ACHTSTE VERTELLING.

Een echtgenoot wordt jaloersch op zijn vrouw. De ega doet zich ’s

nachts een draad aan den teen om te weten of haar minnaar tot haar

zal komen. De echtgenoot merkt dit en terwijl hij den minnaar

nagaat, laat de donna in haar plaats een andere vrouw op het bed

liggen, welke de echtgenoot slaag geeft en wien hij de haren

uittrekt. Dan gaat hij naar de broeders van zijn vrouw, die

bevindend, dat dit niet waar is, hem beleedigen.

Het scheen aan allen, dat madonna Beatrice zonderling arglistig geweest

was bij het misleiden van haar echtgenoot en ieder beweerde, dat de

angst van Anichino zeer groot moest geweest zijn. De koning keerde zich

tot Neifile en zei: Spreekt gij nu. Deze een weinig glimlachend begon:

Schoone donna’s. Het is lastig U een fraaier vertelling te doen dan

die, welke U tot heden hebben bevredigd, maar met Gods hulp hoop ik mij

er wel door te slaan.

In onze stad leefde vroeger een zeer rijk koopman Arriguccio

Berlinghieri, die dwaas, gelijk kooplieden zijn, dacht zich door een

huwelijk in den adelstand te verheffen, met een jonge edelvrouw

trouwde, welke slecht bij hem paste en monna Sismonda heette. Deze,

daar hij zooals kooplieden gewoon zijn, veel naar buiten ging en weinig

bij haar was, werd verliefd op een jonkman Ruberto genaamd, die haar

lang had begeerd. Zij sloot vriendschap met hem; dit verheugde hem en

alles ging minder in stilte en daarvan was het gevolg, dat Arriguccio

er iets van merkte, het reizen staakte, de ijverzuchtigste man ter

wereld werd en er zich aan wijdde haar goed te bewaken. Hij sliep

nooit, als hij haar niet het eerst naar bed had zien gaan. Hierdoor

gevoelde de donna zeer hevige smart, daar zij op die wijze niets aan

Ruberto kon hebben. Evenwel na rijp beraad kwam het in haar op aldus te

handelen: De kamer was zeer ver van de straat en meermalen had zij

gemerkt, dat Arriguccio moeite had in te slapen maar dan zeer sterk

sliep. Zij kon Ruberto dan te middernacht aan de deur van het huis

laten komen en hem open doen en eenigen tijd bij hem blijven. En om te

weten, wanneer hij zou komen, legde zij een draad uit het venster van

haar kamer, welke met een der uiteinden de aarde raakte en waarvan het

andere einde neergelaten op den vloer en tot haar bed leidend onder de

dekens zou voeren en dien zij dan aan den grooten teen van haar voet

zou doen. Zij liet het aan Ruberto zeggen en gelastte hem, als hij

kwam, aan den draad te trekken en zij zou dien laten schieten, als haar

man sliep, en daarna de deur openen, maar als hij niet sliep, zou ze

den draad vasthouden en naar zich toetrekken, opdat hij niet behoefde

te wachten.

