Lydia, de vrouw van Nicostratus, bemint Pyrrhus. Deze om haar te
gelooven, vraagt haar drie dingen, die zij alle drie doet, en
behalve dat bevredigt zij zich met hem in tegewoordigheid van
Nicostratus en doet hem gelooven, dat het niet waar is, wat hij
gezien heeft.
De novelle van Neifile was zoo bevallen, dat de donna’s zich niet
konden weerhouden te lachen en er over te spreken, hoewel de koning
meermalen het zwijgen had opgelegd en aan Pamfilo had bevolen de zijne
te verhalen. Toen zij zwegen, begon de Pamfilo aldus: Eerbiedwaardige
donna’s, ik geloof niet, dat, hoe ernstig en smartelijk iets ook is,
dit niet ondernomen wordt door wie vurig lief heeft. Hoewel dit in tal
van geschiedenissen is bewezen, geloof ik echter het U nog meer te
toonen door U er een te verhalen van een donna, dien de fortuin
gunstiger werd, naarmate zij onvoorzichtiger was. En daarom raad ik U
de voetsporen niet te volgen van degene, van wien ik wil spreken, omdat
de fortuin niet altijd gunstig gezind is, noch alle mannen op de wereld
even dwaas zijn.
In Argon, die zeer oude stad van Griekenland, door zijn vroegere
koningen eer beroemd dan groot, leefde vroeger een man, Nicostratus aan
wien, reeds de ouderdom nabij, de fortuin een voorname vrouw schonk,
edel, hartstochtelijk en schoon. Hij had veel bedienden, honden en
vogels en had een groot genoegen in de jacht. Onder de bedienden had
hij een aardig, welgemaakt en knap jonkman en buitengewoon bijdehand,
Pyrrhus genaamd. Nicostratus mocht hem boven anderen lijden en
vertrouwde hem meer dan wie ook. Lydia werd op hem zeer verliefd,
zoodat zij dag noch nacht nergens dan met hem in gedachten was. Pyrrhus
echter, die van haar liefde niets merkte of niets wilde bemerken,
bekommerde er zich ook niet om, wat de donna ondragelijk hinderde. En
besloten hem dit goed te doen bespeuren, riep zij een harer
kamervrouwen Lusca, waarin zij veel vertrouwen stelde en sprak aldus:
Lusca, de weldaden, die gij van mij ontvingt, moeten U gehoorzaam en
trouw hebben gemaakt; daarom zorg, dat niemand ooit weet, wat ik U zeg,
behalve wien ik het U gelast. Lusca, ik ben een jonge en frissche vrouw
en rijk voorzien van alles, wat een vrouw kan verlangen en op ééne zaak
na, kan ik mij niet beklagen en deze is, dat mijn echtgenoot te bejaard
is. Vergelijk ik mijn leeftijd bij den zijne, dan kan ik niet tevreden
zijn met datgene, waarin de jonge donna’s het meest behagen scheppen en
toch verlang ik dit als de anderen. Nu heb ik sinds lang besloten, daar
de fortuin zoo slecht gezind was mij een ouden echtgenoot te geven,
niet de vijandin van mij zelf te zijn door geen middel te vinden mijn
lusten te bevredigen en mijn heil niet na te jagen. En om mijn genoegen
te hebben wensch ik, dat onze Pyrrhus, waardiger dan eenig ander, hem
met zijn omhelzingen vervangt. Ik bezit zooveel liefde voor hem, dat ik
mij nooit goed gevoel, als ik hem niet zie of aan hem denk. En heb ik
niet spoedig een onderhoud met hem, dan geloof ik te zullen sterven.
Indien mijn leven U lief is, dan zult gij op uwe wijze hem mijn liefde
mededeelen en hem vragen bij mij te komen.
De kamenier zeide, dat zij het gaarne wilde doen. Toen tijd en plaats
haar gunstig scheen, nam zij Pyrrhus ter zijde. Deze was zeer verbaasd,
daar hij niets gemerkt had en twijfelde niet of het was om hem op de
proef te stellen. Hij antwoordde dan ook ruw: Lusca, komen deze woorden
van mijn donna, dan geloof ik niet, dat zij die u te goeder trouw doet
zeggen. Meent zij het echter, dan zal ik, daar mijn meester mij meer
eer bewijst dan ik verdien, hem nooit zulk een beleediging aandoen en
daarom neem je in acht. Lusca niet onthutst zeide tot hem: Van alle
dingen, die mijn donna mij opdraagt, zal ik u spreken, zoo dikwijls als
zij mij het zal bevelen of het u ook tot genoegen of verdriet zal zijn.
