Een echtgenoot wordt jaloersch op zijn vrouw. De ega doet zich ’s
nachts een draad aan den teen om te weten of haar minnaar tot haar
zal komen. De echtgenoot merkt dit en terwijl hij den minnaar
nagaat, laat de donna in haar plaats een andere vrouw op het bed
liggen, welke de echtgenoot slaag geeft en wien hij de haren
uittrekt. Dan gaat hij naar de broeders van zijn vrouw, die
bevindend, dat dit niet waar is, hem beleedigen.
Het scheen aan allen, dat madonna Beatrice zonderling arglistig geweest
was bij het misleiden van haar echtgenoot en ieder beweerde, dat de
angst van Anichino zeer groot moest geweest zijn. De koning keerde zich
tot Neifile en zei: Spreekt gij nu. Deze een weinig glimlachend begon:
Schoone donna’s. Het is lastig U een fraaier vertelling te doen dan
die, welke U tot heden hebben bevredigd, maar met Gods hulp hoop ik mij
er wel door te slaan.
In onze stad leefde vroeger een zeer rijk koopman Arriguccio
Berlinghieri, die dwaas, gelijk kooplieden zijn, dacht zich door een
huwelijk in den adelstand te verheffen, met een jonge edelvrouw
trouwde, welke slecht bij hem paste en monna Sismonda heette. Deze,
daar hij zooals kooplieden gewoon zijn, veel naar buiten ging en weinig
bij haar was, werd verliefd op een jonkman Ruberto genaamd, die haar
lang had begeerd. Zij sloot vriendschap met hem; dit verheugde hem en
alles ging minder in stilte en daarvan was het gevolg, dat Arriguccio
er iets van merkte, het reizen staakte, de ijverzuchtigste man ter
wereld werd en er zich aan wijdde haar goed te bewaken. Hij sliep
nooit, als hij haar niet het eerst naar bed had zien gaan. Hierdoor
gevoelde de donna zeer hevige smart, daar zij op die wijze niets aan
Ruberto kon hebben. Evenwel na rijp beraad kwam het in haar op aldus te
handelen: De kamer was zeer ver van de straat en meermalen had zij
gemerkt, dat Arriguccio moeite had in te slapen maar dan zeer sterk
sliep. Zij kon Ruberto dan te middernacht aan de deur van het huis
laten komen en hem open doen en eenigen tijd bij hem blijven. En om te
weten, wanneer hij zou komen, legde zij een draad uit het venster van
haar kamer, welke met een der uiteinden de aarde raakte en waarvan het
andere einde neergelaten op den vloer en tot haar bed leidend onder de
dekens zou voeren en dien zij dan aan den grooten teen van haar voet
zou doen. Zij liet het aan Ruberto zeggen en gelastte hem, als hij
kwam, aan den draad te trekken en zij zou dien laten schieten, als haar
man sliep, en daarna de deur openen, maar als hij niet sliep, zou ze
den draad vasthouden en naar zich toetrekken, opdat hij niet behoefde
te wachten.
