De pastoor van Varlungo slaapt met monna Belcolore laat haar zijn
koorkleed tot pand en leent van haar een vijzel. Hij geeft dien
terug en vraagt haar den rok terug, dien hij haar tot pand liet. De
donna laat hem dien met een scherp woord overreiken.
De heeren zoowel als de donna’s prezen gelijkelijk, wat Gulfardo de
gierige Milaneesche gedaan had, toen de koningin zich tot Pamfilo
keerde en hem glimlachend beval te volgen, en Pamfilo begon aldus:
Schoone donna’s. Ik moet U een kleine novelle verhalen tegen hen
gericht, die ons voortdurend benadeelen, zonder dat wij het hen kunnen
doen, namelijk tegen de priesters, die een heiligen oorlog [145] tegen
onze vrouwen hebben ondernomen en wien het schijnt, dat zij slechts de
kwijtschelding van schuld en boete verwerven, wanneer zij er een
meester zijn geworden, alsof dit er mee gelijk staat, dat zij den
Sultan zelf uit Alexandrië gebonden en wel naar Avignon [146] zouden
hebben gevoerd. De ongelukkige leeken kunnen het het hun niet leveren,
hoewel zij met niet minder vuur hun wraak jegens hun moeders, hun
zusters, hun vriendinnen en hun dochters uitoefenen dan, waarmee zij
hun vrouwen aanvallen. En daarom ben ik van plan U een dorpsliefde te
verhalen, lachwekkender om het slot dan om de lengte, waarvan gij als
vrucht zult kunnen plukken, dat men van de priesters niet alles
gelooven moet.
Ik zeg dan, dat er te Varlungo, een dorp hier vrij dichtbij, een
vermetel priester leefde en schelmsch in dienst van de vrouwen, welke,
daar hij niet al te goed kon lezen, toch met vele goede en heilige
bewoordingen ’s Zondags aan den voet van een olm zijn gemeenteleden
vermaakte. Hij bezocht het meest de vrouwen, wanneer hun mannen elders
heengingen, en meer dan een van zijn voorgangers bracht hij hun
dikwijls bidprentjes en wijwater en eindjes kaars tehuis en gaf hun
zijn zegen. Nu bekoorde hem onder al zijn vrouwelijke parochianen het
meest monna Belcolore, de vrouw van een boer, die zich Bentivegna del
Mazzo liet noemen, welke inderdaad een aardige en flinke boerin was,
bruin en welgemaakt en beter geschapen voor zekere kunst dan iedere
ander. En behalve dat kon zij het best op de tamboerijn slaan en
zingen: Het water loopt naar het ravijn en beter een rondedans of een
rei aanvoeren, als het noodig was, dan een harer buurvrouwen met een
schoonen doek sierlijk in de hand. Daardoor werd de priester zoo op
haar verliefd, dat hij er gek van werd. En wanneer hij haar
Zondagsmorgens in de kerk gewaar werd, zeide hij een Kyrie of een
Sanctus op en deed zijn best een groot meester in de zangkunst te
schijnen, terwijl het was, of een ezel balkte. Maar als hij haar niet
zag, kweet hij zich heel gewoon van die taak. Maar toch wist hij zoo te
werk te gaan, dat Bentivegna del Mazzo het niet merkte, noch een
buurman, dien hij had. En om beter de vriendschap van monna Belcolore
te verwerven gaf hij haar van tijd tot tijd een klein geschenk. Soms
zond hij haar een bosje van verschen knoflook, van welke hij de
schoonste uit den omtrek in zijn tuin had, dan weer een mandje met
erwten of een bosje nieuwe mei uien of sjalotten en toen hij de kans
schoon zag, na haar een weinig bespied te hebben, maakte hij uit
verliefdheid gekheid met haar en zij, de preutsche spelend, deed of zij
het niet merkte en verzette zich, zoodat mijnheer de pastoor zijn doel
niet kon bereiken.