Maar gij zijt een schaapskop. En vertoornd over de woorden van Pyrrhus
keerde zij naar de donna terug, die dit hoorend verlangde te sterven.
Na eenige dagen evenwel sprak zij de kamenier er op nieuw over en
zeide: Lusca, gij weet, dat de eik niet valt onder den eersten slag;
daarom ga weer naar hem, die op ongehoorde wijze in mijn nadeel trouw
wil zijn en toon hem op het gunstige oogenblik al mijn vuur. Doe in
alles uw best, dat de zaak slagen zal, want als het zoo zou blijven,
zou ik sterven en hij zou gelooven voor den mal te zijn gehouden en
waar wij zijn liefde zoeken, zou zijn haat volgen. De kamervrouw
bemoedigde de donna en na Pyrrhus gezocht te hebben zeide zij, toen zij
hem vroolijk en goed geluimd vond: Pyrrhus, ik zeide u, hoeveel liefde
mijn donna u toedraagt en ik verzeker u dit thans opnieuw; gaat gij
door met de hardheid, die gij gisteren toonde, wees er dan zeker van,
dat zij maar kort zal leven. Daarom bid ik u, dat het u behage haar in
haar begeerte te vertroosten en zoo gij in uw koppigheid wreed blijft,
zal ik, die u voor zeer verstandig hield, u voor een dwaas houden. Een
zegepraal moet het voor u zijn, dat zulk een mooie, lieve donna u boven
alles lief heeft! Bovendien: hoe moet gij u jegens de fortuin verplicht
gevoelen, als gij er aan denkt, dat zij u dit bereid heeft
overeenkomstig de verlangens uwer jeugd en met voldoening van uw
begeerten! Welk man aan u gelijk kent gij, die voor zijn genot beter af
is dan gij? Wie zult gij beter voorzien vinden van wagens, paarden,
kleeren en geld, zoo gij uw liefde aan haar wilt schenken? Open dus uw
hart voor mijn woorden: herinner u, dat het maar eens gebeurt, dat de
fortuin zulk een vriendelijk gezicht toont en u met open armen
ontvangt. Wie haar dan niet weet te grijpen en later arm is en aan den
bedelstaf, moet zich zelf beklagen maar niet over haar. En er moet niet
dezelfde trouw zijn tusschen dienaars en heeren als tusschen vrienden
en bloedverwanten; integendeel moeten de dienaars zooveel mogelijk hen
behandelen, gelijk zij door dezen behandeld worden. Denkt gij, dat als
gij een mooie vrouw of moeder of dochter had, die aan Nicostratus zou
bevallen, dat hij jegens u de trouw zou in acht nemen, die gij jegens
zijn donna wilt bewaren? Je bent gek als ge dit gelooft. Wees er zeker
van, dat, als beloften en smeekbeden niet zouden helpen, hij, hoewel u
dit niet zoo schijnt, geweld zou gebruiken. Laten wij dus ook zoo doen.
Maak van de gunst der fortuin gebruik, ga haar tegemoet en ontvang
haar, want indien gij het niet doet, daargelaten, dat de dood van uw
donna er zeker op zal volgen, zult gij er evenveel keeren berouw van
hebben, als gij zult willen sterven. Pyrrhus, die meermalen had
nagedacht, over hetgeen Lusca hem gezegd had, had zich reeds
voorgenomen een ander antwoord te geven en toe te stemmen de donna te
behagen, mits hij er zeker van was, dat hij niet op proef werd gesteld
en antwoordde daarom: Ziet gij, Lusca, al de dingen, die gij zegt, zijn
waar, maar ik weet ook, dat mijn heer wijs is en schrander en daar hij
mij al zijn zaken toevertrouwt, vrees ik zeer, dat Lydia met zijn wil
dit doet om mij op de proef te stellen en daarom, zoo zij drie dingen,
die ik vraag wil doen, zal zij mij niets meer bevelen, wat ik mij niet
zal haasten te volgen. Deze drie dingen zijn: Ten eerste, dat zij in
tegenwoordigheid van Nicostratus haar goeden sperwer doodt, ten tweede,
dat zij mij een lok uit den baard van Nicostratus zendt, en ten slotte
een van zijn tanden en wel een der besten. Deze dingen schenen moeilijk
aan Lusca en zeer bezwaarlijk voor de donna, maar Amor, die grooten
moed geeft en een groote meester is in raadgevingen, hielp haar. Ze
liet hem door haar kamervrouw zeggen, dat hij spoedig ten volle zou
verkrijgen, wat hij gevraagd had. En bovendien, omdat hij Nicostratus
voor zoo slim hield, liet zij hem weten, dat zij zich in
tegenwoordigheid van Nicostratus met Pyrrhus zou bevredigen en aan
Nicostratus zou doen gelooven, dat het niet waar was.