Dit beviel aan Ruberto en daar hij er dikwijls op af ging, was hij soms
met haar en dan weer niet. Die handelwijze duurde voort, totdat op een
nacht, dat de donna sliep, Arriguccio den voet uit het bed stekend,
dien draad vond. Nadat hij de hand er op gelegd had en zag, dat die aan
de teen van de donna was bevestigd, zeide hij tot zich zelf: Dat moet
bedrog zijn. En toen hij merkte, dat de draad uit het venster liep,
hield hij het voor zeker, en knipte dien zachtjes af, bond hem aan den
zijne en bleef aandachtig afwachten. Het duurde niet lang of Ruberto
kwam na aan den draad te hebben getrokken. Arriguccio werd dit gewaar
en daar hij hem niet had weten te binden en Ruberto sterk trok, meende
hij te moeten wachten. Arriguccio stond haastig op, nam zijn wapens
mee, en liep naar de deur om te zien wie dat was. Nu was Arriguccio,
hoewel koopman, dapper en sterk en toen hij de deur opende en Ruberto
hem gewaar werd, vermoedde hij, dat het Arriguccio moest zijn. Daarom
vluchtte hij haastig en Arriguccio volgde hem. Toen ten slotte Ruberto
een heel een eind weg was en Arriguccio hem steeds naijlde en daar ook
Ruberto gewapend was, trok hij den degen, keerde zich om en zij
begonnen te vechten. Toen Arriguccio de kamer geopend had, werd de
donna wakker, vond den draad doorgeknipt en bemerkte, dat haar bedrog
ontdekt was en daar zij zag, dat Arriguccio Ruberto was nageloopen,
stond zij snel op. Zij riep haar meid, die alles wist en smeekte haar
zoo, dat die er in toestemde in haar plaats op het bed te gaan liggen,
en bad, dat zij, zonder zich te doen kennen, die behandeling zou
ondergaan, welke Arriguccio haar zou aandoen. Zij zou er haar zóó voor
beloonen, dat zij zich niet zou hebben te beklagen. Nadat zij het licht
had uitgedaan, dat in de kamer brandde, ging zij in een hoek van het
huis verborgen afwachten, wat er zou gebeuren. De buren, die het
gerucht hoorden van het gevecht tusschen Arriguccio en Ruberto, stonden
op en begonnen hen te schelden, waarop Arriguccio, bevreesd herkend te
worden, den jonkman liet gaan zonder te weten wie hij was en zonder hem
te kwetsen en in toorn thuis kwam. In zijn kamer begon hij woedend te
roepen: Waar ben je, boos wijf! Je hebt het licht uitgedaan, opdat ik
je niet zal vinden, maar je hebt je vergist. Hij ging naar het bed en
geloovend er de vrouw te pakken, nam hij de meid beet en zoover hij
haar aan handen en voeten kon voortsleuren, gaf hij haar zooveel
stompen en trappen, dat hij haar het geheele gezicht verminkte en ten
slotte trok hij haar de haren uit, terwijl hij haar voortdurend de
grootste scheldwoorden toevoegde. De meid weeklaagde, alsof zij
werkelijk schuld had en te meer, omdat zij soms riep: Wee mij, genade
om Gods wil; o houd op! En haar stem was zoo door haar geschrei
veranderd en Arriguccio zoo verblind van woede, dat hij niet had kunnen
zien, dat het een andere vrouw was dan de zijne. Terwijl hij haar meer
dan zij verdiend had, sloeg, sprak hij: Boos wijf, ik heb geen plan je
verder te straffen, maar ik zal naar Uw broeders gaan en hun je goede
werken vertellen en laten die dan maar hier komen en doen wat zij
denken, dat jou eer aanbrengt en je meenemen, want gij zult niet meer
in dit huis blijven. Bij die woorden ging hij uit de kamer, sloot die
van buiten en ging weg.
