TIENDE VERTELLING.

Twee Sieneezen beminnen een dame, een petemoei van een hunner. De

peetvader sterft, komt volgens de hem gedane belofte zijn vriend

opzoeken en vertelt hem, hoe het er uitziet in de andere wereld.

Alleen de koning moest nog vertelllen, welke, toen hij de donna’s zeer

treurig zag over den val van den perenboom, die het niet helpen kon,

begon: Het is zeer duidelijk, dat elk rechtvaardig koning de eerste

dienaar der wetten moet zijn door hem gemaakt en als hij anders

handelt, moet men hem beschouwen als een lijfeigene, waardig om

gestraft te worden. Het is waar, dat ik gisteren de wet stellend voor

onze verhalen van heden, niet de bedoeling had van mijn voorrecht

gebruik te maken en niet over het onderwerp te spreken, hetgeen gij

allen behandelde. Niet alleen is er verteld, waarover ik zelf had

willen spreken, maar er is zooveel schoons gezegd, dat, hoe ik ook

zoek, mij er geen invalt, dat ik in verband met dit onderwerp met dit

verhaalde zou kunnen vergelijken en daar ik dus moet zondigen tegen

mijn wetten en strafbaar ben, verklaar ik mij bereid tot elke boete. De

geschiedenis door Elisa verteld van den peetvader en peetmoeder en de

dwaasheid der Sieneezen hebben zooveel kracht, zeer geliefde donna’s,

dat ik, daargelaten de grappen door slimme vrouwen met hun echtgenooten

uitgehaald, er toe gedreven word u een geschiedenis te vertellen, die,

hoewel er veel ongeloofelijks in voorkomt, toch aardig is.

Er leefden dan in Siena twee jongelieden uit het volk, waarvan de een

Tingoccio Mini en de ander Meuccio di Tura heette. Zij woonden bij de

Salaja-poort, gingen altijd samen en waren zeer bevriend. Zij gingen

veel naar de kerken en de preeken en hadden meermalen gehoord van hen,

die stierven en van de glorie en van de ellende der ziel hiernamaals.

Omdat zij daaromtrent zekerheid verlangden, beloofden zij elkaar, dat

wie het eerst van hen dood zou gaan, zoo hij kon, zou terugkeeren en

nieuws zou vertellen aan hem, die overbleef, en dit bevestigden zij met

een eed. Het gebeurde eens, dat Tingoccio peet werd van zekeren

Ambruogio Anselmini te Campi Reggi, welke van zijn vrouw, monna Mila

een zoon had gekregen. Deze Tingoccio bezocht eens met Meuccio zijn

peettante, die een zeer schoone en begeerlijke donna was.

Niettegenstaande het peetschap werd hij op haar verliefd en insgelijks

Meuccio, dien zij ook zeer beviel en die haar door Tingoccio zeer had

hooren prijzen. De een verborg die liefde voor den ander maar niet om

dezelfde reden. Tingoccio waakte er voor die aan Meuccio toe te

vertrouwen, daar het hem scheen de peettante lief te hebben en hij zou

zich geschaamd hebben, als iemand het had geweten. Meuccio nam zich er

voor in acht, maar omdat hij gewaar werd, dat zij Tingoccio behoorde.

Daarom zeide hij: Als ik dit openbaar, zal hij jaloersch op mij worden

en daar hij recht van spreken heeft, zal hij mij zoo hatelijk mogelijk

maken en zoo zal ik nooit kans hebben haar te behagen. Nu gebeurde het,

dat Tingoccio, wien het het gemakkelijkst viel zijn verlangen aan de

donna te bekennen, zoo te werk ging, dat hij van haar genoegen had,

hetgeen Meuccio merkte. En hoezeer het hem mishaagde, toch in de hoop

eens het doel van zijn begeerte te bereiken, opdat Tingoccio geen

aanleiding of grond had zijn plan te vernietigen, deed hij toch of hij

niets bespeurde en zoo beminden de beide metgezellen de een gelukkiger

dan de ander. Tingoccio vond op het erf van zijn peettante een zachten

grond en bewerkte dien zóó, dat hij ziek werd en overleed. Drie dagen

na zijn dood kwam hij (daar hij misschien door omstandigheden

verhinderd was) volgens de gedane belofte in de kamer van Meuccio en

riep hem, die stevig sliep. Meuccio ontwaakte en sprak: Wie zijt gij?

Hij antwoordde: Ik ben Tingoccio, die volgens den eed u gedaan, ben

teruggekeerd om U nieuws te vertellen uit de andere wereld. Meuccio

schrikte een weinig, toen hij hem zag, maar toch sprak hij gerust

gesteld: Gij zijt welkom, mijn broeder. En toen vroeg hij hem of hij

verloren was. Tingoccio antwoordde: Verloren zijn de dingen, die niet

worden weer gevonden en hoe zou ik hier kunnen zijn, als ik verloren

was geraakt? O, zei Meuccio, zoo bedoel ik het niet, maar ik meen of

gij onder de verdoemde zielen zijt in het wrekende vuur van de hel?