Dit beviel aan Ruberto en daar hij er dikwijls op af ging, was hij soms

met haar en dan weer niet. Die handelwijze duurde voort, totdat op een

nacht, dat de donna sliep, Arriguccio den voet uit het bed stekend,

dien draad vond. Nadat hij de hand er op gelegd had en zag, dat die aan

de teen van de donna was bevestigd, zeide hij tot zich zelf: Dat moet

bedrog zijn. En toen hij merkte, dat de draad uit het venster liep,

hield hij het voor zeker, en knipte dien zachtjes af, bond hem aan den

zijne en bleef aandachtig afwachten. Het duurde niet lang of Ruberto

kwam na aan den draad te hebben getrokken. Arriguccio werd dit gewaar

en daar hij hem niet had weten te binden en Ruberto sterk trok, meende

hij te moeten wachten. Arriguccio stond haastig op, nam zijn wapens

mee, en liep naar de deur om te zien wie dat was. Nu was Arriguccio,

hoewel koopman, dapper en sterk en toen hij de deur opende en Ruberto

hem gewaar werd, vermoedde hij, dat het Arriguccio moest zijn. Daarom

vluchtte hij haastig en Arriguccio volgde hem. Toen ten slotte Ruberto

een heel een eind weg was en Arriguccio hem steeds naijlde en daar ook

Ruberto gewapend was, trok hij den degen, keerde zich om en zij

begonnen te vechten. Toen Arriguccio de kamer geopend had, werd de

donna wakker, vond den draad doorgeknipt en bemerkte, dat haar bedrog

ontdekt was en daar zij zag, dat Arriguccio Ruberto was nageloopen,

stond zij snel op. Zij riep haar meid, die alles wist en smeekte haar

zoo, dat die er in toestemde in haar plaats op het bed te gaan liggen,

en bad, dat zij, zonder zich te doen kennen, die behandeling zou

ondergaan, welke Arriguccio haar zou aandoen. Zij zou er haar zóó voor

beloonen, dat zij zich niet zou hebben te beklagen. Nadat zij het licht

had uitgedaan, dat in de kamer brandde, ging zij in een hoek van het

huis verborgen afwachten, wat er zou gebeuren. De buren, die het

gerucht hoorden van het gevecht tusschen Arriguccio en Ruberto, stonden

op en begonnen hen te schelden, waarop Arriguccio, bevreesd herkend te

worden, den jonkman liet gaan zonder te weten wie hij was en zonder hem

te kwetsen en in toorn thuis kwam. In zijn kamer begon hij woedend te

roepen: Waar ben je, boos wijf! Je hebt het licht uitgedaan, opdat ik

je niet zal vinden, maar je hebt je vergist. Hij ging naar het bed en

geloovend er de vrouw te pakken, nam hij de meid beet en zoover hij

haar aan handen en voeten kon voortsleuren, gaf hij haar zooveel

stompen en trappen, dat hij haar het geheele gezicht verminkte en ten

slotte trok hij haar de haren uit, terwijl hij haar voortdurend de

grootste scheldwoorden toevoegde. De meid weeklaagde, alsof zij

werkelijk schuld had en te meer, omdat zij soms riep: Wee mij, genade

om Gods wil; o houd op! En haar stem was zoo door haar geschrei

veranderd en Arriguccio zoo verblind van woede, dat hij niet had kunnen

zien, dat het een andere vrouw was dan de zijne. Terwijl hij haar meer

dan zij verdiend had, sloeg, sprak hij: Boos wijf, ik heb geen plan je

verder te straffen, maar ik zal naar Uw broeders gaan en hun je goede

werken vertellen en laten die dan maar hier komen en doen wat zij

denken, dat jou eer aanbrengt en je meenemen, want gij zult niet meer

in dit huis blijven. Bij die woorden ging hij uit de kamer, sloot die

van buiten en ging weg.

