EERSTE VERTELLING.

Gulfardo vraagt van Guasparruolo geld te leen en geeft dit aan zijn

vrouw, die hem toestond met haar te slapen. In haar bijzijn zegt

hij tot Guasparruolo, dat hij het haar terugbetaalde.

Indien God het aldus heeft beschikt, dat ik vandaag met mijn vertelling

aanvang, behaagt dit ook mij. En verliefde donna’s, daar er tot nu toe

veel gezegd is van de streken, die vrouwen met mannen hebben

uitgehaald, heb ik lust u er een te vertellen, niet met de bedoeling

den man te laken of om te zeggen, dat het voor die vrouw niet goed was,

maar om den man te prijzen en de vrouw te laken en aan te toonen, dat

ook de mannen, wie hen vertrouwt, weten voor den gek te houden, evenals

zij door de vrouwen, die zij gelooven, worden misleid. Het zou goed

zijn voor wie het duidelijker wil uitdrukken, het geen grap te noemen

maar verdiende loon, omdat men, waar de vrouw zeer eerbaar moet zijn en

haar reinheid evenals haar leven moet bewaren, geen reden heeft haar te

misleiden. En dit kan zoo nooit geheel, gelijk men zal toegeven door

onze zwakheid zijn. Ik beweer, dat zij het vuur waard is, die zich

hiertoe voor geld verkoopt, terwijl zij, die door liefde hiertoe

komt—ik ken de zeer groote krachten daarvan—van een niet al te streng

rechter vergiffenis verdient gelijk een paar dagen geleden Filostrato

toonde, dat men gedaan had met madonna Filippa in Prato.

Er leefde dan vroeger in Milaan een duitsch soldaat, Gulfardo

(Wolfaard), een dappere kerel en zeer trouw, wat weinig bij de

Duitschers voorkomt en leende men hem geld, dan gaf hij dit eerlijk

terug, en hij kon genoeg kooplieden vinden, die hem voor een kleinen

interest zooveel leenden, als hij wilde. Hij richtte in Milaan verblijf

houdend zijn liefde op een zeer schoone vrouw, madonna Ambruogia, de

echtgenoote van een zeer rijken koopman, Guasparruolo Cagastraccio, die

met hem zeer bevriend was en daar hij in stilte beminde, vroeg hij

haar, zonder dat iemand het bemerkte een dag te spreken en smeekte

haar, dat het haar zou behagen zijn liefde te beantwoorden en dat hij

van zijn kant bereid was alles te doen, wat zij zou bevelen. De donna

na lang praten besloot te doen, wat Gulfardo wilde, als daaruit twee

dingen zouden volgen: ten eerste, dat hij het nooit aan iemand zou

openbaren; ten tweede, dat hij rijk, haar tweehonderd goudguldens zou

geven, die zij voor iets noodig had en dat zij hem daarna altijd van

dienst zou zijn. Gulfardo, die dit hoorde, veranderde verontwaardigd

door haar laagheid zijn liefde voor haar, die hij voor een waardige

donna hield, in haat. Hij peinsde er over haar te bedriegen en deed

alsof hij zeer gaarne een en ander voor haar wilde doen om haar te

behagen en liet haar vragen, wanneer zij wilde, dat hij bij haar kwam

om het geld te brengen en zei, dat nooit iemand het zou merken, behalve

een metgezel, waarop hij zeer vertrouwde en in alles zijn deelgenoot.

De slechte donna was tevreden en liet hem weten, dat Guasparruolo, haar

man, voor zijn zaken binnen eenige dagen naar Genua moest en dat zij

hem dit nader zou mededeelen. Toen het hem tijd scheen, ging Gulfardo

naar Guasparruolo en zeide hem: Ik heb tweehonderd goudguldens noodig,

welke ik gaarne wil leenen tegen rente. Guasparruolo zeide, dat hij dit

gaarne wilde doen en gaf hem het geld.

Een paar dagen later ging Guasparruolo naar Genua en zij berichtte

Gulfardo, dat hij bij haar zou komen met de twee honderd goudguldens.

Gulfardo nam zijn metgezel met zich mede. Nadat hij haar had gevonden,

was het eerste, wat hij deed, haar die tweehonderd goudguldens ter hand

te stellen, terwijl zijn metgezel er bij was en Gulfardo sprak:

Madonna, hier is het geld en geef het aan uw man, als hij terug zal

gekeerd zijn. De donna nam het aan en bemerkte niet, waarom Gulfardo

dit zeide, maar zij geloofde, dat hij het deed om zijn metgezel niet te

laten bemerken, dat hij het voor zijn genoegen gaf. Daarom zeide zij:

Ik zal het gaarne doen, maar ik wil zien, hoeveel het is, en nadat zij

ze op een tafel geworpen had en bevonden, dat er twee honderd waren,

was zij innerlijk zeer tevreden, legde ze weg, keerde tot Gulfardo

terug en na hem in haar kamer te hebben geleid, voldeed zij hem niet

alleen dien nacht maar vele anderen. Toen Guasparruolo van Genua kwam

en Gulfardo had uitgevorscht, wanneer hij te samen met zijn vrouw zou

zijn, begaf hij zich tot hen en zeide tot Guasparruolo: De twee honderd

goudguldens, die gij mij geleend hebt, had ik niet noodig. En daarom

bracht ik ze dadelijk aan Uw vrouw terug en gij zult dus mijn rekening

wel willen uitwisschen. Guasparruolo vroeg de donna of zij het geld

ontvangen had. Zij, die den getuige er bij zag, kon niet ontkennen,

maar zeide: Zeker heb ik het ontvangen; ik had vergeten het U te

zeggen. Toen zeide Guasparruolo: Gulfardo, het is in orde; ga met God,

en ik zal Uw rekening uitmaken. Gulfardo vertrok en de donna bleef in

de klem achter en gaf aan haar man den gemeenen prijs van haar

slechtheid en zoo maakte de sluwe minnaar zich vroolijk over zijn

gierige donna zonder kosten.

De Decamerone van Boccaccio · 第 81 / 116 题