Bengodi en

bevestigde met eeden, dat dit zoo was. Toen Calandrino ze verlaten had,

spraken die twee onder elkaar af, wat ze zouden doen.

Toen de morgen aanbrak, stond Calandrino bij het krieken van den dag op

en na de metgezellen te hebben gewekt, gingen zij door de San

Gallo-poort, daalden naar den Mugnone af en gingen steenen zoeken.

Calandrino ging als de ijverigste voorop en sprong haastig overal, waar

hij een zwarten steen zag, raapte hem gretig op en bewaarde dien op

zijn borst. De metgezellen volgden en raapten er af en toe ook een op.

Calandrino was niet ver gegaan of hij had er de borst vol van, toen

hief hij de slippen van zijn rok op, die niet aan het lichaam gesloten

was en maakte daarvan een wijden zak door ze over zijn leeren gordel te

slaan, vulde die en evenzoo na van zijn mantel een zak te hebben

gemaakt, vulde hij dien ook. Buffalmacco en Bruno zagen, dat Calandrino

geheel beladen was en toen het etensuur naderde, zeide Bruno tot

Buffalmacco: Waar is Calandrino? Buffalmacco, die hem dichtbij zag,

keerde zich om en antwoordde dan hier, dan daar kijkend: Ik weet het

niet, maar zooeven toch was hij nog voor ons. Bruno zeide: het doet er

weinig toe; het schijnt, dat hij naar huis is gegaan om te eten en ons

tot de dwaasheid heeft gebracht zwarte steenen in den Mugnone te gaan

zoeken. Kijk, hoe goed hij dit heeft klaar gespeeld, zei toen

Buffalmacco, ons bedriegt en hier achterlaat, die zoo dwaas waren hem

te gelooven. Kijk! Wie anders zou dwaas genoeg zijn geweest te

gelooven, dat in de Mugnone een steen van die kracht wordt gevonden?

Calandrino, die deze woorden hoorde, verbeeldde zich, dat de steen hem

in handen gekomen was en dat zij door haar werking hem niet zagen. Ten

zeerste verheugd over dit geluk, nam hij zich voor zonder iets te

zeggen naar huis te gaan en begaf zich op weg. Toen Buffalmacco dit

zag, zeide hij tot Bruno: Waarom zullen wij niet heengaan? Bruno

antwoordde: Ja, laat ons gaan; maar ik zweer, dat Calandrino het ons

niet meer zal leveren; en als ik dicht bij hem was als den heelen

morgen, zou ik hem zooveel van die steenen tegen zijn hielen gooien,

dat hij misschien wel een maand aan die grap zou denken. Het mikken en

raken tegen den hiel van Calandrino was nu het werk van een oogenblik.

Toen Calandrino de pijn voelde, trok hij den voet omhoog en begon te

zuchten, maar zweeg toch en ging verder. Buffalmacco, die een van de

keien in de hand genomen had, zeide tot Bruno: Zeg, kijk eens wat een

mooie kei; hoe zal die Calandrino tegen de ribben komen en na hem te

hebben weggeslingerd, kwam hij met kracht tegen zijn ribben. Op die

wijze wierpen zij hem met steenen van de Mugnone tot aan de San

Gallo-poort. Nadat zij de steenen, die zij verzameld hadden, hadden

weggegooid, hielden zij een oogenblik stand bij de tolgaarders; deze

ingelicht deden of ze niets zagen en lieten met het meeste plezier van

de wereld Calandrino stil door. Zonder oponthoud begaf hij zich naar

zijn huis bij de Canto alla Macina (Molenhoek). De fortuin was de grap

zóó gunstig, dat, terwijl Calandrino langs de rivier ging en door de

stad, hem niemand tegen kwam, daar elk aan het ontbijt was. Aldus

beladen kwam Calandrino daar aan. Toevallig stond zijn echtgenoote,

monna Tessa, een schoone en verstandige vrouw, boven aan den trap en

een weinig boos over zijn lang uitblijven, zag zij hem aankomen en

begon schimpend te zeggen: Broerlief, de duivel zal je nooit meer thuis

brengen; iedereen heeft ontbeten, nu gij terugkeert. Calandrino merkte,

dat hij gezien was en vol spijt zeide hij: Wee mij, slechte vrouw, zijt

gij daar? Gij hebt mij ongeluk gebracht, maar bij God: ik zal het je

betalen. Hij ging in een kleine kamer, ontdeed zich van de verzamelde

steenen, liep naar zijn vrouw, wierp haar bij de haren aan zijn voeten

en daar hij zijn armen en beenen nu goed bewegen kon, gaf hij haar

overal schoppen en stompen zonder een haar op haar hoofd te laten of

één plaats, die niet bezeerd was, en het hielp haar niets met gevouwen

handen om genade te roepen. Buffalmacco en Bruno gingen Calandrino,

nadat zij met de tolgaarders hadden gelachen, langzaam achterop en toen

zij bij zijn deur waren, hoorden zij het wreede pak ransel, dat hij

zijn vrouw gaf en veinzend pas te zijn aangekomen, riepen zij hem.