Toen Nicostratus een paar dagen later aan enkele edellieden een groot
middagmaal gaf, gelijk hij vaak plachtte te doen, en de tafels al waren
weggezet, kwam zij in een grooten sluier gehuld en mooi opgetooid uit
haar kamer in de zaal. Toen zij Pyrrhus zag, ging zij recht op den
stang af, waarop de sperwer zat, dien Nicostratus op zoo hoogen prijs
stelde en na hem losgemaakt te hebben, deed zij of zij hem in de hand
wilde opheffen, maar hem bij zijn klauwen pakkend sloeg zij hem tegen
den muur en doodde hem. Nicostratus schreeuwde tot haar: Wee mij,
vrouw, wat doet gij? Niets, antwoordde zij hem, maar zich keerend tot
de adellijke heeren zeide zij: Heeren, ik zou mij moeilijk kunnen
wreken op een koning, die mij beleedigd heeft, als ik hem geen sperwer
zou durven ontnemen. Gij moet weten, dat zoodra de dageraad aanbreekt,
de tijd, dien de mannen tot genoegen der vrouwen behooren te besteden,
Nicostratus opstaat, te paard springt en met zijn sperwer in de open
vlakten gaat en ik blijf alleen en ontevreden in mijn bed achter.
Daarom wilde ik, wat ik heb gedaan, alleen doen in tegenwoordigheid van
mannen, die rechtvaardige rechters zijn, gelijk ik geloof, dat gij zijn
zult. De edellieden geloofden, dat haar genegenheid voor Nicostratus
zóó was als uit haar woorden scheen en lachend keerden zij zich tot
Nicostratus, die toornig was en zeiden: De donna heeft wel gedaan door
zich te wreken met den dood van den sperwer! En zij bespotten, toen de
vrouw weer naar haar kamer was gegaan, de gramschap van Nicostratus.
Pyrrhus, die dit zag, dacht: Zij heeft een goed begin gemaakt voor onze
gelukkige liefde; dat Zeus haar doet volharden. Een paar dagen later
bevond zij zich met Nicostratus in haar kamer en terwijl zij hem
liefkoosde, begon zij met hem te schertsen en daar hij voor de grap een
paar haren uittrok, gaf hij haar de gelegenheid te slagen voor het
tweede, wat Pyrrhus haar gevraagd had en haastig trok zij hem lachend
bij een baardlokje, zoo sterk, dat zij hem dit geheel van de kin rukte.
Toen Nicostratus hierover klaagde, zeide zij: Nu, wat hebt gij! Waarom
trekt gij zoo’n gezicht! Omdat ik u misschien zes haren uit den baard
heb getrokken? Dan hebt gij gevoeld, wat ik gewaar werd, toen gij mij
zooeven de haren uitrukte. En zoo voortgaande bij hun scherts bewaarde
de donna voorzichtig de lok van den baard en zond die denzelfden dag
aan haar minnaar. Over de derde zaak dacht de donna weer na, maar daar
zij zeer schrander was en Amor het haar nog meer maakte, had zij
gepeinsd, dat er een middel moest zijn. Nicostratus had twee kinderen,
door hun vaders hem toevertrouwd, opdat zij als edellieden manieren
leerden. De een sneed voor, als Nicostratus at en de andere schonk hem
in. De donna liet beide roepen en overtuigde hen, dat zij uit hun mond
roken en raadde hun, wanneer zij Nicostratus bedienden, het hoofd
zooveel mogelijk achterwaarts te houden en dit nooit aan iemand te
zeggen.
De jongelieden geloofden dit en deden gelijk de donna hun gezegd had.