Toen monna Sismonda bemerkte, dat de echtgenoot was heengegaan, maakte

zij de kamer open, stak het licht weer aan en vond de meid geheel

verwond, die luid schreide. Zij troostte haar en bracht haar naar haar

kamer, waar zij haar in stilte verzorgde en gaf haar zooveel geld van

Arriguccio, dat zij er tevreden over was. Daarna maakte zij haar bed in

orde, bracht alles weer in goeden staat, alsof er dien nacht niemand

had geslapen, stak de lamp weer aan en kleedde zich weer. Nadat zij een

licht had aangestoken, ging zij boven aan de trap zitten en begon zij

te naaien en af te wachten. Arriguccio ging, zoo gauw hij kon, naar het

huis der broeders van zijn vrouw en klopte er zoo hard aan, dat men hem

open deed. Deze broeders, drie in getal en hun moeder, zagen, dat het

Arriguccio was, en stonden allen op. Nadat zij lichten hadden

aangestoken, gingen zij naar hem toe en vroegen hem, wat hij op dit uur

en zoo alleen kwam zoeken. Arriguccio vertelde alles, wat hij had

ontdekt en gedaan, en om hun volledige getuigenis te geven, stelde hij

de haren, die hij de vrouw meende uitgerukt te hebben ter hand en

vroeg, dat zij zouden doen, wat aan hun eer paste, omdat hij haar niet

verder in huis wilde houden. De broeders van de donna waren zeer

vertoornd, vertrouwden er vast op, lieten toortsen aansteken en om haar

een leelijke poets te bakken gingen zij met Arriguccio op weg. De

moeder volgde weenend en smeekte hen, dat zij alles niet dadelijk

moesten gelooven, omdat de echtgenoot om een andere reden boos op haar

kon zijn en haar kwaad kon hebben gedaan. Zij zeide ook zich te

verbazen, omdat zij haar dochter wel kende, daar zij haar had opgevoed

en zoo meer. Toen zij het huis van Arriguccio binnen waren gegaan,

klommen zij de trappen op. Monna Sismonda zeide: Wie is daar? Waarop

een der broeders antwoordde: Dat zult gij wel weten, slechte meid.

Monna Sismonda hernam: Wat wilt gij daarmee zeggen? God helpe mij. En

opgestaan ging zij voort: Broeders, gij zijt welkom; wat zoekt gij alle

drie op dit uur?

Dezen zagen haar zitten naaien en zonder eenig teeken op het gezicht,

terwijl Arriguccio had gezegd, dat zij geheel verwond was, en waren bij

de ontmoeting verwonderd, bedwongen hun toorn en vroegen, waarom

Arriguccio zich over haar beklaagde en bedreigden haar zeer, zoo zij

niet alles vertelde. De donna sprak: Ik weet niet, wat ik daarop moet

zeggen en waarom Arriguccio zich over mij beklagen moet. Arriguccio

keek verbaasd, daar hij zich herinnerde, hoe hij haar geslagen had en

haar nu zag, alsof er niets gebeurd was. In het kort vertelden de

broeders haar, wat Arriguccio had gezegd. De donna sprak: Wee mij, man,

wat hoor ik? Waarom laat gij mij doorgaan voor een slechte vrouw tot Uw

groote schande en U zelf voor een slecht en wreed man? En wanneer hebt

gij mij dezen nacht geslagen? Arriguccio zeide: Wat, slechte vrouw,

zijn wij niet samen naar bed gegaan? Ben ik niet terug gekeerd na Uw

minnaar te hebben achtervolgd? Heb ik U niet geslagen en de haren

uitgetrokken? De donna antwoordde: Gij hebt hier niet geslapen. Maar

dat daargelaten, want ik kan niet anders dan de waarheid zeggen, en

laten wij ons houden aan wat gij zegt: Gij hebt mij nooit geslagen en

allen, die hier zijn, ziet of ik er eenig teeken van op mijn lichaam

heb. Maar raak mij niet aan, want bij het kruis van God ik zou het U op

het gezicht teekenen. Gij hebt mij ook niet de haren uitgerukt of

misschien zoo, dat ik het niet voelde. En nadat zij de sluiers van haar

hoofd had opgelicht, toonde zij, dat de haren niet uitgetrokken waren.