Toen monna Sismonda bemerkte, dat de echtgenoot was heengegaan, maakte
zij de kamer open, stak het licht weer aan en vond de meid geheel
verwond, die luid schreide. Zij troostte haar en bracht haar naar haar
kamer, waar zij haar in stilte verzorgde en gaf haar zooveel geld van
Arriguccio, dat zij er tevreden over was. Daarna maakte zij haar bed in
orde, bracht alles weer in goeden staat, alsof er dien nacht niemand
had geslapen, stak de lamp weer aan en kleedde zich weer. Nadat zij een
licht had aangestoken, ging zij boven aan de trap zitten en begon zij
te naaien en af te wachten. Arriguccio ging, zoo gauw hij kon, naar het
huis der broeders van zijn vrouw en klopte er zoo hard aan, dat men hem
open deed. Deze broeders, drie in getal en hun moeder, zagen, dat het
Arriguccio was, en stonden allen op. Nadat zij lichten hadden
aangestoken, gingen zij naar hem toe en vroegen hem, wat hij op dit uur
en zoo alleen kwam zoeken. Arriguccio vertelde alles, wat hij had
ontdekt en gedaan, en om hun volledige getuigenis te geven, stelde hij
de haren, die hij de vrouw meende uitgerukt te hebben ter hand en
vroeg, dat zij zouden doen, wat aan hun eer paste, omdat hij haar niet
verder in huis wilde houden. De broeders van de donna waren zeer
vertoornd, vertrouwden er vast op, lieten toortsen aansteken en om haar
een leelijke poets te bakken gingen zij met Arriguccio op weg. De
moeder volgde weenend en smeekte hen, dat zij alles niet dadelijk
moesten gelooven, omdat de echtgenoot om een andere reden boos op haar
kon zijn en haar kwaad kon hebben gedaan. Zij zeide ook zich te
verbazen, omdat zij haar dochter wel kende, daar zij haar had opgevoed
en zoo meer. Toen zij het huis van Arriguccio binnen waren gegaan,
klommen zij de trappen op. Monna Sismonda zeide: Wie is daar? Waarop
een der broeders antwoordde: Dat zult gij wel weten, slechte meid.
Monna Sismonda hernam: Wat wilt gij daarmee zeggen? God helpe mij. En
opgestaan ging zij voort: Broeders, gij zijt welkom; wat zoekt gij alle
drie op dit uur?
Dezen zagen haar zitten naaien en zonder eenig teeken op het gezicht,
terwijl Arriguccio had gezegd, dat zij geheel verwond was, en waren bij
de ontmoeting verwonderd, bedwongen hun toorn en vroegen, waarom
Arriguccio zich over haar beklaagde en bedreigden haar zeer, zoo zij
niet alles vertelde. De donna sprak: Ik weet niet, wat ik daarop moet
zeggen en waarom Arriguccio zich over mij beklagen moet. Arriguccio
keek verbaasd, daar hij zich herinnerde, hoe hij haar geslagen had en
haar nu zag, alsof er niets gebeurd was. In het kort vertelden de
broeders haar, wat Arriguccio had gezegd. De donna sprak: Wee mij, man,
wat hoor ik? Waarom laat gij mij doorgaan voor een slechte vrouw tot Uw
groote schande en U zelf voor een slecht en wreed man? En wanneer hebt
gij mij dezen nacht geslagen? Arriguccio zeide: Wat, slechte vrouw,
zijn wij niet samen naar bed gegaan? Ben ik niet terug gekeerd na Uw
minnaar te hebben achtervolgd? Heb ik U niet geslagen en de haren
uitgetrokken? De donna antwoordde: Gij hebt hier niet geslapen. Maar
dat daargelaten, want ik kan niet anders dan de waarheid zeggen, en
laten wij ons houden aan wat gij zegt: Gij hebt mij nooit geslagen en
allen, die hier zijn, ziet of ik er eenig teeken van op mijn lichaam
heb. Maar raak mij niet aan, want bij het kruis van God ik zou het U op
het gezicht teekenen. Gij hebt mij ook niet de haren uitgerukt of
misschien zoo, dat ik het niet voelde. En nadat zij de sluiers van haar
hoofd had opgelicht, toonde zij, dat de haren niet uitgetrokken waren.