Daarop vroeg zij eens aan Nicostratus: Hebt gij gemerkt, hoe de jongens
doen, wanneer zij u bedienen? Nicostratus zeide: Wel zeker, ik heb ze
zelfs willen vragen, waarom zij dit deden. Hierop antwoordde de donna:
Doe het niet; ik zal het u zeggen; een geheelen tijd heb ik gezwegen om
u niet onaangenaam te zijn, maar daar anderen dan ik het bemerken, kan
ik het niet meer verbergen. Gij ruikt erg uit uw mond; ik weet niet,
wat er de oorzaak van is, daar dit vroeger niet zoo was en daar gij met
edellieden moet omgaan, moet men dit verhelpen. Toen antwoordde
Nicostratus: Wat zou dat kunnen zijn! Zou ik een aangestoken tand
hebben? Lydia hernam: Misschien wel. Zij leidde hem naar een venster,
liet hem den mond openen en nadat zij dien bekeken had, riep zij: O
Nicostratus, hoe kunt gij dat verduurd hebben? Gij hebt er daar een,
die, naar het mij schijnt, niet alleen bedorven is, maar geheel stuk en
u zeker allen zal doen rotten aan dien kant; daarom zou ik u raden hem
te trekken. Toen sprak Nicostratus: Als het u zoo voorkomt, stuur dan
zonder uitstel naar een tandarts. De donna ging verder: Dat het God
niet behage, dat hiervoor een tandmeester komt; zonder dokter kan ik
hem best er uit krijgen. En de tandmeesters zijn zoo wreed, dat mijn
hart niet zou dulden u in handen van zoo iemand te zien. Daarom wil ik
het zelf doen; en als het u te veel pijn doet, zal ik u dadelijk
loslaten, maar zoo’n tandarts niet. Zij liet daarom de tang komen en
nadat zij allen uit de kamer had weggestuurd, hield zij alleen Lusca
bij zich. Zij sloot de deur, liet Nicostratus zich uitstrekken op een
zetel en na een van zijn tanden te hebben gepakt, trok zij dien, hoewel
hij van pijn hard schreeuwde, er uit. Nadat die terzijde was gelegd en
Lydia een andere in de hand had genomen, die door en door verrot was,
toonden zij hem, die half dood was van pijn, dezen en zeiden: Kijk,
dien gij in den mond hadt, zag er al zóó uit. Hij geloofde het en
hoewel hij hevige pijn had doorstaan en er zeer over klaagde, scheen
hij toch, nu die er uit was, genezen en getroost ging hij de kamer uit.
De donna zond de tand dadelijk aan haar minnaar; deze zeker van haar
liefde bood zich aan tot elk genoegen van haar bereid. De donna, die
hem nog zekerder van haar liefde wilde maken en wien het nog duizend
uren scheen te duren, eer zij met hem zou zijn, wilde woord houden. Zij
deed of zij ziek was en nadat Nicostratus haar op een dag na den eten
was komen bezoeken en hij niemand anders bij haar zag dan Pyrrhus,
vroeg zij hem ter verlichting van haar lijden, dat zij haar zouden
helpen om in den tuin te gaan. Nicostratus nam haar aan de eene en
Pyrrhus haar aan de andere zijde en plaatste haar in een veld aan den
voet van een schoonen perenboom. Toen zij daar zat, zeide de donna, die
aan Pyrrhus al had laten weten, wat hij moest doen: Pyrrhus, ik heb
grooten lust in een paar van die peren—klim er daarom in en gooi er
eenige naar beneden en terwijl hij dit deed, riep hij uit den boom: Hé,
messire, wat doet gij daar? En gij, mevrouw, schaamt gij u niet?
Gelooft gij, dat ik blind ben? Gij waart toch zooeven zeer ziek! Hoe
zijt gij zoo spoedig genezen, dat gij dit doet! Als gij toch die dingen
doen wilt, waarom gaat gij dan niet naar uw mooie kamers, wat
fatsoenlijker is dan in mijn bijzijn? De donna tot haar echtgenoot
gewend, sprak: Wat zegt Pyrrhus? Is hij gek? Pyrrhys sprak: Ik ben niet
gek, madonna; gelooft gij, dat ik niet zie? Nicostratus was zeer
verwonderd en zeide: Pyrrhus, ik geloof heusch, dat gij droomt. Pyrrhus
antwoordde: Mijnheer, ik droom in ’t geheel niet en gij evenmin; gij
beweegt u zóó, dat, als die perenboom het zou doen, er geen peer aan
zou blijven zitten. Toen sprak de donna: Zou het waar kunnen zijn, wat
hij beweert te zien? Dat Zeus mij behoede; indien ik gezond was als te
voren, zou ik in dien boom klimmen om te kijken, wat de wonderlijke
dingen zijn, die hij beweert te aanschouwen. Pyrrhus nog steeds in den
perenboom ging door met dezelfde praatjes. Toen zeide Nicostratus: Kom
er uit. Daarop zei hij tot hem: Wat zegt gij te hebben gezien? Pyrrhus
zeide: Ik geloof, dat gij mij voor gek of begoocheld houdt; ik zag U op
Uw vrouw liggen en toen ik omlaag kwam, zag ik U opstaan en gaan zitten
zooals nu. Nicostratus sprak: Dan waart gij zeker waanzinnig, want wij
hebben, terwijl gij in den perenboom waart, gezeten, zooals gij het nu
ziet. Hierop antwoordde Pyrrhus: Waarom zullen wij er over twisten?