Toen de priester eens op het middaguur door de streek slenterde,
ontmoette hij Bentivegna del Mazzo met een beladen ezel. Hij sprak hem
aan en vroeg hem, waar hij heen ging. Hierop antwoordde Bentivegna:
Sere, ik ga naar de stad voor een zaak en ik breng deze dingen naar
mijnheer Bonaccorri van Ginestreto, opdat hij mij helpe, daar ik niet
weet, waarom men mij voor den rechter dagvaardt in een oproeping mij
gestuurd door zijn procureur. De priester zeide opgeruimd: Je doet
goed, mijn zoon, ga dus met mijn zegen en kom spoedig terug en als gij
Lapuccio of Naldino soms ziet, zeg hun dan, dat zij mij de riemen voor
mijn dorschvlegels brengen. Bentivegna zeide, dat het zou gebeuren en
terwijl hij naar Florence ging, dacht de priester, dat het tijd was
naar Belcolore te gaan en zijn kans te wagen. En nadat hij was
doorgestapt, maakte hij niet halt, voor hij bij haar was binnen
getreden en sprak: God behoede ons; wie is daar? Belcolore, die op den
zolder was gegaan en hem hoorde, zeide: O sere, gij zijt welkom; waarom
dwaalt gij zoo door de hitte? De priester antwoordde: Als God wil, zal
ik een poosje bij u blijven; uw man is naar de stad gegaan. Belcolore
daalde af, ging zitten en begon koolzaad uit te zoeken. De pastoor
zeide: Wel, Belcolore, moet gij mij voortdurend laten versmachten?
Belcolore begon te lachen en te zeggen: Och, wat doe ik u? De priester
hernam: Gij doet mij niets, maar gij laat mij u niets doen, wat ik zou
willen en wat God beval. Belcolore sprak: Ach, ga weg, ga weg! O, doen
priesters zulke dingen? De priester antwoordde: Waarom niet? Ik zeg u,
dat wij het beter doen dan andere menschen. En weet je waarom? Omdat
wij de molen weinig laten malen, maar werkelijk het zal u voordeel
doen, als gij mij laat gaan. Belcolore antwoordde: Welk voordeel kan
mij dat verschaffen, daar gij allen zoo gierig zijt als de duivel. Toen
voegde de pastoor er aan toe: Wilt gij een paar schoenen of een
haar-lint of een mooien wollen doek of wat wilt ge? Belcolore sprak:
Dat is wat moois! Dat heb ik allemaal, maar waarom geeft gij mij niet
iets anders, dat ik wil en ik zal doen, wat gij wilt. Toen sprak de
pastoor: Zeg, wat gij wilt, en ik zal het gaarne doen.
Belcolore hernam: Zaterdag moest ik naar Florence gaan om wol terug te
brengen, die ik gesponnen heb en mijn spinnewiel te laten herstellen en
als gij mij vijf lire leent, die gij wel hebt, zal ik van den woekeraar
mijn donkerpaarsen rok en mijn leeren ceintuur voor de feestdagen
terughalen, die ik bij mijn huwelijk meebracht, en waarmee ik naar de
kerk en overal heen kan en zoo zal ik altijd kunnen doen, wat gij wilt.
De pastoor antwoordde: Dat God mij een goed jaar geeft; ik heb ze niet
bij mij, maar eer het Zaterdag is, zal ik maken, dat gij ze bezit. Ja,
zeide Belcolore zoo doet gij allen groote beloften en houdt er geen
een. Denkt gij met mij te handelen als Biliuzza, die met leege handen
thuis kwam? Bij God, dat zult gij niet doen want zij is daarna publieke
vrouw geworden. Als gij ze niet hebt, ga ze halen. Kom, zei de pastoor,
laat mij niet naar huis gaan; nu is de kans gunstig, en als ik zou
weggaan en terugkeeren, is er misschien iemand. En zij sprak: Goed.
Wilt gij uw gang gaan, geef ze dan, en als gij het niet wilt, laat het.