De broeders en de moeder zeiden tot Arriguccio: Wat zegt gij nu,

Arriguccio? Dat is toch niet, wat gij zeide te hebben gedaan; wij weten

niet, hoe gij het overige zult bewijzen. Arriguccio stond als in een

droom en wilde toch spreken, maar dit alles ziende, durfde hij niets

zeggen. De donna sprak: Broeders, ik zie, dat hij wegging om te maken,

dat ik zou doen, wat ik nooit wilde, maar nu zal ik U zijn gebreken en

boosheden vertellen. Ik geloof zeker, dat, wat hij U gezegd heeft,

gebeurd is; hoor hoe: Die waardige man, aan wien gij mij te kwader uur

tot vrouw hebt gegeven, wil koopman zijn en vertrouwen hebben en hij,

die gematigder moet zijn dan een monnik en fatsoenlijker dan een

meisje, heeft maar weinig avonden, dat hij zich niet bedrinkt in de

kroegen en met slechte vrouwen omgaat en mij laat hij dikwijls tot

middernacht en tot in den nacht wachten. Ik ben er zeker van, dat hij,

als hij goed dronken is, met zoo’n treurig schepsel gaat slapen en bij

haar opgestaan een draad aan den voet vond en daarna al die

geweldenarijen verrichtte en dat hij haar geslagen heeft en de haren

heeft uitgerukt en dat hij nog niet goed tot zichzelf gekomen geloofde

dat mij te hebben gedaan. En als gij hem goed aanziet, is hij nog half

dronken. Maar toch, wat hij ook van mij gezegd heeft, ik wil, dat gij

er niet meer rekening mee houdt dan met de woorden van een dronken man

en omdat ik hem vergeef, moet gij het hem ook doen.

Haar moeder, die deze woorden hoorde, schreeuwde: Bij het kruis van

God, men moest deze verachtelijke en ondankbare hond dooden, want hij

is een dochter als gij zijt niet waardig. Waarachtig, het zou wat

anders zijn, als hij U uit de goot had opgehaald. Hij mag voortaan een

slecht leven hebben, indien gij gekweld moet worden door een

koopmannetje van ezelsdrek, zooals ze hier van het land komen en van

lage familie, gekleed in laken van Romagna, met de kousen op de hakken,

met de veer op hun achterwerk, en die, als ze drie stuivers rijk zijn,

de dochters van edellieden willen hebben en voorname vrouwen, zich

wapens laten schilderen en zeggen: Ik ben van die en die familie en die

van mijn huis hebben dit of dat gedaan. Hadden mijn zonen mijn raad

maar gevolgd, dan hadden zij U eervol kunnen doen opnemen in het huis

der graven van Guidi met een bruidschat, maar zij hebben U toch aan die

schoone vreugde van mijn ziel gegeven, die, hoewel gij de eerbaarste

dochter van Florence zijt, zich niet geschaamd heeft te middernacht te

zeggen, dat gij een lichte vrouw zijt, alsof wij U niet kennen, maar

bij het geloof aan God, indien jullie naar mij geluisterd hadt, zou men

hem zulk een kastijding geven, dat hij er berouw van zou hebben. En

zich naar haar kinderen keerend, zeide zij: Mijn zonen, hebt gij

gehoord, hoe Uw goede zwager Uw zuster behandelt? Het is een

koopmannetje van vier stuiver. Neen, als ik jullie was, zou ik niet

tevreden zijn, voor ik hem uit de wereld gestuurd had. En als ik een

man was, zou ik mij zelf er mee belasten. Heer, straf hem, dien

treurigen dronkelap, die geen schaamtegevoel heeft. Toen voegden de

jongelieden Arriguccio de grootste beleediging toe, die ooit aan een

slecht man gezegd was en zeiden: Wij vergeven U dit, omdat gij dronken

waart, maar pas er je heele leven voor op niet meer zulke vertelsels te

laten hooren, want heusch, als zoo iets ons weer ter ooren komt, zullen

wij het U betalen. Bij die woorden gingen zij heen. Arriguccio, die als

een dwaas achterbleef, wist zelf niet, of hij waakte of droomde en

zonder er meer over te spreken, liet hij de vrouw met vrede. Deze

ontkwam niet alleen met haar sluwheid het dreigend gevaar, maar baande

zich den weg om de gelegenheid te hebben zich elk genoegen te

verschaffen zonder eenige vrees voor haar echtgenoot.

De Decamerone van Boccaccio · 第 77 / 116 题