Indien ik U gezien heb, waart gij toch op Uw eigen erf. Nicostratus
verwonderde zich steeds meer, zoodat hij zeide: Ik wil ook wel eens
zien of die perenboom betooverd is en of hij, die er op is, die
wonderen aanschouwt. Toen hij er in geklommen was, begonnnen zij elkaar
te liefkoozen en Nicostratus dit gewaar wordend, schreeuwde: Ah,
slechte vrouw, wat doet gij daar? En gij, Pyrrhus, dien ik het meest
vertrouwde? En bij die woorden klom hij uit den perenboom. De donna en
Pyrrhus zeiden: Laten wij hier gaan zitten; en toen zij hem er uit
zagen komen, gingen zij weer zitten, zooals hij ze verlaten had. Toen
Nicostratus beneden was en hen zag, die hij had achter gelaten, begon
hij hen te schelden. Pyrrhus antwoordde: Nicostratus, nu beken ik
werkelijk, dat ik, gelijk ik zooeven zeide, verkeerd heb gezien, toen
ik in den perenboom zat, want ik weet nu, dat gij verkeerd hebt gezien.
Dat ik de waarheid zeg, toont U, als gij nadenkt, op welke wijze Uw
vrouw, die de eerbaarste en de verstandigste van allen is, zich er
zeker voor in acht zou nemen dit voor Uw oogen te doen en ik liet mij
toch liever villen dan dat ik er aan zou denken zoo in Uw bijzijn te
handelen. Dat gezichtsbedrog moet zeker uit dien boom voortkomen;
daarom zou niemand mij hebben doen gelooven, dat gij U met Uw vrouw
vleeschelijk genoegen zoudt hebben verschaft, als ik het U niet had
hooren zeggen en dat het U zoo scheen, alsof ik het deed.
Hierop stond de donna, die zich zeer kwaad voordeed, op en zeide:
Verwenscht zij het uur, waarop gij het er voor houdt, dat ik mij zou
overgeven aan zulke treurige dingen, als gij zegt te hebhen gezien.
Wees er zeker van, dat, als ik zoo iets wilde, ik het in een van onze
kamers zou doen en op zulk een wijze, dat het voor U moeilijk zou zijn
het ooit te weten te komen. Nicostratus, wien het waar scheen, dat zij
zich nooit voor zijn oogen tot zoo iets lieten voeren, sprak niet meer,
staakte de verwijten en begon over het wonder te spreken. Maar de
donna, die zich over Nicostratus’ meening boos toonde, sprak: Deze
perenboom zal nooit meer aan mij, noch aan een andere donna zulk een
schande doen; daarom, Pyrrhus, haal een bijl en wreek tegelijk U en mij
door hem om te kappen, hoewel het mij beter schijnt daarmee op het
hoofd van mijn man te slaan, die zonder nadenken zoo spoedig het
verstand door de oogen liet verblinden; want hoewel het zoo scheen,
moest gij toch door het oordeel van Uw geest begrijpen, dat het niet
zoo was. Pyrrhus haalde haastig de bijl en hakte den perenboom om; toen
de donna dien zag vallen, zeide zij tot Nicostratus: Nu ik den vijand
van mijn eer geveld zie, is mijn toorn verdwenen en zij vergaf den
smeekenden Nicostratus welwillend en drukte hem op het hart, dat hij
niet meer zou verdenken haar, die hem meer dan zichzelf liefhad. Zoo
keerde de misleide echtgenoot met haar en haar minnaar terug naar zijn
woning en sedert verschaften Pyrrhus met Lydia en zij met hem zich
verscheidene malen met meer gemak genoegen en vermaak. God geve er van
aan ons.