De priester, die zag, dat zij niet bereid was te doen, wat hij wilde
zonder een salvum me fac [147], terwijl hij het wenschte sine custodia,
[148] zeide: gij gelooft dus niet, dat ik ze u zal brengen. Vertrouw
mij en ik laat u als pand dezen koorrok van blauw laken. Belcolore hief
het gelaat hoog op en zei: Zoo. Die koorrok? En wat is die waard? De
pastoor hernam: Wat hij waard is? Weet, dat die twee- of driedraadsch
is en er zijn er, die gelooven vier-draadsch en het is nog geen
veertien dagen geleden, dat ik bij Lotto, den uitdrager, er zeven lire
voor betaalde, en ik heb hem goedkoop gekregen, naar wat Buglietto mij
zeide, en gij weet, dat die verstand heeft van die blauwe lakenstoffen.
Ah zoo, zei Belcolore, God helpe mij; ik zou het nooit geloofd hebben,
maar geef hem mij maar. Mijnheer de priester, die den boog gespannen
had, trok het koorkleed uit, gaf het haar en zij, na het te hebben
onderzocht, zeide: Sere, laat ons in de schuur gaan, want daar komt
nooit iemand. En hier verheugde zich de priester een heelen tijd,
terwijl hij haar de zoetste kussen van de wereld gaf en haar familielid
van God den Heer maakte; daarna vertrok hij in zijn soutaan, alsof hij
van een bruiloftsfeest ter bediening kwam en ging naar de kerk terug.
Daar bedenkend, dat al de eindjes kaars, die hij het jaar uit de
aangebodenen spaarde, niet de helft van vijf lire waarde hadden, meende
hij een slechte zaak te hebben gemaakt en hij had er berouw over. Hij
peinsde er over, hoe hij den koorrok zonder onkosten terug zou krijgen.
En daar hij slim was, dacht hij er maar al te goed over na, hoe hij zou
handelen en kwam tot het volgende plan: Den volgenden dag, een
feestdag, stuurde hij een jongen van een zijner buren naar Belcolore om
haar steenen vijzel te leenen, daar hij saus wilde maken en ontbijten
met Binguccio van den Poggio en Nuto Buglietti. Belcolore zond hem
dien. Toen het uur van het ontbijt was aangebroken, riep de pastoor,
die onderstelde, dat Bentivegna del Mazzo en Belcolore aten, zijn klerk
en sprak tot hem: Neem dien vijzel en breng dien terug bij Belcolore en
zeg, dat sere haar wel bedankt en dat gij haar het kleed terugvraagt,
dat de jongen haar tot pand liet. De klerk ging naar het huis van
Belcolore, en vond haar met Bentivegna aan tafel. Hij zette den vijzel
op den grond en deed de boodschap. Toen Belcolore hoorde, dat het kleed
werd teruggevraagd, wilde zij antwoorden, maar Bentivegna zeide met een
boos gezicht: Gij vraagt dus een pand aan mijnheer de pastoor? Ik beken
voor Christus, dat ik grooten lust heb je een flinke stomp onder de kin
te geven; ga, haal hem zou gauw als je kunt en als hij weer iets
vraagt, al was het onze ezel of iets anders mag hem niets geweigerd
worden. Belcolore stond grommend op, ging naar haar linnenkist onder
het bed, trok het kleed er uit, gaf het aan den klerk en sprak: Gij
zult aldus namens mij tot den heer pastoor spreken: Belcolore zegt, dat
zij God bidt, dat gij nooit meer met haar vijzel saus zult maken, omdat
gij haar daarmee geen groote eer hebt bewezen. De klerk ging met het
kleed weg en deed aan den heer pastoor de boodschap, waarop hij lachend
zeide: Zeg, haar, wanneer gij haar ziet, dat als zij mij haar vijzel
niet leenen zal, ik haar mijn stamper niet leen. Bentivegna geloofde,
dat de vrouw die woorden sprak, omdat hij haar had bekoord en dacht er
niet meer over. Maar Belcolore werd kwaad op den pastoor en sprak hem
tot den wijnoogst niet meer toe. Later, toen de priester haar gedreigd
had, haar in den muil van den grooten Lucifer te sturen, werd ze zeer
bang en voor most en heete kastanjes, die hij haar gaf, werd zij goed
met hem en deden zij elkaar nog menigmaal genoegen. En in plaats van de
vijf lire liet de priester haar tamboerijn herstellen en daar een schel
aanhangen en daarmee was zijn voldaan.