De broeders en de moeder zeiden tot Arriguccio: Wat zegt gij nu,
Arriguccio? Dat is toch niet, wat gij zeide te hebben gedaan; wij weten
niet, hoe gij het overige zult bewijzen. Arriguccio stond als in een
droom en wilde toch spreken, maar dit alles ziende, durfde hij niets
zeggen. De donna sprak: Broeders, ik zie, dat hij wegging om te maken,
dat ik zou doen, wat ik nooit wilde, maar nu zal ik U zijn gebreken en
boosheden vertellen. Ik geloof zeker, dat, wat hij U gezegd heeft,
gebeurd is; hoor hoe: Die waardige man, aan wien gij mij te kwader uur
tot vrouw hebt gegeven, wil koopman zijn en vertrouwen hebben en hij,
die gematigder moet zijn dan een monnik en fatsoenlijker dan een
meisje, heeft maar weinig avonden, dat hij zich niet bedrinkt in de
kroegen en met slechte vrouwen omgaat en mij laat hij dikwijls tot
middernacht en tot in den nacht wachten. Ik ben er zeker van, dat hij,
als hij goed dronken is, met zoo’n treurig schepsel gaat slapen en bij
haar opgestaan een draad aan den voet vond en daarna al die
geweldenarijen verrichtte en dat hij haar geslagen heeft en de haren
heeft uitgerukt en dat hij nog niet goed tot zichzelf gekomen geloofde
dat mij te hebben gedaan. En als gij hem goed aanziet, is hij nog half
dronken. Maar toch, wat hij ook van mij gezegd heeft, ik wil, dat gij
er niet meer rekening mee houdt dan met de woorden van een dronken man
en omdat ik hem vergeef, moet gij het hem ook doen.
Haar moeder, die deze woorden hoorde, schreeuwde: Bij het kruis van
God, men moest deze verachtelijke en ondankbare hond dooden, want hij
is een dochter als gij zijt niet waardig. Waarachtig, het zou wat
anders zijn, als hij U uit de goot had opgehaald. Hij mag voortaan een
slecht leven hebben, indien gij gekweld moet worden door een
koopmannetje van ezelsdrek, zooals ze hier van het land komen en van
lage familie, gekleed in laken van Romagna, met de kousen op de hakken,
met de veer op hun achterwerk, en die, als ze drie stuivers rijk zijn,
de dochters van edellieden willen hebben en voorname vrouwen, zich
wapens laten schilderen en zeggen: Ik ben van die en die familie en die
van mijn huis hebben dit of dat gedaan. Hadden mijn zonen mijn raad
maar gevolgd, dan hadden zij U eervol kunnen doen opnemen in het huis
der graven van Guidi met een bruidschat, maar zij hebben U toch aan die
schoone vreugde van mijn ziel gegeven, die, hoewel gij de eerbaarste
dochter van Florence zijt, zich niet geschaamd heeft te middernacht te
zeggen, dat gij een lichte vrouw zijt, alsof wij U niet kennen, maar
bij het geloof aan God, indien jullie naar mij geluisterd hadt, zou men
hem zulk een kastijding geven, dat hij er berouw van zou hebben. En
zich naar haar kinderen keerend, zeide zij: Mijn zonen, hebt gij
gehoord, hoe Uw goede zwager Uw zuster behandelt? Het is een
koopmannetje van vier stuiver. Neen, als ik jullie was, zou ik niet
tevreden zijn, voor ik hem uit de wereld gestuurd had. En als ik een
man was, zou ik mij zelf er mee belasten. Heer, straf hem, dien
treurigen dronkelap, die geen schaamtegevoel heeft. Toen voegden de
jongelieden Arriguccio de grootste beleediging toe, die ooit aan een
slecht man gezegd was en zeiden: Wij vergeven U dit, omdat gij dronken
waart, maar pas er je heele leven voor op niet meer zulke vertelsels te
laten hooren, want heusch, als zoo iets ons weer ter ooren komt, zullen
wij het U betalen. Bij die woorden gingen zij heen. Arriguccio, die als
een dwaas achterbleef, wist zelf niet, of hij waakte of droomde en
zonder er meer over te spreken, liet hij de vrouw met vrede. Deze
ontkwam niet alleen met haar sluwheid het dreigend gevaar, maar baande
zich den weg om de gelegenheid te hebben zich elk genoegen te
verschaffen zonder eenige vrees voor haar echtgenoot.