Calandrino geheel bezweet en vuurrood vertoonde zich aan het venster en

verzocht ze boven te komen. Zij hielden zich eenigszins verstoord,

gingen naar boven en zagen de kamer vol steenen en in een der hoeken de

vrouw met loshangende haren, gehavend, doodsbleek, het heele gelaat

verminkt, droevig huilende en in een anderen hoek Calandrino met

gescheurde kleeren en hijgend als een afgemat mensch. Toen zij dit een

oogenblik hadden aanschouwd, zeiden zij: Wat is dat, Calandrino? Gaat

gij bouwen, dat wij hier zooveel steenen zien? En wat scheelt monna

Tessa? Het schijnt, dat gij haar hebt geslagen. Wat is dat voor fraais?

Calandrino, vermoeid door het steenen dragen, de woede, waarmee hij

zijn vrouw had geslagen, en door de smart over het geluk, dat hij

meende te hebben verloren, kon zijn geest niet bedwingen te antwoorden.

Buffalmacco ging voort: Calandrino, als gij een andere reden tot toorn

hadt, hadt gij ons toch niet voor den gek moeten houden, want gij hebt

ons er toe gebracht met U den kostbaren steen te zoeken, hebt ons

zonder een woord tot God of den duivel te spreken in de Mugnone als een

paar mallen achtergelaten en ge zijt naar huis gegaan, wat wij U zeer

kwalijk nemen, maar zeker zal het de laatste grap zijn, die gij met ons

uithaalt. Bij die woorden deed Calandrino zich geweld aan om te zeggen:

Metgezellen, wordt niet boos, de zaak is anders. Ik, ongelukkige, had

dien steen gevonden en wilt gij hooren, dat ik de waarheid spreek: Toen

gij mij de eerste maal hebt geroepen, was ik op minder dan tien vademen

afstand van U en daar ik zag, dat gij niet kwaamt en mij niet zaagt,

ging ik voor U de stad in en ben ik voortdurend recht voor U uit

gegaan. En nu vertelde hij hun tot het einde toe, wat zij hadden gedaan

en gezegd en toonde hun den rug en de hielen evenals de kwetsuren en

ging voort: Toen ik de poort inging met al die steenen, werd er niets

gezegd en gij weet, hoe lastig die tolgaarders zijn om alles na te

kijken. Ook kwam ik op straat verscheidene buren en vrienden tegen, die

mij altijd aanspreken en tot drinken uitnoodigen en nu zelfs geen half

woord zeiden, alsof zij mij niet zagen. Ten slotte, toen ik hier kwam

heeft die duivelsche, vervloekte vrouw mij gezien en gij weet, de hoe

vrouwen elk voorwerp hun kracht doen verliezen, zoodat ik, die mij den

gelukkigsten man van Florence kon noemen, de ongelukkigste ben. Ik heb

haar daarom zooveel geslagen, als ik maar kon en ik weet niet, wat mij

weerhoudt, dat ik haar niet de aderen open, want vervloekt is het uur,

waarop ik haar zag en zij in mijn huis kwam! En toen zijn toorn weer

aanwakkerde, wilde hij opstaan om haar opnieuw te slaan. Buffalmacco en

Bruno deden, of zij zich zeer verwonderden en bevestigden, wat

Calandrino zeide en hadden zoo’n grooten lachlust, dat zij haast

stikten, maar toen zij hem zoo woedend zagen, dat hij weer zijn vrouw

wilde slaan, stonden zij op en hielden hem tegen en zeiden, dat de

donna er geen schuld aan had, maar hij zelf, die wist, dat de vrouwen

van de voorwerpen alle kracht doen te loor gaan en haar niet gezegd

had, op te passen bij hem dien dag niet te verschijnen en dat God hem

dat geluk had ontnomen, hetzij, omdat het hem niet mocht te beurt

vallen of omdat hij van plan was geweest zijn metgezellen te bedriegen.

En na vele woorden werd met groote moeite de vrouw met hem verzoend en

vertrokken zij hem neerslachtig achterlatend met het huis vol steenen.

De Decamerone van Boccaccio · 第 83 / 116 题