Toen antwoordde Tingoccio: Zeker niet, maar ik verkeer wel wegens mijn

zonden in pijn en angst. Meuccio vroeg in bijzonderheden aan Tingoccio

welke straf zij voor elke zonde kregen. Tingoccio meldde die allen.

Meuccio vroeg hem of hij iets voor hem doen kon. Toen antwoordde

Tingoccio: Zeker, door missen voor mij te laten lezen, gebeden te doen

en aalmoezen te geven, omdat die de menschen daar veel hielpen. Meuccio

zeide, dat hij dat graag wilde en toen Tingoccio van hem heen ging,

dacht Meuccio aan de peettante; Nadat hij het hoofd een weinig had

opgeheven, zeide hij: Nu herinner ik het mij, o Tingoccio: welke straf

hebt ge daar gekregen voor de peettante, met welke gij, toen gij hier

waart, geslapen hebt. Tingoccio antwoordde: Mijn broeder, toen ik daar

aankwam, was er iemand, die mijn zonden uit het hoofd scheen te weten

en mij beval op een plaats te gaan, waar ik in de grootste smart mijn

schulden zou beweenen; daar vond ik vele metgezellen tot dezelfde straf

als ik veroordeeld. Ik herinnerde mij, wat ik vroeger gedaan had met de

peettante en verwachtte, dat mij groote straf zou opgelegd worden, en

rilde geheel van schrik, hoewel ik in een zeer fel vuur was. Toen

degene, die naast mij was, dat merkte, zeide hij: Wat hebt gij meer

gedaan dan de anderen; gij huivert in het vuur staande? O, zeide ik,

mijn vriend, ik ben zeer bang voor het vonnis, door een groote zonde,

die ik bedreef. Hij vroeg mij, welke zonde dat was. Ik zeide tot hem:

Die zonde was, dat ik met een peettante sliep en ik heb dit zoo vaak

gedaan, dat ik er de huid bij liet. En hij zeide spottend: Ga, dwaas,

wees niet bang, want hier houdt men geen rekening met peettantes. Toen

ik dit hoorde, stelde ik mij weer gerust. Toen de dag naderde, sprak

hij: Meuccio, handel met God, want ik kan niet langer bij U blijven; en

hij ging heen. Meuccio, die gehoord had, dat men daar beneden met

peettantes geen rekening hield, begon met zijn dwaasheid te spotten,

omdat hij er al velen ontzien had en werd nu verstandiger. En als frate

Rinaldo dat had geweten, had hij niet zooveel praatjes hoeven te

verkoopen, toen hij zijn goede peettante tot zijn genoegen overhaalde.

Zephir had zich al verheven, toen de zon het punt van ondergang naderde

en de koning zijn verhaal geëindigd had. Hij hief zich den krans van

het hoofd, plaatste die op het hoofd van Lauretta en sprak: Madonna, ik

kroon U met Uw eigen naam: de Gelauwerde, als koningin van dit

gezelschap en wat gij voortaan meent voor allen een genoegen en troost

te zijn, zult gij bevelen als heerscheresse. En hij ging zitten.

Lauretta, koningin geworden, liet den hofmeester roepen, aan wien zij

gelastte, dat hij de tafels in de bekoorlijke vallei wat vroeger dan

gewoonlijk liet plaatsen, opdat zij daarna op hun gemak naar hun

verblijf zouden kunnen terugkeeren. Daarna zich wendend tot haar

gezelschap sprak zij: Dioneo wilde gisteren, dat men heden zou spreken

over de poetsen door donna’s gebakken aan hun echtgenooten en indien

het niet was, dat ik mij niet van het soort van den bastaardmopshond

wil toonen, die zich dadelijk wil wreken, zou ik U zeggen, dat men

heden moet spreken van de streken, die mannen jegens hun vrouwen

uithalen. Maar, dat daargelaten, zeg ik, dat elk er aan moet denken er

van te verhalen, welke bedriegerijen, gewoonlijk of de vrouw jegens den

man, of de man jegens de vrouw of de eene jegens den ander pleegt en ik

geloof, dat het hierom niet minder aangenaam zal zijn, dan het vandaag

was en bij die woorden stond zij op en gaf het gezelschap tot aan het

uur van het avondmaal vrijaf. De donna’s en de heeren stonden dus

tegelijk op, van welke eenigen ontschoeid door het heldere water gingen

loopen en anderen zich onder de schoone en rijzige boomen op de groene

weide begaven tot ontspanning. Dioneo en Fiammetta zongen langen tijd

te samen van Arcita en Palemone en aldus brachten zij den tijd tot het

uur van het avondmaal door met het smaken van verschillende genoegens.

Toen dit was aangebroken en zij zich bij het meertje aan den disch

hadden geplaatst, aten zij bij het gezang van duizend vogels verheugd

en steeds verfrischt door een zachten wind, die van de omringende

heuvels kwam zonder eenigen last van de muggen te hebben. En toen de

tafels waren opgenomen en zij een kleinen ommegang hadden gemaakt door

de bekoorlijke vallei, sloegen zij, toen de zon nog hoog stond in het

midden van den vespertijd, zooals het de koningin behaagde, naar hun

gewoon verblijf den weg in met langzamen tred en schertsend en

gekscherend over duizend dingen zoowel over die, waarover dien dag was

gesproken als over anderen, bereikten zij omstreeks den nacht het

schoone verblijf. Daar verjoegen zij met zeer versche wijnen en met

meelspijzen de vermoeienissen van den kleinen tocht en begonnen rondom

de schoone fontein te dansen, dan eens op de maat van den doedelzak van

Tindaro en dan weer bij die der andere instrumenten. Maar ten slotte

beval de koningin, dat Filomena een lied zou zingen, die aldus begon:

Zie, hoe ongelukkig is mijn leven!

Zal het ooit zijn, dat ik kan terugkeeren,

In den toestand, waaruit mij het trieste afscheid voerde?

Zeker ik weet het niet, zoo groot is het vurig verlangen,

Dat ik in de borst draag,

Mij terug te vinden in den staat, waarin ik vroeger was.

O mijn geliefde, o mijn eenige rust,

Die mij het hart benauwt:

Ach, zeg het mij, want anderen vragen

Durf ik het niet, en ik weet niet aan wien.

Helaas, mijn heer, helaas: laat het mij hopen,

Opdat ik mijn verrukte ziel sterken zal.

Ik kan niet herhalen, hoe het genoegen was,

Dat mij zoo heeft ontvlamd,

Want dag noch nacht vond ik rust,

Omdat het gehoor, het gevoel, het gezicht

Met ongewone kracht

Elk voor zich mij met nieuw vuur ontgloeide,

Waar ik geheel in verzeng;

En geen ander dan gij kunt mij sterken

Of mij de verdwenen moed hergeven.

Ach, zeg mij of het zoo moet zijn en wanneer het geschiedt,

Dat ik U ooit vinden zal,

Dat ik die oogen kus, die mij deden smachten van verlangen.

Zeg het mij, mijn zoetelief, mijn ziel,

Wanneer gij hier zult komen,

En bemoedig mij door het spoedig mij te zeggen.

Het verbeiden dure kort,

Totdat gij komen zult, en het blijven lang,

Opdat ik minder treur, daar Amor mij heeft gewond.

Als het gebeurt, dat ik U ooit zal bezitten,

Weet ik niet of ik zoo dwaas zal zijn,

Gelijk ik was, toen ik U liet heengaan;

Ik zal U houden, wat er ook van kome.

En aan Uw zoeten mond

Zal ik mijn verlangen voldoen.

Ik wil er thans niets meer van zeggen.

Kom dan spoedig, kom mij omhelzen

Daar toch de gedachte van den zang mij er toe drijft.

Dit lied deed het geheele gezelschap denken, dat een nieuw en

bekoorlijke liefde Filomena benarde en omdat het door de woorden

scheen, dat zij meer was gewaar worden dan alleen den aanblik van haar

minnaar, hield men haar voor gelukkiger, zoodat er van het gezelschap

jaloersch op haar waren. Maar toen het lied was geëindigd en de

koningin zich herinnerde, dat de volgende dag een Vrijdag was, zeide

zij bekoorlijk tot allen: Gij weet, edele donna’s en gij jongelieden,

dat het morgen den dag is gewijd aan het Lijden onzes Heeren en dat wij

dien, als ik mij wel herinner, vroom vierden, toen Neifile koningin

was, door onze vroolijke vertellingen te staken en hetzelfde zullen wij

den nu volgenden rustdag doen. Daar ik het goede voorbeeld van Neifile

volgen wil, meen ik, dat het een passende zaak is, dat wij morgen en

overmorgen, gelijk wij het vroeger hebben gedaan, ons er van onthouden

geschiedenissen te vertellen en dat wij ons herinneren tot heil van

onze zielen, wat eertijds in die dagen gebeurde. De vrome taal der

koningin beviel aan allen en na hun vrijaf te hebben gegeven, begaven

zich allen ter ruste.

De Decamerone van Boccaccio · 第 79 / 116 题